De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

Inleiding onderzoeksleer Helleke Hendriks docent werktuigbouwkunde voormalig productonderzoeker bij Consumentenbond.

Verwante presentaties


Presentatie over: "Inleiding onderzoeksleer Helleke Hendriks docent werktuigbouwkunde voormalig productonderzoeker bij Consumentenbond."— Transcript van de presentatie:

1 Inleiding onderzoeksleer Helleke Hendriks docent werktuigbouwkunde voormalig productonderzoeker bij Consumentenbond

2 Meten is weten n maar….

3 Meten is weten n maar….dan moet je wel weten: - wat je precies wilt weten - en hoe je dat kunt meten - En hoe je hetgene wat je meet omzet in hetgene wat je wilt weten

4 Wat betekent onderzoek? ‘Iets wat mensen ondernemen om iets op een systematische manier uit te zoeken, waardoor hun kennis toeneemt’ Saunders et al. (2011) Kenmerken: n Gegevens worden systematisch verzameld n Gegevens worden systematisch geïnterpreteerd n Het doel is om iets te ontdekken Methoden en technieken van onderzoek, 5e editie, Mark Saunders, Philip Lewis, Adrian Thornhill, Marije Booij en Jan Pieter Verckens

5 Wat maakt iemand een goede onderzoeker?

6 - !!! Houding: Kritisch, nieuwsgierig, logisch en methodisch werken !!! - Kennis : vakkennis, onderzoekskennis, zelfkennis - Je hoeft niet alles te weten, maar: - Je moet wel weten wat je niet weet!

7 Fasen Onderzoeksopzet/onderzoeksplan 1. Formuleren doel van onderzoek 2. Probleemdefinitie/probleemstelling: precies geformuleerde vraag 3. (daarvoor is het vaak nodig kennis te verzamelen) 4. Kiezen van werkwijze/ soort onderzoek 5. Operationaliseren van je variabelen en onderzoeksopstelling Meten 6. Verzamelen data Analyseren 7. Data analyse Concluderen 8. Interpretatie en conclusies

8 Doel van het onderzoek n Wat wil je met de resultaten bereiken/ wat is de functie van je onderzoek?

9 Probleemstelling n Een probleemstelling is een vraag! n Bevat alle belangrijke begrippen/variabelen n Is volledig! n Samenhang met het doel: wat wil je bereiken n Kan worden uitgesplitst in (gestructureerde) deelvragen n De vraag moet volledig met de verzamelde gegevens beantwoord kunnen worden n Probleemstelling bepaalt in hoge mate welk type onderzoek wordt gekozen

10 Komende week: maak een onderzoeksopzet/-plan Geeft antwoord op vragen: “wat wil je weten”, “waarom wil ik dat weten”,”hoe kom ik dat te weten” Beschrijf in je plan n doel van het onderzoek n de probleemstelling n welke kennis je nog nodig hebt en waarom n de onderzoeksmethode n de variabelen die je wilt onderzoeken/ hoe je ze wilt operationaliseren n De meetopstelling Mailen uiterlijk donderdag uur

11 Gebruik waar nodig kennis van internet of uit boeken Beoordeel bronnen kritisch! Let wel: Onderzoeksmethodologie gaat vaak over: - Theoretisch wetenschappelijk onderzoek - Vaak sociaal-wetenschappelijk onderzoek Weinig informatie beschikbaar over praktisch/toegepast technisch onderzoek Maar: ook toegepast onderzoek moet (zo veel mogelijk) wetenschappelijk verantwoord worden aangepast

12 Doel v/h maken onderzoeksopzet n Je ideeën gestructureerd organiseren en uitwerken n Realiseren waar je allemaal op moet letten/wat je uit moet zoeken n De lezer meenemen/overtuigen

13 Onderzoeksmethoden Een voorbeeld Bron:

14 Een voorbeeld Stel: we willen weten hoe dik de HU-student is Hoe zou je dat kunnen aanpakken?

15 Verschillende vormen van onderzoek en diverse indelingen Een aantal veel voorkomende: n Experimenteel onderzoek- theoretisch n Survey onderzoek- toegepast/praktijkgericht n Literatuuronderzoek - Kwantitatief- explorerend - Kwalitatief- toetsend - - vergelijkend - etc.

16 Experimenteel onderzoek Manipulatie van de werkelijkheid Onderzoeker in staat om onder gecontroleerde omstandigheden waarnemingen te doen Vaak gericht op het bevestigen of verwerpen van hypothesen

17 Survey onderzoek Kenmerkend voor een survey is dat de gegevens worden verzameld bij een steekproef uit de te onderzoeken groep Vaak grootschalige gegevensverzameling Meestal geen gecontroleerde omstandigheden

18 Literatuuronderzoek n Vaak basis voor iedere andere vorm van onderzoek n Nagaan wat de huidige kennis op dit gebied al is

19 Generaliseerbaarheid Wat is dat?

20 Generaliseerbaarheid n Generaliseerbaarheid zegt iets over of de conclusie over de steekproef ook geldig is voor de populatie waaruit de steekproef afkomstig is. n Afhankelijk van manier van steekproef trekken n Afhankelijk van de grootte van de steekproef n Generaliseerbaarheid wordt ook wel externe validiteit genoemd

21 Bias Diverse vormen, veel voorkomend (vooral bij surveys): n Selectie bias: een bepaald deel van de populatie heeft meer kans om opgenomen te worden in de steekproef n Respons bias: diverse vormen, bijv. sociaal wenselijke antwoorden n Non-respons bias: de groep die wel/niet deelneemt aan je onderzoek, beinvloedt de uitkomst

22 Operationaliseren n Ook wel operationele definitie genoemd n Je werkt je begrippen uit tot meetbare variabelen/handelingen die de onderzoeker moet doen om de variabele te meten n Soms eenvoudig, denk aan de operationele definitie van het begrip “temperatuur van het lichaam” n Soms veel lastiger, denk aan de operationele definitie van bijv. “bruikbaarheid van een product”

23 Nog een voorbeeld Stel: we willen weten welke stofzuiger het best zuigt Hoe zou je dat kunnen aanpakken?

24 Een paar belangrijke begrippen n Validiteit: Geldigheid = werkelijk meten wat je bedoelt te meten. Betreft verschil tussen de variabele-zoals-bedoeld en de variabele-zoals-gemeten Verstoring door structurele fouten n Betrouwbaarheid: Herhaalde metingen van een object in dezelfde toestand moet steeds dezelfde meetwaarde opleveren. Verstoring door toevallige fouten

25 Validiteit en betrouwbaarheid n X o = X w + X s + X t X o = gemeten waarde (bijv. Je gemeten gewicht) X w = werkelijke waarde (bijv. je echte gewicht) X s = systematische fout (bijv.: je hebt nog kleding en schoenen aan, de weegschaal heeft een structurele afwijking) X t = toevallige fout (de weegschaal geeft de ene keer het ene aan, de andere keer het andere, zonder dat je de overige condities verandert)

26 Toevallige meetfouten gaan dan weer de ene, dan weer de andere kant op zijn min of meer het resultaat van het toeval zitten als ‘ruis’ in meetgegevens besloten benadelen de betrouwbaarheid van een meting zijn (zo goed als) altijd aanwezig heffen elkaar gemiddeld op: over veel objecten is hun gemiddelde nul

27 Systematische meetfouten Systematische meetfouten: zijn fouten in dezelfde richting heffen elkaar niet op hoeven niet aanwezig te zijn tasten niet de betrouwbaarheid aan verminderen wel de geldigheid (= validiteit) van de meting

28 28 Niet betrouwbaar, Niet valide Hoge betrouwbaarheid Niet valide Betrouwbaarheid & valide

29 Betrouwbaarheid is een voorwaarde voor validiteit Validiteit hangt af van de gekozen operationalisatie

30 Meetinstrumenten -validiteit: meet het instrument wat je wil meten? -Betrouwbaarheid: is de date reproduceerbaar met hetzelfde meetinstrument? -Zijn er standaard proefopstellingen/tests etc. of moet je zelf ontwikkelen?

31 Volgende week n Volgende week: n Causaliteit n Meetschalen n Bespreking van 1 e informatie uit jullie onderzoeksopzet


Download ppt "Inleiding onderzoeksleer Helleke Hendriks docent werktuigbouwkunde voormalig productonderzoeker bij Consumentenbond."

Verwante presentaties


Ads door Google