De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

Week 3:Taal en cognitieve ontwikkeling Voor we beginnen: zijn er nog vragen over de vorige les? Voorbeeld wederzijdse beinvloeding brein en omgeving

Verwante presentaties


Presentatie over: "Week 3:Taal en cognitieve ontwikkeling Voor we beginnen: zijn er nog vragen over de vorige les? Voorbeeld wederzijdse beinvloeding brein en omgeving"— Transcript van de presentatie:

1 Week 3:Taal en cognitieve ontwikkeling Voor we beginnen: zijn er nog vragen over de vorige les? Voorbeeld wederzijdse beinvloeding brein en omgeving vrouwelijk-brein.html vrouwelijk-brein.html

2 Welke vragen hebben jullie meegenomen? Speeddate Groepjes van drie Vragen bekijken en elkaar uitleggen. Maximaal 15 minuten

3 Hoofdstuk 5 De taal Ook bij de taalontwikkeling worden verschillende perioden onderscheiden Hoe kan taalontwikkeling verklaard en begrepen worden? Nature of nurture? Wat is het verband met cognitieve ontwikkeling?

4 Taalverwervingsvoorwaarden ‘normale’, ‘gezonde’ hersenontwikkeling Gehoor Taalomgeving, interactie met volwassenen, feedback Een baby heeft een aangeboren interesse voor de menselijke stem Babytaal: bedoeld om respons bij een kind te ontlokken Herhaling in grammaticaal juiste vorm

5 Kenmerken van taalontwikkeling Fonologisch - klank Semantisch - inhoud Syntactisch - grammatica Pragmatisch – sociaal aspect, afstemming

6 Vier perioden Pre linguaal 0-1 jaar Vroeg linguaal 1-2 jaar Differentiatieperiode 2- 5 jaar schooljaren

7 Taalontwikkeling Kenmerken 1. Prelinguale periode 0-1 jaar Eerste weken: aandacht menselijke stem, onderscheid fonemen, vocaliseren Half jaar: brabbelen, intonatie, beurt nemen 8 maanden: gebaren maken (reiken, aanwijzen, presenteren), passief begrip korte zinnetjes 2. Vroeglinguale periode 1-2 ½ jaar Eerste woord, eenwoordzin, woordcombinaties 18 maanden: woordenschat circa 50, met 2 jaar woordenschat circa 270; over- en onderextensie 3. Differentiatieperiode 2 ½ - 5 jaar Woordverbuigingen, zinsverbuigingen 3 ½ jaar: woordenschat circa 1200; overregularisatie, pragmatisch gebruik van de taal 4. Taalontwikkeling 5-12 jaar Uitbreiding begrippenkennis (cognitief), Basisschoolperiode metalinguïstisch bewustzijn, invloed van het lezen (uitbreiding woordenschat)

8 Pre linguale periode Taalontwikkeling begint met luisteren Aangeboren vermogen tot onderscheiden van klanken Vocaliseren Brabbelen: combinaties en intonatie: invloed van de omgeving op verbale communicatie Beurt nemen Passief taalbegrip komt voor actief taalgebruik

9 Vroeg linguale periode Het eerste woord: een herkenbaar persoon of voorwerp, consequent hetzelfde woord Favoriet: woorden uit de directe omgeving Classificeren van objecten, herkennen op plaatjes Overextensie: alle dieren op 4 poten heten poes Onderextensie: allen de eigen rode kater is een poes Gemiddeld steeds meer woorden, in telegramstijl gezegd

10 Differentiatie periode Volgorde, intonatie, combinaties, woordvervoegingen, verkleinwoorden enz Overregulatie: consequente fouten: de veelste appels, ik loopte Het pragmatisch aspect wordt belangrijker Fouten bij anderen verbeteren

11 schoolperiode samengaan van semantische aspect met cognitieve ontwikkeling: om een voorzetsel te kunnen gebruiken moet een kind zich kunnen oriënteren op de ruimte Meta-linguistisch bewustzijn Schriftelijke taalverwerving Jonge kinderen pakken een tweede, nieuwe taal meestal snel op,, mits ze er voldoende mee in aanraking komen

12 3 invalshoeken om de taalontwikkeling te verklaren Leerpsychologie: imitatie en belonen zijn belangrijk Chomsky - Aangeboren taal vermogen: kindertaal is te oorspronkelijk om alleen met imitatie te kunnen leren. Gevoelige periode. Piaget – semantisch aspect van taal: betekenis en inhoud.

13 Hoofdstuk 6 : het denken Denken is een lastig te omschrijven proces: heeft te maken met ordenen, problemen oplossen, redeneren, onthouden. Piaget ging er vanuit dat de ontwikkeling van het denken volgens duidelijk te onderscheiden stadia verloopt. Kinderen zijn volgens hem actieve onderzoekers die door interactie met hun omgeving een eigen beeld van de werkelijkheid construeren. Pas door eigen ervaring en ontdekking ontstaat kennis en inzicht. Assimilatie en accomodatie zie ook hfst 2

14 Stadia van cognitieve ontwikkeling volgens Piaget Senso motorische stadium Pre operationele stadium Concreet operationele stadium Formeel operationele stadium

15 Senso motorisch stadium van reflex naar reflectief Denken is doen Overgang naar pre operationeel – mentale representaties, symboolgebruik Taal, fantasiespel, indirecte imitatie, intelligent handelen, object permanentie Inzicht dat de omgeving niet alleen blijvend, maar ook onafhankelijk is van het eigen ik Hechting

16 Pre operationeel stadium Gedurende deze periode: afnemend ego centrisme Centrisme : peuters en kleuters letten op de toestand en niet op het proces

17 Concreet Operationele fase Realistische, concreet voorstelbare situaties Toenemend vermogen tot representatie Gedachtehandeling: probleemoplossend vermogen wordt groter. Reversibiliteit en organisatie

18 Formeel operationele fase Abstract denken, los van de concrete inhoud. Logisch redeneren Hypothetisch deductief denken

19 Vygotsky Piaget zag ontwikkeling als een op zichzelf staand proces (nature) Vygotsky benadrukte de interactie met anderen bij dit proces ( nurture) Zone van naaste ontwikkeling Sterke relatie tussen taal en denken Belang van het geheugen ( capaciteit, strategie, algemene kennis) Selectie, strategieën, generalisatie, automatisering

20 Informatieverwerking verloopt volgens 3 onderscheiden processen: - Opnemen - Opslaan - Terugzoeken Binnenkomende informatie passeert verschillende stations en ondergaat daar uiteenlopende bewerkingen. - Het eerste station, het sensorisch register, te vergelijken met een centrale meldkamer, vangt grote hoeveelheden informatie voor zeer korte tijd op. - Door het filtermechanisme, dat we aandacht noemen, komt slechts een heel klein deel van deze informatie in het tweede station, het kortetermijngeheugen (KTG)/werkgeheugen terecht. Het werkgeheugen kan slechts voor korte tijd een beperkte hoeveelheid informatie opnemen. Het is stevens het station waar bewerking van de informatie mogelijk is. - Om te voorkomen dat de al of niet bewerkte informatie weer verdwijnt, wordt het opgeslagen in het langetermijngeheugen (LTG), het derde station. Deze informatie kan op een later tijdstip weer teruggehaald worden naar het werkgeheugen en gecombineerd met nieuwe informatie uit het sensorisch register.

21 Informatie verwerken: dit schema wordt niet getoetst

22 Aandacht en geheugen Jonge kinderen hebben korte aandachtsboog Reproduceren en herkennen van opgeslagen informatie Werking van het korte en lange termijn geheugen werpt nieuw licht op de verschillen in probleemoplossend vermogen van het jonge en het oudere kind.

23 Intelligentie, verschillen tussen kinderen Aandacht voor achterblijvend ontwikkeling Maar ook voor het hoogbegaafde kind Opdracht voor volgende keer: neem een casus mee, een beschrijving van een situatie op je werk waarin je een deel van de theorie herkent/ illustreert. Neem het mee op papier.


Download ppt "Week 3:Taal en cognitieve ontwikkeling Voor we beginnen: zijn er nog vragen over de vorige les? Voorbeeld wederzijdse beinvloeding brein en omgeving"

Verwante presentaties


Ads door Google