De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

DIDACTISCHE WERKVORMEN Een werkvorm is geen doel op zich, maar een middel om een doel te bereiken of na te streven. BRON: Puzzelen aan een uitdagende leeromgeving.

Verwante presentaties


Presentatie over: "DIDACTISCHE WERKVORMEN Een werkvorm is geen doel op zich, maar een middel om een doel te bereiken of na te streven. BRON: Puzzelen aan een uitdagende leeromgeving."— Transcript van de presentatie:

1 DIDACTISCHE WERKVORMEN Een werkvorm is geen doel op zich, maar een middel om een doel te bereiken of na te streven. BRON: Puzzelen aan een uitdagende leeromgeving. (2008) A. Deleu, D. Wante, e.a.

2 HOE EEN WERKVORM KIEZEN? Er zijn heel wat factoren die de keuzen van de geschikte werkvorm meebepalen:. Kenmerken die te maken hebben met de les de les. Kenmerken die te maken hebben de leraar de leraar. Kenmerken die te maken hebben met de leerlingen de leerlingen. Kenmerken die te maken hebben met randvoorwaarden randvoorwaarden Bij het kiezen van een werkvorm laat je je leiden door een antwoord te formuleren op de volgende vragen:. Welke werkvormen zijn het meest geschikt voor het leerproces van de leerlingen?. Welke werkvormen stellen de leerlingen in staat om de doelen te behalen?. Wat kunnen de leerlingen zelf doen?. Welke ondersteuning moet jij aanbieden? Hoe moet jij begeleiden? Naar ‘wat werkt in de klas?’

3 DE LES. De doelstellingen. De lesfase D OELEN VAN DE LES

4 DE LERAAR. De onderwijsvisie. De onderwijsstijl. De didactische vaardigheden van de leraar. De beschikbare tijd

5 DE LEERLINGEN. Verschillen in leervermogen: concreet ingestelde leerlingen hebben het bijvoorbeeld moeilijker met instructievormen. Kunnen samenwerken. Faalangst. Thuismilieu: denk aan de mate van zelfstandigheid, verantwoordelijkheid

6 RANDVOORWAARDEN. De klasinrichting en materiële voorzieningen. Het schoolklimaat: ruimte voor vernieuwing of niet, het geheel van de waarden en normen die de school vooropstelt. De beschikbare tijd en het moment van de dag. De groepsgrootte

7 WAT WERKT IN DE KLAS? Enkele didactische werkvormen op een rij Doceren uitleggen vertellen instructie demonstreren Docerenuitleggenvertelleninstructiedemonstreren Aanbiedende werkvormen het onderwijsleergesprek het klasgesprek het leergesprek de discussie het onderwijsleergesprek het klasgesprek het leergesprekde discussie Gespreksvormen individuele opdracht huiswerk spreekbeurt rollenspel en simulatiespelindividuele opdrachthuiswerk spreekbeurt rollenspel en simulatiespel Opdrachtsvormen groepswerk peer tutoring Opdrachtsvormen die samen leren bevorderen voorbeelden Leerspelen De leerwandeling of excursieprojectwerk contractwerkhoekenwerkDe leerwandeling of excursieprojectwerk contractwerkhoekenwerk Onderwijsstrategieën

8 Doceren Op verbale manier nieuwe informatie aan leerlingen doorgeven WAT?. Leraar geeft inleiding, legt uit, licht toe, leest voor, houdt een betoog, verklaart begrippen. De leerlingen hebben een beperkte rol, een vaak passieve rol. Het gaat om éénrichtingsverkeer: de inhoud gaat via de leraar naar de leerlingen GESCHIKT VOOR:. Inleiding les: inhoud aangeven – doelen verduidelijken – de vorige les even opfrissen. Kern van de les: iets nieuws uit te leggen – abstracte inhouden overdragen aan grote groepen. In het slot: de belangrijkste feiten/ begrippen even overlopen TIPS:. Humor!. Let op de non-verbale feedback van je leerlingen.. Aandacht voor dynamische lesstijl (mimiek, gebaren, houding, oogcontact).. Oog voor taal (intonatie en stemvolume) en tempo.. Structureren, concretiseren en situeren in het geheel.. Rustpauzes en denkmomenten inbouwen.. Vragen laten stellen en ervaringen laten inbrengen.. De leerlingen zelf besluiten laten trekken.. Tussentijds samenvatten.

9 Uitleggen Wanneer de leerlingen woorden of uitdrukkingen niet begrijpen, de structuur niet zien of de leerinhoud te abstract vinden, vragen ze de leraar om uitleg. WAT? De manier waarop je iets uitlegt, is afhankelijk van de leerlingen (beginsituatie) HOE?. Je kan woorden of uitdrukkingen die leerlingen niet begrijpen verklaren - woordenboek raadplegen - een synoniem geven - het tegengestelde geven - een omschrijving geven - een afbeelding tonen - een werkwoord verklaren door de handeling uit te voeren - een verklaring in de context laten zoeken - het woord etymologisch laten verklaren - voorbeelden geven. De leerinhoud is te abstract, de uitleg van afzonderlijke woorden volstaat niet  aanschouwelijk werken of een analogie opbouwen. Het onderwerp is totaal nieuw - zorg voor voldoende ruime context - vertrek van begrippen die de leerlingen reeds kennen - betrek de leerlingen bij je uitleg - stel vragen aan de leerlingen om verder te komen. De leerlingen hebben moeite om de structuur te zien - overbodige details schrappen (in een tekst) - inhoud opsplitsen in deelgebieden en deel per deel aanbieden - hoofdlijnen op bord zetten en voldoende herhalen - hoofdstructuur reeds op een werkblad aanbieden

10 Vertellen Een Arabisch spreekwoord zegt: “Hij is de beste verteller die onze oren in ogen verandert.” WAT?. Vertellen lijkt op doceren, maar het accent ligt hier meer op het scheppen van een affectief klimaat.. Een authentieke situatie via een verhaal de klas binnenbrengen. TIPS:. Zorg voor sfeer in de klas.. Kondig het verhaal niet aan, maar zorg voor een pakkend begin.. Pas je taal aan.. Pas de keuze van het verhaal aan.. Zorg dat de leerlingen zich kunnen identificeren met één of twee personen in het verhaal.. Las stiltemomenten en rustpauzes in.. Let goed op de reacties, reageer tijdens het vertellen op de reacties van de luisteraars.

11 Instructie Instructie bevat aanwijzingen over wat of hoe iets moet gedaan worden. WAT? Je zegt de leerlingen duidelijk wat ze moeten doen en/of hoe ze iets moeten aanpakken. TIPS:. Zorg dat de leerlingen daadwerkelijk luisteren (stilte eisen, alles neerleggen).. Zo kort en duidelijk mogelijk formuleren: ingewikkelde instructies in stapjes opdelen (en eventueel op bord noteren).. Geef de werktijd aan.. Zorg dat de instructie volledig is, zodat je zelfstandig werk niet steeds moet onderbreken (wat - hoe - materiaal - tijd - …).. Voorzie een gelegenheid tot het stellen van vragen.. Ga na of ze de instructie goed begrepen hebben.

12 Demonstreren De leraar doet voor… de leerlingen hanteren zelf het materiaal niet. WAT? Wanneer de leraar een proef toont, een turnoefening voordoet, een lied zingt, … demonstreert hij iets. TIPS:. Betrek de leerlingen actief: geef kijkvragen of een observatieschema/ lijst. Zorg ervoor dat ALLE leerlingen jouw demonstratie goed kunnen zien. Zorg ervoor dat alle materiaal klaarstaat. Laat de leerlingen veel verwoorden

13 Het onderwijsleergesprek Het onderwijsleergesprek is een vraagvorm waarin de leraar de leerlingen stapsgewijs tot kennis en inzichten brengt aan de hand van gestructureerde vragen WAT?. De leraar stelt vragen, de leerlingen antwoorden, de leraar geeft feedback en vraagt door of speelt vragen door.. Een gespreksvorm waardoor er tweerichtingsverkeer is tussen de leerlingen en de leraar én de leerlingen onderling.. Door de vragen kan de leraar tot een doelgerichte en goedgeordende dialoog komen.. De leerlingen worden zelf aan het denken gezet. HOE?. Goed je vragen voorbereiden om het doel te bereiken.. Bewust uitgekozen, aanschouwelijk materiaal gebruiken zoals afbeeldingen, voorwerpen,…. Alle leerlingen het materiaal goed laten bekijken en eventueel laten betasten, aan laten ruiken,… (alle zintuigen!) TIPS:. Bereid het onderwijsleergesprek goed voor, zorg ervoor dat je vragen voldoende de denkactiviteit van je leerlingen stimuleren. Vertrek vanuit een motivatiemoment. Zorg dat ALLE leerlingen voldoende meedoen, ga regelmatig na of iedereen voldoende kan volgen. Kies niet te vaak voor deze werkvorm omdat het jou een veilig gevoel geeft, varieer voldoende in werkvormen. Ga op een tactvolle wijze om met de antwoorden van de leerlingen ( Wat denk jij ervan…? Kan jij aanvullen? Kan het niet anders? Ben jij het daarmee eens?... ). Leid als leraar het leren niet te sterk (het mag geen schoolse overhoring worden) - Bied voldoende denkhulp of stimuleer: kan je het anders zeggen? Wat bedoel je precies? Bemoedigend toeknikken… - Stel beperkende vragen zodat een beperkt aantal antwoorden goed is - Stel eerst de vragen aan de groep, geef denktijd en noem dan pas een naam - Speel antwoorden door aan andere leerlingen of vraag om een reactie aan medeleerlingen. Noteer begrippen, relaties op het bord/ een transparant

14 Het klasgesprek Bij een klasgesprek wisselen de leerlingen standpunten, eigen meningen en ervaringen uit. WAT?. Vaak een oriënterend gesprek als onderdeel van een les.. De taak van de leraar is het begeleiden, modereren va het gesprek tussen de leerlingen.. De leraar lokt veel initiatieven, reacties van de leerlingen uit.. De leraar zorgt dat alle leerlingen de kans krijgen om deel te nemen aan het gesprek. TIPS:. Onderbreek de stiltes niet! Tijdens die momenten denken de leerlingen immers na.. Rem snelle praters af.. Bescherm de beurten van minder snelle leerlingen.. Geef sommige leerlingen expliciete kansen (door een gesloten vraag te stellen, als opstapje naar meer misschien).. Wees alert op kleine non-verbale signalen (van stillere leerlingen) en biedt hen dan de kans om hun zegje te doen. ; Stel de gespreksregels samen met de leerlingen op

15 Het leergesprek Het leergesprek is een evaluatie/reflectiegesprek waarbij de leraar, na een taak, de leerlingen laat ervaren hoe zij hun aanpak kunnen verbeteren. WAT?. De verschillende oplossingswegen en hun juistheid, voor- en nadelen worden besproken, nadat de leerlingen zelfstandig een oefening maakten, een opdracht oplosten,…. Dit hangt dus samen met de werkmethode, werkhouding en minder met de inhoud.. De bedoeling is om de leerlingen aan te zetten na te denken over hun gebruikte werkwijze, oplossingsmethode, redenering,…. Dit kan individueel of in klasgroep. TIPS:. Stel je procesgericht op, laat verschillende oplossingsmethoden (ook niet correcte) uiteenzetten.. Laat de leerlingen zelf de vinger op de wonde leggen bij denkfouten.

16 De discussie Deze werkvorm sluit erg aan bij het klasgesprek, maar heeft echter wel een probleemoplossend karakter. WAT?. Er is communicatie tussen de leerlingen, waarin men een probleem probeert op te lossen, besluiten formuleert, een plan ontwerpt,…. De discussie verloopt doelgericht en volgens een stappenplan.. Soorten: Een forumdiscussie (na info door forumleden) – paneldiscussie – een open-stoel-discussie – een carrouseldiscussie – een bord- en muurdiscussie HOE?. Wat is het probleem?. Wat bespreken we eerst? (afbakenen van het probleem). Zoeken naar verschillende (!) mogelijke oplossingen.. De oplossingswijzen bespreken: afwegen van de voorstellen en zoeken naar de beste oplossing.. Formuleren van een conclusie. TIPS:. Begeleid het proces genoeg zodat er vaart in de discussie zit.. Beperk de groepsgrootte (max. 15). Heb aandacht voor de discussievaardigheden van de leerlingen.

17 Individuele opdracht Alle taken, oefeningen die de leerlingen alleen uitvoeren voor, tijdens of na de les noemen we een individuele opdracht. WAT?. Deze werkvorm bevordert de zelfwerkzaamheid/ zelfsturing van de leerlingen.. Meer concrete doelstellingen hangen af van hoe je de opdracht invoert in de les. HOE?. Voor de les - werkelijkheidsnabije situaties introduceren - betrokkenheid verhogen (vb. leerlingen bepalen zelf een deel van de inhoud). Na de les - de aangeboden inhouden verwerken en inoefenen - ter evaluatie: zijn de doelstellingen bereikt?. Een les vervangen door opdrachten - bepaalde delen vragen veel inoefenwerk - differentiëren - leerlingen leren zelfstandig werken (de leraar begeleidt) TIPS:. Geef duidelijke en volledige instructies voor de leerlingen beginnen.. Zorg voor zinvolle opdrachten in functie van de doelstellingen.. Voorzie begeleiding en controle tijdens het uitvoeren van de opdracht.. Heb oog voor differentiatie: extra opdrachten voor wie klaar is, andere opdrachten voor bepaalde leerlingen,…. Plan een evaluatie en/of nabespreking met feedback.. Soms kan het nodig zijn om bepaalde opdrachten op verschillende manieren te formuleren. Dit breekt de eentonigheid bij het inoefenen.

18 Huiswerk Concrete voorbereidings- en verwerkingsopdrachten worden meegegeven met de leerlingen die ze meestal thuis zelfstandig uitwerken. WAT? Huiswerk kan zinvol zijn:. Als voortzetting, verdieping of voorbereiding van het werk in de klas.. Om levensechte situaties binnen te brengen in de klas.. Om leerlingen zelfstandig en zelfgestuurd te leren werken.. Om bijkomende hulp te verlenen voor een aantal leerlingen. TIPS:. Huiswerk moet voorbereid zijn in eerdere leeractiviteiten, tenzij het een oriënterende taak betreft. Het is niet de bedoeling om volledig nieuwe zaken aan te brengen.. Huiswerk vraagt een aantal vaardigheden van de leerlingen: plannen, zichzelf bewaken, controleren,… Je kan hen hier best op voorbereiden en in begeleiden.. Via huiswerk kan je met de ouders communiceren. Je dient de ouders wel op de hoogte te brengen van het waarom van sommige taken. Het kan niet de bedoeling zijn dat zij het werk van de leraar overnemen.. Zorg dat het huiswerk niet te belastend wordt voor de leerlingen.. Denk aan de verschillende thuiscontext.. De leerlingen moeten er zeker van zijn dat er iets met hun werk gebeurt in de klas (correcte, feedback, verwerking in groepsactiviteit, tentoonstellen in de klas,…).. Geef mogelijkheden tot differentiatie. «Huiswerk, schaf af die boel?»

19 Spreekbeurt De leerling bereidt een bepaald onderwerp (naar keuze) voor en brengt dit voor de klasgroep. WAT? De leerling leert hierbij vanuit eigen interesse en leert ook iets voor de klasgroep te brengen (spreekvaardigheden, sociale vaardigheden). TIPS:. Help de leerlingen bij het kiezen en uitwerken van het onderwerp.. Laat de spreekbeurt niet te lang duren.. Spreid de presentaties over meerdere weken (lessen). Iedereen moet ook zijn aandacht er kunnen blijven bijhouden tijdens het luisteren.

20 Rollenspel en simulatiespel Een rollenspel is een meer gesloten variant van het simulatiespel. Simulatiespelen zijn abstracter, grootschaliger en er wordt meer structuur (voorwaarden en eisen) vastgelegd. WAT?. Simulatiespel: inleefspelen (vb. Studio Globo), nadenken en spelen over bijvoorbeeld ‘als er geen geld was’,…vb. Studio Globo Het simulatiespel wil vooral structuren en processen duidelijk maken.. Rollenspel: het rollenspel heeft vooral betrekking op het psychologisch handelen van individuele mensen. Via een persoonlijke beleving krijgen de leerlingen de kans inzichten te verwerven in een onderwerp. TIPS: VOORAF. Zorg voor een goed ontwerp van de rollen, de leerlingen moeten zich goed kunnen inleven.. Leg de leerlingen goed uit welke rollen er zijn, dat ze realistisch moeten spelen,…. Rolverdeling: door leraar of leerlingen? Dwing geen rollen op! Maak de leerlingen duidelijk dat ze een rol spelen en niet zichzelf.. Inoefenen: geef de leerlingen de tijd om zich in hun rol in te leven.. Je kan ook gebruik maken van een opwarmingsactiviteit zodat de leerlingen zich wat comfortabeler voelen. TIJDENS. Iedereen moet de spelers kunnen zien.. De leerlingen die niet spelen krijgen een observatieopdracht (i.f.v. je doelen).. De werksfeer is belangrijk: openheid en vertrouwen.. Kom als leraar niet te snel tussen. ACHTERAF. Laat de leerlingen hun gevoelens verwoorden/ uitdrukken en vraag daarna naar de reactie van de observatoren.. Je kan het spel ook op video opnemen. Dan kan je samen de beelden bekijken en nabespreken.. Let er op dat de leerling als speler (rol) en niet als persoon wordt aangesproken. Het gaat over de rol die hij/zij speelde.. Zorg voor een grondige bespreking van het rollenspel. Het gaat om de doelen en niet het spel.

21 Groepswerk Leerlingen leren veel van en door elkaar. Interactie is een belangrijke factor om dingen beter onder de knie te krijgen. Leerlingen begrijpen het ook beter wanneer ze zelf iets aan anderen kunnen uitleggen. WAT?. In een klein groepje samenwerken aan een opdracht.. Naast samenwerken worden ook de volgende vaardigheden gestimuleerd: plannen, informatie verzamelen, verbanden zoeken, besluiten formuleren,… SOORTEN GROEPSWERK:. Koppelwerk of partnerwerk: per twee.. Parallel groepswerk: de opdrachten en het informatiemateriaal zijn in elke groep hetzelfde.. Complementair groepswerk: de opdrachten en het informatiemateriaal verschillen per groep. Hier is differentiatie mogelijk.. Gecombineerd groepswerk: sommige opdrachten zijn voor alle groepen hetzelfde, andere opdrachten zijn verschillend voor elke groep.. Gefaseerd groepswerk met experts: in een eerste stap werkt elke groep een verschillende opdracht uit, in een tweede stap worden de groepen herverdeeld waardoor er in elke groep een vertegenwoordiger (expert) zit van de eerste groep. De verzamelde info van de eerste stap wordt uitgewisseld en verwerkt in functie van de (nieuwe) opdracht. Elke leerling is dus verantwoordelijk voor het goed volbrengen van de opdracht. HOE IEDEREEN BETREKKEN EN AANZETTEN TOT ACTIEF MEEWERKEN?. Genummerde hoofden: er worden groepen van 4 gevormd en binnen elke groep krijgt elk groepslid een nummer (van 1 tot 4). De groepsopdracht wordt uitgelegd en de leerlingen moeten tot een gezamenlijk antwoord komen. Elke leerling moet het groepsantwoord kunnen toelichten. Bij de bespreking geeft de leerling aan wie moet antwoorden door een willekeurig nummer te zeggen.. De placematmethode: Elke groepje krijgt een flap met daarop de volgende figuur Elk groepslid noteert in eigen vak zijn/haar antwoord. Wat opgeschreven werd, wordt vervolgens besproken. De notulist noteert in het middenvak waarover de groep het eens is.. Spionnetje: De leerlingen nemen een kijkje in de resultaten van andere groepen. Leerlingen (of een leerling) van een bepaald groepje kijken over de schouders van een andere groep mee. Of alle groepen ronden een taak af, de groepsleden krijgen een nummer (1 tot 4) en vervolgens gaan alle nummers 1 samen zitten, alle nummers 2, … Elke leerling wisselt zijn kennis uit en verzamelt nieuwe info van de andere groepen.

22 TIPS:. Bereid je goed voor op vlak van aanpak én organisatie.. Denk na over een individuele voorbereiding (vind je dit nodig of niet) op het groepswerk, zodat iedere leerling aan het werk wordt gezet en een actieve inbreng doet.. Maak organisatorische afspraken(samen met de leerlingen) en herinner de leerlingen daar regelmatig aan.. Hoe ga je het lokaal schikken?. Hoe ga je de groepen indelen? Bepaal jij dit of doen de leerlingen dit? Wie zet je samen? Op basis van welk criterium?. Wie zal de groepsleider aanduiden? Op basis van welk criterium? Moeten er nog rollen verdeeld worden?. Bedenk vooraf of je: - eerst de groepen indeelt (ma. 4 tot 5 leerlingen per groep), de leerlingen in hun groep laat plaatsnemen en dan de opdrachten geeft; - ofwel eerst de opdrachten geeft, dan de groepen verdeelt en de leerlingen in hun groepen laat plaatsnemen.. Soms is het nodig om het groepswerk even stil te leggen om: - bij te sturen; - of bijkomende uitleg te geven bij veelvoorkomende problemen.. Hoe wil je dit ‘evalueren’? Enkel het eindproduct of ook het groepsproces (de samenwerking)? Welke criteria hanteer je daarbij?. Je kan ook ideeën halen uit de CLIM-metodiek: Coöperatief Leren In Multiculturele groepen.

23 Peer tutoring Een vorm van samenwerken waarin duidelijk sprake is van een helpersrelatie tussen een ‘begeleidende’ leerling en een ‘begeleide’ leerling. WAT?. De ene leerling (helper of tutor) helpt de andere leerling (de tutee).. Het begrip ‘tutor’ verwijst dus naar de leerling die een andere leerling begeleidt, ondersteunt.. Deze werkvorm gebruikt men vaak bij het inoefenen van bepaalde strategieën (vb. leesstrategieën). TIPS:. Het is belangrijk dat beide leerlingen van elkaar kunnen leren. De tutor moet dus ook een meerwaarde kunnen ervaren.. Alle rollen zijn wederkerig, dus ook de minder begaafde leerling kan als tutor optreden.. Bereid de leerlingen voor, ondersteun hen in hun tutor-zijn.

24 Leerspelen Een leerinhoud wordt ingebouwd in een bekende spelvorm. VOORBEELDEN:. Ganzenbord. Scrabble. Kwartetspel. Domino. Quiz. … TIPS:. Je kan zelf een spel maken of op zoek gaan naar bestaande spelen.. Meer info vind je bij het Centrum voor Informatieve Spelen (C.I.S.):

25 Leerwandeling of excursie Een stapje in de wereld zetten… Deze werkvorm is één van de meest levensechte. WAT? Een leerwandeling heeft enkel zin als ze goed voorbereid is en in een bepaald programma past:. de leerwandeling kan een introductie zijn;. de leerlingen kunnen als slot van een lessenreeks op excursie gaan;. de leerwandeling kan een onderdeel zijn van de onderzoeksfase. TIPS:. Vraag toestemming bij je directie.. Verken zelf vooraf waar je naar toe wil.. Zorg dat de leerlingen op voorhand goed weten waarom ze ergens heengaan en wat er te beleven valt.. Maak vooraf duidelijke afspraken met de leerlingen.. Laat de leerlingen eenmaal ter plaatse eerst even acclimatiseren.. Laat de leerlingen zoveel mogelijk zelf op onderzoek gaan (met of zonder opdrachten).. De opdrachten mogen het vrij ontdekken niet belemmeren en zijn vooraf besproken met de leerlingen.. Het is belangrijk om te zorgen voor rijke verwerkings- en expressiemogelijkheden (terug op school).. Voorzie voldoende begeleiding.

26 Contractwerk Voor elke leerling wordt een activiteitenpakket samengesteld dat formeel wordt vastgelegd in een (contract)werkbrief. De leerlingen beschikken over een bepaalde periode (de contractwerktijd) om relatief zelfstandig het contract te kunnen uitvoeren. Meer info: en op Toledo!www.cego.be

27 Hoekenwerk Hoekenwerk is net zoals contractwerk een manier om leerlingen zelfstandig te leren werken en leren. De leerlingen werken op eigen ritme en op eigen niveau aan de hand van opdrachtenkaarten, fiches, instructieve spelen, rijk materiaal, in groepjes, individueel,… in verschillende afgebakende hoeken. Meer info: en op Toledo!www.cego.be

28 Projectwerk Een aaneenschakeling van intrinsiek gemotiveerde activiteit van de leerlingen, gericht op het ontdekken en exploreren van een brok realiteit. Het ontstaat wanneer kinderen op bepaalde vragen, onderwerpen, thema’s of problemen stoten die hen sterk aanspreken. Projectonderwijs krijgt vorm doorheen een cyclische beweging van onderzoek (verkenning) en rapportage (verwerking). WAT? Binnen projectwerk kunnen we verschillende fasen onderscheiden: 1. onderwerpkeuze (door leraar, leerlingen of beiden) 2. onderhandelen (de fantasie- of brainstormronde) 3. verzamelen (opstellen werkschema en opzoekingswerk) 4. uitwerken (informatie wordt verwerkt tot een samenhangend geheel) 5. presenteren (naar voor brengen wat ze allemaal gedaan/ geleerd hebben) 6. evalueren (terugblik op resultaten en manier van werken, het proces) Meer info vind je in het boek “Projectwerk, een opening naar de werkelijkheid” (2001). E. Bakkers en L. Heylen.


Download ppt "DIDACTISCHE WERKVORMEN Een werkvorm is geen doel op zich, maar een middel om een doel te bereiken of na te streven. BRON: Puzzelen aan een uitdagende leeromgeving."

Verwante presentaties


Ads door Google