De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

H2 Lineaire Verbanden. Case Vraag en Aanbod In de EU kan de botermarkt gezien worden als een markt van volledige mededinging. Er zijn veel aanbieders.

Verwante presentaties


Presentatie over: "H2 Lineaire Verbanden. Case Vraag en Aanbod In de EU kan de botermarkt gezien worden als een markt van volledige mededinging. Er zijn veel aanbieders."— Transcript van de presentatie:

1 H2 Lineaire Verbanden

2 Case Vraag en Aanbod In de EU kan de botermarkt gezien worden als een markt van volledige mededinging. Er zijn veel aanbieders van boter en er zijn veel vragers naar boter. Op een bepaald moment zijn de volgende gegevens bekend op deze markt:

3 Case Vraag en Aanbod Vraag bij een prijs van 40 euro per ton is de vraag 7 miljoen ton per maand bij een prijs van 60 euro per ton is de vraag 5 miljoen ton per maand

4 Case Vraag en Aanbod Aanbod bij een prijs van 30 euro per ton is het aanbod 3 miljoen ton per maand bij een prijs van 50 euro per ton is het aanbod 7 miljoen ton per maand

5 Case Vraag en Aanbod De Europese Commissie voor Landbouw in Brussel stelt een minimumprijs van 50 euro per ton in om boeren perspectief te bieden op een fatsoenlijk inkomen. Door het instellen van deze minimumprijs ontstaat er een overschot. Dit wordt veroorzaakt doordat de vraag achter blijft bij het aanbod. Het overschot wordt opgekocht door ‘Brussel’ tegen de minimumprijs.

6 Case Vraag en Aanbod Voordat deze maatregel ingesteld wordt, dient bekend te zijn hoeveel geld dit op jaarbasis gaat kosten. Hierbij wordt de veronderstelling gemaakt dat vraag- en aanbodverbanden tussen prijs en afzet lineair van karakter zijn.

7 Lineair Verband Voorbeeld: Y = 2X + 1 Vul waarden voor X in X = 1, Y = = 3 X = 2, Y = = 5 X = 3, Y = = 7 X = 4, Y = = 9 We vinden (1,3), (2,5), (3,7) en (4,9). Trek een lijn door deze punten!

8 Algemene gedaante lineair verband Regel 1 De algemene gedaante van een lineair verband is y = ax + b a is de richtingscoëfficiënt b is de constante

9 Algemene gedaante lineair verband Voorbeeld: y = 3x + 5, dan is a = 3, b = 5 y = -3x – 2, dan a = -3, b = -2

10 Snijpunt y-as Regel 2 Bij een snijpunt met de y-as is x = 0, bij een snijpunt met de x-as is y = 0.

11 Snijpunt y-as Voorbeeld: y = 2x + 1 Voor snijpunt y-as geldt x = 0 We vullen x = 0 in, dan y = = 1 Het snijpunt met de y-as is (0,1)

12 Snijpunt x-as Vervolg voorbeeld We vullen voor het snijpunt met de x-as y = 0 in: 2x + 1 = 0 Dan 2x + 1 – 1 = 0 – 1 Dus 2x = -1, deel beide kanten door 2 We vinden x = -1/2, het snijpunt is (-1/2, 0).

13 Snijpunt x-as en y-as in grafiek Snijpunt x-as (-1/2,0) Snijpunt y-as (0,1)

14 Richtingscoëfficiënt Voorbeeld: y = 2x + 1 Als x = 1, dan y = 3 Als x = 3, dan y = 7 Δx = 3 – 1 = 2 Δy = 7 – 3 = 4 De richtingscoëfficiënt is Δy/Δx = 4/2 = 2

15 Richtingscoëfficiënt Regel 3 Bij een lineair verband y = ax + b geldt dat de richtingscoëfficiënt a = Δy/Δx. Als a > 0, dan is het lineaire verband stijgend als a < 0, dan is het lineaire verband dalend als a = 0, dan hebben we een constante.

16 Richtingscoëfficiënt Voorbeeld: y = 5x + 2 is een stijgend verband y = -4x + 3 is een dalend verband y = 7 is een constante

17 Snijpunt twee lineaire verbanden Voorbeeld: y = 5x + 2 en y = 2x + 7 Wat is het snijpunt? Bij het snijpunt zijn x- en y-waarde gelijk. Dan 5x + 2 = 2x + 7 dus 5x – 2x = 7 – 2 Volgt dat 3x = 5 en x = 5/3 = 1 2/3 Invullen: y = 5. 5/3 + 2 = 25/3 + 2 = 10 1/3 Het snijpunt is (1 2/3, 10 1/3)

18 Snijpunt twee lineaire verbanden Snijpunt (1 2/3, 10 1/3)

19 Ongelijkheden en lineaire verbanden Regel 4 > betekent groter dan ≥ betekent groter dan of gelijk aan < betekent kleiner dan ≤ betekent kleiner dan of gelijk aan

20 Ongelijkheden en lineaire verbanden Voorbeeld: Voor welke waarden van x is y = 5x + 2 groter dan y = 2x + 7? Stel de volgende ongelijkheid op: 5x + 2 > 2x + 7 Breng 2x naar links van het groter-danteken en 2 naar rechts. Je krijgt dan 5x – 2x > 7 – 2 ofwel 3x > 5 Beide zijden delen door 3 geeft: x > 5/3

21 Ongelijkheden en lineaire verbanden Voor alle x-waarden waarvoor geldt x > 5/3 is y = 5x + 2 groter dan y = 2x + 7. Dit is het gekleurde deel in de grafiek.

22 Ongelijkheden en lineaire verbanden Regel 5 Delen door een positief getal bij een ongelijkheid laat het ongelijkheidsteken ongemoeid. Delen door een negatief getal bij een ongelijkheid laat het ongelijkheidsteken omdraaien.

23 Ongelijkheden en lineaire verbanden Voorbeeld: Los op: 2x + 6 ≤ 5x – 3 Breng 5x naar links van het kleiner/gelijk-teken en 6 naar rechts: 2x – 5x ≤ -3 – 6 En je vindt: -3x ≤ -9 Beide kanten delen door -3 wordt: x ≥ 3. Het ongelijkheidsteken is nu omgedraaid.

24 Ongelijkheden en lineaire verbanden Voor alle x-waarden waarvoor geldt x ≥ 3 geldt dat 2x + 6 ≤ 5x – 3. Dit is het gekleurde deel in de grafiek.

25 Lineair verband opstellen Voorbeeld: Gegeven de punten (2,1) en (3,5) Stel het lineair verband op dat door deze twee punten loopt.

26 Lineair verband opstellen Manier 1 Algemene gedaante is y = ax + b Invullen eerste punt geeft 1 = a.2 + b Invullen tweede punt geeft 5 = a.3 + b – Van elkaar afhalen Dan valt b weg: -4 = a.-1 Vermenigvuldigen met -1: 4 = a, ofwel a = 4!

27 Lineair verband opstellen We vinden y = 4x + b Vul het eerste punt (2,1) in Dan zien we 1 = b Ofwel 1 = 8 + b Dan is b = -7 Het lineaire verband is y = 4x – 7

28 Lineair verband opstellen Manier 2 We gebruiken de richtingscoëfficiënt. Bij de punten (2, 1) en (3, 5) geldt: Δx = 3 – 2 = 1 Δy = 5 – 1 = 4 Dus a = Δy/Δx = 4/1 = 4.

29 Lineair verband opstellen Je hebt y = 4x + b. Invullen van bijvoorbeeld (2, 1) geeft dat y = 4x + b dan wordt 1 = b Hier volgt dan uit dat b = -7. Ook nu vind je de gedaante y = 4x – 7.

30 Twee vergelijkingen met twee onbekenden Voorbeeld: 7x + 6y = 32 2x + 4y = 16 Vermenigvuldig beide vergelijkingen: 7x + 6y = 32 | * 2| 2x + 4y = 16 | * 3| Dan vinden we 14x + 12y = 64 6x + 12y = 48

31 Twee vergelijkingen met twee onbekenden 14x + 12y = 64 6x + 12y = x = 16 We delen door 8 en vinden x = 2. Nu invullen in 2x + 4y = 16 -> y = 16, ofwel 4 + 4y = 16, 4y = 16 – 4 = 12, delen door 4 geeft y = 3 Oplossing: x = 2 en y = 3.

32 Twee vergelijkingen met twee onbekenden Regel 6 De algemene gedaante y = ax + b noem je de expliciete gedaante van een lineair verband; de algemene gedaante ax + by = c noem je de impliciete gedaante van een lineair verband.

33 Twee vergelijkingen met twee onbekenden Voorbeeld: 2x + 4y = 16 is de impiciete gedaante van een lineair verband. 2x + 4y = 16 is te herschrijven als 4y = -2x + 16 Beide kanten delen door 4 geeft y = -1/2 x + 4 Dit is de expliciete gedaante van het lineair verband.

34 Oplossen case Vraag en Aanbod We maken hierbij gebruik van een stappenplan. I Vertaal de tekst in een wiskundige notatie II Bepaal de afhankelijke en onafhankelijke variabele IIIStel de lineaire verbanden van vraag en aanbod op IVBepaal het aanbodoverschot en de financiële consequentie VTeken de lineaire verbanden in één grafiek

35 Oplossen case Vraag en Aanbod I Vertaal de tekst in een wiskundige notatie p staat voor prijs in 10 euro per ton q staat voor afzet in miljoen ton per maand Vraag bij p = 4 is q = 7 bij p = 6 is q = 5 Aanbod bij p = 3 is q = 3 bij p = 5 is q = 7

36 Oplossen case Vraag en Aanbod IIBepaal de afhankelijke en onafhankelijke variabele In het algemeen zijn de vraag en het aanbod afhankelijk van een bepaalde prijsstelling. De prijs is de onafhankelijke variabele, de vraag en het aanbod zijn afhankelijke variabelen.

37 Oplossen case Vraag en Aanbod IIIStel de lineaire verbanden van vraag en aanbod op De algemene gedaante van een lineaire vergelijking: q = ap + b Vraag Invullen de combinaties p = 4, q = 7 en p = 6, q = 5 geeft 7 = 4a + b 5 = 6a + b

38 Oplossen case Vraag en Aanbod Oplossen stelsel: 7 = 4a + b 5 = 6a + b - 2 = -2a Dus a = -1. Invullen in bijvoorbeeld 7 = 4a + b geeft 7 = b ofwel 7 = -4 + b, dus b = 11 Het lineaire verband tussen vraag en prijs luidt: q = -p + 11.

39 Oplossen case Vraag en Aanbod Aanbod Invullen de combinaties p = 3, q = 3 en p = 5, q = 7 in de algemene gedaante y = ax + b geeft 3 = 3a + b 7 = 5a + b

40 Oplossen case Vraag en Aanbod Oplossen stelsel: 3 = 3a + b 7 = 5a + b - -4 = -2a Dus a = 2. Invullen in bijvoorbeeld 3 = 3a + b geeft 3 = b ofwel 3 = 6 + b, dus b = -3 Het lineaire verband tussen vraag en prijs luidt: q = 2p – 3.

41 Oplossen case Vraag en Aanbod IVBepaal het aanbodoverschot bepalen en de financiële consequentie De minimumprijs wordt ingesteld op 50 euro per ton. Invullen p = 5 in het aanbod en de vraag: Aanbod: q = 2p – 3 wordt q = 2.5 – 3 = 7. Vraag: q = -p + 11 wordt q = = 6. Het aanbodoverschot is 7 – 6 = 1 miljoen ton per maand. Dit wordt opgekocht tegen de minimumprijs. Dat kost 50 miljoen euro per maand, dus 600 miljoen euro per jaar.

42 Oplossen case Vraag en Aanbod VTeken de lineaire verbanden in één grafiek


Download ppt "H2 Lineaire Verbanden. Case Vraag en Aanbod In de EU kan de botermarkt gezien worden als een markt van volledige mededinging. Er zijn veel aanbieders."

Verwante presentaties


Ads door Google