De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

Verschillende werkvormen DIDACTISCHE WERKVORMEN. Je kan werkvormen situeren binnen het didactisch model. Je kan toelichten wat didactische werkvormen.

Verwante presentaties


Presentatie over: "Verschillende werkvormen DIDACTISCHE WERKVORMEN. Je kan werkvormen situeren binnen het didactisch model. Je kan toelichten wat didactische werkvormen."— Transcript van de presentatie:

1 Verschillende werkvormen DIDACTISCHE WERKVORMEN

2 Je kan werkvormen situeren binnen het didactisch model. Je kan toelichten wat didactische werkvormen zijn. Je kan uitleggen waarom variatie in werkvormen belangrijk is. Je kan uitleggen welke rol een werkvorm vervult in het onderwijsproces. Je kan de werkwijze en het doel van de verschillende werkvormen toelichten. Voor een aantal werkvormen kan je ook aandachtspunten formuleren. Je kan bij een les gepaste werkvormen kiezen (i.f.v. de doelen) en verantwoorden waarom je deze werkvorm gekozen hebt. LEERDOELEN

3 ENKEL DIDACTISCHE WERKVORMEN OP EEN RIJ

4 EEN DIVERSITEIT AAN WERKVORMEN Leerkrachtgestuurd Leerlinggestuurd Elke indeling is in zekere mate kunstmatig. Binnen de enorme hoeveelheid didactische werkvormen zijn er steeds heel wat variaties, combinaties en tussenvormen, die zich niet zo gemakkelijk laten klasseren.

5 Doceren Uitleggen Vertellen Instructie Demonstreren Aanbiedende werkvormen Onderwijsleergesprek Klasgesprek Leergesprek Gespreksvormen Individuele opdracht Huiswerk Spreekbeurt Rollenspel en simulatiespel Opdrachtsvormen Didactisch groepswerk Peer-tutoring Opdrachtsvormen die samen leren bevorderen

6 Leerspelen Leerwandeling of excursie Contractwerk Hoekenwerk Projectwerk Zelfwerkzaam- heidsvormen

7 AANBIEDENDE WERKVORMEN

8 Leraar neemt het voortouw, leerlingen nemen een luisterhouding aan. Leerstof gaat via de leraar naar de leerlingen. Er is éénrichtingsverkeer: leerstof gaat via de leraar naar de leerlingen. Komt slechts beperkt aan bod! Belangrijk dat je dit afwisselt met andere actieve werkvormen. DOCEREN

9 Woorden, uitdrukkingen, de structuur van de les, verbanden, te abstracte lesinhouden verduidelijken voor leerlingen. Belangrijk: Aansluiten op het aanwezige denkniveau van de leerlingen. Soms nodig om opnieuw op lager niveau iets uit te leggen. (Vb. m.b.v. materialen, schema’s, tekeningen, gemakkelijkere woorden, …) UITLEGGEN

10 Opdracht: Leg volgende woorden uit. Zoek naar verschillende wijzen om de betekenis te verduidelijken. - hebzuchtig - herbarium Opdracht: Voor W.O. krijgen leerlingen een tekst over ‘paastradities in verschillende landen’. De leerlingen hebben moeite om een structuur te zien in de tekst. Hoe kan jij hen hierbij ondersteunen? UITLEGGEN

11 Woordverklaring: woordenboek, synoniem, tegengestelde, omschrijving, afbeelding, handeling voordoen, uit context afleiden, etymologisch analyseren, voorbeelden geven Abstracte leerinhoud: aanschouwelijk maken, concretiseren naar eigen leefwereld Totaal nieuw onderwerp: voldoende ruime context, gekende begrippen als vertrekpunt, betrek lln. bij uitleg, stel vragen om verder te geraken. Moeite om structuur te zien in leerinhoud: in tekst overbodige details schrappen, inhoud opsplitsen in deelgebieden, hoofdlijnen op bord, hoofdstructuur reeds op werkblad weergeven UITLEGGEN

12 = Een authentieke situatie de klas binnenbrengen. Verhalen kunnen interesse wekken, kinderen gevoelig maken voor een thema/onderwerp, de betrokkenheid vergroten, taal verruimen, zorgen voor sfeer. Op stage: Jullie hebben zelf tijdens stage reeds een verhaal in de klas verteld. Wat zijn aandachtspunten die je kan formuleren op basis van de opgedane ervaring? VERTELLEN

13

14 Aandachtspunten: Maak er een sfeervol moment van Hoeft niet aangekondigd te worden Schenk aandacht aan de beeldende, prikkelende taal, zet je expressie in. Keuze van het verhaal: op niveau, aansluitend op leef-en belevingswereld, aansluiten bij een thema Lln. moeten zich kunnen identificeren met een personage Las stiltemomenten, rustpauzes in Doe iets met de reacties van je publiek Zorg voor een climax Probeer ook affectieve doelen na te streven

15 = kinderen aanwijzingen geven over wat of hoe iets moet gedaan worden. (geven van richtlijnen) Aandachtspunten: - Zorg dat je de aandacht van je leerlingen hebt - Zo kort en duidelijk mogelijk (eventueel stappen visualiseren) - Geef de werktijd aan - Zorg voor volledige instructie (bereid voor!) - Voorzie gelegenheid tot vragen stellen - Controleer of de instructie goed begrepen wordt. (bereid instructies in je lesvoorbereiding voor!) INSTRUCTIE

16 Opdracht per drie: In een hoekenwerk voorziet een leerkracht ‘Kapla-constructiematerialen’ waarmee de kinderen bouwwerken kunnen maken. Stel zelf een korte instructie op. Hoe ga je de hoek toelichten aan kinderen? Geef elk groepslid een nummer van 1 to 3. Ieder groepslid moet de instructie kunnen brengen voor de klasgroep OPDRACHT: PER DRIE

17 = de leerkracht toont (voordoen van) ‘op voorbeeldige wijze’ een proef, een turnoefening, een lied, … Leerlingen observeren ‘actief’. via kijkvragen, observatieschema, door lln. te laten verwoorden wat ze zien Zorg dat al je materialen klaarstaan DEMONSTREREN

18 GESPREKSVORMEN

19 = vraagvorm waarin de leraar de leerlingen stapsgewijs tot kennis en inzicht brengt aan de hand van gestructureerde vragen. (vragen in een logische volgorde) ONDERWIJSLEERGESPREK

20 Welke woorden hoor je in de uitdrukking ‘didactische werkvormen’? Wat is een werkvorm in het algemeen? Geef een ander woord voor werkvorm. Waarop slaat ‘didactisch’ terug? Waarop slaat dan de uidrukking ‘didactische werkvormen’ terug? Geef een voorbeeld van een didactische werkvorm. EEN VOORBEELD…

21 Aandachtspunten: − Bereid het grondig voor (zorg voor voldoende denkactiviteit!): zorg voor een stapsgewijze opbouw van in je vragen − Correcte vraagstelling − Vertrek vanuit een motivatiemoment, gebruik evt. materialen als houvast − Vertrek vanuit de voorkennis van leerlingen − Betrek alle leerlingen − Antwoorden dienen tactvol opgevangen te worden − Leid als leraar het leren niet te sterk. Maak er geen schoolse overhoring van! − Geef visuele houvast. Noteer begrippen, relaties op het bord. (goed bordschema!) − Maar: beperk je lesgeven niet tot deze werkvorm, zorg voor voldoende afwisseling. Cfr. OLG ‘Hoe groeien bomen?’ hoekenwerk ONDERWIJSLEERGESPREK

22 = gesprek tussen leerlingen waarbij leerlingen standpunten, meningen, ervaringen uitwisselen. Leerkracht begeleidt, modereert het gesprek. HET KLASGESPREK

23 ‘Hamida, wat heb jij in het weekend gedaan?’ vraagt meester Bert als de kinderen maandagochtend in de kring zitten. Hamida lacht verlegen en denkt na. ‘Eh… buiten gespeeld, en eh… met mijn nichtje gespeeld…’ De meester vraagt: ‘Wat hebben jullie gespeeld?’ Hamida denkt weer na en zegt: ‘Geknikkerd.’ De meester wacht nog even, maar er komt niets meer. Een aantal kinderen steekt hun vinger op. Meester Bert duidt Carlo aan. Carlo vertelt: ‘Ik ging voetballen in het park en toen was er een hond en die pakte onze bal en toen moesten we er achteraan rennen.’ Meester: ‘En heb je die bal weer te pakken gekregen?’ Carlo lacht: ‘Ja, maar hij ging steeds weer de bal pakken.’ Meester: ‘En wat heb je nog meer gedaan?’ Carlo fronst, zegt na een poosje: ‘Bij mijn tante geweest, en toen… naar de supermarkt … en toen weer naar huis… en toen gingen we televisie kijken… en toen ging ik slapen.’ In zijn hoofd laat hij moeizaam weinig spectaculaire gebeurtenissen van de afgelopen zondag passeren. De meester weet ook niets meer te vragen en gaat naar een volgend kind. HET KLASGESPREK

24 Ruben gaat rechtop zitten, zijn ogen schitteren. ‘Ik heb zaterdag naar een film gekeken, dat ging over een weerwolf, die man werd door een geest gebeten en hij werd een weerwolf als de zon onder ging, en…’ Hoewel alle kinderen hun oren spitsen en ‘ja! ja!’ roepen omdat ze de film ook gezien hebben, onderbreekt de meester Ruben. ‘Ruben je weet toch wat we hebben afgesproken: we vertellen niet over de televisie in de kring.’ Ruben houdt teleurgesteld zijn mond. Jaro legt het nog eens uit: ‘In de maandagkring vertellen we niet over films, maar over wat we zelf hebben gedaan in het weekend. Want dat is veel leuker’. De kinderen zien er niet naar uit dat ze het met hem eens zijn. ‘Wat heb je nog meer gedaan, Ruben, behalve televisie gekeken?’ … Zo kabbelt het ochtendgesprek voort. Het is rustig, maar er wordt nauwelijks geluisterd. Het kind dat aan het woord is, geniet vooral van de aandacht van de meester. De verslagen van het weekend lijken erg op elkaar, zowel de inhoud als hun slaapverwekkende chronologisch structuur. HET KLASGESPREK

25 Aandachtspunten: - Gesprek tussen leerlingen! (gemeenschappelijke ervaring!) - Geef iedereen de kans om deel te nemen aan het gesprek. (stillere kinderen kansen geven, vlotte praters geen kansen ontnemen, moeilijke/gemakkelijkere vragen) - Ga door op de antwoorden van kinderen - Stiltes hoeven niet altijd doorbroken te worden - Samen gespreksregels opstellen KLASGESPREK

26 = evaluatiegesprek waarbij de leraar, na een taak, de leerlingen laat ervaren hoe zij hun aanpak kunnen verbeteren. = gericht op het verbeteren van het leerproces Vb. Bespreking van stelopdracht, bespreking van een rollenspel, een foutenanalyse bij vraagstukken, … Kan individueel of (met een deel) van de klasgroep LEER-GESPREK

27 Veilig, open klasklimaat: durven je oplossingswegen te expliciteren Leerlingen zelf de vinger op de wonde laten leggen (volgende werkvorm, discussie schrappen in boek) LEERGESPREK

28 OPDRACHTSVORMEN

29 = Alle taken, oefeningen die de leerlingen alleen uitvoeren voor, tijdens of na de les. Belangrijk: goed nadenken over je instructie! Wat hebben kinderen nodig om aan de opdracht te kunnen starten? (beknopt, to the point, visuele houvast) INDIVIDUELE OPDRACHT

30 = voorbereidings- of verwerkingsopdrachten die de leerlingen meestal thuis zelfstandig uitwerken. - Moet voorbereid zijn in eerdere leeractiviteiten - Vraagt een aantal vaardigheden van lln: plannen, zichzelf bewaken, controleren - Kan een kanaal zijn om met ouders te communiceren - Zorg dat het niet te belastend wordt! - Hou rekening met de verschillende thuiscontext - Moet nadien terug opgenomen worden in de klas - Je kan differentiëren, benut deze kansen HUISWERK

31 = leerling bereidt een bepaald onderwerp voor naar eigen keuze, brengt dit voor de groep. Bedoeling: Leren vanuit je eigen interesse, leren iets te presenteren, verwerven van informatievaardigheden SPREEKBEURT

32 Een simulatiespel = inleefspel gespeeld volgens een welomschreven vastgelegde structuur, de werkelijkheid wordt gesimuleerd. Doel: gevoelens, structuren aanvoelen/verduidelijken Vb. Simulatiespel ‘sparen’, simulatiespelen Studio Globo, simulatiespel ‘pesten’…. SIMULATIESPEL/ROLLENSPEL Rollenspel = inleefspel eerder gericht op het psychologisch handelen van individuele mensen, biedt meer speelruimte voor de spelers. Doel: Gericht op zich inleven in personen, veranderen van houdingen en gevoelens tegenover een problematiek, uitproberen hoe het anders zou kunnen zijn. Vb. Naspelen van een conflict op de speelplaats, een historisch figuur interviewen, wat doe je wanneer je merkt wanneer iemand gediscrimineerd wordt o.b.v. huidskleur?, ….

33 OPDRACHTSVORMEN DIE SAMEN LEREN BEVORDEREN

34 Coöperatief leren = Leren met en van elkaar ‘Iedereen kan iets, niemand kan alles.’ Sociaal constructivisme Belang van sociale context bij Vygotsky Belangrijke principes/voordelen van de coöperatieve klas: - Het klasklimaat - De vaardigheden - Communicatie DE COÖPERATIEVE KLAS

35 Koppelwerk/partnerwerk Parallel groepswerk Complementair groepswerk Gecombineerd groepswerk Gefaseerd groepswerk met experts (puzzelmethode) DIDACTISCH GROEPSWERK

36 Groep 1: Verhaal van slachtoffer van pesten Groep 2: Verhaal van pester Groep 3: pesten ook bij ons op school? Groep 4: wat kan slachtoffers helpen? Elk groepslid (in de toegewezen) groepkrijgt een puzzelstukje van een andere puzzel. Nieuwe groep zoeken, door puzzelstukken te matchen. VOORBEELD PUZZELMETHODE (JIG-SAW)

37 PUZZELMETHODE Lln.van groep 1 Lln.van groep 2 Lln.van groep 3 Lln.van groep 4 Lln.van groep 1 Lln.van groep 2 Lln.van groep 3 Lln.van groep 4 (in totaal vier nieuwe puzzels = 4 nieuwe groepen) Groepsleden stellen voor wat is besproken, nieuw samengestelde groep krijgt nieuwe verwerkingsopdracht. Vb. “Wat kan in de school gebeuren om pesten tegen te gaan?”

38 Werkvormen die alle groepsleden activeren: - Genummerde hoofden - Placematmethode (aanpassen in handboek) - Mensen zoeken - Spionnetje - (Gefaseerd groepswerk met experts) (Je moet de werkwijze van deze werkvormen kunnen toelichten) DIDACTISCH GROEPSWERK

39 = vorm van samenwerken waarin sprake is van een helpersrelatie tussen een begeleidende leerling en een begeleide leerling. Tutor – tutee Leerwinsten voor beide partijen. Hoe? Voorbereidende lessen voor tutoren belangrijk! PEER TUTORING

40 LEERSPELEN

41 Bestaande spelen kunnen inspiratie bieden Ga goed na welke doelen je met het spel wil nastreven, zorg voor een begeleiding die afgestemd is op deze doelen! LEERSPELEN

42 LEERWANDELING - EXCURSIE

43 Vb. uitstap naar het bos, naar het postkantoor, wandeling langs een voelpad, LEERWANDELING

44 ZELFWERKZAAMHEIDSVORMEN

45 Zelfwerkzaamheid: zelfactiviteit en zelfstandigheid van leerlingen primeren. Werken aan de zelfsturing van kinderen: − Plannen − Doen − Terugblikken − Wilskracht ZELFWERKZAAMHEIDSVORMEN

46 Voor elke leerling is een activiteitenpakket voorzien dat formeel in een (contract)werkbrief is vastgelegd. Verschillende soorten opdrachten: individuele opdrachten, per twee, opdrachten gericht op het verwerven van nieuwe informatie, inoefenen van geziene leerstof, … Welke doelen streeft men na? − Werken aan ‘zelfstandigheid/zelfsturing’ − Vakinhoudelijke kennis/vaardigheden/attitudes verwerven/verwerken − Eventueel ook samenwerkingsvaardigheden Als verwerving en/of verwerking van leerinhouden CONTRACTWERK

47 Hoe werkt men via contractwerk aan zelfstandigheid van kinderen? (zie ook correctiesleutel hoek ‘contractwerk’) Contractwerk is de werkvorm bij uitstek om te differentiëren tussen kinderen. Hoe? - Tempodifferentiatie: moetjes/magjes - Niveaudifferentiatie: A en B-reeksen van oefeningen, taken voor mij alleen, moetjes/magjes - Evt. differentiatie naar interesse Contractwerk geeft je ook ruimte om lln. Die extra ondersteuning nodig hebben, te begeleiden! CONTRACTWERK

48 Wat kan er op de contractbrief? Verschillend voor jongere/oudere kinderen Waarover afspraken maken met kinderen? Contractwerk is meer dan werkblaadjes invullen!!! CONTRACTWERK

49 Leerlingen gaan aan de hand van opdrachtkaarten, fiches, instructieve spelen, rijk materiaal individueel of in kleine groepjes in hoeken werken. In de hoek is een bepaalde structuur aangebracht die kinderen uitnodigt en uitlokt om tot activiteiten en zo tot leren te komen. HOEKENWERK

50 Mogelijke werkwijzen bij hoekenwerk: Carrousel-of doorschuifsysteem Moet-en maghoeken Vrije keuze met voorwaarde(n) Volledige vrije keuze Hoekenwerk in combinatie met contractwerk HOEKENWERK

51 Aandachtspunten bij hoeken/contractwerk: − Ga vooraf goed na welke klasruimte, materialen je ter beschikking hebt, pas je hoekenwerk/contractwerk hieraan aan. − Maak vooraf duidelijk over welke hulpmiddelen lln. beschikken en leer hen daarmee omgaan. − Maak duidelijke algemene afspraken. Voor elk vak/opdracht dezelfde afspraken. − Denk na over je begeleiding en communiceer dit aan lln. − Werk samen bewust aan zelfsturingsvaardigheden: samen plannen, evalueren, … − Volg de klasgewoonten HOEKEN/CONTRACTWERK

52 Project = planmatig handelen, een ontwerp maken vooraf, dit vervolgens realiseren. = vorm van totaliteitsonderwijs: de werkelijkheid als geheel onderzoeken, leergebiedoverschrijdend werken PROJECTWERK


Download ppt "Verschillende werkvormen DIDACTISCHE WERKVORMEN. Je kan werkvormen situeren binnen het didactisch model. Je kan toelichten wat didactische werkvormen."

Verwante presentaties


Ads door Google