De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

© 2008 Universitair Ziekenhuis Gent1 HET LAGERE SCHOOLKIND DEEL 1: DE NORMALE PSYCHOSOCIALE ONTWIKKELING Opleiding Jeugdgezondheiszorg Prof. Eline Van.

Verwante presentaties


Presentatie over: "© 2008 Universitair Ziekenhuis Gent1 HET LAGERE SCHOOLKIND DEEL 1: DE NORMALE PSYCHOSOCIALE ONTWIKKELING Opleiding Jeugdgezondheiszorg Prof. Eline Van."— Transcript van de presentatie:

1 © 2008 Universitair Ziekenhuis Gent1 HET LAGERE SCHOOLKIND DEEL 1: DE NORMALE PSYCHOSOCIALE ONTWIKKELING Opleiding Jeugdgezondheiszorg Prof. Eline Van Hoecke UZ-Gent Medische Psychologie Kinderen en Jongeren 11 maart 2016

2 22 © 2008 Universitair Ziekenhuis Gent OVERZICHT 1.Cognitieve ontwikkeling en leren 1.1. Ontwikkelingsstadia Piaget 1.2. Geheugen, aandacht en executieve functies 1.3. Intelligentie en CHC-model 2. Ontwikkeling prestatiemotivatie 3. Sociaal-emotionele ontwikkeling 4. Morele ontwikkeling 5. Seksuele en genderontwikkeling

3 33 © 2008 Universitair Ziekenhuis Gent OVERZICHT 1.Cognitieve ontwikkeling en leren 1.1. Ontwikkelingsstadia Piaget 1.2. Geheugen, aandacht en executieve functies 1.3. Intelligentie en CHC-model 2. Ontwikkeling prestatiemotivatie 3. Sociaal-emotionele ontwikkeling 4. Morele ontwikkeling 5. Seksuele en genderontwikkeling

4 44 © 2008 Universitair Ziekenhuis Gent 1.1. Ontwikkelingsstadia van Piaget LeeftijdPeriode 0 – 2 jSensomotorische periode jPre-operationele periode 7 – 11 jConcreet-operationele periode > 11jFormeel-operationele periode

5 55 © 2008 Universitair Ziekenhuis Gent Concreet-operationele periode Logisch en systematisch denken magisch denken Probleemoplossend denken  1. Begrip van rangorde 2. Conservatie van aantal 3. Conservatie van volume en gewicht

6 66 © 2008 Universitair Ziekenhuis Gent Concreet-operationele periode Denkfouten verdwijnen Reversibel denken Meerdere aspecten van een probleem Fixatie op toestand en proces Correct classificeren op meerdere dimensies vb. combinatie van vorm en kleur Conservatie- begrip

7 77 © 2008 Universitair Ziekenhuis Gent 1.2. Geheugen, aandacht en executieve functies Kortetermijngeheugen of werkgeheugen  Vb. 3 à 4 getallen (4 j)  6 à 7 getallen (12 j)  functionele capaciteit (niet geheugenruimte) Langetermijngeheugen = kennis cfr objectpermanentie Ontwikkelen van geheugenstrategieën Interne strategieën Externe strategieën

8 88 © 2008 Universitair Ziekenhuis Gent 1.2. Geheugen, aandacht en executieve functies Taakinitiatie, planning, overzicht Aandacht richten en volhouden Emotieregulatie Werkgeheugen Inhibitie Zelfinzicht Cognitieve flexibiliteit Time management

9 99 © 2008 Universitair Ziekenhuis Gent 1.3. Intelligentie en CHC-model “ a biopsychological potential to process information that can be activated in a cultural setting to solve problems or create products that are of value in a culture (Gardner, 1999, pp 33-34)” Biopsychosociaal potentieel Ingebed in culturele setting

10 10 © 2008 Universitair Ziekenhuis Gent Verschillende soorten intelligentie Linguïstische Logische-mathematische ruimtelijke Muzikale Lichamelijk-kinesthetische Emotionele

11 11 © 2008 Universitair Ziekenhuis Gent Intelligentie = bepaling van rangorde ivm ‘peers’ = statistisch vastgestelde norm = statistische frequentie = frequentiespreiding (= normaalverdeling) = grafische weergave = curve van Gauss

12 12 © 2008 Universitair Ziekenhuis Gent % % 2.14 % % % %

13 13 © 2008 Universitair Ziekenhuis Gent Ontwikkeling CHC-model Vloeiende intelligentie Gekristalliseerde intellligentie Kwantificeerbare intelligentie Brede cognitieve vaardigheden Deelvaardigheden

14 14 © 2008 Universitair Ziekenhuis Gent

15 15 © 2008 Universitair Ziekenhuis Gent WPPSI – WISC - WAIS vs CHC-model Wechsler Overall IQ Verbale en Performale intelligentie Factoren Cattel-Horn – Caroll G-factor Deelfactoren in afnemende factorlading Evolutie WAIS IV, WPPSI, WISC (IV) en V: geen opsplitsing in verbaal en performaal, enkel overall IQ en deelfactoren

16 16 © 2008 Universitair Ziekenhuis Gent

17 17 © 2008 Universitair Ziekenhuis Gent

18 18 © 2008 Universitair Ziekenhuis Gent ‘Underachievers’ Discrepantie tussen potentieel en prestaties 30 % zou onder niveau presteren, op grond van socale of emotionele problemen ‘Faalangst’ Angst om te falen Veroorzaakt door algemene onzekerheid

19 19 © 2008 Universitair Ziekenhuis Gent Thomas More – CHC Platform es/media/intelligentie_in_nieuwe_banen_chc_ pdf es/media/vvsp_handouts_kris_gisleen_ _0.pdf

20 20 © 2008 Universitair Ziekenhuis Gent OVERZICHT 1.Cognitieve ontwikkeling en leren 1.1. Ontwikkelingsstadia Piaget 1.2. Geheugen, aandacht en executieve functies 1.3. Intelligentie en CHC-model 2. Ontwikkeling prestatiemotivatie 3. Sociaal-emotionele ontwikkeling 4. Morele ontwikkeling 5. Seksuele en genderontwikkeling

21 21 © 2008 Universitair Ziekenhuis Gent 2. Ontwikkeling prestatiemotivatie Hoe ontstaat het prestatiemotief? Al bij het jonge kind aanwezig - < 3jaar: voorloper = de drang naar zelfstandig willen zijn (zélf eten, zélf kleren aandoen…) jaar: kinderen gaan hun prestaties vergelijken met die van anderen  ze willen het sneller en beter doen dan de ander Het kind wil een handeling anders of beter doen in vergelijking met een standaard & het kan steeds beter het wel/niet behalen van succes toeschrijven aan de eigen persoon

22 22 © 2008 Universitair Ziekenhuis Gent Motivatie  Motief Motief: 3 elementen 1. Het drijft aan, levert energie voor een gedrag 2. Het selecteert, het bepaalt de richting van doen en laten 3. Het reguleert, d.w.z. een éénmaal gekozen richting wordt ook aangehouden, als het motief sterk genoeg is

23 23 © 2008 Universitair Ziekenhuis Gent ! Belangrijk: het kind moet de gelegenheid gegeven worden om zelfstandigheid te ontwikkelen Het kind wil manipuleren, wil omgaan met de dingen, wil de omgeving verkennen → hieruit ontwikkelt zich het willen presteren Dit streven moet gestimuleerd worden, om aan de manipulatie- en exploratiedrang tegemoet te komen.

24 24 © 2008 Universitair Ziekenhuis Gent Van binnenuit graag iets willen doen, omdat men er plezier in heeft. Iets doen omdat men van buitenaf aangespoord wordt. INTRINSIEKE MOTIVATIE EXTRINSIEKE MOTIVATIE vb. studeren

25 25 © 2008 Universitair Ziekenhuis Gent Motivatie: zelfdeterminatietherorie (ZDT) (Deci, 2000, American Psychologist, 55, 68-78) Motiveren betekent “in beweging brengen” Motiveren krijgt te weinig aandacht van de ouder, de leerkracht, de hulpverlener,… De moeilijkheid van veranderen wordt door veel ouders, leerkrachten, hulpverleners onderschat

26 26 © 2008 Universitair Ziekenhuis Gent ZDT: Basisnoden Nood aan Autonomie Nood aan Verbondenheid Nood aan Competentie Initiator zijn van de eigen acties Zelf aan de basis liggen van gedrag Geliefd worden door anderen Goede, intieme relaties hebben Gedrag tot een goed einde kunnen brengen Controle hebben over uitkomst gedrag

27 27 © 2008 Universitair Ziekenhuis Gent Extrinsieke Motivatie Intrinsieke Motivatie Straf, beloning, verwachting Geboeidheid, interesse, plezier Persoonlijke relevantie, zinvol Schaamte, schuld, zelfwaarde Druk, verplichting, stressWelwillend, zelfgekozen Extern Identificatie Introjectie Intern Gecontroleerde Motivatie Autonome Motivatie Naar Vansteenkiste, 2005

28 28 © 2008 Universitair Ziekenhuis Gent

29 29 © 2008 Universitair Ziekenhuis Gent OVERZICHT 1.Cognitieve ontwikkeling en leren 1.1. Ontwikkelingsstadia Piaget 1.2. Geheugen, aandacht en executieve functies 1.3. Intelligentie en CHC-model 2. Ontwikkeling prestatiemotivatie 3. Sociaal-emotionele ontwikkeling 4. Morele ontwikkeling 5. Seksuele en genderontwikkeling

30 30 © 2008 Universitair Ziekenhuis Gent Sociale en emotionele ontwikkeling Kleuter lagere school Verbreding en vergroting van de sociale omgeving / ruimte: - Gezin - Leerkrachten - Peers

31 31 © 2008 Universitair Ziekenhuis Gent De interactie met leeftijdgenoten is het begin van vriendschaps en peerrelaties - Ontwikkeling sociaal gedrag - Vriendschapsrelaties - Peer aanvaarding

32 32 © 2008 Universitair Ziekenhuis Gent Kleuter moet leren: welke gedragingen bekrachtigd worden en welke niet Wat hij / zij moet doen om geaccepteerd te worden Gedrag komt tot stand door:  Model-leren  Nadoen van anderen  Bekrachtiging van leeftijdgenoten Ontwikkeling sociaal gedrag

33 33 © 2008 Universitair Ziekenhuis Gent Vriendschapsrelaties Niet alleen speelkameraad, maar ook aandacht voor persoonlijke kwaliteiten en wederzijds vertrouwen Verschillende vrienden  selectiviteit Kortstondig  langdurig: leren conflicten overwinnen Wederzijdse beïnvloeding: prosociale vs antisociale vrienden

34 34 © 2008 Universitair Ziekenhuis Gent Vriendschapsrelaties Gebaseerd op gemeenschappelijke interesses en activiteiten Begrip voor elkaar Wederzijdse ondersteuning Wederzijds vertrouwen Wederzijdse openheid Respect voor en acceptatie vd ander

35 35 © 2008 Universitair Ziekenhuis Gent Peer aanvaarding Peer aanvaarding = graag gezien zijn door een groep personen  Dus: geen wederzijdse relatie (vriendschap) maar éénzijdig  ! Afwijzing door peers brengt grote risico’s voor een normale ontwikkeling met zich mee.  Hulp door volwassenen is noodzakelijk: Leerkrachten, ouders en deskundigen

36 36 © 2008 Universitair Ziekenhuis Gent  Meting van sociale voorkeur (“Wie vind jij leuk in de klas?” en sociale bewondering (“Wie wordt in de klas het meest bewonderd?”) Er wordt onderscheid gemaakt tussen: Populaire kinderen genegeerde kinderen controversiële kinderen Verworpen kinderen Gewone kinderen

37 37 © 2008 Universitair Ziekenhuis Gent Populaire kinderen Populair Prosociaal Populair antisociaal Sociale & academische vaardigheden - Atletisch - Rebels - Cool - Relationeel agressief ! Populaire kinderen vertonen veel positief en weinig negatief gedrag !

38 38 © 2008 Universitair Ziekenhuis Gent Verworpen agressief Verworpen teruggetrokken -Conflict -Hyperactief -Impulsief -verstrooid - passief - “nerd” - soc. angstig Verworpen kinderen ! Verworpen kinderen vertonen veel negatief en weinig positief gedrag !

39 39 © 2008 Universitair Ziekenhuis Gent Controversiële kinderen - Prosociaal - Agressief - Enkele goede vrienden - goed aangepast - geen eenzaamheid Dus: Je hoeft geen extravert te zijn om je goed in je vel te voelen Genegeerde kinderen ! Verwaarloosde kinderen vertonen weinig positief en weinig negatief gedrag ! ! Controversiële kinderen vertonen veel positief en veel negatief gedrag !

40 40 © 2008 Universitair Ziekenhuis Gent Sociaal gedrag, kwaliteit van vriendschaps- en peerrelaties zijn deels product van: - kwaliteit van relatie met ouders - ervaren opvoedingsgedrag - levensomstandigheden van het gezin

41 41 © 2008 Universitair Ziekenhuis Gent Manieren van opvoeden Het autoritaire patroon Het toegeeflijke (permissieve) patroon Het verwaarlozende patroon Het structurerend-reciproke patroon (‘authoritative’) https://www.youtube.com/watch?v=K_FzHSLi50E

42 42 © 2008 Universitair Ziekenhuis Gent Schema van Belsky Eigen kindertijdRelatie Werk Kenmerken van het kind Persoonlijkheid Opvoedkundig handelen Gedrag van het kind Omgeving van het kind Sociale steun Temperament Persoonlijkheid Intelligentie … School Broer / zus Medicatie Toezicht houden Positieve betrokkenheid Postieve bekrachtiging Grenzen stellen Probleemoplossend gedrag Schema van Belsky,1984

43 43 © 2008 Universitair Ziekenhuis Gent OVERZICHT 1.Cognitieve ontwikkeling en leren 1.1. Ontwikkelingsstadia Piaget 1.2. Geheugen, aandacht en executieve functies 1.3. Intelligentie en CHC-model 2. Ontwikkeling prestatiemotivatie 3. Sociaal-emotionele ontwikkeling 4. Morele ontwikkeling 5. Seksuele en genderontwikkeling

44 44 © 2008 Universitair Ziekenhuis Gent Ontwikkeling normbesef Leerprincipes voor moreel gedrag: model-leren, bekrachtiging en zelf actief nadenken vb. delen In kindertijd neemt morele ontwikkeling een vlucht omwille van Toenemende sociale wereld: meer vriendjes Toenemende capaciteit tot perspectief inname Cognitieve ontwikkeling: met meer gezichtspunten tegelijk rekening houden

45 45 © 2008 Universitair Ziekenhuis Gent Distributieve rechtvaardigheid = regels mbt de wijze waarop schaarse goederen verdeeld dienen te worden vb. dessert Evolutie Eigenbelang: “ik deel op faire wijze omdat ik anders een kleiner stuk zou krijgen”; 3 à 4 jaar Gelijkheid: iedereen heeft recht op een zelfde deel van de koek; 5 à 6 jaar Verdienste: inspanning of excellente prestatie; 6 à 7 jaar; vb. jarige krijgt meer Helpen: meest benadeelde mag meer krijgen

46 46 © 2008 Universitair Ziekenhuis Gent 1. Psychoanalytische opvatting Het kind ontwikkelt: Es  Ich  Über-Ich ES: driftmatige impulsen ICH: coördineert de contacten met de realiteit ÜBER-ICH: representeert de normen, nl. de geboden en verboden vanuit de omgeving

47 47 © 2008 Universitair Ziekenhuis Gent Über-ich Bestaat uit geïnternaliseerde normen  afkomstig van vader  afkomstig van andere personen uit de omgeving Vanuit het schuldgevoel (nl. verlangens t.o.v. de moeder) ontstaat de bereidheid om zich aan te passen en aan de gestelde eisen te beantwoorden ??? Empirisch bewijsmateriaal?

48 48 © 2008 Universitair Ziekenhuis Gent 2. Cognitieve benadering Jonge kind: absolute meningen en absolute oordelen; materiële schade taxeren > 8 jaar: flexibiliteit , door situationele factoren te betrekken (motieven en bedoelingen) bij de beoordeling van bepaalde gedragingen; de motieven Vb. Piaget: - 10 kopjes omverstoten - stiekem mars nemen, 1 kopje valt

49 49 © 2008 Universitair Ziekenhuis Gent Kohlberg  precisering en uitbreiding van Piaget De ontwikkeling van het geweten loopt in zes stadia: Stadium 1: gehoorzaamheid om straf te vermijden Stadium 2: conformistisch gedrag om een beloning te krijgen Stadium 3: conformistisch gedrag om afkeuring te vermijden en aardig gevonden te worden

50 50 © 2008 Universitair Ziekenhuis Gent - Stadium 4: conformistisch gedrag om straf te vermijden, straf die in de samenleving voor bepaalde gedragingen gegeven wordt. - Stadium 5: conformistisch gedrag, omdat men een geordende samenleving wil hebben - Stadium 6: conformistisch gedrag, niet omwille van externe geboden en normen, maar omdat men dit vanuit eigen inzicht wil doen

51 51 © 2008 Universitair Ziekenhuis Gent 3. Leertheoretische opvatting Alle gedrag is aangeleerd. Geweten = een systeem van geïnternaliseerde normen, d.w.z. men gedraagt zich ook aangepast bij afwezigheid van externe controle - eerst ahv externe beloning, bekrachtiging of straf - daarna van binnenuit

52 52 © 2008 Universitair Ziekenhuis Gent OVERZICHT 1.Cognitieve ontwikkeling en leren 1.1. Ontwikkelingsstadia Piaget 1.2. Geheugen, aandacht en executieve functies 1.3. Intelligentie en CHC-model 2. Ontwikkeling prestatiemotivatie 3. Sociaal-emotionele ontwikkeling 4. Morele ontwikkeling 5. Seksuele en genderontwikkeling

53 53 © 2008 Universitair Ziekenhuis Gent Ontwikkeling geslachtsidentiteit Geslachtsgebonden gedrag → biologisch vastgelegde verschillen vormen de basis voor sociale leerprocessen vanaf de geboorte

54 54 © 2008 Universitair Ziekenhuis Gent Genderidentiteit: gevoel van jongen/man of meisje/vrouw te zijn, zelfervaring Genderrol: uitdrukking van openbaar van geslachtsidentiteit, geslachtstypisch gedrag zoals speelgoedvoorkeur en fysische agressie Cave: cultureel, maatschappelijk verwachtingspatroon Sexuele oriëntatie: erotische voorkeur voor bepaald geslacht (hetero-, homo-, biseksueel) Sex versus gender (Money, 1985) Biologisch geslacht vs. psychologisch geslacht

55 55 © 2008 Universitair Ziekenhuis Gent Theoretische verklaringsmodellen 1. Psychoanalytische opvatting 2. Leertheoretische opvatting 3. Cognitieve ontwikkelingstheorie

56 56 © 2008 Universitair Ziekenhuis Gent 1. Psychoanalytische opvatting Geslachtsidentiteit ontstaat tussen 3 à 4 jaar: - jongen heeft seksuele verlangens t.o.v. de moeder, en angst voor zijn vader  Jongen gaat zich met de geboden en verboden van de vader identificeren  geslachtsgebonden gedrag - meisjes: vice versa

57 57 © 2008 Universitair Ziekenhuis Gent 2. Sociaal leertheoretische opvatting Invloeden sociale omgeving op het kind Geslachtsgebonden gedrag In elke samenleving zijn er specifieke opvattingen over gedragingen bij jongens en meisjes Vb. jongens → wild, lawaaierig meisjes → zachtaardig

58 58 © 2008 Universitair Ziekenhuis Gent 2. Leertheoretische opvatting Bekrachtiging van gewenst gedrag door de omgeving  gedrag zal vaker voorkomen in de toekomst Vb. huilgedrag bij jongens van lagereschoolleeftijd Observationeel leren en modeling

59 59 © 2008 Universitair Ziekenhuis Gent 3. Cognitieve ontwikkelingstheorie Cognitieve processen = cognitieve zelfcategorisering (het kind identificeert zichzelf als jongen of als meisje)  Daarna gaat de omgeving invloed uitoefenen (sociale leerprocessen) Hier gaat de actie van het individu uit.

60 60 © 2008 Universitair Ziekenhuis Gent 3. Cognitieve ontwikkelingstheorie (Piaget) 1ste fase: observationeel leren vd anatomische verschillen 2 à 3 j: bewustwording geslacht, reversibel 4j: sociale stereotypen vb. kledij, haartooi, spelactiviteiten 6 à 7j: genitaliën = basis voor geslacht, irreversibel

61 61 © 2008 Universitair Ziekenhuis Gent


Download ppt "© 2008 Universitair Ziekenhuis Gent1 HET LAGERE SCHOOLKIND DEEL 1: DE NORMALE PSYCHOSOCIALE ONTWIKKELING Opleiding Jeugdgezondheiszorg Prof. Eline Van."

Verwante presentaties


Ads door Google