De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

Communicatie-realisme kan je bevorderen door : Ik geef de andere precieze en duidelijke informatie.

Verwante presentaties


Presentatie over: "Communicatie-realisme kan je bevorderen door : Ik geef de andere precieze en duidelijke informatie."— Transcript van de presentatie:

1

2 Communicatie-realisme kan je bevorderen door :

3 Ik geef de andere precieze en duidelijke informatie.

4 In gesprek de hele werkelijkheid met plus- en minuszijden aan bod laten komen.

5 In gesprek uitgaan van de situatie zoals ze is en niet zoals je ze zou wensen.

6 Te weinig (of te veel) ingaan op de feitelijke kant en te veel (of te weinig) ingaan op de ervaringskant in functies van de behoeften van jezelf (of de ander).

7 In gesprek de voorkeur geven aan 'extensionaliteit', dit is geneigd zijn eerst te kijken en dan te praten.

8 Meer 'extensioneel' dan 'intensioneel' georiënteerd zijn, dit is meer begaan zijn met de levensfeiten buitenuit dan met gevoelens, gedachten, veronderstellingen, over- tuigingen, theorieën, etc. erover binnenin.

9 Meer 'extensioneel' dan 'intensioneel' ingesteld zijn, dit is meer vooraf het gebied verkennen en dit overeenstemmend in kaart brengen dan opgeslorpt geraken door de weergaven en het gebied verwaarlozen.

10 Niet te snel en te veel denken en veronderstellen, de voorkeur geven aan eens gaan kijken en gaan praten.

11 Drempels en weerstanden wegnemen, er geen toevoegen.

12 In gesprek dichter bij zichzelf en de ander trachten te komen.

13 De neiging om veel te denken en 'helderziende' te zijn op basis van wat je voelt of ziet en niet (meer) te praten, inruilen voor eerst te praten en dan te denken en 'helderwetende' te worden.

14 Op een open wijze in gesprek kijken naar je en elkaars ideeën, verwachtingen, gevoelens, fantasieën, oordelen, verbanden, vragen.

15 In gesprek prefereren niet theoretisch in het algemeen op situaties vooruit te lopen en ze globaal te benaderen, maar ze concreet afwachten en zich van daaruit praktisch oriënteren op basis van een stap voor stap beoordeling.

16 In gesprek onderkennen of je samendenken over vooruitloopt op de realiteit (illusies) of omgekeerd de realiteit vooruitloopt op je samendenken over (fixatie).

17 In gesprek onderkennen of je samendenken over achterloopt op de realiteit (dogma) of omgekeerd de realiteit achterblijft bij je samendenken over (traditie).

18 Door steeds in het verleden te kijken en gevolgtrekkingen te maken vanuit opgemerkte wetmatigheden of door steeds in de toekomst te kijken en voorspellingen te maken vanuit opgemerkte verwachtingen, geen oog, instroom, tijd, energie voor het nu en verandering toelaten.

19 De dubbele negativiteit tegenover hoe iets is onderkennen : van concrete verwachtingen hoe het zou moeten zijn en van concrete verwachtingen hoe het weer zal zijn.

20 Interne en externe aanpassingen en veranderingen gelijke tred laten houden.

21 Het innerlijk veranderingsproces en de uiterlijke veranderingen op elkaar weten afstemmen en laten inwerken.

22 Crisissen niet ontlopen maar opvatten als kansen om dichter bij realiteiten te komen of om aan realiteiten te werken.

23 In gesprek een overeenstemming betrachten tussen de mentale (her)ordening en de realiteits(her)ordening.

24 Nagaan of de begripsinvulling en gedragsinvulling van jezelf je helpen of jij je begripsinvulling of gedragsinvulling van jezelf helpt (ik ben zo...sociaal, vriendelijk, dynamisch..., ik doe zo...behulpzaam, luisterbereid, actief...).

25 Nagaan of de begripsinvulling en gedragsinvulling van jezelf je helpen in welke situaties op welke momenten en of deze hier nu aan te treffen zijn.

26 Het oordeel over jezelf, de ander, je leven en je relatie niet gebruiken om je ervaringen aan vast te knopen en in te passen, maar je ervaringen gebruiken om je oordeel aan vast te knopen en in te passen.

27 Er in gesprek rekening mee houden dat je ongenuanceerd (voor)oordeel vaak zijn oorsprong en zijn voorbestaan vindt in een niet-bekend of niet- vertrouwd zijn met de realiteit.

28 Je uitdeinende gedachten en gevoelens begrenzen door exacte en precieze informatie.

29 In gesprek de eigen begrenzingen van je waarnemingen en je weergaven onderkennen en onder ogen zien dat de realiteit meer omvattend is.

30 In gesprek niet zomaar aannemen, maar nagaan hoe en aan wat je merkt of wat je denkt overeenstemt met de werkelijkheid.

31 Het eventueel rudimentair, oppervlakkig, algemeen, weinig precies, weinig uitgediept zijn, beperkt en begrensd zijn van wat je als beeld over iets of iemand hebt onder ogen weten zien en hiermee rekening houden in je reactie.

32 Onderkennen dat verwoordingen meestal in termen van tegenstellingen gebeuren, terwijl de realiteit zich er vaak tussenin bevindt.

33 In gesprek hinderende schermen en be-scherm-ingen wegnemen om de realiteiten te bereiken.

34 Eerder dan 'of'-termen aan te wenden die ertoe aanzet de werkelijkheid te verdelen in onderdelen en keuzen de voorkeur geven aan 'en'-termen die de werkelijkheid samenbrengt in gehelen en eenheid.

35 In gesprek alles wegnemen wat je hindert of belet realiteiten te zien en objectieven erin vooruit te zien.

36 Wat je dwars zit in de realiteit, in de eigen voorstelling en/of die van de ander(en) weten achterhalen.

37 Nagaan of het verleden je hindert of helpt om het heden te ervaren.

38 Nagaan of het verleden je dichter bij jezelf brengt door aandacht ervoor of van jezelf verwijdert door ontkennen of niet kunnen loslaten ervan.

39 Attent op zijn of je door je gevoelens de realiteit en elkaar ziet (verhoopt, vreest, verlangt, begeert,...) en niet zoals de werkelijkheid is.

40 In gesprekken zoeken naar realiteiten, ze niet construeren.

41 De realiteit niet mooier of slechter voorstellen dan ze is.

42 Je eerder informeren dan vanuit vooronderstellingen, vooroordelen, voorvoelen een geheel van gedachtenconstructies te maken waarin je stilaan verstrikt raakt.

43 Zo door je gedachtenconstructies opgeslorpt worden dat je tijd, aandacht en energie ontbreken om met de realiteit bezig te zijn.

44 In gesprek oog hebben voor onveranderbare feitelijke realiteiten en veranderbare persoonlijke manieren ze op te vatten.

45 Er in gesprek attent op zijn dat je manier van ervaren, van denken, van voorstellen, van voelen, van verwoorden, van verhouden, van zijn, van interactie (kader, invalshoek, perspectief, oriëntatie,...) bepaalt wat de realiteit voor je is.

46 Attent zijn op je gedachtenvolgorde als de opeenvolgende gedachten waaraan je iets koppelt ((on)gunstig, (on)aanvaardbaar, (on)verzoenbaar, (on)kans, (on)waarschijnlijk,...).

47 In gesprek nagaan iets aan een problematische situatie te kunnen veranderen en zoniet, nagaan of iets aan jezelf veranderen uitkomst kan bieden: door er anders tegenaan te kijken, je gevoelens er tegenover te veranderen of er anders mee om te gaan.

48 In gesprek nagaan of je manier van gezamenlijk oproepen van negatief herinneringsfalen, je gemeenschappelijk beluisteren van negatieve gedachteninstructies, het samen bekijken van negatieve voorstellingen,

49 het gezamenlijk voelen van negatieve mentale spanningen en lichamelijke sensaties niet kan omgebogen worden naar een manier van gezamenlijke positief putten uit, instrueren, voorstellen en voorvoelen met een andere inhoud tot gevolg.

50 Nagaan je negatieve, twijfel- en kritische vragen over elkaar, je relatie en jezelf met een verzwakkende invloed niet kunnen ingeruild voor positieve, vertrouwvolle en bevestigende vragen met een versterkende invloed.

51 Nagaan of je verzwakkende vragen over het tegenvallend verleden en de onzekere toekomst niet kunnen ingeruild voor een versterkend vragen naar een kansen aangrijpend heden.

52 Er vanuit gaan dat een situatie of gebeuren nooit helemaal negatief of teleurstel lend is en door de balans op te maken van wat positief is en wat negatief een aantal negatieve elementen in positieve veranderen en zo je tijd nemen stilaan in meer positieve richting te evolueren.

53 Negatieve voorstellingen over jezelf en de ander nuanceren door alle elementen en ervaringen die de voorstellingen weerleggen naast deze die ze bevestigen te plaatsen.

54 Er attent op zijn dat beelden op basis van situatie-ervaren of gedragsgebeuren steeds bekleed zijn met meerdere valenties : een emotionele (onlustvol, lustvol), een oordeels (betekenis-of waardeloos, betekenis- of waardevolg) en een dynamische valentie (zinloos, zinvol) die erg gedrags- en omgangsbeïnvloedend zijn en omgekeerd.

55 Het beeld van wie de andere werkelijk is en van voor wie de ander doorgaat vanuit je geprojecteerde verlangens en gevoelens met elkaar in overeenstemming brengen.

56 Er attent op zijn in gesprek dat wij het zijn die veelal hiërarchische indelingen en afgrenzingen maken en niet de realiteit.

57 Vanuit het onderkennen dat er in de realiteit ordening en krachten zijn, maar geen territoria en macht, nagaan of een probleemoplossing vergemakkelijkt door dichter bij de realiteit te blijven.

58 Door een realiteit te ontkennen er rekening mee houden dat ze mentaal en communicatief een grote plaats kan innemen om ze niet te moeten ontmoeten.

59 Problemen niet verdoezelen, ze ook niet als onoverkomelijk beschouwen.

60 Eerder dan steeds verder van een probleem weg te lopen en te vluchten in nepoplossingen, terugkeren naar waar het probleem ontstond en de draad terug heropnemen om een echte oplossing te vinden.

61 Er vanuit gaan dat alles zijn schaduwkanten heeft en daar oog voor hebben, ze naar voor te halen om ze af te wegen.

62 In gesprek niet zozeer willen zoeken naar wie gelijk heeft, de waarheid spreekt, het juist voor heeft, het precies weet en wie ongelijk heeft, onware dingen zegt die niet juist zijn of niet exact,

63 maar kunnen onderkennen dat elk een eigen visie heeft, een eigen waarheid, een eigen zin en betekenis aan iets geeft naargelang de eigen situatie, het kader en de invalshoek van waaruit en

64 de specifieke manier waarop men de gemeenschappelijke werkelijkheid opvat en ervaart die tegelijk meer en minder biedt dan de werkelijkheid zelf.

65 Er attent op zijn of er overeenstemming is tussen wat je meent te zeggen en wat je feitelijk zegt en dit zo mogelijk navragen.

66 Er attent op zijn of er overeenstemming is tussen wat je meent dat er gezegd wordt en wat je feitelijk hoort zeggen en dit zo mogelijk navragen.

67 In gesprek zich er van bewust zijn vaak gelijkenissen te zien door verschillen over het hoofd te zien (personen, kleuren, reacties,...).

68 Ik herleid de andere niet tot wat deze uitdrukt.

69 Er rekening mee houden gemakkelijker vanuit een (gekend, zwakste,...) deel het geheel in te schatten dan vanuit het geheel een deel.

70 Nagaan of we met wat we zeggen hetzelfde deel van de realiteit bedoelen.

71 In gesprek door de naar voor getreden verschillen met de ander de eigenheid van je zienswijze, je gevoelens, je behoeften en je verlangens leren onderkennen en leren situeren.

72 In gesprek letten we op de eigen manier van aanvoelen en met de dingen omgaan die verband houden met de fysische (leeftijd, geslacht,...) en sociale (afkomst, leefsituatie) identiteit van elk.

73 Door stil te staan bij iets en er niets rond te willen de realiteit tot je laten doordringen en dichterbij halen.

74 Onderkennen dat de wijze waarop iemand de dingen ziet en er zich tot verhoudt mogelijk verband houden met diens ervaren afstand in tijd, energie, middelen en betrokkenheid tegenover deze dingen.

75 Ik laat het beeld van mezelf en mijn ervaren dat ik tot expressie breng zo goed mogelijk aansluiten met de realiteit van mezelf en mijn ervaren.

76 Onderkennen dat automatische opkomende gedachten die niet samenhangen met de huidige reële situatie (onzeker over handelen, over reactie, over samenspel,...) mogelijk terug te voeren zijn tot achterliggende synthese-gedachten die samen- hingen met vroegere situaties (onzeker over mezelf, over de ander, over relatie,...).

77 In gesprek gegroeide synthese- gedachten (onderbewust) en moment- en situatie- gebonden basis-denken (bewust) over je, de ander, je relatie en wat je omringt naast elkaar en samen weten hanteren.

78 Door (op moeilijke momenten) stil te staan bij je te verwachten synthese-ervarin- gen en - beelden en gewoonte opneem-, verwerkings- en reactiepatronen (ik weet dat...) en door het niet reële, niet noodzakelijke, niet wenselijke erin te onderkennen, zo verkieslijk een kans weten geven aan nieuwe basis- ervaringen en reacties.

79 In gesprek attent zijn op de wederzijdse beïnvloeding van je denk- en gedragscultuur.

80 In gesprek de zichtbaarheid en de doorzichtigheid voor elkaar vergroten.

81 In gesprek nagaan of de voorstelling die we hebben van de werkelijkheid en wat erin zou kunnen gebeuren reëel is.

82 Reële gelijkenissen en verschillen in gesprek onderkennen.

83 Ik praat met de andere in de eerste plaats over feiten en niet over meningen.

84 We weten de nuchtere feiten te scheiden van erdoor opgewekte gevoelens.

85 Uitgaan van de realiteitskant om je gevoelens over iets te beschrijven eerder dan uit te gaan van de gevoelskant om de realiteit te beschrijven.

86 Weten een onderscheid te maken tussen emoties verbonden aan realiteiten en emoties verbonden aan de beschrijving van deze realiteiten.

87 Aandacht geven of je reageert op het aangekaarte probleem of enkel op de gevoelens die er rond hangen of reageert op beide.

88 In gesprekken er rekening mee houden dat ieder de werkelijkheid anders waarneemt, aanvoelt en er over denkt.

89 Zo verkieslijk een gesprek oriënteren op de realiteit eerder dan op eerdere gesprekken, gespreksuitingen en -gegevens.

90 Je samen terug in de realiteit plaatsen zo het op mentaal gespreksvlak fout loopt (van juist, gelijk, precies, beter,...hebben naar zijn).

91 In de realiteit stappen, je geest is er om je te helpen niet om je het moeilijk te maken.

92 Zo je in het mentale plaatsen om samen iets te initiëren en wachten tot de realiteit komt niet lukt, je in de realiteit plaatsen om samen iets te initiëren en wachten tot het mentale komt.

93 Ik verkies in een gesprek me zo nodig eerder zorgen te maken over realiteiten dan over de inschatting van deze realiteiten.

94 Nagaan wat je in gesprek doet gericht is op een betere beeldvorming en/of op een betere realiteit.

95 Er attent op zijn dat het meestal niet een gebeuren is in de realiteit dat spanning oproept maar de wijze waarop het wordt opgevat afhankelijk van hoe je denkt ermee om te kunnen gaan en van het aan te kunnen.

96 Zo wenselijk verkiezen dicht bij het concrete en het zoeken naar zakelijke oplossingen te blijven zo ieder redenen heeft om de dingen anders te ervaren, om zich miskend of gekwetst te voelen of om de ander te ervaren als tekortschietend of aanvallerig.

97 In gesprek nagaan of iemand de realiteit met zijn minuspunten al of niet aanvaardt zoals ze is en al of niet eist dat de dingen, de mensen, het (samen)leven en de omwereld anders zouden zijn.

98 Weten accepteren dat je het met de dingen en de mensen zoals ze zijn zult moeten doen.

99 Een situatie of gebeuren waarop geen vat of controle als gegeven onderkennen en aanvaarden.

100 Minuspunten zien in een ruimer perspectief, als aandachtspunten waaruit kan geleerd worden, als werkpunten waaraan kan gewerkt worden, als veranderpunten waaraan kan gesleuteld worden,

101 als eindpunten die dienen onderkend en aanvaard te worden, als startpunten als realiteiten van waaruit te vertrekken en rekening mee te houden.

102 We hanteren feiten er op lettend ze niet te vervormen door weglatingen of veralgemeningen.

103 In gesprek opkomende automatische gedachten nader beschouwen, concretiseren en controleren op hun juistheid.

104 In gesprek een realiteitscheck doen van gevaren en risico's.

105 We ruilen termen als 'steeds, voortdurend, nooit, overal, nergens, iedereen, niemand, alles, niets, helemaal, zo weer' in voor 'nu, dan, soms, hier, daar, die, dit, dat, iets, ietwat, zo'.

106 Nagaan of 'steeds, voortdurend, nooit, overal, nergens, iedereen, niemand, alles, niets, helemaal, zo weer' in de realiteit wel zo is en zoeken naar eventuele voorbeelden van het tegendeel.

107 Er de voorkeur aan geven de feiten voor zich te laten spreken eerder dan vanuit principes de feiten tegemoet te gaan en te vertolken.

108 Zo een bepaald denken voortdurend je emoties aanwakkert, zo verkieslijk jezelf er toe brengen letterlijk stop te zeggen aan dit denken en de focus te verleggen.

109 Een denken dat je in de war brengt, even laten rusten en achteraan je mogelijke denkonderwerpen plaatsen.

110 Bij onbekendheid, onduidelijkheid, twijfel of niet- eensgezindheid werkelijkheids- aanreikende argumentatie verkiezen boven gewoonte- of gezagsargumentatie.

111 De voorkeur geven aan argumenten die verwijzen naar en garant staan voor doelbewustheid, doelgerichtheid, doelmatigheid en doelvoordelig zijn.

112 Attent op zijn gemakkelijk zijn gelijk te vinden door te veralgemenen, te accentueren, te reduceren, samen te voegen, los te koppelen, te selecteren, uit te sluiten, onvoldoende bewezen te achten,... en dat de ander vaak een ander gelijk weet te vinden.

113 Je gevoelens ervaren alsof je overgeleverd bent aan onontkoombare feiten, veranderen naar gevoelens vanuit een bij de gekozen feiten blijven.

114 Je snellere emotioneel mogelijk vertekende niet-helpende reflex aanvullen met je rationeel feitelijke helpende voorstelling en interpretatie.

115 Zich in gesprek niet verliezen in redeneringen (logische, exemplarische, vergelijkende,...) die geen equivalent vinden in de werkelijkheid.

116 In gesprek het gebruik van schijnredenen om elkaar te overtuigen trachten onderkennen en vermijden.

117 Regels niet gebruiken om beeldvorming en realiteit los te koppelen.

118 De beeldvorming en haar regels niet gebruiken om aan de realiteit te ontsnappen, deze geweld aan te doen of er onverschillig tegenover te blijven.

119 In gesprek vraagtekens durven plaatsen naast vanzelfsprekendheden.

120 Wat bekend is opnieuw in vraag durven stellen.

121 Iets niet automatisch voor waar nemen waartegen niemand ingaat of waarmee iedereen meegaat.

122 In gesprek de vraag naar de mogelijkheid als onderscheiden van de vraag naar de waarschijnlijkheid aan bod laten komen.

123 Je toedichting aan iets toetsen aan de werkelijkheid.

124 Iets wat typisch of algemeen kenmerkend is niet automatisch als concreet toepasselijk aanzien.

125 Wat typisch of eigen is aan een gedeelte niet automatisch toedichten aan het geheel of omgekeerd wat typisch of eigen is aan het geheel niet automatisch toedichten aan een gedeelte.

126 Iets wat analoog opgaat of eerder opging niet automatisch als hier toepasselijk aanzien.

127 In gesprek nagaan op welke manier oorzaak-gevolg koppelingen en voorwaarde- reactie koppelingen opgaan (automatisch, overtuiging, afspraak, gewoonte, traditie, reëel, imaginair, formulering, expressie, appèl, conditioneel, signaal,...) of bij voorbaat zouden kunnen opgaan.

128 Ik stel aan de andere de vragen waarop ik de antwoorden reeds heb bedacht of verhoopt.

129 Ik verwacht van de ander een echt antwoord welke het ook mag zijn.

130 Als ik met iemand praat, wil ik precies weten wat er aan de hand is.

131 In gesprek zo dicht mogelijk bij de realiteit staan van wat je omringt, van jezelf, de ander, je relatie, je situatie, de ontmoete en gekozen anderen.

132 Via gesprek ertoe komen de realiteit van je leef- en relatiesituatie onder ogen te zien.

133 Er attent op zijn in je uitdrukkingen mogelijk elk een andere realiteit op het oog te hebben : feitelijke, persoonlijke, relationele, verwachtings-, omschrijvings-, streefrealiteit.

134 Er attent op zijn dat je in gesprek steeds op een deel van de externe of interne realiteit je aandacht richt en dat door de grootte of de richting of de aard van deze aandachtsfocus met meer of minder dingen of met andere dingen of met deze op een andere manier mentaal of gedragsmatig wordt omgegaan.

135 Er rekening mee houden dat onze uitspraken slechts een deel weergeven van de werkelijkheden die veelomvattender zijn (meer kenmerken, meer kanten, meer aspecten, anders situeerbaar, meer mogelijkheden, meer variatie,...).

136 In gesprek trachten we zo snel mogelijk tot de essentie door te dringen.

137 In een gesprek kunnen we onder ogen zien dat de ander een gebeuren heel anders ervaart of opneemt.

138 Er in gesprek attent op zijn dat kwaliteiten en waarderingen hun oorsprong vinden in ons hoofd en dat kenmerken en beschrijvingen hun oorsprong vinden in de realiteit.

139 Ik let erop iets op zo een wijze uit te leggen die de ander kan begrijpen en aanvaarden.

140 In een gesprek kunnen we onder ogen zien dat de andere onze kijk en onze voorstellen niet steunt of overneemt.

141 We weten hoe we elkaars boodschappen juist moeten interpreteren.

142 We weten hoe we elkaar iets moeten meedelen om juist begrepen te worden.

143 Onze manier van praten met elkaar is een afspiegeling van onze relatie tot elkaar.

144 Onderscheid maken tussen de realiteit en de verwoording ervan (mogelijk onvolledig, negatief, voorbijgestreefd, standaard,...).

145 In gesprek attent zijn op hoe men de realiteit benoemt en hoe men zijn ervaring omschrijft en op de overeenstemming tussen beide.

146 Ik geef het onderscheid aan tussen feiten die ik meedeel en mijn interpretatie ervan.

147 Een onderscheid weten maken tussen eerst een verantwoording, een aantal redenen te hebben en daar een realiteit op te laten aansluiten en eerst een realiteit te hebben (of willen) en daar een uitleg, argumentatie of verantwoording voor te zoeken.

148 Er in gesprek van bewust zijn wanneer je jezelf als (subjectieve) maatstaf voor iets gebruikt en wanneer een gemeenschappelijke (objectieve) buiten jezelf.

149 Er rekening mee houden dat wat zich op mentaal vlak als afspiegeling afspeelt, achterloopt bij wat in de realiteit gebeurt, dit door de aanwezige voorafspiegeling vanuit eerdere leerervaringen.

150 Er rekening mee houden dat wat zich op mentaal vlak als voorafspiegeling afspeelt, vooruitloopt op wat in de realiteit te gebeuren staat, dit door de eerdere afspiegelingen als leerervaringen.

151 Met je gedachten, je gevoelens, je verlangens en je handelen op eenzelfde golflengte komen te zitten.

152 Ik meen ook wat ik zeg.

153 Eenzelfde ritme ontwikkelen voor je zeggen en doen.

154 Mijn zeggen en doen op elkaar laten aansluiten of althans de afstand tussen mijn zeggen of mijn zeggen te zullen doen en mijn doen zo klein en kort mogelijk houden.

155 In gesprek individueel of gezamenlijk stappen voornemen die te zetten zijn.

156 Er rekening mee houden dat er altijd eerst een idee is (verwachting, beeld, opvatting, herinnering,...) en dan een ervaring (waarneming, gevoel,...).

157 Er attent op zijn dat de werkelijkheid die je ziet, als één uit zoveel mogelijke wer- kelijkheden, (gesloten of open, kansloos of kansrijk, vijandig of vriendelijk, beperkend of stimulerend, weerstandig of uitnodigend,...) mogelijk de werkelijkheid is die je wenst of verkiest te zien.

158 In gesprek uitzoeken welke verwachtingen van jezelf en van anderen je eigen ervaren, handelen en reageren bepalen.

159 Afstemmen van de idee of de verwachting met betrekking tot zichzelf of de ander met de realiteit van zichzelf of de ander.

160 Eerder dan wat vaak automatisch gebeurt verwachtingen af te stemmen op het verleden wat niet meer van toepassing is, er de voorkeur aan geven ze aan het heden en de huidige situatie en omstandigheden aan te passen.

161 Aan problemen onderliggende fantasieën naar voor halen in gesprek om ze minder dwingend te maken door ze beter te onderkennen, ze meer bespreekbaar te maken en ze dichter bij de realiteit te brengen.

162 In gesprek vermijden het slachtoffer te worden van op hol slaande fantasieën door ze onder controle te houden, er niet in op te gaan, ze te onderbreken, ze in te perken, ze positief om te buigen, ze door een meer behulpzame te vervangen of ze te controleren.

163 In gesprek het onderscheid weten maken tussen het opgeven van je beeld zo het niet aan de werkelijkheid beantwoordt en het opgeven van de werkelijkheid zo ze niet aan je beeld beantwoordt.

164 Niet bruikbare voorstellingen van jezelf of de ander die je hinderen vervangen door beter op je of de ander afgestemde voorstellingen die je meer ruimte geven en waaraan je nieuwe ervaringen kunt vastknopen.

165 In gesprek er attent op zijn eerder de gesprekspartner te willen veranderen overeenkomstig je gewenst beeld, of je (ideaal)beeld waaraan de ander niet beantwoord of kan beantwoorden, in overeenstemming te willen brengen met de realiteit van de ander.

166 Je teleurstelling dat de ander niet beantwoordt aan je droombeeld en niet voldoet aan al je behoeften weten omzetten in het leren kennen van en het inspelen op het reëel beeld van de ander, wie die wel is en wat die je wel kan bieden.

167 In gesprek eerder dan te verwachten dat de ander alles is en goed is in alles, ontdekken dat de ander iets is en goed is in iets.

168 In gesprek de ander niet negeren als individu en er niet vanuit gaan dat hij of zij als een ander is.

169 Door herhaalde confrontaties met bepaalde kanten van de ander die niet samengaan met kanten van je, de ander niet herleiden tot deze moeilijke kanten voor je en het perspectief van andere kanten bij de ander niet verliezen.

170 In gesprek een onderscheid weten maken tussen variabele basiservaringen met de ander en meer stabiele synthesebeelden over de ander.

171 Er attent op zijn vanuit je telkens net iets andere basiservaringen met de ander toe te laten je synthesebeelden over de ander voldoende te nuanceren, te variëren, meerdimensioneel en meeromvattend te houden.

172 In gesprek de ander weten tegemoetgaan in zijn fysische, persoonlijke, affectieve, sociale en culturele realiteit.

173 Als de realiteit niet overeenstemt met iemands voorstelling ervan niet de realiteit of iemand in twijfel trekken, maar meer trachten vernemen over iemands ervaring en de oorsprong ervan.

174 Zo de realiteit niet samenvalt met wat je denkt dat ze moet zijn, meer trachten vernemen en je afvragen of je denken klopt en of wat je opmerkt je aandacht of bezorgdheid verdient.

175 In een gesprek kunnen we elkaars en eigen beperkingen en zwakke kanten onder ogen zien.

176 Mogelijk tekortschieten zelf onderkennen eerder dan dat de ander dit in je plaats doet.

177 In gesprek onderkennen en aanvaarden dat zelden iets, ook de ander niet, perfect is.

178 Onderkennen dat niemand en dus ook jij niet perfect in zowat alles kan zijn.

179 In gesprek je situatie niet voortdurend vergelijken met een ideaalsituatie maar met het ontbreken van de situatie.

180 Zo er naast de negatieve uitleg voor iets of iemands handelen een andere meer positieve uitleg mogelijk is, die in overweging nemen.

181 Als je op een spoor zit dat je voortdurend met teleurstelling en tekortschieten van de ander confronteert, kan je steeds van spoor veranderen, van andere of geen verwachtingen naar de ander toe, zodat alleen tevredenheid en voldoening bij de ander wordt gevonden.

182 Een situatie in gesprek op een voldoende gedifferentieerde en genuanceerde wijze weten ervaren en vertolken.

183 Bij een negatieve gedachtengang in gesprek verwoorden wat het ergste is wat kan gebeuren, hoe erg dat zou zijn en welke de kans is op dit gebeuren.

184 In gesprek de praktische bruikbaarheid en haalbaarheid van voorstellen trachten achterhalen.

185 We weten in gesprek wat is, wat werkzaam is, wat effect heeft en wat resultaat geeft naar elkaar toe en in het algemeen, te onderkennen.

186 Eerder dan in moeilijke (communicatie-)situaties je toevlucht te nemen tot een ontmoedigend negatief of (te) ongunstig denken, of een ontkennend positief of (te) gunstig denken, voorkeur geven aan een relativerend realistisch bruikbaar en functioneel denken.

187 Relativering bij voorkeur reserveren voor een situatie die niet te veranderen is of nadat verandering niet lukte en niet voor een situatie waarvoor verandering kan of aangewezen is en voordat enige poging tot verandering werd ondernomen.

188 De moed hebben in gesprek te onderkennen waar je je nu feitelijk precies bevindt en waar je stap voor stap naar toe wil gebruik makend van gedachten die iets verder maar nog dicht genoeg staan bij waar je nu bent.

189 In gesprek de invloed die elk denkt te hebben in overeenstemming brengen met de invloed die elk heeft.

190 Zo aanwezig de neiging onderkennen om je dingen en de redenen hiervoor (in negatieve of positieve zin) over jezelf, de ander, je relatie en de realiteit voor te stellen (in gesprek) die niet overeenkomen met de werkelijkheid en deze neiging nalaten.

191 Afspraken die een betere realiteit in de weg staan veranderen we.

192 In gesprek eerder opvattingen betwisten om ze te laten aansluiten op feiten, dan feiten te betwisten om ze te laten aansluiten op opvattingen.

193 Onderkennen in gesprek in de eerste plaats op zoek te zijn naar een mentale en reële 'fit' of '(in)passing' en zo dit niet lukt tot een mentale of reële aanpassing weten komen.

194 Zo de ander in gesprek bepaalde realiteiten tracht niet te onderkennen of te ontkennen, laten merken ze te onderkennen of te kennen en je door hun duidelijkheid niet te laten ompraten en door begrip en geen afwijzing voor de ander ruimte te creëren voor aanvaarding.

195 Onderkennen dat er een groter risico is op problemen zo de uitgewisselde voorstelling niet adekwaat overeenstemt met de werkelijkheid en zo men onbewust eerder met de voorstelling omgaat dan met de werkelijkheid.

196 Zo we niet tot een overeenkomst komen wat principes betreft, trachten we tot een overeenkomst te komen wat realiteiten betreft (van wie heeft hoe gelijk, naar wie wordt hoe geholpen).

197 Attent zijn op de kwalificaties die je aan je eigen expressies en reacties geeft en de mate waarin ze overeenstemmen met de werkelijkheid of met wat door de ander wordt ervaren.

198 Er op letten of er achter je communicatie een werkelijkheid aanwezig is, van zo ben ik, dit wil ik, zo voel ik, dit denk ik, dit wil ik voor je doen of niet, daartoe ben ik bereid, dit zijn mijn grenzen.

199 Ervaren spanningen als gevolg van de opgemerkte afstand tussen wie je bent en hoe de ander je ervaart door het niet weten over te komen of doordat de ander geen hoogte van je weet te krijgen aan elkaar signaleren.

200 In gesprek rechtlijnigheid nastreven door open en eerlijk uit te komen voor jezelf en voor je wensen en verwachtingen tegenover de ander.

201 Onderkennen of je reageert op iets of iemand of op datgene waarmee iets of iemand geassocieerd is.

202 Onderkennen of je reageert op iets of iemand of op de associatie die ontstaat bij de voor dat iets of iemand gebruikte benaming.

203 Onderkennen of achter de gebruikte verwoording een parallelle realiteit schuilgaat.

204 In gesprek de moeite nemen om achter de minder of meer aantrekkelijk overkomende voorstelling of verwoording van iets te kijken.

205 In gesprek vermijden dat de voorstelling of verwoording de realiteit zou verduisteren.

206 Illustraties zoeken van je perceptie, je herinnering, je behoeften, je denken, je gevoelens, je voorstelling, je gewaarwordingen, wanneer deze in welke omstandig heden voorkomen en waarom dit zo is.


Download ppt "Communicatie-realisme kan je bevorderen door : Ik geef de andere precieze en duidelijke informatie."

Verwante presentaties


Ads door Google