De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

Workshop “Actualiteiten Natuurbeschermingsrecht” mr. Susan Schaap.

Verwante presentaties


Presentatie over: "Workshop “Actualiteiten Natuurbeschermingsrecht” mr. Susan Schaap."— Transcript van de presentatie:

1 Workshop “Actualiteiten Natuurbeschermingsrecht” mr. Susan Schaap

2 Soortenbescherming en gebiedsbescherming

3 Actualiteiten Flora en Faunawet (soortenbescherming)

4 Aangepaste beoordeling ontheffing ruimtelijke ingrepen Flora en Faunawet in de Flora en Faunawet zijn verbodsbepalingen opgenomen met daarop uitzonderingen in de vorm van ontheffings-, vergunnings- en vrijstellingsbevoegdheden bijzondere soorten[1] (artikel 75, vijfde en zesde lid van de Flora- en faunawet) ontheffing indien:[1] geen afbreuk wordt gedaan aan gunstige staat van de instandhouding van de soort [1][1] Soorten genoemd op bijlage IV van de Habitatrichtlijn, alle vogelsoorten die beschermd zijn ingevolge de Vogelrichtlijn en alle bij AmvB aangewezen soorten (de soorten genoemd in bijlage 1 van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten)

5 Aangepaste beoordeling ontheffing ruimtelijke ingrepen Flora en Faunawet (vervolg) geen andere bevredigende oplossing in het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten genoemde belangen

6 Aangepaste beoordeling ontheffing ruimtelijke ingrepen Flora en Faunawet (vervolg) Belangen bij ruimtelijke projecten: sub e “dwingende redenen van groot openbaar belang; sub j “uitvoering van werkzaamheden in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling Beide belangen mogen ingevolge uitspraken van AbRvS van 21 januari 2009 (nr /1: Edam/Volendam en 13 mei 2009 (nr /1: Park Brederode) niet ten grondslag worden gelegd aan een ontheffingverlening voor zwaar beschermde soorten waaronder vogelsoorten

7 Aangepaste beoordeling ontheffing ruimtelijke ingrepen Flora en Faunawet (vervolg) oplossing: werkzaamheden buiten broedseizoen (zie AbRvS 14 maart 2007, nr /1) (ook toegestaan indien werkzaamheden voor broedseizoen starten, waarna deze zonder onderbreking worden doorgezet)

8 Aangepaste beoordeling ontheffing ruimtelijke ingrepen Flora en Faunawet (vervolg) Probleem: nestblijvers oplossing: aangepaste beoordeling ontheffing ruimtelijke ingrepen Flora en Faunawet (brief toenmalige Minister LNV 26 augustus 2009). overtreding van Flora en Faunawet wordt voorkomen door het treffen van mitigerende maatregelen. Het gaat dan om de functionaliteit van de voortplantings- en/of vaste rust- en verblijfplaats van de soort. geen ontheffing nodig

9 Aangepaste beoordeling ontheffing ruimtelijke ingrepen Flora en Faunawet (vervolg) Het is de vraag of dit beleid waarbij strikt genomen zonder formele waarborgen wordt bepaald of met mitigerende maatregelen kan worden volstaan in het licht van de EU- regelgeving geoorloofd is (zie AbRvS 19 januari 2010, nr )

10 Actualiteiten Flora en Faunawet/Nbwet 1998 inwerkingtreding Wabo per 1 oktober 2010 vergunning ingevolge art. 19d Nbwet 1998 en ontheffing ingevolge art. 75 Ffwet haken aan als voor deze handelingen ook een omgevingsvergunning is vereist. een omgevingsvergunning wordt niet verleend zonder verklaring van geen bedenkingen van het betreffende bestuursorgaan aanhaken is alleen aan de orde wanneer voor de activiteit niet reeds een vergunning (Nbwet) of ontheffing Ffwet) is verkregen

11 Gebiedsbescherming

12 Aanwijzing Natura 2000 gebieden Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijngebieden worden aangewezen door Minister EL&I (art. 10a Nbw 1998) aanwijzingsbesluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied op voorbereiding is afdeling 3.4 van toepassing (art. 11 Nbw 1998) Op 16 maart jl. is door AbRvS een aantal uitspraken gedaan n.a.v. beroepschriften tegen aanwijzingsbesluiten: AbRvS 16 maart 2011, nrs /1/R2 (Noordzeekustzone), nr /1/R2 (Duinen Schiermonnikoog), /1/R2 (Duinen Ameland), /1/R2 (Waddenzee), /1/R2 (Duinen Terschelling), /1/R2 (Duinen Vlieland), /1/R2 (Duinen Texel)

13 Enkele hoofdlijnen uit deze uitspraken bij vaststellen instandhoudingsdoelstellingen mag worden uitgegaan van landelijke staat van instandhouding van een habitattype of van een soort bij vaststelling van instandhoudingsdoelstellingen op gebiedsniveau hanteert minister uitgangspunt “Haalbaar en betaalbaar”, wat inhoudt dat ook economische overwegingen een rol mogen spelen bij het bepalen van instandhoudingsdoelstellingen

14 Enkele hoofdlijnen uit deze uitspraken (vervolg) streven naar gunstige staat instandhouding brengt niet verplichting met zich om de te formuleren instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied te baseren op het handhaven van populaties van soorten in een omvang zoals die bestonden op het moment waarop uitvoering had moeten zijn gegeven aan de op grond van de Vogelrichtlijn geldende verplichtingen er hoeven geen termijnen worden verbonden aan instandhoudingsdoelstellingen

15 Enkele hoofdlijnen uit deze uitspraken (vervolg) afstemming begrenzing Vogel- en Habitatrichtlijngebieden: er mogen slechts ornithologische criteria worden gehanteerd bij verruiming van Vogelrichtlijngebied (Duinen Texel) exclaveringsclausule: in beginsel vallen ook bermen hieronder, evenwel kunnen ecologische redenen ertoe leiden dat bermen toch onderdeel uitmaken van Natura 2000-gebied Minister hoeft externe werking niet te kwantificeren

16 Brief staatsecretaris EL&I maart 2011 in 2010 zijn 23 gebieden aangewezen in 2011 is inzet om alle gebieden aan te wijzen: PAS, herijking EHS en bezuinigingen, waterveiligheid voornemen tot schrappen regime voor beschermde monumenten verlagen doelen enkele vogelsoorten beheerplannen: realistisch opstellen: voorkomen van verslechtering schrappen van enkele Natura 2000-gebieden; het gaat om kleine gebieden met relatief beperkt belang (Boddenbroek, Achter de Voort en Teeselinkven)

17 Brief staatsecretaris EL&I maart 2011 (vervolg) Schrappen Natura 2000-gebieden? definitie Natura 2000-gebied: art. 1 onder N Nbw 1998 (ook gebieden die op de lijst van gebieden van communautair belang voorkomen) art. 15 Nbw 98 biedt dus geen soelaas mogelijke constructie via art. 11 Habitatrichtlijn?

18 Habitattoets bij projecten of andere handelingen op grond van art. 19d Nbw 98 is het verboden om zonder vergunning projecten of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstelling van het betreffende Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. geen verbod op handelingen en projecten overeenkomstig een beheerplan (art. 19d lid 2 Nbw 98)

19 Habitattoets bij projecten of andere handelingen (vervolg) geen verbod op bestaand gebruik, behoudens indien dat gebruik een project is dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar dat afzonderlijk of in combinatie met andere projecten of plannen significante gevolgen kan hebben voor het desbetreffende Natura 2000-gebied (art. 19 d lid 3 Nbw 98) als passende beoordeling is voorgeschreven dan kan pas vergunning worden verleend als verzekerd is dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet worden aangetast (mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen) (AbRvS 7 mei 2008, nr /1)

20 Op grond van art 19e geldt dat GS rekening houdt amet de gevolg die een project of andere handeling, waarop de vergunning aanvraag betrekking heeft gelet op de instandhoudingsdoelstelling kan hebben. bmet een vastgesteld beheerplan cmet vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied alsmede regionale en lokale bijzonderheden.

21 Habitattoets bij projecten of andere handelingen (vervolg) op grond van art. 19f geldt dat voor projecten waarvoor een aanvraag voor een vergunning is ingediend en die, afzonderlijk of in combinatie met andere projecten of plannen significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, een passende beoordeling moet worden gemaakt door de initiatiefnemer voortoets c.q. verkennend onderzoek: mitigerende maatregelen buiten beschouwing laten

22 Habitattoets bij projecten of andere handelingen (vervolg) als niet is verzekerd dat natuurlijke kenmerken niet worden aangetast: ADC-criteria: Alternatieven, dwingende redenen van groot openbaar belang, compensatie. Bij priotair type of prioritaire soort geldt aanvullend dat desbetreffende project alleen kan worden verleend op basis van argumenten menselijke gezondheid, openbare veiligheid of voor het milieu gunstige effecten of na advies van de Commissie van Europese Gemeenschappen om andere dwingende redenen van groot openbaar belang

23 Project -AbRvS 4 mei 2011, or /1 IR2 en /1/R2 (aanleg en gebruik nieuwe elektriciteitscentrale) -aangevoerd dat sprake is van uitbereiding centrale en dus van één project. -bestaande centrale en voorziene centrale zijn niet zodanig met elkaar verbonden (R.O. 2.6.) -AbRvS 25 februari 2009, /1/R2 (R.O. 2.6.) onderhoudswerkzaamheden en gebruik worden onder omstandigheden als één project aangemeldt. - let op: niet te verwarren met cumulatie (zie verder)

24 Significante gevolgen begrip “significant” is niet nader in Europese recht en Nbw 98 geconcretiseerd. Verduidelijking begrip in Leidraad bepaling significantie: uitgangspunt is maatwerk indien als gevolg van ingreep toekomstig oppervlakte habitat of leefgebied, aantal van een soort dan wel kwaliteit van habitat lager zal worden dan zoals bedoeld in instandhoudingsdoelstelling, dan kan sprake zijn van significante gevolgen

25 Significante gevolgen (vervolg) Uitzondering: afname is minder dan de minimum-oppervlakte van het habitattype als effect kan worden opgevangen in natuurlijke fluctuaties van veerkracht van gebied in geval van specifieke bijzonderheden en milieukenmerken

26 Significante gevolgen (vervolg) Begintoestand oppervlakte: omvang zoals aanwezig op moment van definitieve aanwijzing soorten: voor soorten is het lastig om de omvang van een populatie vast te stellen; hierbij zijn de fluctuaties groter, begintoestand blijkt uit de instandhoudingsdoelstelling

27 Significante gevolgen (vervolg) bij vogels wordt de 1% norm voor additionele sterfte bij vogels gehanteerd. (1% norm is geaccepteerd door de AbRvS (1 april 2009, nr /1/R2) bij ontbreken van een ander wetenschappelijk criterium afwijken van deze norm is mogelijk: zie AbRvS 30 december 2010, nr /1/R1

28 Bestaand gebruik (art. 19d, derde lid jo art. 1 onder m Nbw 98) wetgever ging ervan uit dat reeds gestarte projecten en andere handelingen niet onder de vergunningplicht vielen in Kokkelvisserij arrest (HvJ 7 september 2004, nr. C-127/02 heeft HvJ EU overwogen dat bestaande projecten wel onder beschermingsregime van de Habitatrichtlijn vallen vergunningplicht van art. 19d Nbw 98 kreeg ruimer toepassingsbereik: zogenaamde 1 april uitspraken (AbRvS 1 april 2009, nr /1/R2, /1/R2 de AbRvS overwoog dat geen rechten ontleend kunnen worden aan een eerder verleende Wm-vergunning of hinderwetvergunning

29 Bestaand gebruik (art. 19d, derde lid jo art. 1 onder m Nbw 98) (vervolg) op 1 februari 2009: tijdelijke uitzondering voor bestaand gebruik in Nbw 98 totdat beheerplan onherroepelijk is bestaand gebruik volgens Nbw 98: alle handelingen die op 1 oktober 2005 werden verricht en sindsdien niet of niet in betekende mate zijn gewijzigd Als gebied op dat moment nog niet aangemeld als SBZ bij de Europese Commissie dan geldt het moment van aanwijzing of aanmelding onder Vogel- en Habitatrichtlijn

30 Bestaand gebruik (art. 19d, derde lid jo art. 1 onder m Nbw 98) (vervolg) met inwerkingtreding van Crisis- en herstelwet op 31 maart 2010 is regime voor bestaand gebruik opnieuw gewijzigd bestaand gebruik is blijvend uitgezonderd van de vergunningplicht geen koppeling vast te stellen beheerplan geen verbod op bestaand gebruik, behoudens indien dat gebruik een project is dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied (...) (art. 19 d lid 3 Nbw 98)

31 Bestaand gebruik (art. 19d, derde lid jo art. 1 onder m Nbw 98) (vervolg) er is ook een specifieke uitzondering voor bestaand gebruik opgenomen in de Nbw 98 met de inwerkingtreding van de C&Hwet voor stikstofveroorzakende activiteiten (zie verder)

32 Bestaand gebruik (art. 19d, derde lid jo art. 1 onder m Nbw 98) (vervolg) Belangrijke uitspraak AbRvS 31 maart 2010, nr /R2 Afdeling lijkt bestaande activiteiten als andere handelingen en niet als projecten te kwalificeren: na wijziging of uitbreiding dient een vergunning voor het gehele bedrijf te worden aangevraagd. De passende beoordeling heeft alleen betrekking op de wijziging of uitbreiding

33 Bestaand gebruik (art. 19d, derde lid jo art. 1 onder m Nbw 98) (vervolg) andere referentiedata lijken bepalend: Afdeling verwijst naar jurisprudentie van het HvJ EU over bestaand gebruik: projecten als voor afloop van de omzettingstermijn toestemming is verleend (10 juni 1994) Afdeling gaat verder: –Habitatgebieden: 7 december 2004 –Vogelrichtlijnen:10 juni 1994 (als het vogelrichtlijngebied later is aangewezen geldt deze datum)

34 Bestaand gebruik (art. 19d, derde lid jo art. 1 onder m Nbw 98) (vervolg) AbRvS 1 september 2010, nr /1/R2 Afdeling verwijst naar uitspraak van 31 maart 2010 onderscheid wordt gemaakt tussen de uitbreiding van de intensieve veehouderij (zijnde een project) en de exploitatie van de intensieve veehouderij (de andere handeling)

35 Bestaand gebruik (art. 19d, derde lid jo art. 1 onder m Nbw 98) (vervolg) vervolgens verwijst Afdeling naar art. 19e Nbw 1998 op grond waarvan het college ook wat betreft de exploitatie (de andere handeling) diende te beoordelen of de gevraagde vergunning kon worden verleend

36 AbRvS 1 december 2010, nr /1/R2 (feitelijk gebruik) beoordeeld wordt of bedrijf op 1 oktober 2005 op de wijze en omvang feitelijk bestond. niet van belang is of de depositie gelijk blijft of afneemt.

37 AbRvS 18 mei 2011, nr /1/R2 1 december 2010 nr /1/R2 (r.o.t.v.) tussen 10 oktober 2005 en datum bestreden besluit waar de samenstelling van de ertsstoffen in de productieproces gewijzigd deze wijziging heeft geleid tot een verhoging van de emissie wijziging valt binnen grenzen vergunning naar het onderdeel van de Afdeling is sprake van wijziging in betekende mate nu bij de beoordeling of een wijziging betekenend is moet worden gekeken naar instandhoudingsdoelstelling.

38 Bestaand gebruik (art. 19d, derde lid jo art. 1 onder m Nbw 98) (vervolg) nulsituatie: bestaand rechtmatig gebruik (dus vergunde situatie) of bestaand feitelijk gebruik? lastig te achterhalen wat de feitelijk situatie op referentiedatum was ziet regeling bestaand gebruik ook op natuurmonumenten? Nee: AbRvS 2 februari 2011, nr /1/T1/R2

39 Cumulatie (zie art 19f: in combinatie met andere projecten) w anneer is een activiteit zodanig voorzienbaar dat de effecten daarvan in het cumulatieonderzoek zouden moeten worden betrokken? AbRvS 9 december 2009, nr /1/R2 en AbRvS 2 maart 2011, nr /1/R2 (r.o. 2.7) In beginsel is de vraag of een Nbw 98 vergunning is verleend bepalend AbRvS 20 januari 2010, nr /1/R2 (ook kijken naar cumulatie als significante effecten van project zelf zijn uitgesloten).

40 Habitattoets bij vaststelling plannen (art. 19j Nbw 98) Vergelijkbaar regime als art. 19d Nbw 98 art. 19 j lid 1 Nbw 98 onderzocht dient te worden of het plan, gelet op de instandhoudingsdoelstelling van het betrokken Natura gebied, de kwaliteit van natuurlijke habitats en habitats van soorten in het Natura 2000-gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het Natura 2000-gebied is aangewezen

41 Habitattoets bij vaststelling plannen (art. 19j Nbw 98) (vervolg) art. 19j lid 2 Nbw 98 onderzocht dient te worden of het voorgenomen plan afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kunnen hebben voor het betreffende Natura 2000-gebied als op voorhand op grond van wetenschappelijke gegevens niet is uitgesloten dat significante gevolgen optreden dan dient een passende beoordeling te worden gemaakt

42 Habitattoets bij vaststelling plannen (art. 19j Nbw 98) (vervolg) als na passende beoordeling verzekerd is dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet worden aangetast dan kan plan na belangenafweging worden vastgesteld als dit niet is verzekerd dan kan het plan worden vastgesteld als wordt voldaan aan zogenaamde ADC-criteria

43 Habitattoets bij vaststelling plannen (art. 19j Nbw 98) (vervolg) referentiesituatie plannen: de bestaande feitelijke situatie geen: niet benutte planologische mogelijkheden (AbRvS 23 augustus 2006, nr /1 (Houtrusthallen, AbRvS 28 februari 2007, nr en AbRvS 26 maart 2009, nr /1) zie over referentiesituatie recent: AbRvS 25 januari 2010, nr /2/R3 (voorzitter) en AbRvS 5 januari 2010, nr /1/R3

44 Habitattoets bij vaststelling plannen (art. 19j Nbw 98) (vervolg) Aan de toets worden onderworpen: de bij recht in het bestemmingsplan toegestane mogelijkheden hetgeen bij uitwerkingsplicht is geregeld hetgeen bij binnenplanse bevoegdheid is geregeld hetgeen bij wijzigingsbevoegdheid is geregeld (AbRvS 7 juli 2010, nr /1/R3 (r.o )

45 Habitattoets bij vaststelling plannen (art. 19j Nbw 98) (vervolg) art. 19 j lid 5 Nbw 98 geen verplichting tot maken passende beoordeling als plan herhaling of voortzetting is van plan of project waarvoor eerder een passende beoordeling is gemaakt (geen nieuwe gegevens en inzichten) (AbRvS 31 januari 2011, nr /1/R1)

46 Habitattoets bij vaststelling plannen (art. 19j Nbw 98) (vervolg) er was reeds een passende beoordeling gemaakt voor de art. 19d Nbw 98 vergunning : nu de passende beoordeling recentelijk is gemaakt, ziet op het project waarvoor ook het onderhavige wijzigingsplan is vastgesteld en niet aannemelijk is gemaakt dat er sprake is van nieuwe gegevens of inzichten, terecht uitgegaan van passende beoordeling

47 Habitattoets bij vaststelling plannen (art. 19j Nbw 98) (vervolg) art. 19j lid 6 Nbw 98 tekst is niet aangepast op Wabo: spreekt nog steeds van overeenkomstige toepassing projectbesluiten vraag: zal hier komen te staan: art. 2.12, derde lid onder C van de Wabo of wordt dit art. geschrapt vanwege aanhaakverplichting 19d aan omgevingsvergunning?

48 Stikstof/art 19 kd Nbw 98 Naast de algemene uitzondering voor bestaand gebruik met de inwerkingtreding van de Crisis- en herstelwet is ook een specifieke uitzondering voor stikstofveroorzakende activiteiten in de Nbw 98 opgenomen Op grond van art. 19 kd Nbw 98 betrekt het bevoegd gezag niet de gevolgen die een handeling kan hebben door het veroorzaken van stikstofdepositie op voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied in de volgende gevallen: a. de handeling is gebruik dat op de referentiedatum werd verricht en is sedertdien niet of niet in betekende mate gewijzigd, en heeft sedertdien per saldo geen toename van stikstofdepositie op de voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied veroorzaakt

49 Stikstof/art 19 kd Nbw 98 (vervolg) b. de handeling is een activiteit die na de referentiedatum is begonnen, of een gebruik dat na de referentiedatum in betekende mate is gewijzigd, waarbij is verzekerd dat, in samenhang met voor die activiteit getroffen maatregelen, de stikstofdepositie getroffen maatregelen, de stikstofdepositie op de voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied als gevolg van die activiteit of dat gebruik per saldo niet is toegenomen of zal afnemen

50 Stikstof/art 19 kd Nbw 98 (vervolg) referentiedatum is 7 december 2004 (beschermingsregime Natura 2000-gebieden is van kracht geworden) of de datum waarop betreffend gebied is aangewezen dan wel, ingeval dit eerder is de datum waarop het desbetreffende gebied door de Europese Commissie tot een gebied van Communautair belang is verklaard vraag: als stikstof het enige relevante effect betreft, heeft de wetgever beoogt dat geen vergunning nodig is?

51 Stikstof/art 19 kd Nbw 98 (vervolg) Regering: in gevallen waarin een beoogde handeling per saldo niet leidt tot een toename van de stikstofdepositie, en er ook geen andere milieuaspecten in het geding zijn, behoeft geen Nbw 98 vergunning te worden aangevraagd Zie evenwel een tweetal voorzittersuitspraken (Vz AbRvS 22 juli 2010, /2/R2 en Vz AbRvS 26 juli 2010, /2/R2. De voorzitter gaat ervan uit dat nog altijd sprake is van een vergunningplicht

52 Stikstof/art 19 kd Nbw 98 (vervolg) vraag: geldt art. 19 kd Nbw 98 ook voor art. 19j Nbw 98 (plannen)? art. 19 kd Nbw 98 biedt geen expliciete basis voor salderen in het kader van de plantoets ex art. 19 j Nbw 1998 zie ook de uitspraken van de AbRvS van 20 januari 2011, nr /2/R1 en 21 december 2010, nr /3/R2 waarin Afdeling tot oordeel komt dat art. 19 kd niet van toepassing wordt geacht op plannen als bedoeld in art. 19j van de Nbw 98

53 Stikstof/art 19 kd Nbw 98 (vervolg) 22 wél kan worden gesteld dat saldering altijd al tot de mogelijkheden behoorde (zie uitspraak van AbRvS van 25 augustus 2010 (nr /1/R2) en van 1 december 2010 (nr /1/R1) zie ook uitspraak van de AbRvS van 16 maart 2011, nr /1/R2. Deze uitspraak gaat weliswaar over een Nbw 98 vergunning: echter vindt saldering niet plaats op basis van art. 19kd Nbw 98 bevestigd in AbRvS 23 maart 2011, nr /1/R3

54 Stikstof/art 19 kd Nbw 98 (vervolg) vraag: saldering is mitigerende maatregel? Afdeling is in genoemde uitspraak van 16 maart 2011 van oordeel dat GS saldering heeft mogen aanmerken als mitigerende maatregel deze maatregel mocht dus in de passende beoordeling worden betrokken (maar niet in de eventuele voortoets)

55 Stikstof/art 19 kd Nbw 98 (vervolg) vraag: betekent dit dat saldering dus geen onderdeel uitmaakt van het project zelf? vergelijk ook genoemde uitspraak van de AbRvS van 25 augustus 2010 het gaat om een bestemmingsplan waarbij interne saldering wordt toegepast waarbij geen passende beoordeling is opgesteld

56 Actuele uitspraken stikstofdepositie (redeneerlijnen) recente uitspraken van de Afdeling waaruit blijkt dat niet iedere stikstof-bijdrage significante effecten hoeft te hebben voor op enige afstand gelegen overbelaste Natura 2000-gebieden AbRvS 19 januari 2011, nr /R2 (Zutphen-Eefde) provinciaal inpassingsplan Rondweg N348: verslechtering zowel ten opzichte van bestaande als van autonome situatie. Deze verslechtering is zodanig gering dat die niet significant is

57 Actuele uitspraken stikstofdepositie (redeneerlijnen) (vervolg) AbRvS 15 december 2010, nr /1/R3 In deze uitspraak, handelend over bplan m.b.t. bedrijventerrein Kop van Broeklanden wordt het volgende door de AbRvS overwogen: “ Gelet op de afstanden van het in Duitsland gelegen, op grond van de habitatrichtlijn beschermde natuurgebied Itterbecker Heide op ongeveer negen km tot Kop van Broeklanden en Broeklanden-Zuid en op de ligging van de Natura-2000-gebieden Vecht en Beneden- Reggebied en Engbertdijksvenen op een afstand van meer dan vier kilometer, vormt de ligging van deze gebieden geen omstandigheid die leidt tot het oordeel dat ook bij het niet overschrijden van de drempelwaarde tot een m.e.r. beoordeling had moeten worden gemaakt.”

58 Actuele uitspraken stikstofdepositie (redeneerlijnen) (vervolg) AbRvS 29 december 2010, nr /1/M2 In deze uitspraak oordeelt de Afdeling over een Wm revisievergunning die voorziet in een uitbreiding van een vleesvarkensinrichting. De vergunning maakt het mogelijk dat vleesvarkens meer worden gehouden: “Het meest nabij gelegen natuurgebied als bedoeld in artikel 4 van de Wet ammoniak en veehouderij en de richting 92/43 EEG (Habitatrichtlijn), namelijk “Sarven en De Banen, is gelegen op een afstand van ongeveer 800 meter van de inrichting. Het college heeft zich op het punt kunnen stellen dat, gezien deze afstand en de omvang van de ammoniakemissie, zich geen significante gevolgen op dit gebied voordoen.”

59 Actuele uitspraken stikstofdepositie (redeneerlijnen) (vervolg) Uit deze overweging blijkt niet wat de exacte omvang van de ammoniakemissie is. Uit het concept Beheerplan blijkt in ieder geval dat er aantal voor stikstof gevoelige habitattypen aanwezig is die een kritische depositiewaarde van 410 mol/ha/jr hebben. De achtergronddepositie ligt op 3200 mol (een sterk overbelaste situatie dus)

60 Actuele uitspraken stikstofdepositie (redeneerlijnen) (vervolg) uitspraken AbRvS van 21 april 2010, nrs /1/R3, /1/R1 en /1/R2: stikstofbijdragen van grote intensieve veehouderijen kunnen ook op een afstand van meer dan 3 kilometer worden berekend uit bovengenoemde uitspraken kan worden afgeleid dat het kennelijk niet zo is dat wanneer iets berekend kan worden er daarmee ook sprake is van een aantoonbaar effect

61 Actuele uitspraken stikstofdepositie (redeneerlijnen) (vervolg) redeneerlijn (nog geen uitspraak): dalende lijn van de depositie tengevolge van verkeer leidt tot conclusie dat er bij een zeer geringe toename van de activiteit (1,4 mol/ha/jr) geen sprake is van een nadelig significant effect waarbij van belang is dat de autonome situatie en bijdrage door het project tot een lagere concentratie leidt dan de huidige achtergrondconcentratie (tracébesluit A4)

62 HARTELIJK DANK VOOR UW AANDACHT

63 Contactgegevens: mr. S.P.M. Schaap KienhuisHoving N.V. Postbus AC ENSCHEDE Tel. nr


Download ppt "Workshop “Actualiteiten Natuurbeschermingsrecht” mr. Susan Schaap."

Verwante presentaties


Ads door Google