De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

Strategische agenda (V)SO Klik op het LECSO logo om hier terug te keren. Passend onderwijs Decentralisatie jeugdzorg Wet Kwaliteit (V)SO Bestuurlijke vormgeving.

Verwante presentaties


Presentatie over: "Strategische agenda (V)SO Klik op het LECSO logo om hier terug te keren. Passend onderwijs Decentralisatie jeugdzorg Wet Kwaliteit (V)SO Bestuurlijke vormgeving."— Transcript van de presentatie:

1 Strategische agenda (V)SO Klik op het LECSO logo om hier terug te keren. Passend onderwijs Decentralisatie jeugdzorg Wet Kwaliteit (V)SO Bestuurlijke vormgeving SWV Bestuurlijke vormgeving SWV Bekostiging Tripartiete overeenkomst Tripartiete overeenkomst Ondersteuningsplan Kwaliteitszorg

2 Strategische agenda (V)SO | Voorwoord Overzichtelijk en up-to-date De strategische agenda (V)SO biedt de hoofdlijnen van wetgeving als Passend onderwijs en andere relevante ontwikkelingen. Daarnaast geeft de agenda alle nuttige achtergrondinformatie in de vorm van handreikingen uit het instrumentarium en verdieping door links naar (concept)wetteksten en nuttige websites of artikelen. Overzichtelijk en op één plek geordend per thema. Daarbij kijken we nadrukkelijk naar het verband tussen de verschillende ontwikkelingen en de betekenis daarvan voor het (V)SO. De strategische agenda (V)SO is dan ook bewust niet voorschrijvend. De agenda is voortdurend in ontwikkeling en wordt op basis van de laatste informatie bijgewerkt. Daardoor blijft de strategische agenda up-to–date en goede vindplek voor (achtergrond)informatie en de keuzemogelijkheden voor het (V)SO. Publicatie in delen De strategische agenda wordt tot en met de zomer van 2013 in delen gepubliceerd. Deel 1 en 2 gaan in op:  de bestuurlijke vormgeving van samenwerkingsverbanden;  bekostiging binnen Passend onderwijs;  de tripartiete overeenkomst;  het ondersteuningsplan;  kwaliteitszorg;  de Wet Kwaliteit (V)SO;  de decentralisatie van de jeugdzorg. Deel 3 van de strategische agenda zal naar verwachting begin juli gepubliceerd worden. Hierin komen thema’s aan bod als:  het inspectiekader SO/VSO;  het bestuursakkoord PO. Voor vragen of opmerkingen rondom de strategische agenda kunt u terecht bij Thieu van Hinthum Corine van Helvoirt Marten Schaafsma NB. Om van de volledige functionaliteit van de strategische agenda gebruik te kunnen maken adviseren wij u het dit bestand te downloaden en/of in Adobe Reader te openen. Overzichtelijk en up-to-date De strategische agenda (V)SO biedt de hoofdlijnen van wetgeving als Passend onderwijs en andere relevante ontwikkelingen. Daarnaast geeft de agenda alle nuttige achtergrondinformatie in de vorm van handreikingen uit het instrumentarium en verdieping door links naar (concept)wetteksten en nuttige websites of artikelen. Overzichtelijk en op één plek geordend per thema. Daarbij kijken we nadrukkelijk naar het verband tussen de verschillende ontwikkelingen en de betekenis daarvan voor het (V)SO. De strategische agenda (V)SO is dan ook bewust niet voorschrijvend. De agenda is voortdurend in ontwikkeling en wordt op basis van de laatste informatie bijgewerkt. Daardoor blijft de strategische agenda up-to–date en goede vindplek voor (achtergrond)informatie en de keuzemogelijkheden voor het (V)SO. Publicatie in delen De strategische agenda wordt tot en met de zomer van 2013 in delen gepubliceerd. Deel 1 en 2 gaan in op:  de bestuurlijke vormgeving van samenwerkingsverbanden;  bekostiging binnen Passend onderwijs;  de tripartiete overeenkomst;  het ondersteuningsplan;  kwaliteitszorg;  de Wet Kwaliteit (V)SO;  de decentralisatie van de jeugdzorg. Deel 3 van de strategische agenda zal naar verwachting begin juli gepubliceerd worden. Hierin komen thema’s aan bod als:  het inspectiekader SO/VSO;  het bestuursakkoord PO. Voor vragen of opmerkingen rondom de strategische agenda kunt u terecht bij Thieu van Hinthum Corine van Helvoirt Marten Schaafsma NB. Om van de volledige functionaliteit van de strategische agenda gebruik te kunnen maken adviseren wij u het dit bestand te downloaden en/of in Adobe Reader te openen. Om de links naar bronnen buiten de strategische agenda (V)SO aan te geven maken we gebruik van de volgende iconen: Voor wetteksten:Voor het instrumentarium:Voor overige links: Om de links naar bronnen buiten de strategische agenda (V)SO aan te geven maken we gebruik van de volgende iconen: Voor wetteksten:Voor het instrumentarium:Voor overige links:

3 Bestuurlijke vormgeving | Onderwerpen 1.Inleiding en tijdspadInleiding en tijdspad 2.RechtspersoonRechtspersoon 3.Scheiding bestuur en toezichtScheiding bestuur en toezicht 4.Stemmenverdeling en besluitvormingStemmenverdeling en besluitvorming 5.Bescherming minderhedenBescherming minderheden 6.WerkgeverschapWerkgeverschap 7.Checklist invloedChecklist invloed

4 Bestuurlijke vormgeving | Inleiding en tijdspad Bestuurlijke vormgeving SWV Invoering Passend Onderwijs 1 november 2013: Bestuurlijke vormgeving samenwerkingsverband gereed Toelichting De bestuurlijke vormgeving van de samenwerkingsverbanden Passend onderwijs vormt de eerste belangrijke stap in de stelselwijziging. Op 1 november 2013 dient het samenwerkingsverband te zijn opgericht middels een notariële akte. Doorgaans volgt vorm de inhoud, maar als het om het kiezen van een rechtspersoon gaat, bestaan er slechts nuanceverschillen tussen de mogelijke bestuursvormen. De stemmenverdeling en met name de bescherming van minderheden* zijn punten waarop het (V)SO grote belangen heeft tijdens de bestuurlijke vormgeving. Hierbij gaat het om de vraag of het (V)SO voldoende invloed behoudt om voor de continuïteit en het voortbestaan van de eigen organisatie niet volledig van anderen afhankelijk te zijn. Het voortbestaan van het (V)SO vormt ook in deze fase uiteraard geen doel op zicht is, uiteindelijk gaat het om een passende plek voor elke leerling. * De term minderheid wordt hier gebruikt in strikt juridische zin. Relevant is op welke manier het (V)SO aan tafel zit tijdens de bestuurlijke vormgeving. Het geniet uiteraard de voorkeur om hierbij een positie in te nemen als gelijkwaardige en onmisbare partner in het bieden van een dekkend onderwijs- en ondersteuningsaanbod binnen de regio. Het (V)SO is namelijk een minderheid als het gaat om de leerlingaantallen per bestuur, maar vormt een meerderheid als het gaat over de besteding van het voor extra ondersteuning bedoelde budget van het samenwerkingsverband. De bestuurlijke vormgeving van de samenwerkingsverbanden Passend onderwijs vormt de eerste belangrijke stap in de stelselwijziging. Op 1 november 2013 dient het samenwerkingsverband te zijn opgericht middels een notariële akte. Doorgaans volgt vorm de inhoud, maar als het om het kiezen van een rechtspersoon gaat, bestaan er slechts nuanceverschillen tussen de mogelijke bestuursvormen. De stemmenverdeling en met name de bescherming van minderheden* zijn punten waarop het (V)SO grote belangen heeft tijdens de bestuurlijke vormgeving. Hierbij gaat het om de vraag of het (V)SO voldoende invloed behoudt om voor de continuïteit en het voortbestaan van de eigen organisatie niet volledig van anderen afhankelijk te zijn. Het voortbestaan van het (V)SO vormt ook in deze fase uiteraard geen doel op zicht is, uiteindelijk gaat het om een passende plek voor elke leerling. * De term minderheid wordt hier gebruikt in strikt juridische zin. Relevant is op welke manier het (V)SO aan tafel zit tijdens de bestuurlijke vormgeving. Het geniet uiteraard de voorkeur om hierbij een positie in te nemen als gelijkwaardige en onmisbare partner in het bieden van een dekkend onderwijs- en ondersteuningsaanbod binnen de regio. Het (V)SO is namelijk een minderheid als het gaat om de leerlingaantallen per bestuur, maar vormt een meerderheid als het gaat over de besteding van het voor extra ondersteuning bedoelde budget van het samenwerkingsverband.

5 Bestuurlijke vormgeving | Rechtspersoon Toelichting Hoewel er meer keuzes denkbaar zijn, krijgen de samenwerkingsverbanden Passend onderwijs meestal de juridische vorm als stichting of vereniging. Hiernaast zijn de belangrijkste verschillen weergegeven. Stichting met aansluitingsovereenkomstVereniging met lidmaatschap Stichtingsbestuur is het hoogste bestuurlijk orgaan.Algemene Ledenvereniging (ALV) is het hoogste orgaan. Niet alle aangeslotenen hoeven in het stichtingsbestuur vertegenwoordigd te zijn. Alle leden hebben stemrecht in de ledenvergadering. Besluitvorming in majeure kwesties over meerdere schijven. Controle op/benoeming van het bestuur te beleggen bij een in te richten ‘vergadering van aangeslotenen’ o.i.d. Controle op/benoeming van het bestuur berust q.q. bij de ledenvergadering. Risico van minder commitment aangeslotenen.Leden sterker gecommitteerd. Aansluitingsovereenkomst is statisch; aanpassing vereist bij wijzigende rechten/plichten. Lidmaatschap is dynamisch; aanpassing van rechten/plichten van rechtswege. Aangesloten schoolbesturen zijn van rechtswege niet aansprakelijk voor tekorten van de stichting (maar hebben van rechtswege ook geen aanspraak op een aandeel in positieve resultaten). In de aansluitingsovereenkomst kunnen afwijkende afspraken worden opgenomen. Leden zijn van rechtswege aansprakelijk voor tekorten van de coöperatie (maar hebben van rechtswege ook een aanspraak op een aandeel in positieve resultaten). Deze aansprakelijkheid kan echter statutair worden beperkt (coöperatie BA) of uitgesloten (coöperatie UA). Voordeel: Grotere slagvaardigheid Voordeel: Grotere slagvaardigheid Voordeel: Grotere betrokkenheid leden Voordeel: Grotere betrokkenheid leden Bij Passend onderwijs is inspraak van deelnemers noodzakelijk (vaststelling ondersteuningsplan), zodat bij een stichting toch iets als een raad van aangeslotenen ingesteld dient te worden.

6 Toelichting Samenwerkingsverbanden Passend onderwijs moeten voldoen aan de wettelijke eisen voor adequate bestuurlijke inrichting, met name scheiding van intern toezicht en bestuur. Voor de scheiding van bestuur en intern toezicht zijn de volgende varianten het meest gangbaar: 1.Functionele scheiding van bestuur en toezicht. Hierbij houdt het bestuur intern toezicht maar blijft eindverantwoordelijk en bestuurt de directeur/coördinator op basis van een mandaat, neergelegd in een managementstatuut. 2.Organieke scheiding van bestuur en toezicht. Hierbij heeft de directeur-bestuurder (college van bestuur) statutair de bestuursbevoegdheden en wordt het intern toezicht uitgeoefend door een raad van toezicht. Samenwerkingsverbanden Passend onderwijs moeten voldoen aan de wettelijke eisen voor adequate bestuurlijke inrichting, met name scheiding van intern toezicht en bestuur. Voor de scheiding van bestuur en intern toezicht zijn de volgende varianten het meest gangbaar: 1.Functionele scheiding van bestuur en toezicht. Hierbij houdt het bestuur intern toezicht maar blijft eindverantwoordelijk en bestuurt de directeur/coördinator op basis van een mandaat, neergelegd in een managementstatuut. 2.Organieke scheiding van bestuur en toezicht. Hierbij heeft de directeur-bestuurder (college van bestuur) statutair de bestuursbevoegdheden en wordt het intern toezicht uitgeoefend door een raad van toezicht. Klik hier voor de ‘Handreiking bestuursmodellen’ die door de PO-raad is ontwikkeld. Klik hier voor de ‘Handreiking bestuursmodellen’ die door de PO-raad is ontwikkeld. FunctioneelOrganiek Professionele directeur voert dagelijks beheer op basis van mandaat en bestuur blijft eindverantwoordelijk. Directeur-bestuurder bestuurt en is eindverantwoordelijk. Bestuur houdt intern toezicht maar blijft eindverantwoordelijk. De directeur/coördinator heeft mandaat. Raad van toezicht houdt intern toezicht. Directeur heeft voor een beperkt aantal besluiten goedkeuring vooraf nodig van het bestuur c.q. van de raad van toezicht. Het bestuur c.q. de raad van toezicht wordt achteraf geïnformeerd over besluiten van de directeur. Het bestuur blijft bevoegd achteraf besluiten van de directeur/coördinator terug te draaien (behoudens bij derden gewekt vertrouwen). De raad van toezicht kan niet achteraf besluiten van de directeur-bestuurder terugdraaien. (Heeft alleen de ontslag-sanctie.) Het bestuur blijft ook zelf tot besturen bevoegd.De raad van toezicht is slechts zeer beperkt zelf tot besturen bevoegd. Bestuurlijke vormgeving | Scheiding bestuur en toezicht Bij een vereniging fungeert de ledenvergadering als toezichthoudend orgaan.

7 1 lid 1 stemGewogen Solidariteitsprincipe (één stem per deelnemer). Evenredigheidsprincipe (een vorm van stemmenweging). Complete gelijkwaardigheid.Stemmenweging is mogelijk op basis van leerlingenaantal (lineair, per cohort, anders) en/of andere factoren (aantal scholen, aantal zorgleerlingen, anders). GewoonGekwalificeerde meerderheid Besluiten worden genomen op 50% +1.Besluiten worden genomen op basis van 2/3 of 3/4 meerderheid. Uitgaan van het solidariteitsprincipe levert minderheden in een samenwerkingsverband als het (V)SO het meeste invloed op. Ook een combinatie van het solidariteits- en het evenredigheidsprincipe kan de invloed van het (V)SO vergroten. Zie voor de invloed van het (V)SO ook bescherming minderheden. bescherming minderheden Uitgaan van het solidariteitsprincipe levert minderheden in een samenwerkingsverband als het (V)SO het meeste invloed op. Ook een combinatie van het solidariteits- en het evenredigheidsprincipe kan de invloed van het (V)SO vergroten. Zie voor de invloed van het (V)SO ook bescherming minderheden. bescherming minderheden Het (V)SO als mediator? Als nieuwe partij aan tafel bij de oude samenwerkingsverbande n neemt het (V)SO geen ‘bagage’ mee uit het verleden. Bestuurlijke vormgeving | Stemmenverdeling en besluitvorming Toelichting In het samenwerkingsverband dient een keuze te worden gemaakt ten aanzien van de invloed van de deelnemende besturen. Dit is aan de orde bij voorgenomen besluiten die door het bestuur van het samenwerkingsverband aan de deelnemers in een vergadering van aangesloten besturen* moeten worden voorgelegd, te weten ten minste bij:  wijziging van de statuten van het samenwerkingsverband;  goedkeuring van de voordracht voor bestuursbenoeming van het samenwerkingsverband;  vaststelling van het ondersteuningsplan. Besluitvorming binnen het bestuur kan plaatsvinden op basis van gewone of gekwalificeerde meerderheid. Het is gebruikelijk om voorafgaand aan de stemming te streven naar consensus (iedereen vóór) of consent (niemand tegen).  De stemmenverdeling voorkomt idealiter dat grote besturen (te) dominant zijn en dat kleine besturen alles kunnen blokkeren. * Dit kan ook in het bestuur zelf wanneer alle aangeslotenen lid zijn van het bestuur. Hierbij kan dan worden gewerkt met een algemeen en een dagelijks bestuur. In het samenwerkingsverband dient een keuze te worden gemaakt ten aanzien van de invloed van de deelnemende besturen. Dit is aan de orde bij voorgenomen besluiten die door het bestuur van het samenwerkingsverband aan de deelnemers in een vergadering van aangesloten besturen* moeten worden voorgelegd, te weten ten minste bij:  wijziging van de statuten van het samenwerkingsverband;  goedkeuring van de voordracht voor bestuursbenoeming van het samenwerkingsverband;  vaststelling van het ondersteuningsplan. Besluitvorming binnen het bestuur kan plaatsvinden op basis van gewone of gekwalificeerde meerderheid. Het is gebruikelijk om voorafgaand aan de stemming te streven naar consensus (iedereen vóór) of consent (niemand tegen).  De stemmenverdeling voorkomt idealiter dat grote besturen (te) dominant zijn en dat kleine besturen alles kunnen blokkeren. * Dit kan ook in het bestuur zelf wanneer alle aangeslotenen lid zijn van het bestuur. Hierbij kan dan worden gewerkt met een algemeen en een dagelijks bestuur. Een aanzienlijk deel van de extra ondersteuningsmiddelen wordt in het (V)SO besteed. De besluitvorming hierover vindt voornamelijk op SWV-niveau plaats en hierin heeft het regulier onderwijs grotere invloed. Het is dus zaak dat men in het SWV gezamenlijk verantwoordelijkheid neemt voor de gevolgen van besluitvorming ten aanzien van het (V)SO.

8 In de fase waarin de statuten worden vastgesteld is het belangrijk dat het belang van leerlingen met extra ondersteuningsbehoefte n hier goed in op wordt genomen. Bestuurlijke vormgeving | Bescherming van minderheden Toelichting Het (V)SO vormt de minderheid binnen samenwerkingsverbanden wanneer gekeken wordt naar organisatieomvang. Daarom valt het aan te raden om goed te kijken naar de bescherming van minderheden. Deze kan op verschillende manieren worden vormgegeven. Klik hier om naar de geschillencommissies Passend onderwijs op de website van Stichting Onderwijsgeschillen te gaan. Klik hier om naar de geschillencommissies Passend onderwijs op de website van Stichting Onderwijsgeschillen te gaan. Het is mogelijk correcties aan te brengen op het evenredigheidsprincipe. Door bijvoorbeeld:  Een geschillenregeling waarop elke deelnemer een beroep kan doen indien deze meent onevenredig en onredelijk in zijn belangen te worden geschaad. Geschilbeslechting vindt daarbij plaats door een onafhankelijke commissie en is bindend voor het betreffende orgaan.  Als het om beslissingen gaat die het voortbestaan van het (V)SO bedreigen, wordt het betrokken (voortgezet) speciaal onderwijs in de gelegenheid gesteld voorafgaand aan de besluitvorming zijn zienswijze op het te nemen besluit naar voren te brengen (= geen vetorecht).  Vetorecht voor bepaalde deelnemers bij bepaalde besluiten waarmee het bestaansrecht van de bepaalde deelnemer in gevaar komt. (NB. Met name geschikt voor (V)SO besturen die met een klein aantal samenwerkingsverbanden te maken hebben en daardoor voor hun voortbestaan in hoge mate afhankelijk zijn van één samenwerkingsverband. Het is mogelijk correcties aan te brengen op het evenredigheidsprincipe. Door bijvoorbeeld:  Een geschillenregeling waarop elke deelnemer een beroep kan doen indien deze meent onevenredig en onredelijk in zijn belangen te worden geschaad. Geschilbeslechting vindt daarbij plaats door een onafhankelijke commissie en is bindend voor het betreffende orgaan.  Als het om beslissingen gaat die het voortbestaan van het (V)SO bedreigen, wordt het betrokken (voortgezet) speciaal onderwijs in de gelegenheid gesteld voorafgaand aan de besluitvorming zijn zienswijze op het te nemen besluit naar voren te brengen (= geen vetorecht).  Vetorecht voor bepaalde deelnemers bij bepaalde besluiten waarmee het bestaansrecht van de bepaalde deelnemer in gevaar komt. (NB. Met name geschikt voor (V)SO besturen die met een klein aantal samenwerkingsverbanden te maken hebben en daardoor voor hun voortbestaan in hoge mate afhankelijk zijn van één samenwerkingsverband. Bij Passend onderwijs is het verplicht een geschillenregeling op te nemen voor besturen die menen onevenredig in hun belangen te worden geschaad.

9 Keuze kan per werknemer variëren Bestuurlijke vormgeving | Werkgeverschap Toelichting Samenwerkingsverbanden kunnen als werkgever optreden of ervoor kiezen om functionarissen in te huren of gedetacheerd te krijgen. Vanuit het samenwerkingsverband gelden de volgende voor- en nadelen bij deze opties. WerkgeverInhuren De rechtspersoon (stichting/vereniging) kan zelfstandig werkgever worden van voor het samenwerkingsverband werkzame personeelsleden. Gebruik maken van personeelsleden die worden gedetacheerd door schoolbesturen. Het samenwerkingsverband draagt de personele lasten. Dit betekent o.a. een risicovoorziening in het leven roepen (in geval van ziekte of ontslag). De personele risico’s liggen in principe bij de partij (de rechtspersoon) van wie ingehuurd wordt. Directe sturing op kwaliteit van werknemers.Afspraken ten aanzien van kwaliteit. Service Level Agreements (SLA’s). Organiseren van o.a. functiebouwhuis, functiewaarderingen, medezeggenschapsraad, administratieve organisatie met DUO, wie is formeel en materieel werkgever?, aanmelden bij ABP et cetera. Weinig administratie, wel herbestedingsafspraken, detacheringsovereenkomsten. CAO PO of VO van toepassing, minder flexibel.Mogelijkheid van flexibele schil om het (V)SO, desgewenst op - en afschalen van onderwijscapaciteit. Gevolgen voor functiewaardering directeur SWV, omdat hij of zij formeel leidinggevende is. De inhuur van externen is relatief duurder. Zie ook de strategische agenda Tripartiete overeenkomst. Zie ook de strategische agenda Tripartiete overeenkomst.

10 Bestuurlijke vormgeving | Checklist invloed Om te voorkomen dat de zogenaamde grote besturen, de kleinere besturen bij de besluitvorming overvleugelen (of omgekeerd) kan in de statuten en in het bestuursreglement een aantal checks & balances worden opgenomen. Daarnaast kan via het ondersteuningsplan worden gewaarborgd dat er ook na het passeren van de statuten voldoende invloed voor het (V)SO blijft bestaan. Hierbij kan het onder andere gaan om:  aanwezigheid van minderheden in het bestuur dan wel het toezichthoudende orgaan;  stemmenverdeling via het solidariteitsprincipe of een combinatie met gewogen stemming;  bescherming van minderheden via: geschillenregeling, voorleggen zienswijze of vetorecht;  de procedure waarlangs het ondersteuningsplan wordt opgesteld en de positie in de ondersteuningsplanraad. Om te voorkomen dat de zogenaamde grote besturen, de kleinere besturen bij de besluitvorming overvleugelen (of omgekeerd) kan in de statuten en in het bestuursreglement een aantal checks & balances worden opgenomen. Daarnaast kan via het ondersteuningsplan worden gewaarborgd dat er ook na het passeren van de statuten voldoende invloed voor het (V)SO blijft bestaan. Hierbij kan het onder andere gaan om:  aanwezigheid van minderheden in het bestuur dan wel het toezichthoudende orgaan;  stemmenverdeling via het solidariteitsprincipe of een combinatie met gewogen stemming;  bescherming van minderheden via: geschillenregeling, voorleggen zienswijze of vetorecht;  de procedure waarlangs het ondersteuningsplan wordt opgesteld en de positie in de ondersteuningsplanraad. Klik hier voor de ‘Handreiking medezeggenschap en ondersteuningsplanraad’ die door de PO-raad is ontwikkeld. Klik hier voor de ‘Handreiking medezeggenschap en ondersteuningsplanraad’ die door de PO-raad is ontwikkeld. Klik hier om naar het landelijk steunpunt medezeggenschap Passend Onderwijs te gaan. Klik hier om naar het landelijk steunpunt medezeggenschap Passend Onderwijs te gaan.

11 Bekostiging | Onderwerpen 1.Groeiregelingen (V)SOGroeiregelingen (V)SO 2.Nieuwe bekostigingssystematiekNieuwe bekostigingssystematiek 3.Verleggen geldstromenVerleggen geldstromen 4.VereveningVerevening 5.KrimpKrimp 6.Toereikendheid van bekostigingToereikendheid van bekostiging

12 Deze groepsgrootte, de zogenaamde factor N, is voor elke onderwijssoort verschillend (zie voor uitsplitsing per onderwijssoort artikel 14 van het Besluit bekostiging WEC). Bekostiging | Groeiregelingen (V)SO Situatie tot 1 augustus 2014 Lumpsum gebaseerd op leerlingaantal per 1 oktober schooljaar t-1. Aanspraak op herberekening van de personele bekostiging ontstaat indien het verschil tussen het aantal leerlingen op 16 januari en 1 oktober van hetzelfde schooljaar groter dan of gelijk is aan de helft van de kleinste groepsgrootte die op de school van toepassing is (artikel 37 van het Besluit bekostiging WEC). De aanspraak op aanvullende bekostiging personeelskosten ontstaat voor het (voortgezet) speciaal onderwijs met ingang van 1 augustus van het daarop volgende schooljaar (zie artikel 37, lid 3 van het Besluit bekostiging WEC). Indien het verschil tussen het aantal leerlingen op 16 januari en 1 oktober van hetzelfde schooljaar groter dan of gelijk is aan de helft van de kleinste groepsgrootte die op de school van toepassing is (artikel 37 Besluit bekostiging WEC), wordt de vergoeding voor de materiële instandhouding eveneens opnieuw vastgesteld op basis van het aantal leerlingen op 16 januari van het jaar waarover deze vergoeding plaatsvindt (zie art. 128, lid 6 WEC). Voor residentiele leerlingen geldt een aparte regeling: Aanspraak op de bijzondere bekostiging voor personeel ontstaat indien sinds de laatste relevante teldatum het aantal leerlingen op de teldatum groter dan of gelijk is aan tweemaal de kleinste groepsgrootte die op de school van toepassing is (artikel 37 van de Regeling bekostiging personeel PO en aanpassing bedragen leerlinggebonden budget VO , kenmerk POenK/FenV ). (Bron: CFI) Lumpsum gebaseerd op leerlingaantal per 1 oktober schooljaar t-1. Aanspraak op herberekening van de personele bekostiging ontstaat indien het verschil tussen het aantal leerlingen op 16 januari en 1 oktober van hetzelfde schooljaar groter dan of gelijk is aan de helft van de kleinste groepsgrootte die op de school van toepassing is (artikel 37 van het Besluit bekostiging WEC). De aanspraak op aanvullende bekostiging personeelskosten ontstaat voor het (voortgezet) speciaal onderwijs met ingang van 1 augustus van het daarop volgende schooljaar (zie artikel 37, lid 3 van het Besluit bekostiging WEC). Indien het verschil tussen het aantal leerlingen op 16 januari en 1 oktober van hetzelfde schooljaar groter dan of gelijk is aan de helft van de kleinste groepsgrootte die op de school van toepassing is (artikel 37 Besluit bekostiging WEC), wordt de vergoeding voor de materiële instandhouding eveneens opnieuw vastgesteld op basis van het aantal leerlingen op 16 januari van het jaar waarover deze vergoeding plaatsvindt (zie art. 128, lid 6 WEC). Voor residentiele leerlingen geldt een aparte regeling: Aanspraak op de bijzondere bekostiging voor personeel ontstaat indien sinds de laatste relevante teldatum het aantal leerlingen op de teldatum groter dan of gelijk is aan tweemaal de kleinste groepsgrootte die op de school van toepassing is (artikel 37 van de Regeling bekostiging personeel PO en aanpassing bedragen leerlinggebonden budget VO , kenmerk POenK/FenV ). (Bron: CFI) Invoering Passend onderwijs In het (voortgezet) speciaal onderwijs is er een grote instroom na 1 oktober. Vandaar de groeiregeling: Scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs mogen op 16 januari een hertelling indienen. Klik hier om de publicatie ‘groeiregeling (V)SO scholen met leerlingen uit een residentiële instelling’ van het CFI te lezen. Klik hier om de publicatie ‘groeiregeling (V)SO scholen met leerlingen uit een residentiële instelling’ van het CFI te lezen.

13 Bekostiging | Groeiregelingen (V)SO Situatie na 1 augustus 2014 Het budget voor de groeiregeling (cl 3&4) wordt toegevoegd aan het ondersteuningsbudget van het samenwerkingsverband. Het totale ondersteuningsbudget is gebaseerd op teldatum 1 oktober schooljaar t-1 (voor schooljaar geldt dus de teldatum 1 oktober 2013). Het budget voor de groeiregeling (cl 3&4) wordt toegevoegd aan het ondersteuningsbudget van het samenwerkingsverband. Het totale ondersteuningsbudget is gebaseerd op teldatum 1 oktober schooljaar t-1 (voor schooljaar geldt dus de teldatum 1 oktober 2013). Ondersteuningsbudget SWV 1 oktober schooljaar t-1 Bekostiging (V)SO 1 oktober schooljaar t-1

14 Bekostiging | Groeiregelingen (V)SO Situatie na 1 augustus 2014  Vanaf 1 augustus 2014 moeten samenwerkingsverbanden zelf de eventuele groei van een (V)SO school cluster 3&4 bekostigen.  Bij wet wordt vastgelegd als peildatum 1 februari te hanteren zodat (V)SO scholen die met meerdere SWV’en te maken hebben niet onnodig met verschillende data te maken krijgen.  Bovenstaande geldt ook voor residentiele leerlingen (niet zijnde JJI of GJI).  Op 16 januari 2014 zal geen groeitelling meer plaatsvinden. Tenzij er in het samenwerkingsverband afgesproken wordt om 1 februari 2014 als peildatum te hanteren zal de eventuele groei tussen oktober 2013 en februari 2014 niet bekostigt worden door het SWV.  Vanaf 1 augustus 2014 moeten samenwerkingsverbanden zelf de eventuele groei van een (V)SO school cluster 3&4 bekostigen.  Bij wet wordt vastgelegd als peildatum 1 februari te hanteren zodat (V)SO scholen die met meerdere SWV’en te maken hebben niet onnodig met verschillende data te maken krijgen.  Bovenstaande geldt ook voor residentiele leerlingen (niet zijnde JJI of GJI).  Op 16 januari 2014 zal geen groeitelling meer plaatsvinden. Tenzij er in het samenwerkingsverband afgesproken wordt om 1 februari 2014 als peildatum te hanteren zal de eventuele groei tussen oktober 2013 en februari 2014 niet bekostigt worden door het SWV. Ondersteuningsbudget SWV 1 oktober schooljaar t-1 Bekostiging (V)SO 1 oktober schooljaar t-1 Peildatum (1 februari): Check eventuele groei of krimp (V)SO na 1 oktober schooljaar t-1  aanvullende bekostiging Peildatum (1 februari): Check eventuele groei of krimp (V)SO na 1 oktober schooljaar t-1  aanvullende bekostiging Klik hier voor de uitgebreide notitie ‘Bekostiging (V)SO voor cluster 3 en 4 scholen’. NB. Link nog niet online, wordt geüpdatet wanneer online. Klik hier voor de uitgebreide notitie ‘Bekostiging (V)SO voor cluster 3 en 4 scholen’. NB. Link nog niet online, wordt geüpdatet wanneer online.

15 Bekostiging | Nieuwe systematiek Toelichting De bekostiging van het onderwijs aan leerlingen met een extra ondersteuningsbehoefte vindt plaats via twee globale financieringsstromen. 1.Basisbekostiging: dit is in feite de ‘reguliere’ bekostiging die niet of weinig wordt beïnvloed door de invoering van Passend onderwijs. 2.Extra ondersteuningsbudget: dit zijn de middelen voor extra onderwijszorg in de scholen en wordt aan de samenwerkingsverbanden toegekend. Wanneer wordt gesproken over de bekostiging van Passend onderwijs, gaat het dus hierover. De bekostiging van het onderwijs aan leerlingen met een extra ondersteuningsbehoefte vindt plaats via twee globale financieringsstromen. 1.Basisbekostiging: dit is in feite de ‘reguliere’ bekostiging die niet of weinig wordt beïnvloed door de invoering van Passend onderwijs. 2.Extra ondersteuningsbudget: dit zijn de middelen voor extra onderwijszorg in de scholen en wordt aan de samenwerkingsverbanden toegekend. Wanneer wordt gesproken over de bekostiging van Passend onderwijs, gaat het dus hierover. Extra ondersteuningsbudget Basis- bekostiging o.b.v. 1 oktober schooljaar t-1 Klik hier voor de uitgebreide notitie ‘bekostiging samenwerkingsverbanden PO’. Klik hier voor de uitgebreide notitie ‘bekostiging samenwerkingsverbanden PO’. Klik hier voor de ‘financiële handreiking stelselwijziging Passend onderwijs VO’. Klik hier voor de ‘financiële handreiking stelselwijziging Passend onderwijs VO’.

16 Bekostiging | Extra ondersteuningsbudget Toelichting Eén van de ambities van Passend Onderwijs is de gecompliceerde wijze waarop middelen voor extra ondersteuning in het huidige systeem worden verdeeld eenvoudiger te maken. Wanneer we kijken naar de bekostigingskant zal in de toekomst worden gewerkt met budgetten. De omvang van deze budgetten is afhankelijk van het leerlingenaantal in het samenwerkingsverband. Het budget van het samenwerkingsverband, en daarmee voor alle extra ondersteuning in de regio, is opgedeeld in twee categorieën: middelen voor lichte ondersteuning en middelen voor zware ondersteuning. Lichte ondersteuning PO: de huidige WNSN middelen VO: het regionale zorgbudget, de reboundmiddelen, de middelen voor Herstart en Op de Rails. Middelen voor PRO en LWOO blijven geoormerkt. Zware ondersteuning De huidige LGF-middelen, middelen voor het (V)SO, middelen voor het REC en middelen voor voorzieningen als steunpunten autisme, compensatieregeling AWBZ, terugplaatsing ambulante begeleiding en de groeiregelingen.

17 Bekostiging | Verleggen van geldstromen Ondersteuningskosten (V)SO Direct door DUO aan het (V)SO overgemaakt o.b.v. aantal leerlingen in ondersteuningscategorie Ondersteuningskosten (V)SO Direct door DUO aan het (V)SO overgemaakt o.b.v. aantal leerlingen in ondersteuningscategorie Budget SWV Wordt aan het samenwerkingsverband overgemaakt Budget SWV Wordt aan het samenwerkingsverband overgemaakt Ondersteuningsbudget o.b.v. aantal geïndiceerde leerlingen Ambulante deel van de rugzakken Regulier deel van de rugzakken Huidige geldstromen Toekomstige geldstromen Lichte ondersteuning (middelen huidige samenwerkingsverbanden) Overige middelen (REC en voorzieningen als steunpunten autisme, compensatieregeling AWBZ, TAB, PAB, groeiregelingen en LWOO/PRO) Extra ondersteuningsbudget

18 Als er twee jaar na de invoering van Passend onderwijs geen ‘herindicatie’ heeft plaatsgevonden gebruikt DUO deze indeling om leerlingen in een ondersteuningscategorie te plaatsen. Bekostiging | Verleggen van geldstromen Voor welke leerlingen betaalt het samenwerkingsverband? 1.Leerlingen voor wie een toelaatbaarheidsverklaring is afgegeven. 2.Leerlingen die nu al in het (V)SO zitten en woonachtig zijn in het gebied van het samenwerkingsverband. Binnen twee jaar wordt (door het samenwerkingsverband waarin de leerling woonachtig is) bepaald of de leerling voor over- of terugplaatsing naar het regulier onderwijs in aanmerking komt. 3.Leerlingen in een residentiële instelling worden bekostigd voor de duur van hun verblijf door het samenwerkingsverband waar de school van herkomst bij aangesloten is. Als deze leerling niet op een school stond ingeschreven wordt deze door het samenwerkingsverband waar de leerling woonachtig is bekostigd. 4.Tijdelijk geplaatste leerlingen. 1.Leerlingen voor wie een toelaatbaarheidsverklaring is afgegeven. 2.Leerlingen die nu al in het (V)SO zitten en woonachtig zijn in het gebied van het samenwerkingsverband. Binnen twee jaar wordt (door het samenwerkingsverband waarin de leerling woonachtig is) bepaald of de leerling voor over- of terugplaatsing naar het regulier onderwijs in aanmerking komt. 3.Leerlingen in een residentiële instelling worden bekostigd voor de duur van hun verblijf door het samenwerkingsverband waar de school van herkomst bij aangesloten is. Als deze leerling niet op een school stond ingeschreven wordt deze door het samenwerkingsverband waar de leerling woonachtig is bekostigd. 4.Tijdelijk geplaatste leerlingen. Na het afgeven van een toelaatbaarheidsverklaring beslist het bevoegd gezag van de (V)SO school over de daadwerkelijke plaatsing en schrijft de leerling vervolgens in in BRON. De leerling wordt geplaatst in een bepaalde ondersteuningscategorie. Het bekostigingsniveau van de extra ondersteuningskosten is hiervan afhankelijk. Deze categorieën zijn vergelijkbaar met de volgende indicaties: 1.cluster-4 / ZMOK / LZ; 2.LG; 3.MG. Na het afgeven van een toelaatbaarheidsverklaring beslist het bevoegd gezag van de (V)SO school over de daadwerkelijke plaatsing en schrijft de leerling vervolgens in in BRON. De leerling wordt geplaatst in een bepaalde ondersteuningscategorie. Het bekostigingsniveau van de extra ondersteuningskosten is hiervan afhankelijk. Deze categorieën zijn vergelijkbaar met de volgende indicaties: 1.cluster-4 / ZMOK / LZ; 2.LG; 3.MG.

19 Bekostiging | Tijdpad 2014/’ /’ /’ /’ /’ /’ /’21 Verdeling in:  basisbekostiging  extra ondersteuning: Licht Zwaar Verdeling in:  basisbekostiging  extra ondersteuning: Licht Zwaar Extra ondersteunings- bekostiging PRO/LWOO naar SWV. Verevening gaat van start. Correctiebedrag: 100% Verevening gaat van start. Correctiebedrag: 100% Correctie- bedrag: 90% Correctie- bedrag: 75% Correctie- bedrag: 60% Correctie- bedrag: 30% Verevening afgerond Reguliere rugzakmiddelen en middelen van REC’s e.d. OF Bij opting out: alle LGF- middelen (behalve TAB/PAB/P&A). Reguliere rugzakmiddelen en middelen van REC’s e.d. OF Bij opting out: alle LGF- middelen (behalve TAB/PAB/P&A). Ondersteuningskosten (V)SO worden door DUO aan (V)SO overgemaakt o.b.v. 3 ondersteunings- categorieën. Herbestedings- verplichting rugzakmiddelen ambulante begeleiding bij (V)SO-scholen (niet in geval van opting out). Herbestedings- verplichting rugzakmiddelen ambulante begeleiding bij (V)SO-scholen (niet in geval van opting out). Klik hier om naar de beleidssimulator Passend Onderwijs te gaan. NB. Nog niet online Klik hier om naar de beleidssimulator Passend Onderwijs te gaan. NB. Nog niet online Toelichting Hier staan de verschillende veranderingen rondom de invoering van Passend Onderwijs schematisch weergegeven. De nieuwe bekostigingssystematiek gaat in het schooljaar 2015/ 2016 in. De wet laat beleidsvrijheid bij de regio’s Passend Onderwijs om keuzes te maken over de inzet van middelen voor extra ondersteuning aan leerlingen met extra ondersteuningsbehoeften in de regio. Hier staan de verschillende veranderingen rondom de invoering van Passend Onderwijs schematisch weergegeven. De nieuwe bekostigingssystematiek gaat in het schooljaar 2015/ 2016 in. De wet laat beleidsvrijheid bij de regio’s Passend Onderwijs om keuzes te maken over de inzet van middelen voor extra ondersteuning aan leerlingen met extra ondersteuningsbehoeften in de regio. Baten van het SWV Lasten van het SWV De deelnemers in de samenwerkingsverbande n treden in overleg over de besteding van de middelen voor extra ondersteuning in de regio.

20 Bekostiging | Positie PRO/LWOO Reguliere basisbekostiging op VMBO-niveau (17,14 leerlingen / FTE) Reguliere basisbekostiging op VMBO-niveau (17,14 leerlingen / FTE) Ondersteuningsbekostiging (o.b.v. leerlingenaantallen van ) ‘Efficiencywinst’: €15 mln. in 2015 €50 mln. vanaf 2016 Ondersteuningsbekostiging (o.b.v. leerlingenaantallen van ) ‘Efficiencywinst’: €15 mln. in 2015 €50 mln. vanaf 2016 Samen even hoog als huidige budget Situatie bij stijging leerlingenaantal Reguliere basisbekostiging op VMBO-niveau (17,14 leerlingen / FTE) Reguliere basisbekostiging op VMBO-niveau (17,14 leerlingen / FTE) Ondersteuningsbekostiging ( o.b.v. leerlingenaantallen van ) Ondersteuningsbekostiging ( o.b.v. leerlingenaantallen van ) Samen even hoog als huidige budget Lees hier de Hoofdlijnenbrief rondom de invulling van maatregelen omtrent PRO en LWOO. Lees hier de Hoofdlijnenbrief rondom de invulling van maatregelen omtrent PRO en LWOO. De budgetten voor LWOO/PRO worden niet landelijk verevend! In het huidige systeem worden PRO en LWOO indicaties vergeven door een regionale verwijzingscommissie (RVC). Deze worden opgeheven en de indicering zal in de samenwerkingsverbanden plaats gaan vinden. Na indicatie komt het aanvullend budget voor extra ondersteuning vrij. In deze systematiek verandert niets, maar samenwerkingsverbanden krijgen, wanneer alle scholen het hierover eens zijn, wel extra experimenteerruimte op het gebied van:  indicatiecriteria: deze blijven, in tegenstelling tot de rest van Passend Onderwijs, landelijk bestaan. Wanneer alle scholen binnen een SWV het erover eens zijn mag een SWV haar eigen criteria gebruiken, een vorm van ‘opting out’.  ‘LWOO-licentie’: in principe mogen alle scholen LWOO aanbieden. Dit wordt echter alleen bekostigd wanneer de school over een ‘LWOO-licentie’ beschikt. Dit blijft bestaan, maar wanneer alle scholen het erover eens zijn mag een SWV hiervan afwijken. In het huidige systeem worden PRO en LWOO indicaties vergeven door een regionale verwijzingscommissie (RVC). Deze worden opgeheven en de indicering zal in de samenwerkingsverbanden plaats gaan vinden. Na indicatie komt het aanvullend budget voor extra ondersteuning vrij. In deze systematiek verandert niets, maar samenwerkingsverbanden krijgen, wanneer alle scholen het hierover eens zijn, wel extra experimenteerruimte op het gebied van:  indicatiecriteria: deze blijven, in tegenstelling tot de rest van Passend Onderwijs, landelijk bestaan. Wanneer alle scholen binnen een SWV het erover eens zijn mag een SWV haar eigen criteria gebruiken, een vorm van ‘opting out’.  ‘LWOO-licentie’: in principe mogen alle scholen LWOO aanbieden. Dit wordt echter alleen bekostigd wanneer de school over een ‘LWOO-licentie’ beschikt. Dit blijft bestaan, maar wanneer alle scholen het erover eens zijn mag een SWV hiervan afwijken. Voor het opdelen van de bekostiging in twee delen is gekozen om het openeindekarakter en zo het ‘weglekgevaar’ te stoppen. Ook zijn hiermee alle bekostigingsstromen voor extra ondersteuning gebudgetteerd.

21 Bekostiging | Verevening Wat is de verevening? Het ondersteuningsbudget is op dit moment ongelijk verdeeld over het land. Het percentage leerlingen met een indicatie verschilt sterk per regio. De Evaluatiecommissie Passend Onderwijs (ECPO) deed in 2010 onderzoek naar deze verschillen en kwam tot de conclusie dat er geen reden is aan te nemen dat de behoefte aan speciale onderwijszorg niet evenwichtig over het land is gespreid. Daarom adviseerde de commissie om het beschikbare budget voor extra ondersteuning naar verhouding van het aantal leerlingen te verdelen. Dit wordt de verevening genoemd. De verevening kan grote gevolgen hebben voor het ondersteuningsbudget van samenwerkingsverbanden. Op basis van de nieuwe bekostigingssystematiek krijgen sommige regio’s fors meer te besteden en andere fors minder. Met deze reden is een overgangsregeling ingesteld waarbij het ondersteuningsbudget langzaam toegroeit of –krimpt richting de volledig verevende situatie. Er is een correctiebedrag berekend op basis van het leerlingenaantal op 1 oktober Dit bestaat uit het verschil tussen de bekostiging volgens de huidige systematiek en de bekostiging volgens de systematiek uit de wet Passend Onderwijs.  Het ondersteuningsbudget van een samenwerkingsverband dat er op vooruit gaat neemt ieder jaar een beetje toe. Het correctiebedrag is in dit geval positief.  Een samenwerkingsverband dat minder te besteden krijgt ziet haar ondersteuningsbudget ieder jaar afnemen. Het correctiebedrag is in dit geval negatief. Het ondersteuningsbudget is in deze overgangsperiode op de volgende manier opgebouwd: Het ondersteuningsbudget is op dit moment ongelijk verdeeld over het land. Het percentage leerlingen met een indicatie verschilt sterk per regio. De Evaluatiecommissie Passend Onderwijs (ECPO) deed in 2010 onderzoek naar deze verschillen en kwam tot de conclusie dat er geen reden is aan te nemen dat de behoefte aan speciale onderwijszorg niet evenwichtig over het land is gespreid. Daarom adviseerde de commissie om het beschikbare budget voor extra ondersteuning naar verhouding van het aantal leerlingen te verdelen. Dit wordt de verevening genoemd. De verevening kan grote gevolgen hebben voor het ondersteuningsbudget van samenwerkingsverbanden. Op basis van de nieuwe bekostigingssystematiek krijgen sommige regio’s fors meer te besteden en andere fors minder. Met deze reden is een overgangsregeling ingesteld waarbij het ondersteuningsbudget langzaam toegroeit of –krimpt richting de volledig verevende situatie. Er is een correctiebedrag berekend op basis van het leerlingenaantal op 1 oktober Dit bestaat uit het verschil tussen de bekostiging volgens de huidige systematiek en de bekostiging volgens de systematiek uit de wet Passend Onderwijs.  Het ondersteuningsbudget van een samenwerkingsverband dat er op vooruit gaat neemt ieder jaar een beetje toe. Het correctiebedrag is in dit geval positief.  Een samenwerkingsverband dat minder te besteden krijgt ziet haar ondersteuningsbudget ieder jaar afnemen. Het correctiebedrag is in dit geval negatief. Het ondersteuningsbudget is in deze overgangsperiode op de volgende manier opgebouwd: “Ondersteuningsbudget = normbekostiging - % van het correctiebedrag” “Ondersteuningsbudget = normbekostiging - % van het correctiebedrag” Opvangen van de gevolgen van verevening in het belang van de leerling is hiermee een gezamenlijke verantwoordelijkheid van alle schoolbesturen in de regio.

22 Bekostiging | Verevening Rekenvoorbeeld 1 Een samenwerkingsverband heeft leerlingen. In de oude situatie werd minder dan landelijk gemiddeld verwezen. Het samenwerkingsverband heeft volgens de ‘oude’ systematiek een budget van €13 mln. Volgens de nieuwe systematiek wordt de normbekostiging € 17 mln. Het correctiebedrag bedraagt dus € 4 mln. 2015/’16: € 17 mln – (100% van € 4 mln) = € 13 mln 2016/’17: € 17 mln – (90% van € 4 mln) = € 13,4 mln 2017/’18: € 17 mln – (75% van € 4 mln) = € 14 mln 2018/’19: € 17 mln – (60% van € 4 mln) = € 14,6 mln 2019/’20: € 17 mln – (30% van € 4 mln) = € 15,8 mln 2020/’21: € 17 mln – (0% van € 4 mln)= € 17 mln  de verevening is afgerond Een samenwerkingsverband heeft leerlingen. In de oude situatie werd minder dan landelijk gemiddeld verwezen. Het samenwerkingsverband heeft volgens de ‘oude’ systematiek een budget van €13 mln. Volgens de nieuwe systematiek wordt de normbekostiging € 17 mln. Het correctiebedrag bedraagt dus € 4 mln. 2015/’16: € 17 mln – (100% van € 4 mln) = € 13 mln 2016/’17: € 17 mln – (90% van € 4 mln) = € 13,4 mln 2017/’18: € 17 mln – (75% van € 4 mln) = € 14 mln 2018/’19: € 17 mln – (60% van € 4 mln) = € 14,6 mln 2019/’20: € 17 mln – (30% van € 4 mln) = € 15,8 mln 2020/’21: € 17 mln – (0% van € 4 mln)= € 17 mln  de verevening is afgerond Klik hier voor een schematisch overzicht Klik hier voor een schematisch overzicht

23 Bekostiging | Verevening in schema Ondersteunings- budget o.b.v. de huidige systematiek Ondersteunings- budget o.b.v. de systematiek Wet Passend Onderwijs Ondersteunings- budget o.b.v. de systematiek Wet Passend Onderwijs Ondersteunings- budget o.b.v. de systematiek Wet Passend Onderwijs Ondersteunings- budget o.b.v. de systematiek Wet Passend Onderwijs Ondersteunings- budget o.b.v. de systematiek Wet Passend Onderwijs 2014/’ /’162016/’ /’ /’ /’ /’21 - Correctiebedrag 90% - Correctiebedrag 75% - Correctiebedrag 60% - Correctiebedrag 30% Transitieperiode Ondersteunings- budget o.b.v. de systematiek Wet Passend Onderwijs - Correctiebedrag 100% Het correctiebedrag neemt in de loop van de transitieperiode toe. Hierdoor groeit het onverevende budget richting het genormeerde ondersteuningsbudget.

24 Bekostiging | Verevening Rekenvoorbeeld 2 Een samenwerkingsverband heeft leerlingen. In de oude situatie werd meer dan landelijk gemiddeld verwezen. Het samenwerkingsverband heeft volgens de ‘oude’ systematiek een budget van €20 mln. Volgens de nieuwe systematiek wordt de normbekostiging € 17 mln. Het correctiebedrag bedraagt dus € -3 mln. 2015/’16: € 17 mln – (100% van € -3 mln) = € 20 mln 2016/’17: € 17 mln – (90% van € -3 mln) = € 19,7 mln 2017/’18: € 17 mln – (75% van € -3 mln) = € 19,25 mln 2018/’19: € 17 mln – (60% van € -3 mln) = € 18,8 mln 2019/’20: € 17 mln – (30% van € -3 mln) = € 17,9 mln 2020/’21: € 17 mln – (0% van € -3 mln) =€ 17 mln  de verevening is afgerond Een samenwerkingsverband heeft leerlingen. In de oude situatie werd meer dan landelijk gemiddeld verwezen. Het samenwerkingsverband heeft volgens de ‘oude’ systematiek een budget van €20 mln. Volgens de nieuwe systematiek wordt de normbekostiging € 17 mln. Het correctiebedrag bedraagt dus € -3 mln. 2015/’16: € 17 mln – (100% van € -3 mln) = € 20 mln 2016/’17: € 17 mln – (90% van € -3 mln) = € 19,7 mln 2017/’18: € 17 mln – (75% van € -3 mln) = € 19,25 mln 2018/’19: € 17 mln – (60% van € -3 mln) = € 18,8 mln 2019/’20: € 17 mln – (30% van € -3 mln) = € 17,9 mln 2020/’21: € 17 mln – (0% van € -3 mln) =€ 17 mln  de verevening is afgerond Klik hier voor een schematisch overzicht Klik hier voor een schematisch overzicht

25 Transitieperiode 2014/’ /’162016/’ /’ /’ /’ /’21 Bekostiging | Verevening in schema Ondersteunings- budget o.b.v. de huidige systematiek Ondersteunings- budget o.b.v. de systematiek Wet Passend Onderwijs Correctiebedrag 100% Ondersteunings- budget o.b.v. de systematiek Wet Passend Onderwijs Correctiebedrag 90% Ondersteunings- budget o.b.v. de systematiek Wet Passend Onderwijs Correctiebedrag 75% Ondersteunings- budget o.b.v. de systematiek Wet Passend Onderwijs Correctiebedrag 60% Ondersteunings- budget o.b.v. de systematiek Wet Passend Onderwijs Correctiebedrag 30% Ondersteunings- budget o.b.v. de systematiek Wet Passend Onderwijs Het correctiebedrag neemt in de loop van de transistieperiode af. Hierdoor krimpt het onverevende budget richting het genormeerde ondersteuningsbudget

26 Bekostiging | Krimp Gevolgen van krimp Een krimpend leerlingenaantal betekent in principe dat de inkomsten terugvallen, maar tegelijkertijd wordt de behoefte aan ruimte en personeel minder. Structurele krimp leidt vaak tot aanpassingsproblemen. Het is nu eenmaal niet eenvoudig om het onderwijsaanbod in lijn te brengen met de telkens veranderende vraag. Dat vergt tijd en meestal ook geld. Daarnaast is krimp een regionaal vraagstuk dat samenwerking vereist met de school- en gemeentebesturen om u heen: wanneer scholen zo klein worden dat ze verdwijnen, kan de bereikbaarheid van het onderwijs of de keuzemogelijkheid voor ouders in het geding komen. Schoolbesturen en gemeenten zullen er samen voor moeten zorgen dat het onderwijsaanbod voldoende divers en gespreid blijft. De omvang van de leerlingendaling verschilt erg over het land. Klik hier om naar de website van de Rijksoverheid over Krimp te gaan. Klik hier om naar de website van de Rijksoverheid over Krimp te gaan.

27 Bekostiging | Ontgroening en vergrijzing Personele gevolgen van krimp Een krimpende school heeft minder leraren nodig. En wanneer de leerlingenkrimp sneller gaat dan het natuurlijk verloop, ontstaat een personeelsoverschot. Tegelijkertijd wordt verwacht dat de aanstaande vergrijzingsgolf - de periode waarin de babyboomgeneratie met pensioen gaat - tot personeelstekorten zal leiden. Een onvoorbereid schoolbestuur kan dus een dubbel probleem krijgen:  Op de korte termijn hogere lasten wegens boventallig personeel. Gedurende het jaar dat personeelsleden in het RDDF (risicodragend deel van de formatie) geplaatst zijn of gedurende de looptijd van een met de vakcentrales overeengekomen sociaal plan, moet het bestuur wel al activiteiten ontplooien om hen aan een andere baan te helpen. Deeltijdontslag is in het onderwijs niet toegestaan.  Wanneer uiteindelijk na afloop van de RDDF-plaatsing of na afloop van het sociaal plan ontslag volgt, kunnen schoolbesturen in het primair onderwijs voor de bekostiging van de uitkering een beroep doen op het Participatiefonds. Zij moeten dan voldoen aan het reglement van het Participatiefonds. Als het sociaal plan in kwestie ook een vertrekregeling bevat waarop personeel een beroep kan doen, is het mogelijk dat ook al tijdens de looptijd van het sociaal plan een beroep op het Participatiefonds kan worden gedaan. Wanneer later weer een tijd van schaarste intreedt, maakt de school mogelijk extra kosten voor de zoektocht naar personeel. De natuurlijke vergrijzing van het personeel wordt vaak nog versterkt doordat krimpende scholen geen of minder nieuwe, jonge leraren kunnen aannemen. Daardoor neemt de aantrekkelijkheid van het beroep af en loopt de gemiddelde leeftijd op. Een krimpende school heeft minder leraren nodig. En wanneer de leerlingenkrimp sneller gaat dan het natuurlijk verloop, ontstaat een personeelsoverschot. Tegelijkertijd wordt verwacht dat de aanstaande vergrijzingsgolf - de periode waarin de babyboomgeneratie met pensioen gaat - tot personeelstekorten zal leiden. Een onvoorbereid schoolbestuur kan dus een dubbel probleem krijgen:  Op de korte termijn hogere lasten wegens boventallig personeel. Gedurende het jaar dat personeelsleden in het RDDF (risicodragend deel van de formatie) geplaatst zijn of gedurende de looptijd van een met de vakcentrales overeengekomen sociaal plan, moet het bestuur wel al activiteiten ontplooien om hen aan een andere baan te helpen. Deeltijdontslag is in het onderwijs niet toegestaan.  Wanneer uiteindelijk na afloop van de RDDF-plaatsing of na afloop van het sociaal plan ontslag volgt, kunnen schoolbesturen in het primair onderwijs voor de bekostiging van de uitkering een beroep doen op het Participatiefonds. Zij moeten dan voldoen aan het reglement van het Participatiefonds. Als het sociaal plan in kwestie ook een vertrekregeling bevat waarop personeel een beroep kan doen, is het mogelijk dat ook al tijdens de looptijd van het sociaal plan een beroep op het Participatiefonds kan worden gedaan. Wanneer later weer een tijd van schaarste intreedt, maakt de school mogelijk extra kosten voor de zoektocht naar personeel. De natuurlijke vergrijzing van het personeel wordt vaak nog versterkt doordat krimpende scholen geen of minder nieuwe, jonge leraren kunnen aannemen. Daardoor neemt de aantrekkelijkheid van het beroep af en loopt de gemiddelde leeftijd op. In krimpregio's speelt nog een ander probleem. Personeel is gemiddeld vaak ouder dan in de rest van het land. Dit maakt het lastig om de leeftijdsopbouw evenwichtig te houden. Klik hier om naar de website van het Nederlands Kennisinstituut Maatschappelijke Effecten Demografische Krimp te gaan. Klik hier om naar de website van het Nederlands Kennisinstituut Maatschappelijke Effecten Demografische Krimp te gaan.

28 Bekostiging | Toereikendheid van de bekostiging Klik hier om het verzoek van de staatssecretaris aan de Algemene Rekenkamer te lezen. Klik hier om het verzoek van de staatssecretaris aan de Algemene Rekenkamer te lezen. Let op: dit onderdeel is nog niet uitgewerkt. In juni 2013 publiceert de Algemene Rekenkamer een rapport over de bekostiging van het primair onderwijs en de invloed van invoering van passend onderwijs hierop.

29 Ondersteuningsplan | Onderwerpen 1.Inleiding en tijdpadInleiding en tijdpad 2.Wat is het?Wat is het? 3.Hoe komt het tot stand?Hoe komt het tot stand? 4.De ondersteuningsplanraadDe ondersteuningsplanraad 5.BasisondersteuningBasisondersteuning 6.Extra ondersteuningExtra ondersteuning 7.ArrangerenArrangeren 8.DeskundigenadviesDeskundigenadvies 9.SchoolondersteuningsprofielSchoolondersteuningsprofiel 10.Checklist invloed / slotwoordChecklist invloed / slotwoord

30 Ondersteuningsplan | Inleiding en tijdspad Vaststelling Onder- steuningsplan Invoering Passend Onderwijs 2012/2013: Inhoudelijke voorbereiding:  Inrichten ondersteuningsplanraad  Vormgeven OP  Overleg met gemeenten Toelichting In het regionaal ondersteuningsplan legt het SWV vast hoe het passend onderwijs voor elk kind wil realiseren. Dit ondersteuningsplan wordt ten minste een keer per vier jaar opgesteld en kan tussentijds worden gewijzigd. In het ondersteuningsplan zijn de schoolondersteuningsprofielen van de deelnemende scholen opgenomen. Ook staat er in het ondersteuningsplan welk niveau van basisondersteuning de scholen in het SWV ten minste moeten bieden. De ondersteuningsplanraad heeft instemmingsrecht op het ondersteuningsplan. Het ondersteuningsplan beschrijft dus:  de wijze waarop een samenhangend geheel van voorzieningen voor extra ondersteuning binnen en tussen de scholen wordt georganiseerd met als doel dat: leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doormaken; leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben een zo passend mogelijke plaats in het onderwijs krijgen. Voor het (V)SO vormt het ondersteuningsplan uiteraard een zeer belangrijk document. Het niveau van basisondersteuning heeft gevolgen voor de expertiseoverdracht vanuit het (V)SO, de afspraken over extra ondersteuning gaan deels over arrangementen binnen het (V)SO en de wijze van arrangeren bepaalt de instroom van leerlingen in het (V)SO en heeft daarmee gevolgen voor de omvang van het (V)SO. Waar tijdens de bestuurlijke vormgeving de invloed van het (V)SO wordt vastgelegd, wordt een groot deel van de toekomst van het (V)SO dus bepaald bij het vastleggen van het ondersteuningsplan. Hierin zal de toegevoegde waarde van het (V)SO moeten worden bepaald en vastgelegd. In het regionaal ondersteuningsplan legt het SWV vast hoe het passend onderwijs voor elk kind wil realiseren. Dit ondersteuningsplan wordt ten minste een keer per vier jaar opgesteld en kan tussentijds worden gewijzigd. In het ondersteuningsplan zijn de schoolondersteuningsprofielen van de deelnemende scholen opgenomen. Ook staat er in het ondersteuningsplan welk niveau van basisondersteuning de scholen in het SWV ten minste moeten bieden. De ondersteuningsplanraad heeft instemmingsrecht op het ondersteuningsplan. Het ondersteuningsplan beschrijft dus:  de wijze waarop een samenhangend geheel van voorzieningen voor extra ondersteuning binnen en tussen de scholen wordt georganiseerd met als doel dat: leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doormaken; leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben een zo passend mogelijke plaats in het onderwijs krijgen. Voor het (V)SO vormt het ondersteuningsplan uiteraard een zeer belangrijk document. Het niveau van basisondersteuning heeft gevolgen voor de expertiseoverdracht vanuit het (V)SO, de afspraken over extra ondersteuning gaan deels over arrangementen binnen het (V)SO en de wijze van arrangeren bepaalt de instroom van leerlingen in het (V)SO en heeft daarmee gevolgen voor de omvang van het (V)SO. Waar tijdens de bestuurlijke vormgeving de invloed van het (V)SO wordt vastgelegd, wordt een groot deel van de toekomst van het (V)SO dus bepaald bij het vastleggen van het ondersteuningsplan. Hierin zal de toegevoegde waarde van het (V)SO moeten worden bepaald en vastgelegd. 1 februari: Het OP wordt aan de OPR voorgelegd. 1 mei: Het OP wordt ingediend bij de Inspectie. Het OP mag ook voor een periode korter dan vier jaar worden vastgesteld. Zie ook de strategische agenda Bestuurlijke vormgeving samenwerkingsverbanden – Checklist invloed Zie ook de strategische agenda Bestuurlijke vormgeving samenwerkingsverbanden – Checklist invloed

31 Ondersteuningsplan | Wat is het? Uit welke onderdelen bestaat het ondersteuningsplan ten minste?  Het afgesproken niveau van basisondersteuning op alle scholen die bij het SWV zijn aangesloten.basisondersteuning  De procedure en criteria voor de verdeling, besteding en toewijzing van ondersteuningsmiddelen en - voorzieningen aan de scholen, inclusief een meerjarenbegroting.  De procedure en criteria voor het afgeven van toelaatbaarheidsverklaringen: het plaatsen van leerlingen in het SBO en (V)SO.  De procedure en beleid m.b.t. het terug- of overplaatsen van leerlingen naar het regulier onderwijs voor wie de duur van de toelaatbaarheidsverklaring is afgelopen.  De beoogde en bereikte kwalitatieve en kwantitatieve resultaten van het onderwijs aan leerlingen die extra ondersteuning behoeven en de daarmee samenhangende bekostiging.  De wijze van informatievoorziening aan ouders over de ondersteuningsvoorzieningen en over de onafhankelijke ondersteuningsmogelijkheden voor ouders.  De afspraken die zijn gemaakt over de overdracht van het budget voor lichte ondersteuning aan de scholen voor speciaal basisonderwijs.  De afspraken die zijn gemaakt over de overdracht van middelen voor zware ondersteuning voor leerlingen die na de jaarlijkse teldatum van 1 oktober instromen in het (voortgezet) speciaal onderwijs inclusief de afspraken die zijn gemaakt over de overdracht van middelen aan het samenwerkingsverband door scholen bij een ontoereikend budget voor lichte ondersteuning.  Het afgesproken niveau van basisondersteuning op alle scholen die bij het SWV zijn aangesloten.basisondersteuning  De procedure en criteria voor de verdeling, besteding en toewijzing van ondersteuningsmiddelen en - voorzieningen aan de scholen, inclusief een meerjarenbegroting.  De procedure en criteria voor het afgeven van toelaatbaarheidsverklaringen: het plaatsen van leerlingen in het SBO en (V)SO.  De procedure en beleid m.b.t. het terug- of overplaatsen van leerlingen naar het regulier onderwijs voor wie de duur van de toelaatbaarheidsverklaring is afgelopen.  De beoogde en bereikte kwalitatieve en kwantitatieve resultaten van het onderwijs aan leerlingen die extra ondersteuning behoeven en de daarmee samenhangende bekostiging.  De wijze van informatievoorziening aan ouders over de ondersteuningsvoorzieningen en over de onafhankelijke ondersteuningsmogelijkheden voor ouders.  De afspraken die zijn gemaakt over de overdracht van het budget voor lichte ondersteuning aan de scholen voor speciaal basisonderwijs.  De afspraken die zijn gemaakt over de overdracht van middelen voor zware ondersteuning voor leerlingen die na de jaarlijkse teldatum van 1 oktober instromen in het (voortgezet) speciaal onderwijs inclusief de afspraken die zijn gemaakt over de overdracht van middelen aan het samenwerkingsverband door scholen bij een ontoereikend budget voor lichte ondersteuning. Formele basis:  Artikel XVIIa Wet Passend Onderwijs waarin de eisen aan de samenwerkingsverbanden worden beschreven. Formele basis:  Artikel XVIIa Wet Passend Onderwijs waarin de eisen aan de samenwerkingsverbanden worden beschreven. Klik hier om de Wet Passend Onderwijs te bekijken. Klik hier om de Wet Passend Onderwijs te bekijken. Klik hier om het model ondersteuningsplan van de VO-raad te bekijken. Klik hier om het model ondersteuningsplan van de VO-raad te bekijken. Klik hier voorpublicatie van het model ondersteuningsplan van de PO-raad te bekijken. Klik hier voorpublicatie van het model ondersteuningsplan van de PO-raad te bekijken.

32 Na 1 mei checkt de Inspectie de aangeleverde plannen op een aantal zaken. O.m. of ze in het PO en VO dezelfde punten omvatten, of ze aan de voorschriften voldoen en of ze op de voorgeschreven wijze tot stand zijn gekomen. Ook voert de Inspectie een kennisanalyse uit. Ondersteuningsplan | Totstandkoming Het concept ondersteuningsplan (OP) wordt opgesteld. Het concept OP wordt aan de ondersteuningsplanraad ter instemming voorgelegd. Het concept OP wordt aan de ondersteuningsplanraad ter instemming voorgelegd. Het OP wordt naar de Inspectie verzonden Het OP wordt naar de Inspectie verzonden 4 weken Voor 1 februari 2014 Voor 1 mei 2014 Instemming wordt verleend Instemming wordt niet verleend Geschillencommissie WMS Passend Onderwijs Uitspraak 2 weken Voor 15 april 2014 Klik hier om naar de geschillencommissies Passend onderwijs op de website van Stichting Onderwijsgeschillen te gaan. Klik hier om naar de geschillencommissies Passend onderwijs op de website van Stichting Onderwijsgeschillen te gaan. Klik voor de modelprocedure OOGO van de PO- Raad, VO-raad en VNG. Klik voor de modelprocedure OOGO van de PO- Raad, VO-raad en VNG. OOGO met gemeenten en eventueel provincies SWV PO en SWV VO voeren overleg over afstemming OP’en ter bewaking van doorlopende leerlijnen SWV PO en SWV VO voeren overleg over afstemming OP’en ter bewaking van doorlopende leerlijnen SYNCHROON: Zie ook de strategische agenda Inspectietoezicht. Zie ook de strategische agenda Inspectietoezicht.

33 Ondersteuningsplan | De ondersteuningsplanraad Wat is een ondersteuningsplanraad? Bij het vaststellen of wijzigen van het ondersteuningsplan heeft het samenwerkingsverband instemming nodig van de ondersteuningsplanraad. Omdat de meerjarenbegroting van het samenwerkingsverband onderdeel uitmaakt van het ondersteuningsplan geldt het instemmingsrecht ook voor de meerjarenbegroting. Daarnaast heeft ieder samenwerkingsverband dat personeel in dienst heeft de verplichting een medezeggenschapsraad in te stellen. Wat is een ondersteuningsplanraad? Bij het vaststellen of wijzigen van het ondersteuningsplan heeft het samenwerkingsverband instemming nodig van de ondersteuningsplanraad. Omdat de meerjarenbegroting van het samenwerkingsverband onderdeel uitmaakt van het ondersteuningsplan geldt het instemmingsrecht ook voor de meerjarenbegroting. Daarnaast heeft ieder samenwerkingsverband dat personeel in dienst heeft de verplichting een medezeggenschapsraad in te stellen. Op welke wijze wordt een ondersteuningsplanraad samengesteld? Vanuit de wetgever is ruimte gelaten aan de regio’s om een eigen invulling te geven aan de ondersteuningsplanraad in de regio.  Het aantal leden waar een ondersteuningsplanraad bestaat is niet wettelijk vastgelegd. De PO-raad beveelt een aantal leden tussen 12 en 24 aan.  De leden van de ondersteuningsplanraad hoeven niet per se een directe afvaardiging te vormen van de medezeggenschapsraden van aangesloten scholen. Wanneer dit wel het geval is hoeft het lid geen verantwoording aan de eigen (G)MR af te leggen over zijn stem.  Iedere MR is (direct of indirect) vertegenwoordigd in de ondersteuningsplanraad.  Het aantal ouders en personeelsleden in de ondersteuningsplanraad is aan elkaar gelijk.  Wanneer het toezichthoudend orgaan van het SWV een Raad van Toezicht is heeft de RvT een bindend voordrachtrecht, wat zoveel betekent dat één lid van de ondersteuningsplanraad op voordracht van de RvT benoemd dient te worden. Op welke wijze wordt een ondersteuningsplanraad samengesteld? Vanuit de wetgever is ruimte gelaten aan de regio’s om een eigen invulling te geven aan de ondersteuningsplanraad in de regio.  Het aantal leden waar een ondersteuningsplanraad bestaat is niet wettelijk vastgelegd. De PO-raad beveelt een aantal leden tussen 12 en 24 aan.  De leden van de ondersteuningsplanraad hoeven niet per se een directe afvaardiging te vormen van de medezeggenschapsraden van aangesloten scholen. Wanneer dit wel het geval is hoeft het lid geen verantwoording aan de eigen (G)MR af te leggen over zijn stem.  Iedere MR is (direct of indirect) vertegenwoordigd in de ondersteuningsplanraad.  Het aantal ouders en personeelsleden in de ondersteuningsplanraad is aan elkaar gelijk.  Wanneer het toezichthoudend orgaan van het SWV een Raad van Toezicht is heeft de RvT een bindend voordrachtrecht, wat zoveel betekent dat één lid van de ondersteuningsplanraad op voordracht van de RvT benoemd dient te worden. Klik hier om de Wet op de Medezeggenschap te bekijken. Klik hier om de Wet op de Medezeggenschap te bekijken. Verkiezingen? De leden van de ondersteuningsplanraad dienen niet per se gekozen te worden. Het model waarlangs kandidaten worden voorgedragen dient te worden vastgelegd in het medezeggenschapsreglement. Grofweg zouden de kandidaten op drie wijzen voorgedragen kunnen worden:  algemene verkiezingen;  verkiezingen door de MR’en;  benoeming of aanwijzing door de MR’en. Verkiezingen? De leden van de ondersteuningsplanraad dienen niet per se gekozen te worden. Het model waarlangs kandidaten worden voorgedragen dient te worden vastgelegd in het medezeggenschapsreglement. Grofweg zouden de kandidaten op drie wijzen voorgedragen kunnen worden:  algemene verkiezingen;  verkiezingen door de MR’en;  benoeming of aanwijzing door de MR’en. Wanneer wordt de voorlopige ondersteuningsplanraad definitief? Op het moment dat de definitieve ondersteuningsplanraad instemt met het ondersteuningsplan is het draagvlak voor het plan waarschijnlijk groter dan wanneer de voorlopige ondersteuningsplanraad dit zou doen. Met de voorlopige ondersteuningsplanraad kan de inhoud van het ondersteuningsplan en inrichting van de medezeggenschap worden besproken. Het bestuur van het SWV legt het statuut en reglement van de ondersteuningsplanraad vervolgens aan de voorlopige ondersteuningsplanraad ter instemming voor. Wanneer deze zijn vastgesteld kan de definitieve ondersteuningsplanraad samengesteld worden. Deze kan zich vervolgens formeel uitspreken over het eerste ondersteuningsplan. Wanneer wordt de voorlopige ondersteuningsplanraad definitief? Op het moment dat de definitieve ondersteuningsplanraad instemt met het ondersteuningsplan is het draagvlak voor het plan waarschijnlijk groter dan wanneer de voorlopige ondersteuningsplanraad dit zou doen. Met de voorlopige ondersteuningsplanraad kan de inhoud van het ondersteuningsplan en inrichting van de medezeggenschap worden besproken. Het bestuur van het SWV legt het statuut en reglement van de ondersteuningsplanraad vervolgens aan de voorlopige ondersteuningsplanraad ter instemming voor. Wanneer deze zijn vastgesteld kan de definitieve ondersteuningsplanraad samengesteld worden. Deze kan zich vervolgens formeel uitspreken over het eerste ondersteuningsplan. Bekijk hier de handreiking medezeggenschap en de ondersteunings- planraad van de PO-raad. Bekijk hier de handreiking medezeggenschap en de ondersteunings- planraad van de PO-raad. Klik hier voor modelreglementen en –statuten voor de OPR in het PO en VO. Klik hier voor modelreglementen en –statuten voor de OPR in het PO en VO.

34 Ondersteuningsplan | Basisondersteuning Vier aspecten van basisondersteuning In het referentiekader Passend onderwijs wordt basisondersteuning omschreven als het door het samenwerkingsverband afgesproken geheel van preventieve en lichte curatieve interventies die binnen de onderwijsondersteuningsstructuur van de school planmatig en op een overeengekomen kwaliteitsniveau, eventueel in samenwerking met ketenpartners, worden uitgevoerd. Er worden vier aspecten omschreven. 1.Preventie en lichte curatieve interventies  Preventie: de basisondersteuning voor alle leerlingen die erop gericht is om tijdig leerproblemen en opgroei- en opvoedproblemen te signaleren.  Lichte curatieve interventies zijn structureel beschikbaar voor of binnen de school, met als doel de continuïteit in de schoolloopbaan van een leerling te ondersteunen. Er wordt geen indicatie afgegeven die recht geeft op extra (leerlinggebonden) financiering. 2.Inrichting van de ondersteuningsstructuur  In het schoolondersteuningsprofiel wordt aangegeven wat de expertise is van het (ondersteunings)team voor wat betreft preventie en (licht) curatieve interventies en hoe die zichtbaar worden in de onderwijsorganisatie van de school.  Ook wordt aangegeven hoe de specifieke expertise van samenwerkende scholen wordt benut en met welke ketenpartners wordt samengewerkt. 3.Planmatig werken  Het uitgangspunt vormen de indicatoren Zorg en Begeleiding, zoals deze door de Inspectie in het toezichtkader PO en VO zijn vastgelegd. 4.(basis-)Kwaliteit  De minimumnorm is genoemd in het toezichtkader van de Inspectie: de leerprestaties (in het PO) en opbrengsten (in het VO) van de school zijn tenminste voldoende en daarnaast voldoet het onderwijsleerproces of de zorg en begeleiding aan de gestelde norm. In het referentiekader Passend onderwijs wordt basisondersteuning omschreven als het door het samenwerkingsverband afgesproken geheel van preventieve en lichte curatieve interventies die binnen de onderwijsondersteuningsstructuur van de school planmatig en op een overeengekomen kwaliteitsniveau, eventueel in samenwerking met ketenpartners, worden uitgevoerd. Er worden vier aspecten omschreven. 1.Preventie en lichte curatieve interventies  Preventie: de basisondersteuning voor alle leerlingen die erop gericht is om tijdig leerproblemen en opgroei- en opvoedproblemen te signaleren.  Lichte curatieve interventies zijn structureel beschikbaar voor of binnen de school, met als doel de continuïteit in de schoolloopbaan van een leerling te ondersteunen. Er wordt geen indicatie afgegeven die recht geeft op extra (leerlinggebonden) financiering. 2.Inrichting van de ondersteuningsstructuur  In het schoolondersteuningsprofiel wordt aangegeven wat de expertise is van het (ondersteunings)team voor wat betreft preventie en (licht) curatieve interventies en hoe die zichtbaar worden in de onderwijsorganisatie van de school.  Ook wordt aangegeven hoe de specifieke expertise van samenwerkende scholen wordt benut en met welke ketenpartners wordt samengewerkt. 3.Planmatig werken  Het uitgangspunt vormen de indicatoren Zorg en Begeleiding, zoals deze door de Inspectie in het toezichtkader PO en VO zijn vastgelegd. 4.(basis-)Kwaliteit  De minimumnorm is genoemd in het toezichtkader van de Inspectie: de leerprestaties (in het PO) en opbrengsten (in het VO) van de school zijn tenminste voldoende en daarnaast voldoet het onderwijsleerproces of de zorg en begeleiding aan de gestelde norm. Kenmerken van de door het SWV afgesproken niveau van basisondersteuning:  geldt eenduidig voor het hele SWV;  valt onder de ondersteuningsstuctuur op de scholen;  de scholen hebben de regie en verantwoordelijkheid;  externe expertise kan hiervoor ingezet worden;  geen indicatiestelling;  wordt uitgevoerd op een overeengekomen kwaliteitsniveau. Kenmerken van de door het SWV afgesproken niveau van basisondersteuning:  geldt eenduidig voor het hele SWV;  valt onder de ondersteuningsstuctuur op de scholen;  de scholen hebben de regie en verantwoordelijkheid;  externe expertise kan hiervoor ingezet worden;  geen indicatiestelling;  wordt uitgevoerd op een overeengekomen kwaliteitsniveau. Klik hier om naar toezichtkader PO/VO van de Inspectie te gaan. Klik hier om naar toezichtkader PO/VO van de Inspectie te gaan. Lees hier het referentiekader Passend onderwijs. Lees hier het referentiekader Passend onderwijs.

35 Ondersteuningsplan | Extra ondersteuning Het niveau van basisondersteuning heeft uiteraard consequenties voor het (V)SO. Ook voor het realiseren van het gewenste niveau van basisondersteuning is (V)SO expertise nodig. Regionaal dekkend aanbod wordt beschreven in het ondersteuningsplan Basiskwaliteit Extra ondersteuning Niveau is landelijk vastgelegd door de Inspectie Niveau wordt in het SWV bepaald en in het SOP beschreven Niveau wordt in het SWV bepaald en in het SOP beschreven Welke ondersteuning is juist voor welke leerling? Aanbod in arrange- menten gericht op terugkeer naar een reguliere school (met inzet van de ondersteunings structuur) Welke ondersteuning is juist voor welke leerling? Aanbod in arrange- menten gericht op terugkeer naar een reguliere school (met inzet van de ondersteunings structuur) Extra ondersteuning in de scholen wordt vastgelegd in de afzonderlijke schoolondersteunings- profielen (V)SO (incl. tijdelijke en flexibele arrangementen) (V)SO (incl. tijdelijke en flexibele arrangementen) SBO Tijdelijke ondersteuning leraar of team Extra budget voor de school voor een specifieke leerling Tijdelijk plaatsing in regionale voorziening Tijdelijke plaats in een voorziening in eigen school Tijdelijk beschikbare extra hulpmiddelen op hoger niveau dan basisondersteuning Onderwijs en zorgarrangement Dit is geen uitputtend overzicht Centrum voor expertise ontwikkeling Expertise Basisondersteuning Hoe hoger het niveau van basisondersteuning, hoe minder administratieve handelingen nodig zijn om de ondersteuning te realiseren (toelaatbaarheidsverklaringen, OPP’s etc.) Wat staat waar? ↓ Lees meer over de piramide van extra ondersteunings- voorzieningen in de publicatie ‘Nieuwe wegen voor oude waarden’. Lees meer over de piramide van extra ondersteunings- voorzieningen in de publicatie ‘Nieuwe wegen voor oude waarden’.

36 Het SWV zal een uitspraak moeten doen over wat zij verstaat onder flexibele en standaard arrangementen, en wat haar rol hier in is. Bijvoorbeeld t.a.v. het borgen en ontwikkelen van expertise en deskundigheden. Ondersteuningsplan | Arrangeren Definitie Extra onderwijsondersteuning op maat, met inzet van (bovenschoolse) voorzieningen, expertise en financiën. Er zijn verschillende variaties mogelijk (niet uitputtend):  licht curatief en tijdelijk van aard;  intensief en langdurend of structureel van aard;  onderwijs- en zorgarrangement, bijv. in het (V)SO: dit betreft altijd een samenwerking tussen onderwijs en jeugdzorg;  standaardarrangementen, bijv. SBO of (V)SO;  flexibele arrangementen, bijv. in samenwerking tussen regulier en het (V)SO. Extra onderwijsondersteuning op maat, met inzet van (bovenschoolse) voorzieningen, expertise en financiën. Er zijn verschillende variaties mogelijk (niet uitputtend):  licht curatief en tijdelijk van aard;  intensief en langdurend of structureel van aard;  onderwijs- en zorgarrangement, bijv. in het (V)SO: dit betreft altijd een samenwerking tussen onderwijs en jeugdzorg;  standaardarrangementen, bijv. SBO of (V)SO;  flexibele arrangementen, bijv. in samenwerking tussen regulier en het (V)SO. Arrangeren van alle vormen van extra ondersteuning in het samenwerkingsverband Arrangeren is het matchen van de onderwijs- en ondersteuningsbehoefte van de leerling (en de leraar) met een daarbij passend onderwijs- en ondersteuningsaanbod. Bij alle vormen van ondersteuning die het niveau van basisondersteuning overstijgen wordt een OPP opgesteld. Standaardarrangementen zijn voorzieningen die op samenwerkingsverbandniveau zijn ingericht. Hier vallen het SBO en (V)SO onder, maar bijvoorbeeld ook ‘Op de rails’ en ‘Herstart’ of andere voorzieningen die al bestaan. Flexibele arrangementen zijn arrangementen die op leerlingniveau worden ingericht. Hierbij wordt steeds een afweging gemaakt tussen doelmatigheid en passendheid van het arrangement. Arrangeren is het matchen van de onderwijs- en ondersteuningsbehoefte van de leerling (en de leraar) met een daarbij passend onderwijs- en ondersteuningsaanbod. Bij alle vormen van ondersteuning die het niveau van basisondersteuning overstijgen wordt een OPP opgesteld. Standaardarrangementen zijn voorzieningen die op samenwerkingsverbandniveau zijn ingericht. Hier vallen het SBO en (V)SO onder, maar bijvoorbeeld ook ‘Op de rails’ en ‘Herstart’ of andere voorzieningen die al bestaan. Flexibele arrangementen zijn arrangementen die op leerlingniveau worden ingericht. Hierbij wordt steeds een afweging gemaakt tussen doelmatigheid en passendheid van het arrangement. Standaard arrangementen: (V)SO categorie:  Hoog  Midden  Laag SBO (V)SO categorie:  Hoog  Midden  Laag SBO Ontwikkelings- perspectiefplan (OPP) Flexibele arrangementen Deskundigen- advies Deskundigen- advies Plaatsing door bevoegd gezag Toelaatbaar- heidsverklaring SWV Lees meer over arrangeren in de publicatie ‘Nieuwe wegen voor oude waarden’. Lees meer over arrangeren in de publicatie ‘Nieuwe wegen voor oude waarden’. Zie ook de strategische agenda Bestuurlijke vormgeving samenwerkingsverbanden – Checklist invloed Zie ook de strategische agenda Bestuurlijke vormgeving samenwerkingsverbanden – Checklist invloed Hier kunnen uiteraard ook bestaande en reeds ontwikkelde arrangementen in worden opgenomen.

37 Ondersteuningsplan | Deskundigenadvies Wat is het? Het deskundigenadvies bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van een leerling tot het SBAO of het (V)SO is samen met een aantal andere onderdelen van Passend onderwijs uitgewerkt in een Algemene Maatregel van Bestuur. De AMvB stond tot 29 maart online voor advies uit het veld. De AMvB Passend onderwijs treedt op 1 augustus 2014 in werking. In dit besluit is bepaald dat het SWV zich voor de toelating tot SBAO en (V)SO moet laten adviseren door:  een orthopedagoog*  een tweede deskundige, afhankelijk van de ondersteuningsvraag van de leerling (zoals blijkt uit de gegevens van de ouders of de school), door een kinder- of jeugdpsycholoog, een pedagoog, een maatschappelijk werker, een arts of een kinderpsychiater. * Er is gekozen voor een orthopedagoog omdat deze beschikt over een brede deskundigheid ten aanzien van kinderen met een mentale en/of fysieke beperking en kinderen die zich in een problematische leer- of opvoedingssituatie bevinden. Een orthopedagoog heeft een bachelor in pedagogiek afgerond en een master in orthopedagogiek. Door het opleggen van deze verplichting is geborgd dat het SWV relevante deskundigheid betrekt bij de beslissing over het wel of niet verwijzen van leerlingen naar speciale voorzieningen in het SWV. Het deskundigenadvies biedt uiteraard een mogelijkheid voor het (V)SO om haar toegevoegde waarde te laten zien. Vanuit het (V)SO is het goed om na te denken over welke inbreng men hier kan hebben. Wat is het profiel van deze mensen? Zijn de huidige CvI leden hiervoor geschikt of is iets anders nodig? Ook het deskundigenadvies zal binnen SWV’en worden vormgegeven rekening houdend met de uitgangspunten van de stelselwijziging Passend onderwijs. Het ligt uiteraard voor de hand om criteria op te stellen, maar het arrangeren van passende onderwijsplekken gebeurt ook bij de standaardarrangementen bij voorkeur handelingsgericht, met een focus op de mogelijkheden. En is dus iets anders dan een ‘stempelbureau’ dat uitgaat van slagboomindicering. Het deskundigenadvies bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van een leerling tot het SBAO of het (V)SO is samen met een aantal andere onderdelen van Passend onderwijs uitgewerkt in een Algemene Maatregel van Bestuur. De AMvB stond tot 29 maart online voor advies uit het veld. De AMvB Passend onderwijs treedt op 1 augustus 2014 in werking. In dit besluit is bepaald dat het SWV zich voor de toelating tot SBAO en (V)SO moet laten adviseren door:  een orthopedagoog*  een tweede deskundige, afhankelijk van de ondersteuningsvraag van de leerling (zoals blijkt uit de gegevens van de ouders of de school), door een kinder- of jeugdpsycholoog, een pedagoog, een maatschappelijk werker, een arts of een kinderpsychiater. * Er is gekozen voor een orthopedagoog omdat deze beschikt over een brede deskundigheid ten aanzien van kinderen met een mentale en/of fysieke beperking en kinderen die zich in een problematische leer- of opvoedingssituatie bevinden. Een orthopedagoog heeft een bachelor in pedagogiek afgerond en een master in orthopedagogiek. Door het opleggen van deze verplichting is geborgd dat het SWV relevante deskundigheid betrekt bij de beslissing over het wel of niet verwijzen van leerlingen naar speciale voorzieningen in het SWV. Het deskundigenadvies biedt uiteraard een mogelijkheid voor het (V)SO om haar toegevoegde waarde te laten zien. Vanuit het (V)SO is het goed om na te denken over welke inbreng men hier kan hebben. Wat is het profiel van deze mensen? Zijn de huidige CvI leden hiervoor geschikt of is iets anders nodig? Ook het deskundigenadvies zal binnen SWV’en worden vormgegeven rekening houdend met de uitgangspunten van de stelselwijziging Passend onderwijs. Het ligt uiteraard voor de hand om criteria op te stellen, maar het arrangeren van passende onderwijsplekken gebeurt ook bij de standaardarrangementen bij voorkeur handelingsgericht, met een focus op de mogelijkheden. En is dus iets anders dan een ‘stempelbureau’ dat uitgaat van slagboomindicering. Klik hier voor de AMvB Passend onderwijs. Klik hier voor de AMvB Passend onderwijs. De inzet van de deskundigen ten behoeve van de toelaatbaarheidsbeoordeling sluit aan bij de regeling in de wet Passend onderwijs dat het 1 op grond van artikel 18a van de WPO en artikel 17a van de WVO SWV kan adviseren over de ondersteuningsbehoefte en over het OPP van een leerling op verzoek van het bevoegd gezag van een school die is aangesloten bij het SWV.

38 Ondersteuningsplan | Schoolondersteuningsprofiel Een kans voor het (V)SO Elke (V)SO school is verplicht een schoolondersteuningsprofiel op te stellen. Passend onderwijs verandert de positie van de (V)SO en plaatst hen opnieuw voor de vraag: waar staan we voor? Die visie zal in gesprek met het regulier onderwijs tot stand moeten komen. Afstemming tussen de vraag van het regulier onderwijs naar de expertise die ze aanvullend nodig hebben en het gespecialiseerde onderwijsaanbod van het (V)SO staat centraal: welke onderwijsondersteuning kan waar en door wie het beste geboden worden? De basisondersteuning en extra ondersteuning die het regulier onderwijs kan bieden zal mede bepalend zijn voor het onderwijsaanbod van het (V)SO. Uit het profiel moet blijken voor welke onderwijsarrangementen leerlingen op de school terecht kunnen. Gaat de school zich verder specialiseren in het onderwijs aan bepaalde doelgroepen of streeft de school juist naar een verbreding van het onderwijs(zorg)aanbod? De huidige criteria cluster 3 en 4 gelden immers niet meer vanaf 1 augustus Relatie met het ondersteuningsplan Het schoolondersteuningsprofiel en het ondersteuningsplan zijn twee documenten waar een grote samenhang tussen bestaat. Volgens de wet maakt het collectief van SOP’en in de regio zelfs deel uit van het ondersteuningsplan. Een aantal zaken is van belang:  In het ondersteuningsprofiel beschrijft de school welke ondersteuning zij nu kan realiseren. Daarnaast wordt ook beschreven hoe de school zich wil ontwikkelen. Daarmee wordt inzichtelijk welke mogelijkheden er in de toekomst waarschijnlijk zullen zijn en wat dit vraagt van de professionalisering van de medewerkers. Het samenwerkingsverband geeft in haar ondersteuningsplan aan met welk beleid welke ambities ondersteund kunnen worden.  In het ondersteuningsplan wordt het niveau van basisondersteuning vastgelegd. In het SOP beschrijft de school hoe zij hier aan gaat voldoen.  Extra ondersteuning wordt door het samenwerkingsverband gearrangeerd. Om te bepalen welke school welke mogelijkheden biedt wordt het SOP gebruikt. Dit zal betekenen dat ruim voorafgaand aan het opstellen van het ondersteuningsprofiel, de SOP’en klaar moeten zijn.  Om de SOP’en van de verschillende scholen in de regio onderling vergelijkbaar te houden zal er afstemming moeten plaatsvinden over de vorm en vergelijkbaarheid van gebruikte gegevens. Elke (V)SO school is verplicht een schoolondersteuningsprofiel op te stellen. Passend onderwijs verandert de positie van de (V)SO en plaatst hen opnieuw voor de vraag: waar staan we voor? Die visie zal in gesprek met het regulier onderwijs tot stand moeten komen. Afstemming tussen de vraag van het regulier onderwijs naar de expertise die ze aanvullend nodig hebben en het gespecialiseerde onderwijsaanbod van het (V)SO staat centraal: welke onderwijsondersteuning kan waar en door wie het beste geboden worden? De basisondersteuning en extra ondersteuning die het regulier onderwijs kan bieden zal mede bepalend zijn voor het onderwijsaanbod van het (V)SO. Uit het profiel moet blijken voor welke onderwijsarrangementen leerlingen op de school terecht kunnen. Gaat de school zich verder specialiseren in het onderwijs aan bepaalde doelgroepen of streeft de school juist naar een verbreding van het onderwijs(zorg)aanbod? De huidige criteria cluster 3 en 4 gelden immers niet meer vanaf 1 augustus Relatie met het ondersteuningsplan Het schoolondersteuningsprofiel en het ondersteuningsplan zijn twee documenten waar een grote samenhang tussen bestaat. Volgens de wet maakt het collectief van SOP’en in de regio zelfs deel uit van het ondersteuningsplan. Een aantal zaken is van belang:  In het ondersteuningsprofiel beschrijft de school welke ondersteuning zij nu kan realiseren. Daarnaast wordt ook beschreven hoe de school zich wil ontwikkelen. Daarmee wordt inzichtelijk welke mogelijkheden er in de toekomst waarschijnlijk zullen zijn en wat dit vraagt van de professionalisering van de medewerkers. Het samenwerkingsverband geeft in haar ondersteuningsplan aan met welk beleid welke ambities ondersteund kunnen worden.  In het ondersteuningsplan wordt het niveau van basisondersteuning vastgelegd. In het SOP beschrijft de school hoe zij hier aan gaat voldoen.  Extra ondersteuning wordt door het samenwerkingsverband gearrangeerd. Om te bepalen welke school welke mogelijkheden biedt wordt het SOP gebruikt. Dit zal betekenen dat ruim voorafgaand aan het opstellen van het ondersteuningsprofiel, de SOP’en klaar moeten zijn.  Om de SOP’en van de verschillende scholen in de regio onderling vergelijkbaar te houden zal er afstemming moeten plaatsvinden over de vorm en vergelijkbaarheid van gebruikte gegevens. Klik hier voor de handreiking bij de onderzoeksrapportage ‘Samen-werken aan passend speciaal onderwijs’. Klik hier voor de handreiking bij de onderzoeksrapportage ‘Samen-werken aan passend speciaal onderwijs’. Een goed ondersteuningsprofiel: Heeft draagvlak bij het team. Wordt tijdig gecommuniceerd. Beschrijft niet alleen de mogelijkheden van de school, maar ook de grenzen. Beschrijft naast de expertise van de leraren en/of het OOP ook hun vaardigheden en houding. Een goed ondersteuningsprofiel: Heeft draagvlak bij het team. Wordt tijdig gecommuniceerd. Beschrijft niet alleen de mogelijkheden van de school, maar ook de grenzen. Beschrijft naast de expertise van de leraren en/of het OOP ook hun vaardigheden en houding. Ook als een (V)SO school deel uitmaakt van een groot aantal SWV’en waarin basisondersteuning en extra ondersteuning verschillend gedefinieerd is heeft deze school één schoolondersteuningsprofiel. Het onderwijsaanbod van het (V)SO is een gezamenlijke verantwoordelijkheid en opdracht van het SWV. Zonder bestuurlijke dekking zal er geen geld voor een vernieuwd onderwijsaanbod worden gereserveerd. Klik hier voor de publicatie ‘Werken met het schoolondersteunings- profiel’ van de PO- Raad. Klik hier voor de publicatie ‘Werken met het schoolondersteunings- profiel’ van de PO- Raad.

39 De positie van het (V)SO Het (V)SO krijgt een andere positie binnen de regio, maar blijft nodig om alle leerlingen een passende onderwijsplek te bieden. In het ondersteuningsplan wordt een aantal voor het (V)SO een zeer belangrijke zaken vastgelegd: het niveau van basisondersteuning, de afspraken over extra ondersteuning en de wijze van arrangeren. Het is daarom uiteraard belangrijk om voldoende invloed te hebben in de totstandkoming van het plan. In deze fase is het essentieel dat het (V)SO binnen de daartoe aangestelde en ingestelde tafels, werkgroepen en andere overleggen zichtbaar maakt wat het te bieden heeft. Het is van belang dat de visie van de scholen voor (V)SO voldoende aansluit op het ondersteuningsplan omdat het (V)SO zo afhankelijk wordt van wat erin is afgesproken. Specifieke aandachtspunten voor het (V)SO zijn:  Het niveau van basisondersteuning en de gevolg hiervan voor de mogelijkheden voor, en de gewenste rol van, het (V)SO in de expertiseoverdracht naar het regulier onderwijs. Waar zitten de omissies is de expertise en vaardigheden van het regulier onderwijs? Wat heeft het (V)SO hier te bieden? Welke resultaatafspraken kunnen hierover worden gemaakt?  De rol van het (V)SO bij de wijze van arrangeren en de invulling van het deskundigenadvies. Op welke manier kan het (V)SO hier een bijdrage aan leveren? Welke verschillen in de wijze van de uitvoering hiervan zijn wenselijk ten opzichte van het oude systeem van slagboomindicering?  Flexibilisering versus standaardisering. Welke trajecten zijn wenselijk om te standaardiseren en dus efficiënter aan te kunnen bieden?  Het desgewenst opnemen van bestaande arrangementen (bijv. Op de Rails, Herstart) in de afspraken over voorzieningen voor extra ondersteuning. Welke voorzieningen zouden behouden moeten blijven? Welke aantoonbare resultaten en opbrengsten zijn hiervan beschikbaar?  De afspraken die worden gemaakt over de terugplaatsing vanuit de residentiële instellingen. Is aanmelding aan de voordeur van het SWV mogelijk?  Aandacht voor specifieke doelgroepen (bijvoorbeeld EMB, ZMOLK).  De afspraken over de verbinding tussen ondersteuning in het onderwijs en (jeugd)zorg vanuit de gemeente tijdens het OOGO met de gemeente(n). Hebben de gemeente de complexiteit van de doelgroepen voldoende in beeld? Welke behoeften heeft het (V)SO ten aanzien van een aansluiting van de jeugdzorg? Om wat voor type functionaris zou het hierbij moeten gaan? Het (V)SO krijgt een andere positie binnen de regio, maar blijft nodig om alle leerlingen een passende onderwijsplek te bieden. In het ondersteuningsplan wordt een aantal voor het (V)SO een zeer belangrijke zaken vastgelegd: het niveau van basisondersteuning, de afspraken over extra ondersteuning en de wijze van arrangeren. Het is daarom uiteraard belangrijk om voldoende invloed te hebben in de totstandkoming van het plan. In deze fase is het essentieel dat het (V)SO binnen de daartoe aangestelde en ingestelde tafels, werkgroepen en andere overleggen zichtbaar maakt wat het te bieden heeft. Het is van belang dat de visie van de scholen voor (V)SO voldoende aansluit op het ondersteuningsplan omdat het (V)SO zo afhankelijk wordt van wat erin is afgesproken. Specifieke aandachtspunten voor het (V)SO zijn:  Het niveau van basisondersteuning en de gevolg hiervan voor de mogelijkheden voor, en de gewenste rol van, het (V)SO in de expertiseoverdracht naar het regulier onderwijs. Waar zitten de omissies is de expertise en vaardigheden van het regulier onderwijs? Wat heeft het (V)SO hier te bieden? Welke resultaatafspraken kunnen hierover worden gemaakt?  De rol van het (V)SO bij de wijze van arrangeren en de invulling van het deskundigenadvies. Op welke manier kan het (V)SO hier een bijdrage aan leveren? Welke verschillen in de wijze van de uitvoering hiervan zijn wenselijk ten opzichte van het oude systeem van slagboomindicering?  Flexibilisering versus standaardisering. Welke trajecten zijn wenselijk om te standaardiseren en dus efficiënter aan te kunnen bieden?  Het desgewenst opnemen van bestaande arrangementen (bijv. Op de Rails, Herstart) in de afspraken over voorzieningen voor extra ondersteuning. Welke voorzieningen zouden behouden moeten blijven? Welke aantoonbare resultaten en opbrengsten zijn hiervan beschikbaar?  De afspraken die worden gemaakt over de terugplaatsing vanuit de residentiële instellingen. Is aanmelding aan de voordeur van het SWV mogelijk?  Aandacht voor specifieke doelgroepen (bijvoorbeeld EMB, ZMOLK).  De afspraken over de verbinding tussen ondersteuning in het onderwijs en (jeugd)zorg vanuit de gemeente tijdens het OOGO met de gemeente(n). Hebben de gemeente de complexiteit van de doelgroepen voldoende in beeld? Welke behoeften heeft het (V)SO ten aanzien van een aansluiting van de jeugdzorg? Om wat voor type functionaris zou het hierbij moeten gaan? Ondersteuningsplan | Slotwoord Zie ook de strategische agenda Bestuurlijke vormgeving samenwerkingsverbanden – Checklist invloed Zie ook de strategische agenda Bestuurlijke vormgeving samenwerkingsverbanden – Checklist invloed Klik hier voor de handreiking EMB. Nog niet beschikbaar. Klik hier voor de handreiking EMB. Nog niet beschikbaar.

40 Kwaliteitszorg | Onderwerpen 1.InleidingInleiding 2.Inspectietoezicht SWV’enInspectietoezicht SWV’en 3.Werkwijze InspectieWerkwijze Inspectie 4.Parameters InspectieParameters Inspectie 5.Voor het samenwerkingsverbandVoor het samenwerkingsverband 6.Tijdspad invoeringTijdspad invoering 7.Samenwerking met gemeente(n)Samenwerking met gemeente(n) 8.Verantwoording (V)SOVerantwoording (V)SO 9.FocusFocus

41 Kwaliteitszorg | Inleiding Waarom kwaliteitszorg? Samenwerkingsverbanden zullen hun eigen kwaliteitszorgsysteem moeten inrichten. Niet alleen omdat de inspectie dit vraagt, maar ook om zicht te krijgen op de realisatie van de maatschappelijke ambities zoals deze in het ondersteuningsplan zijn geformuleerd. En om zich te kunnen verantwoorden naar alle verschillende belanghebbenden: deelnemende besturen, scholen, ouders, leerlingen en gemeenten. Het kwaliteitszorgsysteem van een SWV moet uiteraard zicht bieden op de inspectie-indicatoren, zoals kwantitatieve gegevens ten aanzien van het aantal thuiszitters en de spreiding en doorstroom van leerlingen. Daarnaast dient het zicht te verkrijgen op de beleving van verschillende belanghebbenden, bijvoorbeeld ten aanzien van de samenwerking en de mate waarin de doelstellingen van Passend onderwijs als meer preventieve ondersteuning en een oplossingsgerichte werkwijze worden gerealiseerd. Wìllen weten is meten Een goed systeem voor kwaliteitszorg levert voldoende gegevens op, maar voorkomt onwenselijke administratieve rompslomp en belasting. Dubbel werk moet worden voorkomen en daarom zal het systeem zal waar mogelijk moeten aansluiten bij de kwaliteitszorgsystemen en –cycli van de deelnemende besturen en scholen. In dit kader is het ook verstandig samenwerking te zoeken met gemeenten, die vanuit hun groeiende verantwoordelijkheid op het gebied van jeugdzorg zicht zullen willen verkrijgen op deels dezelfde indicatoren ten aanzien van jongeren in de regio. Analyse, gericht op ontwikkeling Het verzamelen van gegevens is geen doel op zich, maar zou moeten leiden tot effectievere en efficiëntere ondersteuning binnen de regio. Minstens zo relevant als het vaststellen van de juiste indicatoren en metingen zijn dan ook afspraken over wat er na de meting met de gegevens gebeurt. Wie is verantwoordelijk voor de analyse en duiding van de opbrengsten van metingen? Wanneer vindt deze plaats? Aan wie zal het samenwerkingsverband op welke wijze verantwoording afleggen? Verantwoording (V)SO Het (V)SO heeft nog een extra belang bij de vormgeving van het systeem voor kwaliteitszorg. Omdat (V)SO besturen veelal met verschillende samenwerkingsverbanden te maken hebben, loont het om hier vroegtijdig over na te denken en zelf met een voorstel te komen over de verantwoording naar samenwerkingsverbanden. Anders is de kans groot dat elk samenwerkingsverband zijn eigen eisen zal stellen aan deze verantwoording en besturen en scholen te maken krijgen met een veelheid aan formats en indicatoren. Passend onderwijs betekent daarnaast dat schoolbesturen ook deels verantwoordelijk worden gehouden voor de kwaliteit die binnen de andere besturen wordt gerealiseerd. Men is gezamenlijk verantwoordelijk voor de kwaliteit van de onderwijsondersteuning. Samenwerkingsverbanden zullen hun eigen kwaliteitszorgsysteem moeten inrichten. Niet alleen omdat de inspectie dit vraagt, maar ook om zicht te krijgen op de realisatie van de maatschappelijke ambities zoals deze in het ondersteuningsplan zijn geformuleerd. En om zich te kunnen verantwoorden naar alle verschillende belanghebbenden: deelnemende besturen, scholen, ouders, leerlingen en gemeenten. Het kwaliteitszorgsysteem van een SWV moet uiteraard zicht bieden op de inspectie-indicatoren, zoals kwantitatieve gegevens ten aanzien van het aantal thuiszitters en de spreiding en doorstroom van leerlingen. Daarnaast dient het zicht te verkrijgen op de beleving van verschillende belanghebbenden, bijvoorbeeld ten aanzien van de samenwerking en de mate waarin de doelstellingen van Passend onderwijs als meer preventieve ondersteuning en een oplossingsgerichte werkwijze worden gerealiseerd. Wìllen weten is meten Een goed systeem voor kwaliteitszorg levert voldoende gegevens op, maar voorkomt onwenselijke administratieve rompslomp en belasting. Dubbel werk moet worden voorkomen en daarom zal het systeem zal waar mogelijk moeten aansluiten bij de kwaliteitszorgsystemen en –cycli van de deelnemende besturen en scholen. In dit kader is het ook verstandig samenwerking te zoeken met gemeenten, die vanuit hun groeiende verantwoordelijkheid op het gebied van jeugdzorg zicht zullen willen verkrijgen op deels dezelfde indicatoren ten aanzien van jongeren in de regio. Analyse, gericht op ontwikkeling Het verzamelen van gegevens is geen doel op zich, maar zou moeten leiden tot effectievere en efficiëntere ondersteuning binnen de regio. Minstens zo relevant als het vaststellen van de juiste indicatoren en metingen zijn dan ook afspraken over wat er na de meting met de gegevens gebeurt. Wie is verantwoordelijk voor de analyse en duiding van de opbrengsten van metingen? Wanneer vindt deze plaats? Aan wie zal het samenwerkingsverband op welke wijze verantwoording afleggen? Verantwoording (V)SO Het (V)SO heeft nog een extra belang bij de vormgeving van het systeem voor kwaliteitszorg. Omdat (V)SO besturen veelal met verschillende samenwerkingsverbanden te maken hebben, loont het om hier vroegtijdig over na te denken en zelf met een voorstel te komen over de verantwoording naar samenwerkingsverbanden. Anders is de kans groot dat elk samenwerkingsverband zijn eigen eisen zal stellen aan deze verantwoording en besturen en scholen te maken krijgen met een veelheid aan formats en indicatoren. Passend onderwijs betekent daarnaast dat schoolbesturen ook deels verantwoordelijk worden gehouden voor de kwaliteit die binnen de andere besturen wordt gerealiseerd. Men is gezamenlijk verantwoordelijk voor de kwaliteit van de onderwijsondersteuning. Zie ook de strategische agenda Wet Kwaliteit (V)SO Zie ook de strategische agenda Wet Kwaliteit (V)SO

42 Kwaliteitszorg | Inspectietoezicht SWV Concept – toezichtskader samenwerkingsverbanden Passend onderwijs Samenwerkingsverbanden Passend onderwijs krijgen hun eigen inspectietoezicht. De Inspectie van het Onderwijs zal na inwerkingtreding van de Wet Passend onderwijs, toezicht houden op de uitvoering van deze wet en ontwikkelt hiervoor een nieuw toezichtkader voor de samenwerkingsverbanden PO en VO. De inspectie hanteert bij haar toezicht een gefaseerd invoeringstraject, omdat de meeste samenwerkingsverbanden ook na 1 augustus en de inwerkingtreding van de zorgplicht nog volop in ontwikkeling zullen zijn. Daarnaast verzamelt ze over de volle breedte informatie over de (zich ontwikkelende) kwaliteit van de SWV’en. Klik hier voor het concept- toezichtskader voor de samenwerkingsverbanden. Klik hier voor het concept- toezichtskader voor de samenwerkingsverbanden. NB. Het toezichtkader ligt in het voorjaar van 2013 ter consultatie voor aan het veld en wordt in juni 2013 definitief vastgesteld Risicogericht Het toezicht van de inspectie is risicogericht. Jaarlijks voert de inspectie een risicoanalyse uit op basis van de kennis die aanwezig is bij de inspectie. Voor de risicodetectie hanteert de inspectie een risicomodel dat is gebaseerd op zes parameters. De inspectie gaat ervan uit dat deze parameters voorspellend zijn voor de kwaliteit van het samenwerkingsverband. Voor elke parameter ontwikkelt en ijkt de inspectie normen. Zie de parameters Risicogericht Het toezicht van de inspectie is risicogericht. Jaarlijks voert de inspectie een risicoanalyse uit op basis van de kennis die aanwezig is bij de inspectie. Voor de risicodetectie hanteert de inspectie een risicomodel dat is gebaseerd op zes parameters. De inspectie gaat ervan uit dat deze parameters voorspellend zijn voor de kwaliteit van het samenwerkingsverband. Voor elke parameter ontwikkelt en ijkt de inspectie normen. Zie de parameters De inspectie zal de komende jaren werken aan een verdere ontwikkeling van de risicobepaling, door de metingen te verbeteren en de normen te herijken. Drie vormen van toezicht 1.Risicogestuurd toezicht. Jaarlijks voert de inspectie een risicoanalyse uit op basis van informatie die al bij de inspectie aanwezig is. 2.Steekproef onderzoek: De staat van het onderwijs. De inspectie rapporteert jaarlijks in het onderwijsverslag over de positieve en negatieve ontwikkelingen in het gehele onderwijsbestel. Hiertoe onderzoekt de inspectie ook een representatieve steekproef van SWV’en. 3.Nalevingstoezicht. De inspectie voert onderzoek uit naar de naleving van wettelijke voorschriften. Drie vormen van toezicht 1.Risicogestuurd toezicht. Jaarlijks voert de inspectie een risicoanalyse uit op basis van informatie die al bij de inspectie aanwezig is. 2.Steekproef onderzoek: De staat van het onderwijs. De inspectie rapporteert jaarlijks in het onderwijsverslag over de positieve en negatieve ontwikkelingen in het gehele onderwijsbestel. Hiertoe onderzoekt de inspectie ook een representatieve steekproef van SWV’en. 3.Nalevingstoezicht. De inspectie voert onderzoek uit naar de naleving van wettelijke voorschriften.

43 Kwaliteitszorg | Werkwijze Inspectie Risicobepaling o.b.v. kennisanalyse Risicobepaling o.b.v. kennisanalyse Geen aanleiding vermoeden achterblijven kwaliteit Geen gesprek met bestuur Gesprek met bestuur Kwaliteitsonderzoek Expertanalyse o.b.v. waarderingskader Expertanalyse o.b.v. waarderingskader Aanleiding vermoeden achterblijven kwaliteit of niet naleving regels Geen onderzoek Risicomodel Het toezicht start dus met een jaarlijkse risicobepaling. Deze start met een kennisanalyse (o.b.v. geautomatiseerde door de inspectie verzamelde data). Op basis hiervan wordt bepaald of er aanleiding is in gesprek te gaan met het samenwerkingsverband. Na dit gesprek kan blijken dat er geen aanleiding is om nader onderzoek te doen. De expertanalyse wordt niet voor alle samenwerkingsverbanden uitgevoerd, maar alleen voor die samenwerkingsverbanden waar de inspectie mogelijke risico's ziet na de kennisanalyse. In de expertanalyse onderwerpt de inspectie informatie die bij de inspectie bekend is aan een nadere analyse. Indien nodig vraagt de inspectie ten behoeve van de expertanalyse aanvullende informatie op bij de SWV’en of bij derden. Risicomodel Het toezicht start dus met een jaarlijkse risicobepaling. Deze start met een kennisanalyse (o.b.v. geautomatiseerde door de inspectie verzamelde data). Op basis hiervan wordt bepaald of er aanleiding is in gesprek te gaan met het samenwerkingsverband. Na dit gesprek kan blijken dat er geen aanleiding is om nader onderzoek te doen. De expertanalyse wordt niet voor alle samenwerkingsverbanden uitgevoerd, maar alleen voor die samenwerkingsverbanden waar de inspectie mogelijke risico's ziet na de kennisanalyse. In de expertanalyse onderwerpt de inspectie informatie die bij de inspectie bekend is aan een nadere analyse. Indien nodig vraagt de inspectie ten behoeve van de expertanalyse aanvullende informatie op bij de SWV’en of bij derden. De inspectie hanteert een getrapt model:  altijd een kennisanalyse;  vaak een expertanalyse;  soms een bestuursgesprek;  heel soms een onderzoek. De inspectie hanteert een getrapt model:  altijd een kennisanalyse;  vaak een expertanalyse;  soms een bestuursgesprek;  heel soms een onderzoek. 1. Thuiszitters 3. Inspectieoordelen 4. Signalen 2. Spreiding en doorstroom 5. ondersteuningsplan en jaarverslag 6. kwaliteit van de leraar, overige informatie eventueel van derden Geen gesprek met bestuur

44 Kwaliteitszorg | Parameters Inspectie 1. Thuiszitters Leerplichtige jongeren tussen de 5 en de 16 jaar of jongeren van 16 of 17 jaar met kwalificatieplicht die:  niet ingeschreven zijn bij een school (absoluut verzuim);  die ingeschreven zijn op een school of onderwijsinstelling en die zonder geldige reden meer dan vier weken verzuimen, zonder dat zij ontheffing hebben van de leerplicht respectievelijk vrijstelling van geregeld schoolbezoek of wegens het volgen van ander onderwijs. 1. Thuiszitters Leerplichtige jongeren tussen de 5 en de 16 jaar of jongeren van 16 of 17 jaar met kwalificatieplicht die:  niet ingeschreven zijn bij een school (absoluut verzuim);  die ingeschreven zijn op een school of onderwijsinstelling en die zonder geldige reden meer dan vier weken verzuimen, zonder dat zij ontheffing hebben van de leerplicht respectievelijk vrijstelling van geregeld schoolbezoek of wegens het volgen van ander onderwijs. Kennisanalyse 4 - Signalen Deze parameter is zowel een variabele bij de kennisanalyse als een informatiebron bij de expertanalyse. De inspectie kijkt bijvoorbeeld naar het aantal, de inhoud en de uitkomst van beroeps- en bezwaarprocedures en van klachten die voorgelegd worden aan de commissie gelijke behandeling. Verder kunnen er signalen komen vanuit ouderorganisaties, onderwijsconsulenten, gemeenten of jeugdzorg. Ook kan er sprake zijn van een patroon van signalen in de vorm van telefonische contacten met vertrouwensinspecteurs of publieksfuncties. 4 - Signalen Deze parameter is zowel een variabele bij de kennisanalyse als een informatiebron bij de expertanalyse. De inspectie kijkt bijvoorbeeld naar het aantal, de inhoud en de uitkomst van beroeps- en bezwaarprocedures en van klachten die voorgelegd worden aan de commissie gelijke behandeling. Verder kunnen er signalen komen vanuit ouderorganisaties, onderwijsconsulenten, gemeenten of jeugdzorg. Ook kan er sprake zijn van een patroon van signalen in de vorm van telefonische contacten met vertrouwensinspecteurs of publieksfuncties. 6. De deskundigheid op het gebied van ondersteuning door de leraar De inspectietaak is met ingang van 1 juli 2012 uitgebreid met het beoordelen en bevorderen van de kwaliteit van het onderwijspersoneel. De vraag is aan de orde of er in de scholen voldoende deskundigheid aanwezig is en of de leraren voldoende vakbekwaam zijn op het gebied van pedagogische en didactische ondersteuning van de leerling die extra ondersteuning nodig heeft. De inspectie ontwikkelt op dit moment een werkwijze om uitspraken te kunnen doen over de kwaliteit van de leraar. Gegevens die te zijner tijd ter beschikking komen, kan de inspectie bij de analyse betrekken op het niveau van het SWV. 6. De deskundigheid op het gebied van ondersteuning door de leraar De inspectietaak is met ingang van 1 juli 2012 uitgebreid met het beoordelen en bevorderen van de kwaliteit van het onderwijspersoneel. De vraag is aan de orde of er in de scholen voldoende deskundigheid aanwezig is en of de leraren voldoende vakbekwaam zijn op het gebied van pedagogische en didactische ondersteuning van de leerling die extra ondersteuning nodig heeft. De inspectie ontwikkelt op dit moment een werkwijze om uitspraken te kunnen doen over de kwaliteit van de leraar. Gegevens die te zijner tijd ter beschikking komen, kan de inspectie bij de analyse betrekken op het niveau van het SWV. 5 - Het ondersteuningsplan, de jaarverslagen en de verdeling van de ondersteuningsmiddelen Zodra de jaarverslagen van de SWV’en beschikbaar zijn, betrekt de inspectie ook deze bij de expertanalyse De inspectie ontwikkelt een (risico)analysemodel voor het ondersteuningsplan. Hierin komen vragen aan de orde zoals:  Hoe zijn de schoolbesturen in het SWV aan elkaar verbonden?  Is er sprake van een structuur waarin ze kunnen komen tot een verdeling van inzet van personele en financiële middelen op het gebied van ondersteuning?  Is er een dekkend systeem om te komen tot passend onderwijs voor alle leerlingen?  Hoe is de verantwoording geregeld, is er sprake van transparante inzet van ondersteuningsgelden en is het interne toezicht geregeld? 5 - Het ondersteuningsplan, de jaarverslagen en de verdeling van de ondersteuningsmiddelen Zodra de jaarverslagen van de SWV’en beschikbaar zijn, betrekt de inspectie ook deze bij de expertanalyse De inspectie ontwikkelt een (risico)analysemodel voor het ondersteuningsplan. Hierin komen vragen aan de orde zoals:  Hoe zijn de schoolbesturen in het SWV aan elkaar verbonden?  Is er sprake van een structuur waarin ze kunnen komen tot een verdeling van inzet van personele en financiële middelen op het gebied van ondersteuning?  Is er een dekkend systeem om te komen tot passend onderwijs voor alle leerlingen?  Hoe is de verantwoording geregeld, is er sprake van transparante inzet van ondersteuningsgelden en is het interne toezicht geregeld? 2. Spreiding en doorstroom De inspectie vergelijkt op het niveau van de SWV’en de doorstroom binnen en tussen de verschillende onderwijssoorten, de uitstroom, de afstroom en de opstroom naar ander onderwijs met het landelijk gemiddelde of met andere vergelijkingsgroepen. 2. Spreiding en doorstroom De inspectie vergelijkt op het niveau van de SWV’en de doorstroom binnen en tussen de verschillende onderwijssoorten, de uitstroom, de afstroom en de opstroom naar ander onderwijs met het landelijk gemiddelde of met andere vergelijkingsgroepen. 3 - (Eerder gegeven) inspectieoordelen op scholen en instellingen Wat is het aantal scholen met aangepast toezicht binnen het SWV en in hoeverre wijkt dit af van het landelijk gemiddelde? Bij een aangepast arrangement of bij scholen uit de jaarlijkse steekproef in het kader van het Onderwijsverslag maakt de inspectie ook een analyse van de oordelen op het kwaliteitsaspect 'ondersteuning van de leerling'. 3 - (Eerder gegeven) inspectieoordelen op scholen en instellingen Wat is het aantal scholen met aangepast toezicht binnen het SWV en in hoeverre wijkt dit af van het landelijk gemiddelde? Bij een aangepast arrangement of bij scholen uit de jaarlijkse steekproef in het kader van het Onderwijsverslag maakt de inspectie ook een analyse van de oordelen op het kwaliteitsaspect 'ondersteuning van de leerling'. Expertanalyse De inspectie heeft zes parameters vastgesteld. Deze worden onderscheiden in parameters die gehanteerd worden bij de kennisanalyse danwel bij de expertanalyse.

45 Kwaliteitszorg | Kwaliteitsaspecten Regionale kwaliteitszorg Het voorlopige waarderingskader bestaat uit drie kwaliteitsaspecten, die zijn uitgewerkt in onderliggende indicatoren. 1 - Resultaten Het SWV realiseert een samenhangend geheel van ondersteuningsvoorzieningen binnen en tussen de scholen, zodanig dat alle leerlingen die extra ondersteuning behoeven een zo passend mogelijke plaats in het onderwijs krijgen en voert de aan haar opgedragen taken uit. 2 - Management en organisatie Het SWV weet zijn missie en doelstellingen binnen het kader van de Wet Passend onderwijs te realiseren door een slagvaardige aansturing en effectieve interne communicatie en een doelmatige, inzichtelijke organisatie. 3 - Kwaliteitszorg Het SWV heeft zorg voor kwaliteit door systematische zelfevaluatie, planmatige kwaliteitsverbetering, jaarlijkse verantwoording van gerealiseerde kwaliteit en borging van gerealiseerde verbeteringen. De inspectie werkt aan een invulling van de aspecten door het formuleren van de indicatoren, aanwijzingen voor de kwaliteit van een bepaald aspect en het faseren van de basiskwaliteit per schooljaar. De inspectie waardeert alleen de indicatoren en doet geen uitspraken op aspectniveau. Het voorlopige waarderingskader bestaat uit drie kwaliteitsaspecten, die zijn uitgewerkt in onderliggende indicatoren. 1 - Resultaten Het SWV realiseert een samenhangend geheel van ondersteuningsvoorzieningen binnen en tussen de scholen, zodanig dat alle leerlingen die extra ondersteuning behoeven een zo passend mogelijke plaats in het onderwijs krijgen en voert de aan haar opgedragen taken uit. 2 - Management en organisatie Het SWV weet zijn missie en doelstellingen binnen het kader van de Wet Passend onderwijs te realiseren door een slagvaardige aansturing en effectieve interne communicatie en een doelmatige, inzichtelijke organisatie. 3 - Kwaliteitszorg Het SWV heeft zorg voor kwaliteit door systematische zelfevaluatie, planmatige kwaliteitsverbetering, jaarlijkse verantwoording van gerealiseerde kwaliteit en borging van gerealiseerde verbeteringen. De inspectie werkt aan een invulling van de aspecten door het formuleren van de indicatoren, aanwijzingen voor de kwaliteit van een bepaald aspect en het faseren van de basiskwaliteit per schooljaar. De inspectie waardeert alleen de indicatoren en doet geen uitspraken op aspectniveau. Gedeelde verantwoordelijkheid Er zijn beleidsterreinen waarvoor zowel het SWV als de deelnemende besturen verantwoordelijkheid dragen. De thuiszitters zijn een voorbeeld. In de eerst plaats zijn de ouders en leerplichtambtenaar verantwoordelijk. Daarnaast heeft het SWV een taak om te voorkomen dat leerlingen thuis komen te zitten, als schoolbesturen leerlingen niet plaatsen die extra ondersteuning nodig hebben. Het SWV heeft namelijk de mogelijkheid om hiervoor regionaal beleid te ontwikkelen en afspraken met de schoolbesturen te maken. Wanneer een leerling op een school is aangemeld en desondanks thuis zit, ligt hier begrijpelijkerwijs een verantwoordelijkheid voor de ouders, maar ook voor het desbetreffende schoolbestuur. Soms kan sprake zijn van een causaal verband tussen het functioneren van het SWV en dat van een school en vice versa.  Het SWV heeft de verantwoordelijkheid om binnen de regio tot een samenhangend geheel aan voorzieningen voor extra ondersteuning te komen en de beschikbare financiële middelen zodanig te verdelen, dat optimale ondersteuning binnen het bereik van alle leerlingen komt.  Het schoolbestuur is verantwoordelijk voor de geboden ondersteuning op zijn school. Als uit het toezicht op de school blijkt dat de kwaliteit van de extra ondersteuning op de school niet aan de basiskwaliteit voldoet, spreekt de inspectie daarop in de eerste plaats het schoolbestuur aan.  Indien de inspectie echter concludeert dat het schoolbestuur de vereiste kwaliteit niet kan leveren vanwege het beleid van het SWV, spreekt de inspectie ook het SWV aan. Gedeelde verantwoordelijkheid Er zijn beleidsterreinen waarvoor zowel het SWV als de deelnemende besturen verantwoordelijkheid dragen. De thuiszitters zijn een voorbeeld. In de eerst plaats zijn de ouders en leerplichtambtenaar verantwoordelijk. Daarnaast heeft het SWV een taak om te voorkomen dat leerlingen thuis komen te zitten, als schoolbesturen leerlingen niet plaatsen die extra ondersteuning nodig hebben. Het SWV heeft namelijk de mogelijkheid om hiervoor regionaal beleid te ontwikkelen en afspraken met de schoolbesturen te maken. Wanneer een leerling op een school is aangemeld en desondanks thuis zit, ligt hier begrijpelijkerwijs een verantwoordelijkheid voor de ouders, maar ook voor het desbetreffende schoolbestuur. Soms kan sprake zijn van een causaal verband tussen het functioneren van het SWV en dat van een school en vice versa.  Het SWV heeft de verantwoordelijkheid om binnen de regio tot een samenhangend geheel aan voorzieningen voor extra ondersteuning te komen en de beschikbare financiële middelen zodanig te verdelen, dat optimale ondersteuning binnen het bereik van alle leerlingen komt.  Het schoolbestuur is verantwoordelijk voor de geboden ondersteuning op zijn school. Als uit het toezicht op de school blijkt dat de kwaliteit van de extra ondersteuning op de school niet aan de basiskwaliteit voldoet, spreekt de inspectie daarop in de eerste plaats het schoolbestuur aan.  Indien de inspectie echter concludeert dat het schoolbestuur de vereiste kwaliteit niet kan leveren vanwege het beleid van het SWV, spreekt de inspectie ook het SWV aan.

46 Kwaliteitszorg | Voor het samenwerkingsverband Een systeem voor kwaliteitszorg Een goed systeem voor kwaliteitszorg biedt het samenwerkingsverband zicht op zoals ‘harde’ (kwantitatieve data) als ‘zachte’ gegevens (bijv. t.a.v. beleving: tevredenheidsmetingen). Op deze manier kan men nagaan of de doelstellingen in harde cijfers worden gerealiseerd. En of de samenwerking ook in de beleving van betrokkenen leidt tot een effectievere en efficiëntere ondersteuning binnen de regio. Dit laatste kan door middel van periodieke tevredenheidsonderzoeken worden onderzocht. Doelgroepen om per vragenlijst te bevragen zijn bijvoorbeeld:  medewerkers SWV  aangesloten besturen  contactpersonen op de scholen  leerlingen met ondersteuningsbehoeften  ouders van die leerlingen  jeugdhulpinstellingen / zorgaanbieders  gemeenten Zorgvuldige analyse Het uitvoeren van metingen is geen doel op zich. Het systeem voor kwaliteitszorg zou moeten leiden tot betere ondersteuning binnen de regio. Zeer relevant bij het ontwerpen van een systeem voor kwaliteitszorg is dan ook het plannen van een zorgvuldige duiding en analyse van de verzamelde gegevens. Vragen die in dit kader relevant zijn:  Op welke wijze worden de verzamelede gegevens geanalyseerd?  Wie is hierbij betrokken?  Wanneer vindt deze plaats?  Aan wie zal het samenwerkingsverband op welke wijze verantwoording afleggen? Een goed systeem voor kwaliteitszorg biedt het samenwerkingsverband zicht op zoals ‘harde’ (kwantitatieve data) als ‘zachte’ gegevens (bijv. t.a.v. beleving: tevredenheidsmetingen). Op deze manier kan men nagaan of de doelstellingen in harde cijfers worden gerealiseerd. En of de samenwerking ook in de beleving van betrokkenen leidt tot een effectievere en efficiëntere ondersteuning binnen de regio. Dit laatste kan door middel van periodieke tevredenheidsonderzoeken worden onderzocht. Doelgroepen om per vragenlijst te bevragen zijn bijvoorbeeld:  medewerkers SWV  aangesloten besturen  contactpersonen op de scholen  leerlingen met ondersteuningsbehoeften  ouders van die leerlingen  jeugdhulpinstellingen / zorgaanbieders  gemeenten Zorgvuldige analyse Het uitvoeren van metingen is geen doel op zich. Het systeem voor kwaliteitszorg zou moeten leiden tot betere ondersteuning binnen de regio. Zeer relevant bij het ontwerpen van een systeem voor kwaliteitszorg is dan ook het plannen van een zorgvuldige duiding en analyse van de verzamelde gegevens. Vragen die in dit kader relevant zijn:  Op welke wijze worden de verzamelede gegevens geanalyseerd?  Wie is hierbij betrokken?  Wanneer vindt deze plaats?  Aan wie zal het samenwerkingsverband op welke wijze verantwoording afleggen? Harde gegevens  aantal thuiszitters;  leerresultaten leerlingen;  doorstroom binnen en tussen de verschillende onderwijssoorten;  de uitstroom, afstroom en opstroom naar ander onderwijs  verwijzingspercentages;  het aantal, de inhoud en de uitkomst van beroeps- en bezwaarprocedures en van klachten die voorgelegd worden aan de commissie gelijke behandeling. Harde gegevens  aantal thuiszitters;  leerresultaten leerlingen;  doorstroom binnen en tussen de verschillende onderwijssoorten;  de uitstroom, afstroom en opstroom naar ander onderwijs  verwijzingspercentages;  het aantal, de inhoud en de uitkomst van beroeps- en bezwaarprocedures en van klachten die voorgelegd worden aan de commissie gelijke behandeling. Zachte gegevens Bij het meten van de beleving van betrokkenen zou het kunnen gaan om indicatoren als:  welzijn leerlingen;  een duidelijke route voor ouders;  een dekkend systeem om te komen tot passend onderwijs voor alle leerlingen;  het SWV heeft een duidelijke visie, belanghebbenden zijn bekend met de visie van het SWV;  slagvaardige aansturing en effectieve interne communicatie en een doelmatige, inzichtelijke organisatie;  transparante inzet van ondersteuningsgelden en adequaat intern toezicht;  bevoegdheden zijn op de juiste plaatsen belegd, verantwoordelijkheden worden nagekomen, deelnemers aan het SWV spreken elkaar aan op elkaars verantwoordelijkheden;  afstemming met zorgaanbieders, geïntegreerde aanpak van zorg en onderwijs. Zachte gegevens Bij het meten van de beleving van betrokkenen zou het kunnen gaan om indicatoren als:  welzijn leerlingen;  een duidelijke route voor ouders;  een dekkend systeem om te komen tot passend onderwijs voor alle leerlingen;  het SWV heeft een duidelijke visie, belanghebbenden zijn bekend met de visie van het SWV;  slagvaardige aansturing en effectieve interne communicatie en een doelmatige, inzichtelijke organisatie;  transparante inzet van ondersteuningsgelden en adequaat intern toezicht;  bevoegdheden zijn op de juiste plaatsen belegd, verantwoordelijkheden worden nagekomen, deelnemers aan het SWV spreken elkaar aan op elkaars verantwoordelijkheden;  afstemming met zorgaanbieders, geïntegreerde aanpak van zorg en onderwijs.

47 Kwaliteitszorg | Tijdspad invoering stap 2: 1 januari mei 2013 stap 2: 1 januari mei 2013 De inspectie bespreekt de ontwikkeling van het toezichtkader met betrokkenen uit het veld en probeert de ontwikkelde instrumenten - de risicomodellen en toezichtkaders - uit bij enkele SWV’en. In deze periode komen de normering van de indicatoren en de beslisregels tot stand. De inspectie verwacht dat de SWV’en hun concept- ondersteuningsplannen vanaf januari gaan insturen ter beoordeling. In juni 2013 stelt de inspecteur-generaal het toezichtkader vast, waarna de minister het kan goedkeuren. Na goedkeuring door de minister volgt publicatie en treedt het kader in werking. De inspectie bespreekt de ontwikkeling van het toezichtkader met betrokkenen uit het veld en probeert de ontwikkelde instrumenten - de risicomodellen en toezichtkaders - uit bij enkele SWV’en. In deze periode komen de normering van de indicatoren en de beslisregels tot stand. De inspectie verwacht dat de SWV’en hun concept- ondersteuningsplannen vanaf januari gaan insturen ter beoordeling. In juni 2013 stelt de inspecteur-generaal het toezichtkader vast, waarna de minister het kan goedkeuren. Na goedkeuring door de minister volgt publicatie en treedt het kader in werking. stap 3: 1 mei augustus 2014 stap 3: 1 mei augustus 2014 Op 1 augustus 2013 treedt de Wet Passend onderwijs op onderdelen in werking. Het toezicht start met de bestuurlijke inrichting van de SWV’en (vanaf 1 november 2013). In februari 2014 bevraagt de inspectie de SWV’en over de stand van zaken met betrekking tot de formele totstandkoming van de ondersteuningsplannen. Als een ondersteuningsplan niet is ingediend of als blijkt dat een ondersteuningsplan niet voldoet aan de wettelijke voorschriften, volgt een rappel en een opdracht tot herstel. De inhoudelijke informatie uit het ondersteuningsplan betrekt de inspectie bij de expertanalyse. In deze periode start ook de voorbereiding van het toezicht op de kwaliteit van de SWV’en PO en VO. De inspectie voert de eerste risicoanalyses op basis van het risicomodel uit. stap 1: 1 augustus januari 2013 stap 1: 1 augustus januari 2013 De regionale indelingen zijn bekend, de SWV’en starten met de voorbereiding op hun werk. Op basis van de experimentenwet zijn enkele SWV’en in staat gesteld om vanaf 1 augustus 2013 het onderwijs vorm te geven zoals dat in de Wet Passend onderwijs is voorgeschreven. Verwachte resultaten bij de ontwikkeling van het toezicht: concepttoezichtkader – zonder normering – gereed voor publicatie; eerste uitwerking van het risicomodel (voor de parameters thuiszitters, spreiding en doorstroom leerlingen, inspectieoordelen op scholen en signalen); (voorlopig) analysemodel voor de boordeling van ondersteuningsplannen. Verwachte resultaten bij de ontwikkeling van het toezicht: concepttoezichtkader – zonder normering – gereed voor publicatie; eerste uitwerking van het risicomodel (voor de parameters thuiszitters, spreiding en doorstroom leerlingen, inspectieoordelen op scholen en signalen); (voorlopig) analysemodel voor de boordeling van ondersteuningsplannen. Verwachte resultaten: op alle punten uitgewerkt risicomodel; (risico)analysemodel voor het ondersteuningsplan; eind juni 2013 een toezichtkader met normstellende criteria voor de kwaliteit van de uitvoering van de taken van het SWV. Verwachte resultaten: op alle punten uitgewerkt risicomodel; (risico)analysemodel voor het ondersteuningsplan; eind juni 2013 een toezichtkader met normstellende criteria voor de kwaliteit van de uitvoering van de taken van het SWV. Verwachte resultaten: - eerste risicoanalyse; - analyses van de ondersteuningsplannen. Verwachte resultaten: - eerste risicoanalyse; - analyses van de ondersteuningsplannen. NB. Met het vaststellen en normeren van het waarderingskader geeft de inspectie de standaard aan voor de ondergrens van basiskwaliteit van het samenwerkingsverband. Omdat er in aanvang weinig evaluatiegegevens beschikbaar zijn, past het toezicht zich hierop aan.

48 Kwaliteitszorg | Samenwerking gemeente(n) Spiegelwetgeving Bij de stelselwijzigingen Passend onderwijs en de Decentralisatie van de jeugdzorg is sprake van spiegelwetgeving. De wetsvoorstellen bevatten complementaire bepalingen over samenwerking en op overeenstemming gericht overleg (OOGO) over zowel het ondersteuningsplan van het SWV als over de beleidsplannen van de gemeenten. De nieuwe verantwoordelijkheden van de gemeente en de samenwerkingsverbanden ten aanzien van de jeugd liggen dichtbij elkaar. Samenwerking op allerlei terreinen ligt dan ook voor de hand. Gedeelde ambities en doelstellingen ten aanzien van de jeugd kunnen de effectiviteit van de samenwerking bevorderen en de activiteiten vanuit onderwijs en de gemeente versterken. Hierbij past het formuleren van gemeenschappelijke beoogde resultaten en opbrengsten en het gezamenlijk nagaan of de beoogde resultaten worden bereikt. De ontwikkeling van regionale kwaliteitszorg maakt het daarmee voor het eerst mogelijk echt iets te zeggen over de kwaliteit van de maatschappelijke regio en de voorzieningen die hierin bekostigd worden. Bij de stelselwijzigingen Passend onderwijs en de Decentralisatie van de jeugdzorg is sprake van spiegelwetgeving. De wetsvoorstellen bevatten complementaire bepalingen over samenwerking en op overeenstemming gericht overleg (OOGO) over zowel het ondersteuningsplan van het SWV als over de beleidsplannen van de gemeenten. De nieuwe verantwoordelijkheden van de gemeente en de samenwerkingsverbanden ten aanzien van de jeugd liggen dichtbij elkaar. Samenwerking op allerlei terreinen ligt dan ook voor de hand. Gedeelde ambities en doelstellingen ten aanzien van de jeugd kunnen de effectiviteit van de samenwerking bevorderen en de activiteiten vanuit onderwijs en de gemeente versterken. Hierbij past het formuleren van gemeenschappelijke beoogde resultaten en opbrengsten en het gezamenlijk nagaan of de beoogde resultaten worden bereikt. De ontwikkeling van regionale kwaliteitszorg maakt het daarmee voor het eerst mogelijk echt iets te zeggen over de kwaliteit van de maatschappelijke regio en de voorzieningen die hierin bekostigd worden. Regionale kwaliteitszorg Om de voortgang op zowel jeugdzorg als onderwijs na te gaan, is zicht op deels dezelfde indicatoren nodig. Gelijk optrekken is hierbij van wezenlijk belang om een eenduidig beeld van de regio te verkrijgen en dubbel werk voor scholen en andere betrokken organisaties te voorkomen. Indicatoren die vanuit zowel het SWV als de gemeenten interessant zijn:  aantal thuiszitters;  welzijn jeugd;  leerresultaten;  verdiencapaciteit jeugd;  uitstroom (V)SO per uitstroomprofiel;  doorstroom binnen en tussen de verschillende onderwijssoorten;  verwijzingspercentages Om de voortgang op zowel jeugdzorg als onderwijs na te gaan, is zicht op deels dezelfde indicatoren nodig. Gelijk optrekken is hierbij van wezenlijk belang om een eenduidig beeld van de regio te verkrijgen en dubbel werk voor scholen en andere betrokken organisaties te voorkomen. Indicatoren die vanuit zowel het SWV als de gemeenten interessant zijn:  aantal thuiszitters;  welzijn jeugd;  leerresultaten;  verdiencapaciteit jeugd;  uitstroom (V)SO per uitstroomprofiel;  doorstroom binnen en tussen de verschillende onderwijssoorten;  verwijzingspercentages Zie ook de strategische agenda Decentralisatie jeugdzorg Zie ook de strategische agenda Decentralisatie jeugdzorg

49 Kwaliteitszorg | Verantwoording door het (V)SO Een specifiek belang voor het (V)SO Het (V)SO zal zich de komende jaren in toenemende mate moeten verantwoorden. Naar de inspectie, naar ouders en leerlingen en ook naar de samenwerkingsverbanden. Omdat de bekostiging van het (V)SO vanuit de middelen van het samenwerkingsbudget plaatsvindt, zal het (V)SO zich naar de samenwerkingsverbanden moeten verantwoorden over de besteding van deze middelen. Onderdelen van deze verantwoording zullen in ieder geval de resultaten en opbrengsten van het onderwijs (leerresultaten) en de effectiviteit van de ondersteuning zijn. Ook zal er waarschijnlijk een grotere druk op terugplaatsing in het regulier onderwijs ontstaan en zal het (V)SO zich hierover moeten verantwoorden. Ten slotte zal een gesprek moeten worden gevoerd over de overdracht van expertise aan het regulier onderwijs. Hoe heeft het (V)SO ervoor gezorgd dat de basisondersteuning is verhoogd? Welke activiteiten zijn ondernomen en wat zijn de opbrengsten hiervan? Veel (V)SO besturen en scholen hebben met verschillende samenwerkingsverbanden te maken. Die allen een eigen kwaliteitszorgsysteem zullen ontwerpen, met een eigen systematiek van monitoring en verantwoording. Vanuit het (V)SO zal het daarom lonen om (gezamenlijk) het voortouw te nemen in de wijze waarop het zich zal verantwoorden. Door zelf indicatoren en meetcycli voor te stellen. Op deze manier kan het (V)SO voorkomen dat het op een groot aantal manieren wordt geacht zich te verantwoorden. Het (V)SO zal zich in ieder geval moeten verantwoorden over:  leerresultaten;  welzijn leerlingen;  het rendement van het onderwijs en extra ondersteuning (inclusief gerealiseerde terugplaatsingen);  uitstroom volgens de uitstroomprofielen;  expertiseoverdracht aan het regulier onderwijs;  inzet van financiële middelen. Het (V)SO zal zich de komende jaren in toenemende mate moeten verantwoorden. Naar de inspectie, naar ouders en leerlingen en ook naar de samenwerkingsverbanden. Omdat de bekostiging van het (V)SO vanuit de middelen van het samenwerkingsbudget plaatsvindt, zal het (V)SO zich naar de samenwerkingsverbanden moeten verantwoorden over de besteding van deze middelen. Onderdelen van deze verantwoording zullen in ieder geval de resultaten en opbrengsten van het onderwijs (leerresultaten) en de effectiviteit van de ondersteuning zijn. Ook zal er waarschijnlijk een grotere druk op terugplaatsing in het regulier onderwijs ontstaan en zal het (V)SO zich hierover moeten verantwoorden. Ten slotte zal een gesprek moeten worden gevoerd over de overdracht van expertise aan het regulier onderwijs. Hoe heeft het (V)SO ervoor gezorgd dat de basisondersteuning is verhoogd? Welke activiteiten zijn ondernomen en wat zijn de opbrengsten hiervan? Veel (V)SO besturen en scholen hebben met verschillende samenwerkingsverbanden te maken. Die allen een eigen kwaliteitszorgsysteem zullen ontwerpen, met een eigen systematiek van monitoring en verantwoording. Vanuit het (V)SO zal het daarom lonen om (gezamenlijk) het voortouw te nemen in de wijze waarop het zich zal verantwoorden. Door zelf indicatoren en meetcycli voor te stellen. Op deze manier kan het (V)SO voorkomen dat het op een groot aantal manieren wordt geacht zich te verantwoorden. Het (V)SO zal zich in ieder geval moeten verantwoorden over:  leerresultaten;  welzijn leerlingen;  het rendement van het onderwijs en extra ondersteuning (inclusief gerealiseerde terugplaatsingen);  uitstroom volgens de uitstroomprofielen;  expertiseoverdracht aan het regulier onderwijs;  inzet van financiële middelen. Klik hier voor de Wet Kwaliteit (V)SO. Klik hier voor de Wet Kwaliteit (V)SO. De toenemende aandacht voor verantwoording past bij andere ontwikkelingen zoals de Wet Kwaliteit (V)SO. Deze wet vraagt van (V)SO besturen en scholen dat zij zich voor het eerst verantwoorden over de opbrengsten van het onderwijs (per leerling, groep, school). Zie ook de strategische agenda Wet Kwaliteit (V)SO Zie ook de strategische agenda Wet Kwaliteit (V)SO NB. Vanuit het samenwerkingsverband geldt het omgekeerde belang: om te voorkomen dat alle betrokken (V)SO besturen en scholen zich op verschillende manieren verantwoorden, loont het vanuit het SWV om hier proactief in te zijn. Klik hier voor de door het veld ontwikkelde ‘Kwaliteitsnorm speciaal onderwijs’ Klik hier voor de door het veld ontwikkelde ‘Kwaliteitsnorm speciaal onderwijs’ Klik hier voor het ITS onderzoek naar mogelijke indicatoren voor Vensters voor verantwoording (V)SO. Klik hier voor het ITS onderzoek naar mogelijke indicatoren voor Vensters voor verantwoording (V)SO.

50 Kwaliteitszorg | Focus Een positieve focus… Passend onderwijs stelt de onderwijsbesturen binnen een samenwerkingsverband in staat om keuzes te maken ten aanzien van de inrichting van de onderwijsondersteuning binnen de regio. Bijvoorbeeld door te kiezen voor meer preventieve ondersteuning en minder verwijzingen naar zwaardere vormen van ondersteuning. Het ontwerpen van een nieuw kwaliteitszorgsysteem voor de regio vormt een kans om na te denken over hoe dit systeem zèlf ook kan bijdragen aan deze doelstellingen. In Nederland is het niet ongebruikelijk dat we meten aan de hand van ‘negatieve data’. Cijfers ten aanzien van bijvoorbeeld (jeugd)criminaliteit en (jeugd)werkeloosheid zijn beter in beeld dan het aantal leerlingen waar mee het goed gaat. Zo zouden we bijna vergeten dat de Nederlandse jeugd de gelukkigste ter wereld is. Bij het kiezen van indicatoren en meetaspecten is het daarom goed om ook over de focus van de data na te denken. Omdat deze mede sturend zal zijn voor het handelen. Voorbeelden van data met een positieve focus zijn:  welzijn leerlingen  deelnamepercentage onderwijs  slagingspercentages  terugstroom regulier onderwijs  arbeidsparticipatie  verdiencapaciteit Passend onderwijs stelt de onderwijsbesturen binnen een samenwerkingsverband in staat om keuzes te maken ten aanzien van de inrichting van de onderwijsondersteuning binnen de regio. Bijvoorbeeld door te kiezen voor meer preventieve ondersteuning en minder verwijzingen naar zwaardere vormen van ondersteuning. Het ontwerpen van een nieuw kwaliteitszorgsysteem voor de regio vormt een kans om na te denken over hoe dit systeem zèlf ook kan bijdragen aan deze doelstellingen. In Nederland is het niet ongebruikelijk dat we meten aan de hand van ‘negatieve data’. Cijfers ten aanzien van bijvoorbeeld (jeugd)criminaliteit en (jeugd)werkeloosheid zijn beter in beeld dan het aantal leerlingen waar mee het goed gaat. Zo zouden we bijna vergeten dat de Nederlandse jeugd de gelukkigste ter wereld is. Bij het kiezen van indicatoren en meetaspecten is het daarom goed om ook over de focus van de data na te denken. Omdat deze mede sturend zal zijn voor het handelen. Voorbeelden van data met een positieve focus zijn:  welzijn leerlingen  deelnamepercentage onderwijs  slagingspercentages  terugstroom regulier onderwijs  arbeidsparticipatie  verdiencapaciteit Wat je aandacht geeft groeit! NB. Er wordt gewerkt aan een landelijk monitoringsysteem voor Passend onderwijs dat t.z.t. ook wordt ondergebracht in een Venster Passend onderwijs.

51 Tripartiete overeenkomst | Onderwerpen 1.Wat is het?Wat is het? 2.Voor wie?Voor wie? 3.Mijlpalen en activiteitenMijlpalen en activiteiten 4.Mogelijkheden voor het (V)SOMogelijkheden voor het (V)SO Klik hier om de Tripartiete overeenkomst op de website van LECSO te bekijken. Klik hier om de Tripartiete overeenkomst op de website van LECSO te bekijken.

52 Tripartiete overeenkomst | Wat is het? Wat betekent de overeenkomst? De tripartiete overeenkomst is erop gericht om verlies van expertise (of ontslag) te voorkomen. De overeenkomst regelt het overleg om medewerkers – rekening houdend met hun functie en expertise – in een nieuwe functie te plaatsen. De visie en het ondersteuningsplan van het samenwerkingsverband vormen hierbij het uitgangspunt. De overeenkomst richt zich op:  behoud van expertise en werkgelegenheid;  professionalisering van ondersteuning in de regio Passend onderwijs;  de verplichting tot inspanning en resultaat voor betrokken partijen. Wat verder toegelicht betekent dit het volgende: De betrokken schoolbesturen in het samenwerkingsverband krijgen de gezamenlijke verantwoordelijkheid om verlies van expertise en werkgelegenheid te voorkomen. In het ondersteuningsplan dient men vast te leggen hoe ze dit gaan realiseren. Ook van de betrokken werknemers wordt iets verwacht, zij moeten zich namelijk actief inzetten om aan het werk te blijven. Zij worden verplicht zich zo nodig bij of om te scholen en passend werk te accepteren. Van hun werkgevers wordt verwacht dat zij hen daarvoor de mogelijkheid bieden. De overeenkomst biedt verschillende manieren om verlies van arbeid en expertise voorkomen.  Overdracht van personeel naar een nieuwe werkgever: samenwerkingsverband; een experticecentrum; schoolbestuur; combinatie van bovenstaande.  Herbestedingsverplichting (verplichte afname bij scholen/besturen). De tripartiete overeenkomst personele gevolgen Passend onderwijs is een overeenkomst die is gesloten tussen het Ministerie van OCW, PO-raad/VO-raad en vakcentrales. De overeenkomst heeft een formele basis in de Wet Passend Onderwijs en WPO. De tripartiete overeenkomst is erop gericht om verlies van expertise (of ontslag) te voorkomen. De overeenkomst regelt het overleg om medewerkers – rekening houdend met hun functie en expertise – in een nieuwe functie te plaatsen. De visie en het ondersteuningsplan van het samenwerkingsverband vormen hierbij het uitgangspunt. De overeenkomst richt zich op:  behoud van expertise en werkgelegenheid;  professionalisering van ondersteuning in de regio Passend onderwijs;  de verplichting tot inspanning en resultaat voor betrokken partijen. Wat verder toegelicht betekent dit het volgende: De betrokken schoolbesturen in het samenwerkingsverband krijgen de gezamenlijke verantwoordelijkheid om verlies van expertise en werkgelegenheid te voorkomen. In het ondersteuningsplan dient men vast te leggen hoe ze dit gaan realiseren. Ook van de betrokken werknemers wordt iets verwacht, zij moeten zich namelijk actief inzetten om aan het werk te blijven. Zij worden verplicht zich zo nodig bij of om te scholen en passend werk te accepteren. Van hun werkgevers wordt verwacht dat zij hen daarvoor de mogelijkheid bieden. De overeenkomst biedt verschillende manieren om verlies van arbeid en expertise voorkomen.  Overdracht van personeel naar een nieuwe werkgever: samenwerkingsverband; een experticecentrum; schoolbestuur; combinatie van bovenstaande.  Herbestedingsverplichting (verplichte afname bij scholen/besturen). De tripartiete overeenkomst personele gevolgen Passend onderwijs is een overeenkomst die is gesloten tussen het Ministerie van OCW, PO-raad/VO-raad en vakcentrales. De overeenkomst heeft een formele basis in de Wet Passend Onderwijs en WPO. Let op: principeakkoord! Formele basis:  Artikel XI Wet Passend Onderwijs waar in wordt bepaald dat bij ministeriële regeling voorschriften worden gegeven over de berekening van de vermindering van de herbestedingsverplichting.  Artikel 18a, lid 16 Wpo en artikel 17a, lid 17 Wvo dat bepaalt dat bij algemene maatregel van bestuur nadere voorschriften kunnen worden gesteld met betrekking tot de samenwerkingsverbanden. Formele basis:  Artikel XI Wet Passend Onderwijs waar in wordt bepaald dat bij ministeriële regeling voorschriften worden gegeven over de berekening van de vermindering van de herbestedingsverplichting.  Artikel 18a, lid 16 Wpo en artikel 17a, lid 17 Wvo dat bepaalt dat bij algemene maatregel van bestuur nadere voorschriften kunnen worden gesteld met betrekking tot de samenwerkingsverbanden. Klik hier om de Wet Passend Onderwijs te bekijken. Klik hier om de Wet Passend Onderwijs te bekijken. Klik hier om de Wet op het Primair Onderwijs te bekijken. Klik hier om de Wet op het Primair Onderwijs te bekijken.

53 Tripartiete overeenkomst | Voor wie? Voor wie geldt de overeenkomst? Met de invoering van Passend onderwijs worden de huidige samenwerkingsverbanden opgeheven en vindt een verschuiving plaats van de middelen van het (V)SO naar de nieuwe samenwerkingsverbanden. Hierdoor dreigt een verlies van werkgelegenheid voor een aantal groepen. Op deze groepen richt de tripartiete overeenkomst zich. Dit zijn:  Medewerkers binnen het (V)SO of aanverwant: AB’ers in dienst van (V)SO cluster 3 en 4; personeel in dienst van regionale expertise centra;  Maar ook voor: personeel in dienst van de huidige swv’en of centrale diensten; personeel dat is benoemd/aangesteld op lgf-middelen in het regulier onderwijs; personeel dat als gevolg van de verevening mogelijk hun baan verliest. Let op: de volgende groepen zijn niet opgenomen in de tripartiete overeenkomst. Maar vragen wel degelijk ook aandacht:  medewerkers van basisscholen bekostigd uit WSNS-middelen, zoals IB’ers;  medewerkers die weliswaar werkzaam zijn voor een SWV, maar daar geen dienstverband hebben; Medewerkers in dienst van een ander bevoegd gezag vallen, na opheffing van het SWV WSNS, weer onder dit bevoegde gezag. Als gevolg hiervan komen wellicht andere medewerkers binnen dit bevoegd gezag als eerste in aanmerking voor afvloeiing (op basis van hun positie op de afvloeiingslijst).  medewerkers die hun baan verliezen als gevolg van teruglopende leerlingaantallen. Met de invoering van Passend onderwijs worden de huidige samenwerkingsverbanden opgeheven en vindt een verschuiving plaats van de middelen van het (V)SO naar de nieuwe samenwerkingsverbanden. Hierdoor dreigt een verlies van werkgelegenheid voor een aantal groepen. Op deze groepen richt de tripartiete overeenkomst zich. Dit zijn:  Medewerkers binnen het (V)SO of aanverwant: AB’ers in dienst van (V)SO cluster 3 en 4; personeel in dienst van regionale expertise centra;  Maar ook voor: personeel in dienst van de huidige swv’en of centrale diensten; personeel dat is benoemd/aangesteld op lgf-middelen in het regulier onderwijs; personeel dat als gevolg van de verevening mogelijk hun baan verliest. Let op: de volgende groepen zijn niet opgenomen in de tripartiete overeenkomst. Maar vragen wel degelijk ook aandacht:  medewerkers van basisscholen bekostigd uit WSNS-middelen, zoals IB’ers;  medewerkers die weliswaar werkzaam zijn voor een SWV, maar daar geen dienstverband hebben; Medewerkers in dienst van een ander bevoegd gezag vallen, na opheffing van het SWV WSNS, weer onder dit bevoegde gezag. Als gevolg hiervan komen wellicht andere medewerkers binnen dit bevoegd gezag als eerste in aanmerking voor afvloeiing (op basis van hun positie op de afvloeiingslijst).  medewerkers die hun baan verliezen als gevolg van teruglopende leerlingaantallen. Zie ook de strategische agenda Leerlingenkrimp. Zie ook de strategische agenda Leerlingenkrimp. De positie van een aantal categorieën medewerkers is nog onduidelijk. De tekst in het akkoord doet niet overal een duidelijk uitspraak over. Dit roept vragen op als:  geldt de overeenkomst voor medewerkers die in dienst zijn als leerkracht, maar werkzaam zijn als ambulant begeleider?  hoe ruim wordt de term ‘in dienst’ opgevat? Geldt dit bijvoorbeeld ook voor gedetacheerd personeel? De positie van een aantal categorieën medewerkers is nog onduidelijk. De tekst in het akkoord doet niet overal een duidelijk uitspraak over. Dit roept vragen op als:  geldt de overeenkomst voor medewerkers die in dienst zijn als leerkracht, maar werkzaam zijn als ambulant begeleider?  hoe ruim wordt de term ‘in dienst’ opgevat? Geldt dit bijvoorbeeld ook voor gedetacheerd personeel?

54 Toelichting De tripartiete overeenkomst maakt verschillende oplossingen mogelijk:  personeel blijft in dienst van schoolbesturen (V)SO onder voorwaarde dat het regulier onderwijs een meerjarige herbestedingsverplichting aangaat met het (V)SO;  personeel komt in dienst van het nieuwe samenwerkingsverband;  personeel komt/blijft in dienst van het regulier onderwijs;  of, een combinatie van bovenstaande drie mogelijkheden. NB: Voor personeel dat geen plek vindt binnen een nieuw samenwerkingsverband blijft de huidige werkgever verantwoordelijk. De tripartiete overeenkomst maakt verschillende oplossingen mogelijk:  personeel blijft in dienst van schoolbesturen (V)SO onder voorwaarde dat het regulier onderwijs een meerjarige herbestedingsverplichting aangaat met het (V)SO;  personeel komt in dienst van het nieuwe samenwerkingsverband;  personeel komt/blijft in dienst van het regulier onderwijs;  of, een combinatie van bovenstaande drie mogelijkheden. NB: Voor personeel dat geen plek vindt binnen een nieuw samenwerkingsverband blijft de huidige werkgever verantwoordelijk. Tripartiete overeenkomst | Mijlpalen & activiteiten Zie ook de strategische agenda Bekostiging Passend Onderwijs. Zie ook de strategische agenda Bekostiging Passend Onderwijs.

55 Tripartiete overeenkomst | Mogelijkheden voor het (V)SO Welke mogelijkheden zijn er? Om de noodzakelijke voorbereidingen te treffen voor de mogelijke gevolgen van het tripartite akkoord zijn twee onderling verbonden thema’s cruciaal: goed personeelsbeleid en gerichte professionalisering. Bij het uitvoeren van activiteiten op deze twee terreinen is het van groot belang flexibiliteit te bewaken én bewaren. Deze flexibiliteit ontstaat niet spontaan, maar dient georganiseerd te worden: georganiseerde flexibiliteit. Personeelsbeleid In ieder geval is het van belang dat het personeelsbeleid goed op orde is. Dit belang neemt nog verder toe wanneer in uw regio:  sprake is van een sterke verevening;  SWV’en besluiten nemen die negatief van invloed zijn op het leerlingaantal van het (voortgezet) speciaal onderwijs;  er dus veel boventallig personeel ontstaat. Indien dit het geval is, dan is het allereerst noodzakelijk dat de personeelsdossiers op orde zijn. Het op een degelijke en deugdelijke manier intensiveren van de gesprekkencyclus is hiervoor vereist (zicht op kwaliteit van medewerkers, voeren van periodieke gesprekken, het maken van heldere afspraken met tijdspad etc). Professionalisering Een tweede thema is professionalisering. Medewerkers dienen de mogelijkheid te krijgen om te investeren in ‘duurzame’ loopbaanvaardigheden: daar waar zij zelf en/of de regio in de toekomst de vruchten van kunnen plukken. Goede begeleiding is hierbij van belang. Door bij de ontwikkeling van medewerkers in te zetten op de inhoudelijke eisen van het werkveld, wordt het voor samenwerkingsverbanden aantrekkelijker hen in te huren of in dienst te nemen en wordt hun employability dus vergroot. Om de kwantitatieve en kwalitatieve vraag naar kwaliteitsrijke arbeid te bepalen, dient dus vooral te worden gekeken naar de ondersteuningsbehoefte van leerkrachten/docenten in het regulier onderwijs. De vraag die hierbij centraal moet staan is: ‘Welke ondersteuning hebben leraren nodig om hen toe te rusten leerlingen met extra ondersteuningsbehoeften zelf te begeleiden?’ In het ondersteuningsplan wordt dit vertaald naar de noodzakelijke expertise. En hier dient vervolgens op geanticipeerd te worden door middel van professionalisering van personeel. Let op: Investarisatie Partcipatiefonds, niet volledig! Het Participatiefonds brengt in kaart welk aantal mensen ten gevolge van Passend onderwijs dreigt zijn/haar baan te verliezen. Echter, er ontstaat geen zicht op welke mensen dit zijn, welke functies zij hebben, taken, disciplines, fte. Ook is het raadzaam meer zicht te krijgen op hun huidige werkgever en de personeelskosten die met deze groep mensen gemoeid is. Als regio Passend onderwijs is het van belang om op korte termijn een eerste beeld te krijgen van de taken en functies die op basis van het ondersteuningsplan behouden blijven én welke mogelijkheden dit biedt voor het boventallige personeel. Om de noodzakelijke voorbereidingen te treffen voor de mogelijke gevolgen van het tripartite akkoord zijn twee onderling verbonden thema’s cruciaal: goed personeelsbeleid en gerichte professionalisering. Bij het uitvoeren van activiteiten op deze twee terreinen is het van groot belang flexibiliteit te bewaken én bewaren. Deze flexibiliteit ontstaat niet spontaan, maar dient georganiseerd te worden: georganiseerde flexibiliteit. Personeelsbeleid In ieder geval is het van belang dat het personeelsbeleid goed op orde is. Dit belang neemt nog verder toe wanneer in uw regio:  sprake is van een sterke verevening;  SWV’en besluiten nemen die negatief van invloed zijn op het leerlingaantal van het (voortgezet) speciaal onderwijs;  er dus veel boventallig personeel ontstaat. Indien dit het geval is, dan is het allereerst noodzakelijk dat de personeelsdossiers op orde zijn. Het op een degelijke en deugdelijke manier intensiveren van de gesprekkencyclus is hiervoor vereist (zicht op kwaliteit van medewerkers, voeren van periodieke gesprekken, het maken van heldere afspraken met tijdspad etc). Professionalisering Een tweede thema is professionalisering. Medewerkers dienen de mogelijkheid te krijgen om te investeren in ‘duurzame’ loopbaanvaardigheden: daar waar zij zelf en/of de regio in de toekomst de vruchten van kunnen plukken. Goede begeleiding is hierbij van belang. Door bij de ontwikkeling van medewerkers in te zetten op de inhoudelijke eisen van het werkveld, wordt het voor samenwerkingsverbanden aantrekkelijker hen in te huren of in dienst te nemen en wordt hun employability dus vergroot. Om de kwantitatieve en kwalitatieve vraag naar kwaliteitsrijke arbeid te bepalen, dient dus vooral te worden gekeken naar de ondersteuningsbehoefte van leerkrachten/docenten in het regulier onderwijs. De vraag die hierbij centraal moet staan is: ‘Welke ondersteuning hebben leraren nodig om hen toe te rusten leerlingen met extra ondersteuningsbehoeften zelf te begeleiden?’ In het ondersteuningsplan wordt dit vertaald naar de noodzakelijke expertise. En hier dient vervolgens op geanticipeerd te worden door middel van professionalisering van personeel. Let op: Investarisatie Partcipatiefonds, niet volledig! Het Participatiefonds brengt in kaart welk aantal mensen ten gevolge van Passend onderwijs dreigt zijn/haar baan te verliezen. Echter, er ontstaat geen zicht op welke mensen dit zijn, welke functies zij hebben, taken, disciplines, fte. Ook is het raadzaam meer zicht te krijgen op hun huidige werkgever en de personeelskosten die met deze groep mensen gemoeid is. Als regio Passend onderwijs is het van belang om op korte termijn een eerste beeld te krijgen van de taken en functies die op basis van het ondersteuningsplan behouden blijven én welke mogelijkheden dit biedt voor het boventallige personeel.

56 Tripartiete overeenkomst | Mogelijkheden voor het (V)SO (2) Welke mogelijkheden zijn er? Nog een aantal aandachtspunten:  Een regionale aanpak is al mooi, maar een bovenregionale aanpak is beter: voorkomt dat er per SWV een andere aanpak is; krachtenbundeling van betrokken partijen; groter plaatsingsgebied voor personeel.  Sectorgewijs is goed, maar een sectoroverstijgende aanpak is nog krachtiger: sluit (veelal) aan bij het werkterrein van het (V)SO dat ook sectoroverstijgend is; groter plaatsingsgebied en krachtenbundeling van betrokken partijen. Nog een aantal aandachtspunten:  Een regionale aanpak is al mooi, maar een bovenregionale aanpak is beter: voorkomt dat er per SWV een andere aanpak is; krachtenbundeling van betrokken partijen; groter plaatsingsgebied voor personeel.  Sectorgewijs is goed, maar een sectoroverstijgende aanpak is nog krachtiger: sluit (veelal) aan bij het werkterrein van het (V)SO dat ook sectoroverstijgend is; groter plaatsingsgebied en krachtenbundeling van betrokken partijen. Mobiliteit als kans, door:  De ondersteuning van leerlingen en leraren te garanderen;  De benodigde expertise als uitgangspunt te nemen;  Selectie van medewerkers op basis van: ‘het kunnen toepassen van expertise’;  Expertise in de school brengen.  De ondersteuning van leerlingen en leraren te garanderen;  De benodigde expertise als uitgangspunt te nemen;  Selectie van medewerkers op basis van: ‘het kunnen toepassen van expertise’;  Expertise in de school brengen. Mobiliteitscentrum Te overwegen valt een mobiliteitscentrum in te richten in de regio. De activiteiten van het mobiliteitscentrum zijn gericht op het verbinden van vraag en aanbod. Hiertoe brengt het mobiliteitscentrum in kaart:  De vraag naar kwaliteitsrijke arbeid: vanuit het samenwerkingsverband Passend onderwijs; vanuit de bij het samenwerkingsverband betrokken besturen; van buiten het onderwijs.  Het aanbod van kwaliteitsrijke medewerkers: van de REC’s; uit het (V)SO (ambulant begeleiders); uit de oude samenwerkingsverbanden. Dit mobiliteitscentrum richt zich op : actieve matching van personeel, loopbaanbegeleiding, outplacement, assessments, selectie, professionalisering, functiebeschrijving en functiewaardering. Mobiliteitscentrum Te overwegen valt een mobiliteitscentrum in te richten in de regio. De activiteiten van het mobiliteitscentrum zijn gericht op het verbinden van vraag en aanbod. Hiertoe brengt het mobiliteitscentrum in kaart:  De vraag naar kwaliteitsrijke arbeid: vanuit het samenwerkingsverband Passend onderwijs; vanuit de bij het samenwerkingsverband betrokken besturen; van buiten het onderwijs.  Het aanbod van kwaliteitsrijke medewerkers: van de REC’s; uit het (V)SO (ambulant begeleiders); uit de oude samenwerkingsverbanden. Dit mobiliteitscentrum richt zich op : actieve matching van personeel, loopbaanbegeleiding, outplacement, assessments, selectie, professionalisering, functiebeschrijving en functiewaardering. Klik hier om het model Ondersteuningsplan te bekijken. Klik hier om het model Ondersteuningsplan te bekijken. Klik hier om naar de website van het Arbeidsmarktplatform PO te gaan. Klik hier om naar de website van het Arbeidsmarktplatform PO te gaan.

57 Wet Kwaliteit (V)SO | Onderwerpen 1.InleidingInleiding 2.TijdlijnTijdlijn 3.UitstroomprofielenUitstroomprofielen 4.KerndoelenKerndoelen 5.OntwikkelingsperspectiefplanOntwikkelingsperspectiefplan 6.ToetsingToetsing 7.OnderwijstijdOnderwijstijd 8.StagesStages 9.NazorgNazorg 10.ExamineringExaminering

58 Doelstelling Wet Kwaliteit (V)S) De Wet Kwaliteit (V)SO wordt om verschillende redenen ingevoerd, maar de kern van de wet is een focus op kwaliteitsverbetering in de sector (V)SO. Doelstelling van de wet is dat scholen de kwaliteit van het onderwijs verhogen, het maximale uit hun leerlingen halen waardoor de kansen van leerlingen op een zo volwaardig mogelijke maatschappelijke participatie worden vergroot. Ook beoogt de wet dat meer leerlingen door- of terugstromen naar het regulier onderwijs en dat het VSO de leerlingen goed én op een manier die past bij hun mogelijkheden, voorbereidt op regulier vervolgonderwijs, een duurzame plaats op de arbeidsmarkt of een vorm van dagbesteding. De wet is voor het SO ingegaan op 1 januari 2013 gaat in het VSO in per 1 augustus Belangrijke wijzigingen ten opzichte van de ‘oude’ situatie zijn de volgende: Uitstroomprofielen: Het inrichten van- en werken met drie uitstroomprofielen (vervolgonderwijs, arbeidstoeleiding, dagbesteding); (VSO) OPP: Invoering van het ontwikkelingsperspectief (OPP) en voortgangsregistratie (toetsen); (SO en VSO) Kerndoelen: Het aanbieden van onderwijs volgens kerndoelen (per uitstroomprofiel), inclusief invoering van het referentiekader taal en rekenen; (SO en VSO) Aanpassingen in de onderwijstijd; (SO en VSO) Stages: Het (deels verplicht) aanbieden van stages, met name binnen het arbeidsgerichte uitstroomprofiel; (VSO) Nazorg aan oud-leerlingen : Advisering aan de oud-leerling, als deze daarom verzoekt; (VSO) Tot slot worden de examenmogelijkheden uitgebreid. (VSO) De Wet Kwaliteit (V)SO wordt om verschillende redenen ingevoerd, maar de kern van de wet is een focus op kwaliteitsverbetering in de sector (V)SO. Doelstelling van de wet is dat scholen de kwaliteit van het onderwijs verhogen, het maximale uit hun leerlingen halen waardoor de kansen van leerlingen op een zo volwaardig mogelijke maatschappelijke participatie worden vergroot. Ook beoogt de wet dat meer leerlingen door- of terugstromen naar het regulier onderwijs en dat het VSO de leerlingen goed én op een manier die past bij hun mogelijkheden, voorbereidt op regulier vervolgonderwijs, een duurzame plaats op de arbeidsmarkt of een vorm van dagbesteding. De wet is voor het SO ingegaan op 1 januari 2013 gaat in het VSO in per 1 augustus Belangrijke wijzigingen ten opzichte van de ‘oude’ situatie zijn de volgende: Uitstroomprofielen: Het inrichten van- en werken met drie uitstroomprofielen (vervolgonderwijs, arbeidstoeleiding, dagbesteding); (VSO) OPP: Invoering van het ontwikkelingsperspectief (OPP) en voortgangsregistratie (toetsen); (SO en VSO) Kerndoelen: Het aanbieden van onderwijs volgens kerndoelen (per uitstroomprofiel), inclusief invoering van het referentiekader taal en rekenen; (SO en VSO) Aanpassingen in de onderwijstijd; (SO en VSO) Stages: Het (deels verplicht) aanbieden van stages, met name binnen het arbeidsgerichte uitstroomprofiel; (VSO) Nazorg aan oud-leerlingen : Advisering aan de oud-leerling, als deze daarom verzoekt; (VSO) Tot slot worden de examenmogelijkheden uitgebreid. (VSO) ‘ Het grootste gevaar voor menigeen onder ons is niet dat de lat te hoog ligt en we daardoor ons doel niet halen, maar juist dat de lat te laag ligt en we ons doel halen.’ Michelangelo Wet Kwaliteit (V)S0 | Inleiding Klik hier om de volledige Wet Kwaliteit (V)SO te bekijken. Klik hier om de volledige Wet Kwaliteit (V)SO te bekijken. Uitstroom- profielen OPP Kern- doelen Vakanties & onderwijs- tijd StagesNazorg Exami- nering De wet Kwaliteit (V)SO gaat uiteraard met name het (V)SO aan en is primair geen aangelegenheid voor het SWV. Binnen de strategische agenda is er daarom voor gekozen om naast een weergave van de wet op hoofdlijnen en daarnaast geen strategische adviezen maar ontwikkelvragen op te nemen. Vragen die het (V)SO kunnen ondersteunen bij de invulling van de nieuwe wettelijke verplichtingen.

59 Schooljaar De beoogde invoering van een centrale eindtoets voor het VSO. Schooljaar De beoogde invoering van een centrale eindtoets voor het VSO. Wet Kwaliteit (V)S0 | Tijdslijn 1 augustus 2013 De wet Kwaliteit (V)SO in werking:  Werken met ontwikkelingsperspectieven voor leerlingen.  Registratie van de voortgang van leerlingen.  Aandachtspunten voor het SO: Engels is verplicht (m.u.v. ZML en MG).  Aandachtspunten voor het VSO: de invoering van drie uitstroomprofielen; het werken met kerndoelen en  SO-leerlingen van 14 jaar en ouder verlaten het SO.  Scholen kunnen cluster overstijgende toelating aanvragen bij DUO voor leerlingen die toelaatbaar zijn verklaard tot een ander cluster.  Het wordt voor VSO-scholen mogelijk om een licentie te verkrijgen voor het zelf afnemen van VO-examens.  VSO-leerlingen kunnen niet alleen op het VAVO onderwijs volgen, maar daar ook examen doen. 1 augustus 2013 De wet Kwaliteit (V)SO in werking:  Werken met ontwikkelingsperspectieven voor leerlingen.  Registratie van de voortgang van leerlingen.  Aandachtspunten voor het SO: Engels is verplicht (m.u.v. ZML en MG).  Aandachtspunten voor het VSO: de invoering van drie uitstroomprofielen; het werken met kerndoelen en  SO-leerlingen van 14 jaar en ouder verlaten het SO.  Scholen kunnen cluster overstijgende toelating aanvragen bij DUO voor leerlingen die toelaatbaar zijn verklaard tot een ander cluster.  Het wordt voor VSO-scholen mogelijk om een licentie te verkrijgen voor het zelf afnemen van VO-examens.  VSO-leerlingen kunnen niet alleen op het VAVO onderwijs volgen, maar daar ook examen doen. Klik hier voor de mogelijkheden voor cluster 3 scholen om verbrede toelating cluster 4 aan te vragen en andersom. Klik hier voor de mogelijkheden voor cluster 3 scholen om verbrede toelating cluster 4 aan te vragen en andersom.

60 Wet Kwaliteit (V)S0 | Uitstroomprofielen Uitstroomprofielen VSO Met de invoering van de Wet Kwaliteit (V)SO wordt in het onderwijs meer onderscheid gemaakt in een drietal uitstroomprofielen. De volgende drie uitstroomprofielen worden voor het voortgezet speciaal onderwijs (VSO-scholen) onderscheiden: 1. Een uitstroom naar vervolgonderwijs: vo, mbo, hbo en wo.vervolgonderwijs 2. Toeleiding naar arbeid, al dan niet met erkende kwalificaties of certificaten (niveau 1 en/of 2 mbo of landelijk erkende branchecertificaten).arbeid 3. Toeleiding naar dagbesteding.dagbesteding Scholen voor voortgezet speciaal onderwijs bieden in hun onderwijs tenminste één van de bovenstaande profielen aan. VSO Met de invoering van de Wet Kwaliteit (V)SO wordt in het onderwijs meer onderscheid gemaakt in een drietal uitstroomprofielen. De volgende drie uitstroomprofielen worden voor het voortgezet speciaal onderwijs (VSO-scholen) onderscheiden: 1. Een uitstroom naar vervolgonderwijs: vo, mbo, hbo en wo.vervolgonderwijs 2. Toeleiding naar arbeid, al dan niet met erkende kwalificaties of certificaten (niveau 1 en/of 2 mbo of landelijk erkende branchecertificaten).arbeid 3. Toeleiding naar dagbesteding.dagbesteding Scholen voor voortgezet speciaal onderwijs bieden in hun onderwijs tenminste één van de bovenstaande profielen aan. Vragen:  Is er reeds een beredeneerde keuze gemaakt welk(e) uitstroomprofiel(en) de school aanbiedt?  Is hierover afstemming geweest met andere scholen en partijen in de regio?  In hoeverre heeft de school in beeld om welke competenties dit van leraren vraagt i.r.t. de reeds aanwezige competenties en vaardigheden?  En in hoeverre zijn er samenwerkingsafspraken gemaakt met (keten)partners in de regio? Uitstroom- profielen OPP Kern- doelen Vakanties & onderwijs- tijd StagesNazorg Exami- nering Zie ook de strategische agenda Decentralisatie jeugdzorg

61 Wet Kwaliteit (V)S0 | Uitstroomprofiel: vervolgonderwijs Vervolgonderwijs Het onderwijs in het uitstroomprofiel vervolgonderwijs is gericht op:  het behalen van een regulier diploma;  doorstroom naar het vervolgonderwijs; of  terugkeer naar het regulier onderwijs. Voor de onderbouw van het uitstroomprofiel vervolgonderwijs gelden:  de kerndoelen onderbouw VO (met indien nodig aanpassingen voor de omgang met de beperking van de leerling). Naast deze op de reguliere kerndoelen gebaseerde doelen;  Doelen gericht op sociale competenties, persoonlijkheidsvorming en het omgaan met de beperking. Het bevoegd gezag werkt de kerndoelen uit voor de verschillende groepen leerlingen. Voor de leerlingen in het uitstroomprofiel vervolgonderwijs zijn ook de referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen/wiskunde van toepassing. De leerlingen volgen ook voor deze vakken binnen dit profiel het ‘gewone’ vo-programma. Overigens is het mogelijk dat het bevoegd gezag, net als in het regulier VO, na overleg met de ouders een leerling ontheffing verlenen voor onderdelen van het onderwijsprogramma. Leerlingen in dit profiel doen de stages die horen bij hun opleiding, zoals maatschappelijke stages en stages vmbo. Uitstroom- profielen OPP Kern- doelen Vakanties & onderwijs- tijd StagesNazorg Exami- nering

62 Wet Kwaliteit (V)S0 | Uitstroomprofiel: arbeid Arbeid Het arbeidsmarktgerichte profiel bereidt leerlingen voor op een passende baan op de al dan niet beschermde arbeidsmarkt. Dit profiel is voor leerlingen die niet in staat zijn een startkwalificatie te halen, maar die wel in staat zijn om te werken. Dit profiel komt overeen met leerlingen in het Praktijkonderwijs. Voor het uitstroomprofiel arbeid zijn specifieke kerndoelen vastgesteld:  Kerndoelen die zijn gericht op de voorbereiding van de leerling op arbeid en maatschappij;  Algemeen vormende doelen. Gedurende de tijd dat een leerling onderwijs volgt zal de nadruk meer op beroeps- en arbeidsmarktvaardigheden komen te liggen. Ook binnen dit profiel geldt: het bevoegd gezag werkt de kerndoelen uit voor de verschillende groepen leerlingen en kan ontheffing verlenen en vervangende doelen stellen. Ook zijn binnen dit profiel referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen/wiskunde vastgesteld. Het streven is immers dat zoveel mogelijk leerlingen functioneel geletterd en gecijferd het onderwijs verlaten, dit vanuit het oogpunt van zelfredzaamheid. Een stage is in dit uitstroomprofiel verplicht. Deze stage vindt bij voorkeur extern plaats, echt bij een werkgever. De stage maakt deel uit van de opleiding en moet dus een aantoonbare bijdrage leveren aan de vaardigheden waarmee de leerling de opleiding verlaat. De leerlingen krijgen na het doorlopen van dit uitstroomprofiel een landelijk vastgesteld VSO-diploma. Verder verkrijgen zij – voor zover mogelijk - certificaten die in de bedrijfstak herkenbaar zijn. Het arbeidsmarktgerichte profiel bereidt leerlingen voor op een passende baan op de al dan niet beschermde arbeidsmarkt. Dit profiel is voor leerlingen die niet in staat zijn een startkwalificatie te halen, maar die wel in staat zijn om te werken. Dit profiel komt overeen met leerlingen in het Praktijkonderwijs. Voor het uitstroomprofiel arbeid zijn specifieke kerndoelen vastgesteld:  Kerndoelen die zijn gericht op de voorbereiding van de leerling op arbeid en maatschappij;  Algemeen vormende doelen. Gedurende de tijd dat een leerling onderwijs volgt zal de nadruk meer op beroeps- en arbeidsmarktvaardigheden komen te liggen. Ook binnen dit profiel geldt: het bevoegd gezag werkt de kerndoelen uit voor de verschillende groepen leerlingen en kan ontheffing verlenen en vervangende doelen stellen. Ook zijn binnen dit profiel referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen/wiskunde vastgesteld. Het streven is immers dat zoveel mogelijk leerlingen functioneel geletterd en gecijferd het onderwijs verlaten, dit vanuit het oogpunt van zelfredzaamheid. Een stage is in dit uitstroomprofiel verplicht. Deze stage vindt bij voorkeur extern plaats, echt bij een werkgever. De stage maakt deel uit van de opleiding en moet dus een aantoonbare bijdrage leveren aan de vaardigheden waarmee de leerling de opleiding verlaat. De leerlingen krijgen na het doorlopen van dit uitstroomprofiel een landelijk vastgesteld VSO-diploma. Verder verkrijgen zij – voor zover mogelijk - certificaten die in de bedrijfstak herkenbaar zijn. Uitstroom- profielen OPP Kern- doelen Vakanties & onderwijs- tijd StagesNazorg Exami- nering Gemeenten worden verantwoordelijk voor een deel van de arbeidsplekken voor deze leerlingen. Zie ook de strategische agenda Decentralisatie jeugdzorg Klik hier voor de toolkit ‘Aan de slag! Arbeidstoeleiding voor VSO leerlingen’. Klik hier voor de toolkit ‘Aan de slag! Arbeidstoeleiding voor VSO leerlingen’.

63 Wet Kwaliteit (V)S0 | Uitstroomprofiel: dagbesteding Dagbesteding Het profiel dagbesteding is voor leerlingen die uitstromen naar een vorm van, al dan niet arbeidsmatige, dagactiviteiten. Het gaat hier met name om (ernstig) meervoudig gehandicapte leerlingen die niet in staat zijn zelfstandig op de arbeidsmarkt te participeren, veelal ook niet binnen een meer beschermde arbeidsmarkt. Het onderwijs in dit profiel bereidt leerlingen voor op het zo zelfstandig mogelijk functioneren in vormen van dagactiviteiten die zo mogelijk arbeidsmatig worden ingevuld. Het is gericht op persoonlijkheidsvorming en sociale competenties en de redzaamheid van leerlingen in de toekomstige woon-, leef en werksituatie. Ook voor dit uitstroomprofiel gelden kerndoelen. Deze kerndoelen sluiten aan bij de kerndoelen ZML/MG. Net als in de andere profielen, wordt naast doelen op het terrein van sociale competenties en persoonlijkheidsvorming en voorbereiding op de maatschappij, aandacht geschonken aan meer algemeen vormende doelen. Het profiel dagbesteding is voor leerlingen die uitstromen naar een vorm van, al dan niet arbeidsmatige, dagactiviteiten. Het gaat hier met name om (ernstig) meervoudig gehandicapte leerlingen die niet in staat zijn zelfstandig op de arbeidsmarkt te participeren, veelal ook niet binnen een meer beschermde arbeidsmarkt. Het onderwijs in dit profiel bereidt leerlingen voor op het zo zelfstandig mogelijk functioneren in vormen van dagactiviteiten die zo mogelijk arbeidsmatig worden ingevuld. Het is gericht op persoonlijkheidsvorming en sociale competenties en de redzaamheid van leerlingen in de toekomstige woon-, leef en werksituatie. Ook voor dit uitstroomprofiel gelden kerndoelen. Deze kerndoelen sluiten aan bij de kerndoelen ZML/MG. Net als in de andere profielen, wordt naast doelen op het terrein van sociale competenties en persoonlijkheidsvorming en voorbereiding op de maatschappij, aandacht geschonken aan meer algemeen vormende doelen. Uitstroom- profielen OPP Kern- doelen Vakanties & onderwijs- tijd StagesNazorg Exami- nering Gemeenten worden verantwoordelijk voor een deel van de plekken voor dagbesteding. Zie ook de strategische agenda Decentralisatie jeugdzorg Gemeenten worden in het kader van de Participatiewet en WMO (beoogde invoeringsdatum 1 januari 2015) belangrijke partners van het VSO. Samenwerking rondom dit thema tussen onderwijs én gemeenten is dan ook van belang! Klik hier om naar de strategische agenda aanpalende transitie AWBZ naar WMO te gaan.

64 Wet Kwaliteit (V)S0 | OPP Ontwikkelingsperspectief SO en VSO Het werken met het ontwikkelingsperspectief (OPP) heeft tot doel het onderwijs zo goed mogelijk af te kunnen stemmen op wat de leerling kan. Een ontwikkelingsperspectief is ‘de inschatting van de ontwikkelingsmogelijkheden van de leerling voor een bepaalde langere periode’ en zegt iets over het verwachte uitstroomniveau van een leerling. Door het instroomniveau en het verwachte uitstroomniveau te verbinden ontstaat een prognose, dan wel ontwikkelingslijn. Voor het werken met dit OPP gelden de volgende richtlijnen: 1.Voor alle leerlingen in het SO en VSO stelt het betreffende bevoegd gezag een ontwikkelingsperspectief vast na advies van de commissie voor de begeleiding en na overleg met de ouders (of eventueel met de leerling*). Het overleg met ouders is gericht op overeenstemming. 2.Het ontwikkelingsperspectief wordt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen zes weken na de inschrijving van de leerling vastgesteld. 3.Het ontwikkelingsperspectief wordt tenminste één keer per schooljaar met de ouder (of eventueel met de leerling*), geëvalueerd. 4.Na advies van de commissie voor de begeleiding en in overleg met de ouders (of eventueel de leerling*) met de leerling, kan het bevoegd gezag het ontwikkelingsperspectief bijstellen. Voor het werken met het OPP wordt een meerjarenplanning (zie ook toezicht onderwijsinspectie) aangehouden om scholen de tijd te geven zich deze werkwijze eigen te maken. * indien de leerling meerderjarig (18+) en handelingsbekwaam is. ‘ Het grootste gevaar voor menigeen onder ons is niet dat de lat te hoog ligt en we daardoor ons doel niet halen, maar juist dat de lat te laag ligt en we ons doel halen.’ Michelangelo SO en VSO Het werken met het ontwikkelingsperspectief (OPP) heeft tot doel het onderwijs zo goed mogelijk af te kunnen stemmen op wat de leerling kan. Een ontwikkelingsperspectief is ‘de inschatting van de ontwikkelingsmogelijkheden van de leerling voor een bepaalde langere periode’ en zegt iets over het verwachte uitstroomniveau van een leerling. Door het instroomniveau en het verwachte uitstroomniveau te verbinden ontstaat een prognose, dan wel ontwikkelingslijn. Voor het werken met dit OPP gelden de volgende richtlijnen: 1.Voor alle leerlingen in het SO en VSO stelt het betreffende bevoegd gezag een ontwikkelingsperspectief vast na advies van de commissie voor de begeleiding en na overleg met de ouders (of eventueel met de leerling*). Het overleg met ouders is gericht op overeenstemming. 2.Het ontwikkelingsperspectief wordt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen zes weken na de inschrijving van de leerling vastgesteld. 3.Het ontwikkelingsperspectief wordt tenminste één keer per schooljaar met de ouder (of eventueel met de leerling*), geëvalueerd. 4.Na advies van de commissie voor de begeleiding en in overleg met de ouders (of eventueel de leerling*) met de leerling, kan het bevoegd gezag het ontwikkelingsperspectief bijstellen. Voor het werken met het OPP wordt een meerjarenplanning (zie ook toezicht onderwijsinspectie) aangehouden om scholen de tijd te geven zich deze werkwijze eigen te maken. * indien de leerling meerderjarig (18+) en handelingsbekwaam is. ‘ Het grootste gevaar voor menigeen onder ons is niet dat de lat te hoog ligt en we daardoor ons doel niet halen, maar juist dat de lat te laag ligt en we ons doel halen.’ Michelangelo Uitstroom- profielen OPP Kern- doelen Vakanties & onderwijs- tijd StagesNazorg Exami- nering Klik hier voor de opbrengsten van de inventarisatie OPP door Lecso. Klik hier voor de opbrengsten van de inventarisatie OPP door Lecso. LECSO werkt samen met de inspectie aan een model OPP. Dit wordt binnenkort beschikbaar gesteld.

65 Wet Kwaliteit (V)S0 | OPP (2) Ontwikkelingsperspectief Bij het werken met het OPP gaat het niet zozeer om de ‘papieren werkelijkheid’, alhoewel: deze moet op orde zijn. Verder is het van belang dat regelmatig wordt gemonitord of leerlingen zich conform het OPP ontwikkelen en kan de school – op basis van de mate waarin de gewenste doelen worden behaald – zich ook verantwoorden over de gerealiseerde resultaten en opbrengsten. De inspectie houdt hier toezicht op. Dit toezicht kent een groeikarakter. Zie hiervoor de volgende mijlpalen. Schooljaar : Ontwikkelingsperspectief bestaat minimaal uit de vermelding van een uitstroombestemming. Schooljaar : Ontwikkelingsperspectief bestaat naast de uitstroombestemming minimaal uit het uitstroomniveau Schooljaar : Ontwikkelingsperspectief bestaat naast de uitstroombestemming en het uitstroomniveau minimaal uit de leerroute die de school met de leerling volgt. laag ligt en we ons doel halen.’ Michelangelo Bij het werken met het OPP gaat het niet zozeer om de ‘papieren werkelijkheid’, alhoewel: deze moet op orde zijn. Verder is het van belang dat regelmatig wordt gemonitord of leerlingen zich conform het OPP ontwikkelen en kan de school – op basis van de mate waarin de gewenste doelen worden behaald – zich ook verantwoorden over de gerealiseerde resultaten en opbrengsten. De inspectie houdt hier toezicht op. Dit toezicht kent een groeikarakter. Zie hiervoor de volgende mijlpalen. Schooljaar : Ontwikkelingsperspectief bestaat minimaal uit de vermelding van een uitstroombestemming. Schooljaar : Ontwikkelingsperspectief bestaat naast de uitstroombestemming minimaal uit het uitstroomniveau Schooljaar : Ontwikkelingsperspectief bestaat naast de uitstroombestemming en het uitstroomniveau minimaal uit de leerroute die de school met de leerling volgt. laag ligt en we ons doel halen.’ Michelangelo Vragen:  Het (V)SO zal zich voor het eerst (aan de hand van het ontwikkelingsperspectief) echt moeten verantwoorden over de gerealiseerde onderwijsopbrengsten. Hoe gaat het (V)SO invulling geven aan deze eisen?  Ook wordt het van belang om de ontwikkeling van leerlingen planmatig te volgen door middel van voortgangsregistratie (toetsing). Hoe kan hieraan voldaan worden? Ofwel; hoe gaat de school de ontwikkeling van leerlingen volgen én beschrijven in leerlingvolgsystemen? Uitstroom- profielen OPP Kern- doelen Vakanties & onderwijs- tijd StagesNazorg Exami- nering Samenwerking met het regulier onderwijs is uiteraard noodzakelijk. De opbouw van een leerlingdossier zou al in lijn met een OPP kunnen worden vormgegeven. Dan hoeft er in een OPP alleen een laatste hoofdstuk te worden toegevoegd.

66 Kerndoelen SO en VSO Kerndoelen bestaan al langer in het SO en VSO. Deze richtlijnen voor wat leerlingen aan het eind van hun schooltijd moeten kennen en kunnen gelden al sinds 1 augustus 2009 (overigens zijn er twee sets kerndoelen speciaal onderwijs. Een set voor leerlingen met een enkelvoudige beperking en een set voor zeer moeilijk lerende of meervoudig gehandicapte kinderen op scholen voor speciaal onderwijs). Met de Wet Kwaliteit (V)SO wordt de naleving van deze kerndoelen en daarmee de doelgerichtheid van het (V)SO belangrijker. Kerndoelen hebben betrekking op diverse vakken en leergebieden, op algemene (leergebiedoverstijgende) competenties en op competenties gericht op arbeidsvoorbereiding en (arbeidsmatige) dagbesteding. Kerndoelen gelden met name voor de eerste twee jaar van het onderwijs (leerjaar 1 en 2) daarna gelden de leergebied overstijgende kerndoelen. Let op: Alhoewel kerndoelen niets zeggen over het niveau dat de leerling moet bereiken geldt dit niet voor taal en rekenen. Daar is de school wel verplicht te beschrijven wat de opbrengsten zijn in relatie tot de referentieniveaus (binnen de uitstroomprofielen vervolgonderwijs en arbeid). De referentieniveaus zijn beschrijvingen wat leerlingen binnen deze vakgebieden op bepaalde momenten in het schoolloopbaan moeten kennen en kunnen. SO en VSO Kerndoelen bestaan al langer in het SO en VSO. Deze richtlijnen voor wat leerlingen aan het eind van hun schooltijd moeten kennen en kunnen gelden al sinds 1 augustus 2009 (overigens zijn er twee sets kerndoelen speciaal onderwijs. Een set voor leerlingen met een enkelvoudige beperking en een set voor zeer moeilijk lerende of meervoudig gehandicapte kinderen op scholen voor speciaal onderwijs). Met de Wet Kwaliteit (V)SO wordt de naleving van deze kerndoelen en daarmee de doelgerichtheid van het (V)SO belangrijker. Kerndoelen hebben betrekking op diverse vakken en leergebieden, op algemene (leergebiedoverstijgende) competenties en op competenties gericht op arbeidsvoorbereiding en (arbeidsmatige) dagbesteding. Kerndoelen gelden met name voor de eerste twee jaar van het onderwijs (leerjaar 1 en 2) daarna gelden de leergebied overstijgende kerndoelen. Let op: Alhoewel kerndoelen niets zeggen over het niveau dat de leerling moet bereiken geldt dit niet voor taal en rekenen. Daar is de school wel verplicht te beschrijven wat de opbrengsten zijn in relatie tot de referentieniveaus (binnen de uitstroomprofielen vervolgonderwijs en arbeid). De referentieniveaus zijn beschrijvingen wat leerlingen binnen deze vakgebieden op bepaalde momenten in het schoolloopbaan moeten kennen en kunnen. Wet Kwaliteit (V)S0 | Kerndoelen Kerndoelen zeggen iets over het onderwijsaanbod (wat moet de school aanbieden), maar niets over het niveau dat de leerling moet bereiken. Uitstroom- profielen OPP Kern- doelen Vakanties & onderwijs- tijd StagesNazorg Exami- nering Vragen:  Is er al zicht op wat het werken met kerndoelen vraagt van de medewerkers (competenties en vaardigheden), de organisatie van het onderwijs en het onderwijsaanbod?  In hoeverre zijn de kerndoelen vertaald in een schoolbrede manier waarop het onderwijs wordt aangeboden (met bijbehorende leerlijnen, tussendoelen en leermethodieken/ lesmateriaal?  Is er ook sprake van een beredeneerde en systematische aanpak voor de leergebied overstijgende kerndoelen? Klik hier om de conceptkerndoelen van het SLO per uitstroomprofiel te bekijken. Klik hier om de conceptkerndoelen van het SLO per uitstroomprofiel te bekijken.

67 Wet Kwaliteit (V)S0 | Toetsing Toetsing in het (V)SO Toetsen is een verplicht onderdeel van de wet kwaliteit. CITO is in opdracht van het ministerie OCW bezig met het ontwikkelen van adaptieve rekenen- en taaltoetsen voor het (V)SO. Zij worden gezien als hulpmiddel om het onderwijs optimaal te kunnen afstemmen op leerlingen, vooral als het gaat om de maatschappelijke participatie van de leerling. In een tijd van schuivende panelen en waar grote regionale verschillen kunnen ontstaan voor leerlingen met een extra ondersteuningsbehoefte kunnen toetsen een bijdrage leveren voor een optimaal begeleidingstraject. Wat is de stand van zaken? CITO vindt het belangrijk dat scholen de toetsen als bruikbaar ervaren. Daartoe hebben ze veel contacten met het veld om informatie te verkrijgen. Leerlingen leren uiteraard meer dan alleen maar taal en rekenen, maar dat is waar CITO de opdracht voor heeft gekregen. Onderwijs aan VSO leerlingen is belangrijk en het leerlingvolgsysteem is daarbij een hulpmiddel. De toetsen moeten gaan leiden tot een bruikbaar instrument waarin ook samenhang is tussen de verschillende leerlingvolgsystemen die worden gebruikt. Ze moeten in de overgang naast elkaar bruikbaar zijn. Er zit namelijk flink overlap in de doelgroepen. Het is dus van groot belang om draagvlak te hebben bij de scholen. Toetsen is een verplicht onderdeel van de wet kwaliteit. CITO is in opdracht van het ministerie OCW bezig met het ontwikkelen van adaptieve rekenen- en taaltoetsen voor het (V)SO. Zij worden gezien als hulpmiddel om het onderwijs optimaal te kunnen afstemmen op leerlingen, vooral als het gaat om de maatschappelijke participatie van de leerling. In een tijd van schuivende panelen en waar grote regionale verschillen kunnen ontstaan voor leerlingen met een extra ondersteuningsbehoefte kunnen toetsen een bijdrage leveren voor een optimaal begeleidingstraject. Wat is de stand van zaken? CITO vindt het belangrijk dat scholen de toetsen als bruikbaar ervaren. Daartoe hebben ze veel contacten met het veld om informatie te verkrijgen. Leerlingen leren uiteraard meer dan alleen maar taal en rekenen, maar dat is waar CITO de opdracht voor heeft gekregen. Onderwijs aan VSO leerlingen is belangrijk en het leerlingvolgsysteem is daarbij een hulpmiddel. De toetsen moeten gaan leiden tot een bruikbaar instrument waarin ook samenhang is tussen de verschillende leerlingvolgsystemen die worden gebruikt. Ze moeten in de overgang naast elkaar bruikbaar zijn. Er zit namelijk flink overlap in de doelgroepen. Het is dus van groot belang om draagvlak te hebben bij de scholen. VSO dagbesteding De toetsen zijn vooral gericht op activerende dagbesteding en enigszins op arbeidsmatige dagbesteding. De belevingsgerichte dagbesteding is eruit gelaten. Interessant is de vraag welke informatie de toets moet opleveren met betrekking tot de uitstroomplek, zowel als het gaat om de technische opbrengst als de communicatie. Wat kan er in een toets gestopt worden en hoe moet je de uitslagen rapporteren? De toetsen moeten aansluiten op de werkwijze rondom het ontwikkelingsperspectief en het transitiedocument. De toets wordt waarschijnlijk meer beschrijvend (wat kan de leerling al, zelfstandig of met begeleiding). VSO dagbesteding De toetsen zijn vooral gericht op activerende dagbesteding en enigszins op arbeidsmatige dagbesteding. De belevingsgerichte dagbesteding is eruit gelaten. Interessant is de vraag welke informatie de toets moet opleveren met betrekking tot de uitstroomplek, zowel als het gaat om de technische opbrengst als de communicatie. Wat kan er in een toets gestopt worden en hoe moet je de uitslagen rapporteren? De toetsen moeten aansluiten op de werkwijze rondom het ontwikkelingsperspectief en het transitiedocument. De toets wordt waarschijnlijk meer beschrijvend (wat kan de leerling al, zelfstandig of met begeleiding). VSO arbeidsmarktgericht Er ligt een concept van digitale theorietoetsen en praktijktoetsen op het gebied van rekenen en wiskunde, begrijpend lezen en taalverzorging. Bij arbeidstoeleiding gaat het vooral om niveau 5-6 (50%), 3-4 (30%) en 7-8 (20%. Er wordt gepleit voor een adaptief systeem. In het veld leeft de behoefte aan een praktijktoets maar deze zijn erg arbeidsintensief en vragen de nodige organisatie. Toch zijn deze toetsen gangbaar in het VMBO en ook brancheorganisaties hanteren praktijktoetsen. Wellicht is invoering daarvan ook een stuk gewenning. Lastig dilemma is de vraag: wat is leidend: taal en rekenen of juist de praktijk. Wellicht kunnen nieuwe media iets betekenen bij het toetsen in de praktijk. VSO arbeidsmarktgericht Er ligt een concept van digitale theorietoetsen en praktijktoetsen op het gebied van rekenen en wiskunde, begrijpend lezen en taalverzorging. Bij arbeidstoeleiding gaat het vooral om niveau 5-6 (50%), 3-4 (30%) en 7-8 (20%. Er wordt gepleit voor een adaptief systeem. In het veld leeft de behoefte aan een praktijktoets maar deze zijn erg arbeidsintensief en vragen de nodige organisatie. Toch zijn deze toetsen gangbaar in het VMBO en ook brancheorganisaties hanteren praktijktoetsen. Wellicht is invoering daarvan ook een stuk gewenning. Lastig dilemma is de vraag: wat is leidend: taal en rekenen of juist de praktijk. Wellicht kunnen nieuwe media iets betekenen bij het toetsen in de praktijk. VSO diplomagericht De diplomagerichte stroom kan goed worden aangehaakt bij het VAS (volgsysteem voor het voortgezet onderwijs). Er zijn veel verschillende scholen bezocht om informatie te krijgen wat wenselijk en noodzakelijk is. Men wil graag een snelle niveau-indicatie voor leerlingen die tussendoor instromen. Daarin moet snelle rapportage voorhanden zijn in verband met het OPP en de motivatie van de leerling. Er moet in de toetsen kunnen worden vergeleken met leerlingen uit het reguliere onderwijs in verband met zijn kansen. De VAS voldoet grotendeels aan de eisen die worden gesteld, maar extra wens is wel de snelle rapportage. Ook moet het moment van afname zelf kunnen worden gekozen. Men heeft ook gepleit voor een nul meting en een herhaling daarna om te zien wat het onderwijs heeft opgeleverd. De toetsen moeten digitaal zijn. CITO wil dit graag realiseren voor de diplomagerichte stroom. VSO diplomagericht De diplomagerichte stroom kan goed worden aangehaakt bij het VAS (volgsysteem voor het voortgezet onderwijs). Er zijn veel verschillende scholen bezocht om informatie te krijgen wat wenselijk en noodzakelijk is. Men wil graag een snelle niveau-indicatie voor leerlingen die tussendoor instromen. Daarin moet snelle rapportage voorhanden zijn in verband met het OPP en de motivatie van de leerling. Er moet in de toetsen kunnen worden vergeleken met leerlingen uit het reguliere onderwijs in verband met zijn kansen. De VAS voldoet grotendeels aan de eisen die worden gesteld, maar extra wens is wel de snelle rapportage. Ook moet het moment van afname zelf kunnen worden gekozen. Men heeft ook gepleit voor een nul meting en een herhaling daarna om te zien wat het onderwijs heeft opgeleverd. De toetsen moeten digitaal zijn. CITO wil dit graag realiseren voor de diplomagerichte stroom.

68 Wet Kwaliteit (V)S0 | Onderwijstijd Onderwijstijd De Wet Kwaliteit (V)SO brengt zowel voor het SO als VSO aanpassingen met zich mee in de onderwijstijd. SO (artikel 12 onderwijstijd) Het speciaal onderwijs wordt zodanig ingericht dat: a.De leerlingen in beginsel binnen een tijdvak van acht aaneensluitende schooljaren het speciaal onderwijs kunnen doorlopen. b.De leerlingen in 8 schooljaren tenminste 7520 uren onderwijs ontvangen. Tenminste 3520 uren in de eerste 4 schooljaren en 3760 uren in de vervolgjaren. VSO (Artikel 14a2 onderwijstijd) Het aantal klokuren voor het schooljaar is voor het uitstroomprofiel arbeidstoeleiding. Maar als de Kwaliteitswet in het schooljaar ingaat, gaat het aantal klokuren in de eerste 2 jaar van het uitstroomprofiel ‘vervolgonderwijs’ omhoog naar Voor de overige leerjaren blijft het aantal klokuren 1.000, met uitzondering van het examenjaar. In dat jaar is het aantal klokuren 700, net als in het regulier onderwijs. Let op: voor de uitstroomprofielen ‘dagbesteding’ en ‘arbeidsmarktgericht’ is én blijft het aantal klokuren per jaar voor alle leerjaren. De Wet Kwaliteit (V)SO brengt zowel voor het SO als VSO aanpassingen met zich mee in de onderwijstijd. SO (artikel 12 onderwijstijd) Het speciaal onderwijs wordt zodanig ingericht dat: a.De leerlingen in beginsel binnen een tijdvak van acht aaneensluitende schooljaren het speciaal onderwijs kunnen doorlopen. b.De leerlingen in 8 schooljaren tenminste 7520 uren onderwijs ontvangen. Tenminste 3520 uren in de eerste 4 schooljaren en 3760 uren in de vervolgjaren. VSO (Artikel 14a2 onderwijstijd) Het aantal klokuren voor het schooljaar is voor het uitstroomprofiel arbeidstoeleiding. Maar als de Kwaliteitswet in het schooljaar ingaat, gaat het aantal klokuren in de eerste 2 jaar van het uitstroomprofiel ‘vervolgonderwijs’ omhoog naar Voor de overige leerjaren blijft het aantal klokuren 1.000, met uitzondering van het examenjaar. In dat jaar is het aantal klokuren 700, net als in het regulier onderwijs. Let op: voor de uitstroomprofielen ‘dagbesteding’ en ‘arbeidsmarktgericht’ is én blijft het aantal klokuren per jaar voor alle leerjaren. Vragen:  In hoeverre voldoet de school in haar onderwijsaanbod aan de wettelijke verplichtingen rondom onderwijstijd? Zowel voor het uitstroom vervolgonderwijs als voor de andere uitstroomprofielen! En ook in het examenjaar. Uitstroom- profielen OPP Kern- doelen Vakanties & onderwijs- tijd StagesNazorg Exami- nering NB. over de handhaving van de 1040 uur onderwijstijd en de maatschappelijke stage wordt nog onderhandeld.

69 Wet Kwaliteit (V)S0 | Stages Stages VSO In de Wet Kwaliteit (V)SO worden de stagemogelijkheden uitgebreid en meer verplicht gesteld. Dit om leerlingen zo goed mogelijk voor te bereiden op een toekomstige rol in de maatschappij. Een stage is met ingang van 1 augustus 2013, verplicht voor het uitstroomprofiel Arbeid. De stage beslaat maximaal vier dagen per week voor leerlingen vanaf veertien jaar. Overigens geldt de stage niet alleen voor het uitstroomprofiel Arbeid: Het uitstroomprofiel Vervolgonderwijs kent een maatschappelijke stage en het uitstroomprofiel Dagbesteding kan een stage ter oriëntatie op plaatsing binnen dagbesteding bevatten. VSO In de Wet Kwaliteit (V)SO worden de stagemogelijkheden uitgebreid en meer verplicht gesteld. Dit om leerlingen zo goed mogelijk voor te bereiden op een toekomstige rol in de maatschappij. Een stage is met ingang van 1 augustus 2013, verplicht voor het uitstroomprofiel Arbeid. De stage beslaat maximaal vier dagen per week voor leerlingen vanaf veertien jaar. Overigens geldt de stage niet alleen voor het uitstroomprofiel Arbeid: Het uitstroomprofiel Vervolgonderwijs kent een maatschappelijke stage en het uitstroomprofiel Dagbesteding kan een stage ter oriëntatie op plaatsing binnen dagbesteding bevatten. Vragen:  Heeft de school zicht op de wijze waarop vanaf schooljaar de stages aan leerlingen aangeboden gaan worden? In alle uitstroomprofielen verplicht: – arbeid; – vervolgonderwijs (maatschappelijke stage); – dagbesteding (oriëntatie). Uitstroom- profielen OPP Kern- doelen Vakanties & onderwijs- tijd StagesNazorg Exami- nering NB. over de handhaving van de 1040 uur onderwijstijd en de maatschappelijke stage wordt nog onderhandeld.

70 Wet Kwaliteit (V)S0 | Nazorg Nazorg VSO In de Wet Kwaliteit (V)SO wordt gesproken over nazorg. Deze nazorg wordt aangeboden om een soepele overgang en aansluiting met het vervolgonderwijs, de arbeidsmarkt of een vorm van dagbesteding mogelijk te maken. Het bevoegd gezag van de school waar de leerling voortgezet speciaal onderwijs heeft gevolgd, adviseert in voorkomende gevallen (op verzoek) tot twee jaar nadat de leerling die school heeft verlaten, de leerling, de werkgever of vervolgonderwijs op diens verzoek over het aansluitend vervolgonderwijs, het uitoefenen van een functie op de arbeidsmarkt en het functioneren in een vorm van dagbesteding. VSO In de Wet Kwaliteit (V)SO wordt gesproken over nazorg. Deze nazorg wordt aangeboden om een soepele overgang en aansluiting met het vervolgonderwijs, de arbeidsmarkt of een vorm van dagbesteding mogelijk te maken. Het bevoegd gezag van de school waar de leerling voortgezet speciaal onderwijs heeft gevolgd, adviseert in voorkomende gevallen (op verzoek) tot twee jaar nadat de leerling die school heeft verlaten, de leerling, de werkgever of vervolgonderwijs op diens verzoek over het aansluitend vervolgonderwijs, het uitoefenen van een functie op de arbeidsmarkt en het functioneren in een vorm van dagbesteding. Uitstroom- profielen OPP Kern- doelen Vakanties & onderwijs- tijd StagesNazorg Exami- nering

71 Wet Kwaliteit (V)S0 | Examinering Examinering VSO Leerlingen in het VSO konden hun opleiding voor de invoering van de Wet Kwaliteit (V)SO al afsluiten en een diploma behalen via symbiose met het regulier onderwijs of via het staatsexamen. Deze bestaande mogelijkheden worden in dit wetsvoorstel uitgebreid. De Wet Kwaliteit (V)SO maakt het namelijk mogelijk dat een VSO-school zelf – onder strikte voorwaarden - het VO-examen afneemt en het diploma uitreikt (hier worden licenties voor afgegeven.onder strikte voorwaarden Daarnaast wordt de bestaande symbioseregeling uitgebreid voor wat betreft BVE-instellingen. VSO-leerlingen tussen 16 en 18 jaar kunnen via het VAVO-lessen volgen en een diploma behalen. Het ROC reikt het VAVO-diploma uit. Naast het behaalde diploma krijgen leerlingen een overgangsdocument mee, waaruit naast hun vaardigheden vooral de ondersteuningsbehoefte van de leerling blijkt (met informatie over kennis, vaardigheden, mogelijkheden en beperkingen van de leerling.). Dit overgangsdocument dient bij te dragen aan een soepele overgang tussen het funderend en aansluitend vervolgonderwijs. VSO Leerlingen in het VSO konden hun opleiding voor de invoering van de Wet Kwaliteit (V)SO al afsluiten en een diploma behalen via symbiose met het regulier onderwijs of via het staatsexamen. Deze bestaande mogelijkheden worden in dit wetsvoorstel uitgebreid. De Wet Kwaliteit (V)SO maakt het namelijk mogelijk dat een VSO-school zelf – onder strikte voorwaarden - het VO-examen afneemt en het diploma uitreikt (hier worden licenties voor afgegeven.onder strikte voorwaarden Daarnaast wordt de bestaande symbioseregeling uitgebreid voor wat betreft BVE-instellingen. VSO-leerlingen tussen 16 en 18 jaar kunnen via het VAVO-lessen volgen en een diploma behalen. Het ROC reikt het VAVO-diploma uit. Naast het behaalde diploma krijgen leerlingen een overgangsdocument mee, waaruit naast hun vaardigheden vooral de ondersteuningsbehoefte van de leerling blijkt (met informatie over kennis, vaardigheden, mogelijkheden en beperkingen van de leerling.). Dit overgangsdocument dient bij te dragen aan een soepele overgang tussen het funderend en aansluitend vervolgonderwijs. Uitstroom- profielen OPP Kern- doelen Vakanties & onderwijs- tijd StagesNazorg Exami- nering Klik hier voor een voorbeeld overgangsdocument (nog niet beschikbaar). Klik hier voor een voorbeeld overgangsdocument (nog niet beschikbaar). NB. Staatsexamen blijft mogelijk voor de vmbo bb en kb voor de theoretische vakken.

72 Wet Kwaliteit (V)S0 | VOORWAARDEN Examinering Voorwaarden voor examinering Wanneer een school zelf examinering wil regelen en organiseren binnen de school gelden de volgende voorwaarden:  bevoegde leraren conform WVO;  ontwikkelen van schoolexamens(PTA) en examenreglement;  voldoende onderwijskwaliteit;  positief of negatief advies IvhO aan DUO;  licentie is een aanwijzing en kan worden ingetrokken. Wanneer een school zelf examinering wil regelen en organiseren binnen de school gelden de volgende voorwaarden:  bevoegde leraren conform WVO;  ontwikkelen van schoolexamens(PTA) en examenreglement;  voldoende onderwijskwaliteit;  positief of negatief advies IvhO aan DUO;  licentie is een aanwijzing en kan worden ingetrokken. Uitstroom- profielen OPP Kern- doelen Vakanties & onderwijs- tijd StagesNazorg Exami- nering

73 Decentralisatie jeugdzorg| Onderwerpen 1.Waarom decentraliseren?Waarom decentraliseren? 2.Wat gaat er veranderen?Wat gaat er veranderen? 3.SpiegelwetgevingSpiegelwetgeving 4.Aanpalende decentralisatiesAanpalende decentralisaties 5.Wat merkt het (V)SO hiervan?Wat merkt het (V)SO hiervan?

74 Decentralisatie jeugdzorg| Waarom decentraliseren? De grote druk op gespecialiseerde zorg (het ‘labelen’ van kinderen en de stijging van de kosten) Een focus op het probleem in plaats van de oplossing (weinig oog voor wat jongeren wel kunnen én de mogelijkheden van het sociale netwerk) De bureaucratische inrichting van het systeem (voor ouders en jongeren is het lastig om te weten waar ze terecht kunnen voor hulp en organisaties werken onvoldoende effectief samen) Knelpunten huidige jeugdstelsel

75 Decentralisatie jeugdzorg| Wat gaat er veranderen? Zorg voor jeugd (conceptwetsvoorstel Jeugdwet) Om het jeugdstelsel te vereenvoudigen en een integrale aanpak te bevorderen wordt een belangrijk deel van de zorg en ondersteuning voor jeugd zowel bestuurlijk als financieel in één hand gelegd, die van de gemeente. Gemeenten worden verantwoordelijk voor alle taken die nu op stadregionaal of provinciaal niveau zijn verankerd. Daarnaast worden de landelijke jeugdzorgtaken gedecentraliseerd die nu zijn verankerd in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) of de Zorgverzekeringswet (Zvw). Deze verantwoordelijkheid (zorgplicht) omvat het verzorgen van een positief opvoed- en opgroeiklimaat, preventie en vroegsignalering tot en met de zware gespecialiseerde (geestelijke gezondheids)zorg en de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering. Gemeenten zijn op deze wijze in staat om integraal beleid te ontwikkelen en maatwerk te bieden, afgestemd op de lokale en individuele situatie. Door deze brede verantwoordelijkheid én door hulp dicht bij kinderen en hun ouders te organiseren, kunnen professionals de hulpvraag van het kind en zijn of haar ouders in samenhang in beeld brengen en kunnen ze beter voor een passende oplossing zorgen. En komen verbindingen tussen zorg, onderwijs, werk en inkomen, sport en veiligheid gemakkelijker tot stand. Focus gemeenten Om de maatschappelijke ambitie te kunnen waarmaken staat het belang van de jeugdige voorop; niet het belang van de voorzieningen. Gemeenten focussen daarom op:  het inschakelen, herstellen en versterken van het eigen probleemoplossend vermogen van de jeugdige, zijn ouders en zijn sociale omgeving (eigen kracht);  het bevorderen van de opvoedcapaciteiten van de ouders en de sociale omgeving, opdat de ouders zo veel mogelijk in staat worden gesteld om zelf de verantwoordelijkheid voor de opvoeding te dragen (demedicaliseren, ontzorgen en normaliseren);  preventie en vroege signalering;  tijdig de juiste jeugdhulp op maat;  effectieve en efficiënte samenwerking rond gezinnen (één gezin, één plan, één regisseur). Om de maatschappelijke ambitie te kunnen waarmaken staat het belang van de jeugdige voorop; niet het belang van de voorzieningen. Gemeenten focussen daarom op:  het inschakelen, herstellen en versterken van het eigen probleemoplossend vermogen van de jeugdige, zijn ouders en zijn sociale omgeving (eigen kracht);  het bevorderen van de opvoedcapaciteiten van de ouders en de sociale omgeving, opdat de ouders zo veel mogelijk in staat worden gesteld om zelf de verantwoordelijkheid voor de opvoeding te dragen (demedicaliseren, ontzorgen en normaliseren);  preventie en vroege signalering;  tijdig de juiste jeugdhulp op maat;  effectieve en efficiënte samenwerking rond gezinnen (één gezin, één plan, één regisseur). Doel  Kinderen en jongeren beter te kunnen laten participeren in de samenleving.  Overheidsmiddelen effectiever en efficiënter in te zetten.  De overheid en betrokken instellingen beter in staat te stellen effectieve zorg en ondersteuning te bieden.  Kinderen en jongeren beter te kunnen laten participeren in de samenleving.  Overheidsmiddelen effectiever en efficiënter in te zetten.  De overheid en betrokken instellingen beter in staat te stellen effectieve zorg en ondersteuning te bieden. Klik hier voor de website ‘voor de jeugd’ over de stelselwijziging jeugd van de ministeries van VWS, VenJ en de VNG. Klik hier voor de website ‘voor de jeugd’ over de stelselwijziging jeugd van de ministeries van VWS, VenJ en de VNG.

76 Let op: maart 2014 gemeenteraads- verkiezingen! Decentralisatie jeugdzorg| Wat gaat er veranderen? Verantwoordelijkheden gemeenten  het versterken van het opvoedkundig klimaat in gezinnen, wijken, buurten, scholen en kinderopvang;  het voorzien in een voldoende passend (dus effectief) aanbod van jeugdhulp;  het advies geven over en het bepalen en inzetten van de aangewezen vorm van jeugdhulp op een laagdrempelige en herkenbare wijze; de vereiste expertise dient daarbij op het juiste moment beschikbaar te zijn;  het op een toegankelijke wijze adviseren van professionals met zorgen over een jeugdige (consultatiefunctie);  het doen van een verzoek tot onderzoek bij de raad voor de kinderbescherming indien een kinderbeschermingsmaatregel noodzakelijk geacht wordt;  het compenseren van beperkingen in de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie van een jeugdige (maatschappelijke begeleiding);  het op een eenvoudige wijze adviseren van jeugdigen met vragen;  het voorzien in een toereikend aanbod van gecertificeerde instellingen die de maatregelen van kinderbescherming en jeugdreclassering uitvoeren.  het versterken van het opvoedkundig klimaat in gezinnen, wijken, buurten, scholen en kinderopvang;  het voorzien in een voldoende passend (dus effectief) aanbod van jeugdhulp;  het advies geven over en het bepalen en inzetten van de aangewezen vorm van jeugdhulp op een laagdrempelige en herkenbare wijze; de vereiste expertise dient daarbij op het juiste moment beschikbaar te zijn;  het op een toegankelijke wijze adviseren van professionals met zorgen over een jeugdige (consultatiefunctie);  het doen van een verzoek tot onderzoek bij de raad voor de kinderbescherming indien een kinderbeschermingsmaatregel noodzakelijk geacht wordt;  het compenseren van beperkingen in de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie van een jeugdige (maatschappelijke begeleiding);  het op een eenvoudige wijze adviseren van jeugdigen met vragen;  het voorzien in een toereikend aanbod van gecertificeerde instellingen die de maatregelen van kinderbescherming en jeugdreclassering uitvoeren. Klik hier het spoorboekje transitie jeugdzorg van de VNG Klik hier het spoorboekje transitie jeugdzorg van de VNG tijdpad Invoering transitie jeugdzorg Richten Analyse & inventarisatie Visie en keuzes Uitwerking Visienota/Concept beleidsplan Plan van aanpak/ Conceptverordening Inrichten Organiseren van de uitvoering Meerjarig beleidskader / Uitvoeringsplan 2015 Verordening en beleidsregels Verrichten

77 Decentralisatie jeugdzorg| Wat gaat er veranderen? Financiële decentralisatie Er komt één financieringssysteem voor:  het huidige preventieve beleid;  de vrijwillige provinciaal gefinancierde jeugdzorg;  gesloten jeugdhulp in het kader van ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen;  zorg voor jeugd met een licht verstandelijke beperking (jeugd-lvb);  geestelijke gezondheidszorg voor jeugdigen (jeugd-ggz);  uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen;  jeugdreclassering;  ggz in het kader van het jeugdstrafrecht (forensische zorg). Het financieringssysteem heeft tot doel om gemeenten de beleidsvrijheid te geven om te kunnen sturen op doelmatigheid en doeltreffendheid. De ontschotting van geldstromen moet resulteren in meer mogelijkheden voor integrale en daarmee effectievere hulp aan gezinnen. In het conceptwetsvoorstel wordt geschetst dat de financiering via het gemeentefonds van gemeenten gaat lopen. De omvang en verdeling van het budget worden in de eerste jaren na decentralisatie jaarlijks gemonitord. Hiertoe verstrekken gemeenten elk jaar informatie over begrote en gerealiseerde uitgaven. In de memorie van toelichting bij het conceptwetsvoorstel staat vermeld dat een doelmatigheidskorting van € 80 miljoen toegepast zal worden op het over te hevelen budget in 2015; in 2016 is deze korting € 200 miljoen en vanaf 2017 bedraagt de korting € 300 miljoen. In het regeerakkoord Rutte II staat de volgende passage ten aanzien van de beschikbare financiën: “Het jeugdzorgbudget, dat per 2015 met een decentralisatie-uitkering naar gemeenten wordt overgeheveld, wordt additioneel verlaagd met 150 miljoen. Met een ingroei in 2015 en Gemeenten kunnen deze taak veel doelmatiger uitvoeren door ontschotting, preventie/vroegtijdig signaleren, verschuiving van zwaardere naar lichtere zorg en eenvoudigere (indicatie-)procedures. Het ‘recht op zorg’, de PGB ‘kan-bepaling’ en de gemeentelijke taak worden in de nieuwe wet zodanig beschreven dat dit voldoende beleidsvrijheid en ruimte voor maatwerk biedt. Daarnaast is scherpere tarifering van zorgaanbieders mogelijk en kunnen gemeenten efficiency behalen bij de gesloten jeugdzorg door de overcapaciteit in het aanbod niet langer te bekostigen en de gemiddelde verblijfsduur te verlagen.” Er komt één financieringssysteem voor:  het huidige preventieve beleid;  de vrijwillige provinciaal gefinancierde jeugdzorg;  gesloten jeugdhulp in het kader van ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen;  zorg voor jeugd met een licht verstandelijke beperking (jeugd-lvb);  geestelijke gezondheidszorg voor jeugdigen (jeugd-ggz);  uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen;  jeugdreclassering;  ggz in het kader van het jeugdstrafrecht (forensische zorg). Het financieringssysteem heeft tot doel om gemeenten de beleidsvrijheid te geven om te kunnen sturen op doelmatigheid en doeltreffendheid. De ontschotting van geldstromen moet resulteren in meer mogelijkheden voor integrale en daarmee effectievere hulp aan gezinnen. In het conceptwetsvoorstel wordt geschetst dat de financiering via het gemeentefonds van gemeenten gaat lopen. De omvang en verdeling van het budget worden in de eerste jaren na decentralisatie jaarlijks gemonitord. Hiertoe verstrekken gemeenten elk jaar informatie over begrote en gerealiseerde uitgaven. In de memorie van toelichting bij het conceptwetsvoorstel staat vermeld dat een doelmatigheidskorting van € 80 miljoen toegepast zal worden op het over te hevelen budget in 2015; in 2016 is deze korting € 200 miljoen en vanaf 2017 bedraagt de korting € 300 miljoen. In het regeerakkoord Rutte II staat de volgende passage ten aanzien van de beschikbare financiën: “Het jeugdzorgbudget, dat per 2015 met een decentralisatie-uitkering naar gemeenten wordt overgeheveld, wordt additioneel verlaagd met 150 miljoen. Met een ingroei in 2015 en Gemeenten kunnen deze taak veel doelmatiger uitvoeren door ontschotting, preventie/vroegtijdig signaleren, verschuiving van zwaardere naar lichtere zorg en eenvoudigere (indicatie-)procedures. Het ‘recht op zorg’, de PGB ‘kan-bepaling’ en de gemeentelijke taak worden in de nieuwe wet zodanig beschreven dat dit voldoende beleidsvrijheid en ruimte voor maatwerk biedt. Daarnaast is scherpere tarifering van zorgaanbieders mogelijk en kunnen gemeenten efficiency behalen bij de gesloten jeugdzorg door de overcapaciteit in het aanbod niet langer te bekostigen en de gemiddelde verblijfsduur te verlagen.”

78 Decentralisatie jeugdzorg| Spiegelwetgeving Toelichting Met de beide stelselwijzingen wordt de verantwoordelijkheid voor hulp aan kinderen en gezinnen die extra ondersteuning nodig hebben, belegd bij schoolbesturen en gemeenten. Het is niet meer dan logisch dat beide hun plannen voor deze doelgroep op elkaar afstemmen. Dit wordt verankerd in de wettelijke opdracht om op overeenstemming gericht overleg (OOGO) te voeren. Binnen dit overleg staat het, door de schoolbesturen opgestelde, ondersteuningsplan en het door de gemeente opgesteld beleidsplan centraal. In het ondersteuningsplan staat vermeld hoe het onderwijs de ondersteuning vorm geeft voor leerlingen die dat nodig hebben en hoe de middelen verdeeld worden over de schoolbesturen. Omdat de doelen van beide stelselwijzigingen zo verbonden zijn met elkaar nodigt dit uit om een stap verder gaan dan overleg voeren over de eigen plannen van de gemeente en schoolbesturen en de beide stelselwijzigingen gezamenlijk oppakken. Hierdoor wordt het voor instellingen en professionals werkzaam in zorg, onderwijs en participatie namelijk beter mogelijk hun inspanningen op elkaar af te stemmen en zal ondersteuning effectiever, sneller en preventiever plaatsvinden. Klik hier voor de handreiking verbinding passend onderwijs en zorg voor jeugd van PO- raad, VO-raad en VNG Klik hier voor de handreiking verbinding passend onderwijs en zorg voor jeugd van PO- raad, VO-raad en VNG GemeentenSamenwerkingsagenda jeugd – onderwijs - zorg Schoolbesturen  leerplicht  onderwijshuisvesting  leerlingenvervoer  onderwijsachterstanden  aansluiting arbeidsmarkt  preventief jeugdbeleid  jeugdgezondheidszorg  Wmo-functies (o.a. decentralisatie begeleiding)  samenhangende onderwijs-, ondersteunings- en hulpstructuur voor jeugd: preventie en signalering beoordeling toewijzing ondersteuning/hulpaanbod  overgangen voorschools-po-vo- mbo  consequenties Passend onderwijs voor leerlingenvervoer  consequenties Passend onderwijs voor onderwijshuisvesting  tegengaan voortijdig schoolverlaten en aanpak thuiszitters  aansluiting onderwijs- arbeidsmarkt V(S)O en MBO  samenwerkingsverband PO en VO beschreven in ondersteuningsplan  dekkend aanbod van basis- en extra ondersteuning  verdeling, besteding en toewijzing van middelen voor ondersteuning  procedure en criteria voor toelaatbaarheid (V)SO en sbao  plaatsing en terugplaatsing  beoogde en bereikte kwantitatieve en kwalitatieve resultaten  informeren ouders  ondersteuningsplannen  PO en VO afstemmen Klik hier voor de publicatie Passend Jeugdbeleid; Samenhangend opvoeden in álle leefmilieus! Klik hier voor de publicatie Passend Jeugdbeleid; Samenhangend opvoeden in álle leefmilieus! Onderwijs en gemeenten zullen zicht willen hebben op deels dezelfde indicatoren. Zie ook de strategische agenda Kwaliteitszorg.

79 In de Participatiewet voegt het kabinet Rutte II de Wet werk en Bijstand (WWB), de Wet sociale werkvoorziening (Wsw) en een deel van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong) samen. De streefdatum voor de inwerkingtreding van de wet is 1 januari Uitgangspunt van de wet is dat mensen die kunnen werken, niet afhankelijk horen te zijn van een uitkering. De Participatiewet geeft gemeenten daarnaast meer vrijheid om te bepalen welke ondersteuning mensen met een arbeidsbeperking nodig hebben. Ook stuurt deze wet op de werkgelegenheid voor mensen met een handicap. De ‘contourenbrief Participatiewet’ waarmee de ministerraad heeft ingestemd wordt aangegeven dat de uitgaven aan Wajong, WWB en Wsw bij ongewijzigd beleid oplopen van € 11 miljard nu naar € 13,5 miljard structureel. Bij de uitwerking van de Participatiewet zijn de financiële kaders van het Regeerakkoord leidend. Het kabinet wil de noodzakelijke wetgeving in het voorjaar van 2013, na advies van de Raad van State, bij de Tweede Kamer indienen. De Wsw (sociale werkvoorziening) wordt vanaf 1 januari 2014 afgesloten voor nieuwe werknemers. Het kabinet geeft gemeenten de ruimte om zelf beschut werk te organiseren voor mensen die enkel onder beschutte omstandigheden kunnen werken. De Wajong is vanaf 1 januari 2014 alleen nog toegankelijk voor jonggehandicapten die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn. Mensen die in het nieuwe systeem niet meer in aanmerking komen voor beschut werk of de Wajong kunnen een beroep doen op de gemeente. Om de werkgelegenheid voor mensen met een handicap te bevorderen zal bij werkgevers met 25 of meer werknemers in de toekomst 5 % van het personeelsbestand uit mensen met een arbeidshandicap moeten bestaan. Dit wordt vanaf 1 januari 2015 stapsgewijs ingevoerd. Hierbij wordt gewerkt met mobiliteitsbonussen en boetes voor werkgevers die het quotum wel en niet halen. In de Participatiewet voegt het kabinet Rutte II de Wet werk en Bijstand (WWB), de Wet sociale werkvoorziening (Wsw) en een deel van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong) samen. De streefdatum voor de inwerkingtreding van de wet is 1 januari Uitgangspunt van de wet is dat mensen die kunnen werken, niet afhankelijk horen te zijn van een uitkering. De Participatiewet geeft gemeenten daarnaast meer vrijheid om te bepalen welke ondersteuning mensen met een arbeidsbeperking nodig hebben. Ook stuurt deze wet op de werkgelegenheid voor mensen met een handicap. De ‘contourenbrief Participatiewet’ waarmee de ministerraad heeft ingestemd wordt aangegeven dat de uitgaven aan Wajong, WWB en Wsw bij ongewijzigd beleid oplopen van € 11 miljard nu naar € 13,5 miljard structureel. Bij de uitwerking van de Participatiewet zijn de financiële kaders van het Regeerakkoord leidend. Het kabinet wil de noodzakelijke wetgeving in het voorjaar van 2013, na advies van de Raad van State, bij de Tweede Kamer indienen. De Wsw (sociale werkvoorziening) wordt vanaf 1 januari 2014 afgesloten voor nieuwe werknemers. Het kabinet geeft gemeenten de ruimte om zelf beschut werk te organiseren voor mensen die enkel onder beschutte omstandigheden kunnen werken. De Wajong is vanaf 1 januari 2014 alleen nog toegankelijk voor jonggehandicapten die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn. Mensen die in het nieuwe systeem niet meer in aanmerking komen voor beschut werk of de Wajong kunnen een beroep doen op de gemeente. Om de werkgelegenheid voor mensen met een handicap te bevorderen zal bij werkgevers met 25 of meer werknemers in de toekomst 5 % van het personeelsbestand uit mensen met een arbeidshandicap moeten bestaan. Dit wordt vanaf 1 januari 2015 stapsgewijs ingevoerd. Hierbij wordt gewerkt met mobiliteitsbonussen en boetes voor werkgevers die het quotum wel en niet halen. Participatiewet Decentralisatie jeugdzorg| Aanpalende decentralisaties Functies ‘Begeleiding’ en ‘Persoonlijke Verzorging’ van de AWBZ naar de Wmo Het huidige kabinet Rutte II heeft in zijn regeerakkoord opgenomen dat de AWBZ-functies Begeleiding en Persoonlijke Verzorging per 1 januari 2015 overgaan naar gemeenten (de Wmo). Doel van de AWBZ-functie extramurale ‘Begeleiding’ (inclusief vervoer) is het bevorderen, het behoud of het compenseren van zelfredzaamheid van burgers met een beperking. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen: ‘Begeleiding Individueel’ (wordt onder andere ingezet voor woonbegeleiding of thuisbegeleiding) en ‘Begeleiding Groep’ (onder meer verschillende soorten dagbesteding voor mensen met een verstandelijke beperking en voor mensen met een psychische of psychiatrische beperking). Onder de functie ‘Persoonlijke Verzorging’ valt bijvoorbeeld hulp bij douchen, aankleden, scheren, pillen innemen, ogen druppelen of naar de wc gaan. Op de taken die per 2015 onder de verantwoordelijkheid van gemeenten vallen, vindt een korting plaats van 1,6 miljard euro. Klik hier voor de Kamerbrief Contouren Participatiewet Klik hier voor de Kamerbrief Contouren Participatiewet De Participatie- wet ‘vervangt’ de Wet Werken Naar Vermogen. Bekijk hier het dossier van AWBZ naar WMO van de VNG Bekijk hier het dossier van AWBZ naar WMO van de VNG

80 Decentralisatie jeugdzorg| Wat merkt het (V)SO hiervan? Toelichting Met het invoeren van Passend onderwijs en de Decentralisatie van de jeugdzorg wordt de samenwerking tussen scholen en gemeenten nog belangrijker dan voorheen. De achterliggende gedachte is dat scholen een belangrijke plek zijn om problemen vroeg te signaleren, zodat snel en adequaat lichte zorg verleend kan worden en voorkomen kan worden dat problemen escaleren. Zowel gemeenten als schoolbesturen moeten de individuele ondersteuning aan een kind of gezin afstemmen met andere voorzieningen op het gebied van gezondheidszorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen. Klik hier voor de handreiking voor een intensieve en duurzame samenwerking tussen gemeenten, MEE en de samenwerkings- verbanden in het onderwijs Klik hier voor de handreiking voor een intensieve en duurzame samenwerking tussen gemeenten, MEE en de samenwerkings- verbanden in het onderwijs Klik hier voor de handreiking ‘Een goed begin is het halve werk’ over een goede en preventieve samenwerking van jeugd-ggz met onderwijs en gemeenten van het CJG Klik hier voor de handreiking ‘Een goed begin is het halve werk’ over een goede en preventieve samenwerking van jeugd-ggz met onderwijs en gemeenten van het CJG ConstateringenVraagstukken  Aan de leerlingen in het (V)SO wordt in de huidige situatie vaak extra en zeer specifieke ondersteuning binnen en buiten de school gegeven.  Deze extra ondersteuning wordt geboden door een groot scala aan zorgaanbieders vanuit diverse bekostigingsstromen.  Daarnaast heeft deze groep leerlingen vaak ook te maken met gemeentelijke programma’s (gericht op preventie).  Gemeenten hebben de top 5% van de jeugd die gebruik maakt van extra ondersteuning vaak slecht in beeld en vinden het lastig om daarop beleid te maken.  Veel gemeenten steken in op het eigen kracht principe. Vanuit het onderwijs bestaan twijfels of de eigen kracht aanpak geschikt is voor de ondersteuning en hulpverlening aan de gezinnen waarbij sprake is van een concentratie van problematieken.  De gemeente zal verantwoordelijk worden voor een deel van de arbeidsplekken en dagbesteding voor leerlingen die uitstromen uit het VSO.  Heeft de gemeente inzichtelijk welke ondersteuningsbehoefte de top 5% van de jeugd heeft?  Welke wensen heeft het (V)SO ten aanzien van een goede aansluiting met de jeugdhulp vanuit de gemeente?  Om wat voor type functionarissen zou het hierbij moeten gaan? Welke betrekkingsomvang per school zou wenselijk zijn?  Wat is hun positie ten opzichte van de school? (al dan niet fysiek aanwezig in de school)  Welke verschillen bestaan er tussen de wensen van scholen op dit gebied? Op welke manier kan het best worden ingespeeld op de verschillende doelgroepen binnen het (V)SO?  Weten gemeente en (V)SO-scholen onderling genoeg van de principes waaruit gewerkt wordt (bijv. eigen kracht) zodat deze ook op elkaar kunnen aansluiten?  Is er voldoende afstemming tussen gemeente en het VSO zodat leerlingen die uitstromen uit het VSO ook terecht kunnen op een passende plek? Klik hier voor de handreiking ‘De verbinding Passend onderwijs en zorg voor jeugd’ Klik hier voor de handreiking ‘De verbinding Passend onderwijs en zorg voor jeugd’

81 Strategische agenda (V)SO | Colofon Colofon Van Beekveld & Terpstra Organisatieadviesbureau Nieuwe Steen HV Hoorn T 0229 – E © Van Beekveld & Terpstra Organisatieadviesbureau, Hoorn, mei 2013 Deze publicatie is opgesteld in opdracht van : Namens Van Beekveld & Terpstra Organisatieadviesbureau hebben de volgende adviseurs aan deze publicatie meegewerkt:  Martine Fuite  Pieter Duits  Gabriëlle Hoolwerf  Femke Rood  Robbin Haaijer


Download ppt "Strategische agenda (V)SO Klik op het LECSO logo om hier terug te keren. Passend onderwijs Decentralisatie jeugdzorg Wet Kwaliteit (V)SO Bestuurlijke vormgeving."

Verwante presentaties


Ads door Google