De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De inhoud van dit thema: 1-1 1.2De functie helpende zorg en welzijn 1.3 HZW in verzorgings- en verpleeghuizen en ziekenhuizen 1.4 HZW in de thuiszorg 1.5.

Verwante presentaties


Presentatie over: "De inhoud van dit thema: 1-1 1.2De functie helpende zorg en welzijn 1.3 HZW in verzorgings- en verpleeghuizen en ziekenhuizen 1.4 HZW in de thuiszorg 1.5."— Transcript van de presentatie:

1 De inhoud van dit thema: De functie helpende zorg en welzijn 1.3 HZW in verzorgings- en verpleeghuizen en ziekenhuizen 1.4 HZW in de thuiszorg 1.5 HZW in psychiatrie/mensen met psychische of lichamelijke beperking 1.6 HZW in de kinderopvang en het peuterspeelzaalwerk 1.7 HZW in sociaal-cultureel werk, wijkopbouwwerk en buurtwerk 1.8 HZW in maatschappelijke zorg en dienstverlening 1.9 HZW in de jeugdzorg 1.10 HZW in (crisis-)opvangcentra 1.11 Tips voor de praktijk

2 De functies van een ziekenhuis zijn: 1-2 tijdelijk verblijf specialistische hulp behandeling

3 De functies van een verzorgingshuis zijn: 1-3 permanent verblijf verzorging begeleiding recreatie lichte verpleging

4 De functies van een verpleeghuis zijn: 1-4 permanent verblijf verzorging begeleiding recreatie zwaardere verpleging medische behandeling

5 De functies van de thuiszorg zijn: 1-5 ondersteuning bij het zelfstandig wonen verzorging: huishoudelijk en lichamelijk voorlichting: voeding- en dieetadviezen, maaltijdvoorzieningen lichte verpleging mantelzorgondersteuning alarmopvolging hulp in crisissituaties

6 De functies van woonvormen van mensen met een beperking zijn: 1-6 opvang en verblijf verzorging en bescherming opvoeding en begeleiding activering en vrijetijdsbesteding opleiding en training hulpverlening en behandeling

7 Kinderopvang: 1-7 opvang bieden aan kinderen op momenten dat de ouders werken kinderen een klimaat bieden waarin zij zich optimaal kunnen ontwikkelen

8 Peuterspeelzaal: 1-8 kinderen worden gestimuleerd in hun ontwikkeling kinderen krijgen de gelegenheid met andere kinderen te (leren) spelen kinderen doen andere ervaringen op dan thuis en wennen aan een groep

9 Verschil kinderopvang en peuterspeelzaal: 1-9 doel kinderopvang: opvang en opvoeding doel peuterspeelzalen: ontmoeting en educatie

10 Sociaal-cultureel werk, wijkopbouwwerk en buurtwerk: 1-10 het verbeteren van de leefomstandigheden van mensen in wijken, buurten en dorpen het bevorderen van integratie, emancipatie en participatie in de samenleving het bieden van informatie, advies, ondersteuning, ontmoeting en activiteiten aan individuele bewoners en groepen

11 Maatschappelijke zorg en dienstverlening: 1-11 het geven van informatie, (juridisch) advies en cliëntondersteuning praktische hulpverlening, zoals schuldhulpverlening; signalering van hiaten in het hulpverleningsaanbod en van groepen die in de samenleving buiten de boot vallen doorverwijzing naar specialistische hulpverlening als bijvoorbeeld de geestelijke gezondheidszorg

12 Bureau Jeugdzorg: 1-12 indicatiestelling voor de jeugdhulpverlening en jeugdbescherming jeugdhulpverlening en verwijzing naar andere hulpverlening jeugdbescherming Advies en Meldpunt Kindermishandeling (AMK) jeugdreclassering

13 Jeugdzorgvoorzieningen zorgen voor: 1-13 opvang en verblijf verzorging en bescherming opvoeding en begeleiding opleiding en training hulpverlening en behandeling

14 (Crisis-)opvang: 1-14 onderdak en verblijf bieden van veiligheid en bescherming verzorging geven van informatie en advies ondersteuning bij de oplossing van problemen en soms behandeling woonbegeleiding bieden van kinderopvang crisisinterventie: ingrijpen bij bijvoorbeeld mishandeling

15 De inhoud van dit thema: Waarden en normen 2.3Cultuur 2.4Levensbeschouwing 2.5Christendom; katholieken en protestanten 2.6Islam 2.7Jodendom 2.8Hindoeïsme 2.9 Boeddhisme 2.10Gewoonten 2.11Seksualiteitsbeleving 2.12Tips voor de praktijk

16 Waarden en normen: 2-2 waarden: opvattingen over goed of slecht en mooi of lelijk normen: verwachtingen over gedrag bepaald door cultuur, godsdienst, opvoeding

17 Cultuur, wat moet je ervan weten? 2-3 het geheel van waarden en normen dat doorgegeven wordt aangeleerd Nederland is multicultureel primaire socialisatie: gezin en school secundaire socialisatie: onder andere vrienden, kennissen, media

18 Levensbeschouwing, wat moet je weten? 2-4 kijk op het leven religieus niet-religieus

19 Kenmerken van het christendom: 2-5 katholieken en protestanten Oude en Nieuwe Testament onsterfelijkheid van de ziel zondag is rustdag feestdagen: Pasen en Kerstmis Katholieken: kerkelijk leider: paus kardinalen, bisschoppen, priesters mis is gebedsdienst kerken met beelden, pracht en praal Protestanten: geen kerkelijk leider dominee verschillende stromingen avondmaal bijbellezen

20 Kenmerken islam: 2-7 Mohammed is stichter Koran God is Allah vijf zuilen Ramadan kledingvoorschriften

21 Jodendom: 2-8 onsterfelijkheid van de ziel Thora Talmoed spijswetten sabbat feest: Pesach

22 Hindoeïsme: 2-9 meerdere goden karma geen religieuze leider yoga kastenstelsel in India geweldloosheid

23 Boeddhisme: 2-10 geen God Siddharta kringloop nirwana geen geweld respect voor levende wezens

24 Gewoonten: 2-11 vormen dagelijks patroon geven houvast moeilijk te veranderen

25 Seksualiteitsbeleving: 2-12 verschillende mensen, verschillende beleving: beleving vaardigheid interactie houding

26 De inhoud van dit thema: Respectvol ondersteunen 3.3 Positieve basishouding en omgangsvormen 3.4 Respect bij lichamelijk contact 3.5 Privacy respecteren 3.6 Tips voor de praktijk

27 Respectvol ondersteunen: 3-2 de ander helpen bij dingen die hij niet kan zelfstandigheid stimuleren de ander in zijn waarde laten en positief benaderen zoveel mogelijk privacy bieden

28 Positieve basishouding en omgangsvormen: 3-3 aansluiten bij wat iemand kan omgangsvormen afstemmen op de ander

29 Persoonlijke integriteit: 3-4 ga nooit over persoonlijke grenzen wees duidelijk wat je doet en waarom gebruik geen dwang

30 Voor het omgaan met privacy van cliënten geldt: 3-5 privacy beschermen privacy respecteren vertrouwelijke informatie geheimhouden nooit namen van cliënten noemen buiten je werk inleven in de cliënt zorgvuldig omgaan met lichamelijkheid van de cliënt respect tonen voor persoonlijke eigendommen

31 De inhoud van dit thema: Professioneel werken; enkele begrippen 4.3Tips voor de praktijk

32 Begrippen professioneel werken: 4-2 professie beroepscode / gedragscode beroepsgeheim beroepshouding

33 De inhoud van dit thema: Wat is methodisch werken? 5.3 Voordelen van methodisch weken 5.4 Beginsituatie bepalen 5.5 Het observatieplan 5.6 Doel, plan, uitvoering en evaluatie 5.7 Tips voor de praktijk

34 Methodisch werken is: 5-2 een vaste, doordachte manier van handelen met een bepaald doel in een methodische cyclus: voorbereiden, uitvoeren, evalueren

35 Voordelen van methodisch werken: 5-3 je weet waarom je iets doet er is een logische volgorde je kunt een tijdsplanning maken je kunt goed evalueren je kunt overnemen van of overdragen aan anderen het geeft houvast voor jou en voor de cliënt

36 De beginsituatie bepalen door observatie: 5-4 nauwkeurig objectief feitelijk zo onopvallend mogelijk

37 Het observatieplan bevat informatie over: 5-5 de persoon het gedrag het doel de tijdstippen de manier van observatie de verwerking van gegevens

38 Na het vaststellen van de beginsituatie: 5-6 doelen formuleren plan maken plan uitvoeren plan evalueren

39 De inhoud van dit thema: Helpende zorg en welzijn en plannen 6.3 Het werkplan 6.4 Het protocol 6.5 Het zorgplan 6.6 Het begeleidingsplan 6.7 Tips voor de praktijk

40 Plannen waar je als helpende zorg en welzijn mee te maken krijgt: 6-2 zorgplan begeleidingsplan activiteitenplan werkplan protocol

41 Werkplan: 6-3 verzamelnaam schriftelijk concrete uitwerking van een groter plan vijf w’s van simpel tot ingewikkeld voor een individu of een groep voor een begeleider persoonlijk of voor een team helpende zorg en welzijn assisteert bij de uitvoering regelmatig evalueren en bijstellen

42 Protocol: 6-4 overzicht afspraken volgens een bepaalde volgorde

43 Het zorgplan: 6-5 gaat over zorgverlening een persoonlijk plan wensen en behoeften van cliënt staan centraal samen met cliënt en/of zijn vertegenwoordigers opstellen 5 W’s regelmatig evalueren en bijstellen helpende zorg en welzijn assisteert bij de uitvoering

44 Het begeleidingsplan: 6-6 gaat over begeleiding een persoonlijk plan wensen en behoeften van cliënt staan centraal samen met cliënt en/of zijn vertegenwoordigers opstellen 5 W’s regelmatig evalueren en bijstellen helpende zorg en welzijn assisteert bij de uitvoering

45 De inhoud van dit thema: Dienstrooster 7.3 Volgorde van werkzaamheden 7.4 Werkschema en afdelingsagenda 7.5 Overleg en contact met cliënten 7.6 Overleg met omgeving cliënt 7.7 Doorverwijzen naar anderen 7.8 Tips voor de praktijk

46 Dienstrooster: 7-2 overzichtelijk wie werkt wanneer? wie is wanneer vrij?

47 Volgorde van werkzaamheden: 7-3 ligt voor een groot deel vast door tijdsindeling bij onverwachte gebeurtenissen: volgorde in overleg wijzigen

48 Werkschema en afdelingsagenda: 7-4 het werkschema: geeft terugkerende taken aan op vaste dagen op vaste tijden de afdelingsagenda: losse afspraken

49 Overleg en contact met cliënten: 7-5 een helpende zorg en welzijn voert vaak geen gesprekken met cliënten over belangrijke beslissingen vraag naar de regels hierover binnen jouw instelling wees attent en beleefd in elk contact

50 Overleg met ouders, naasten of wettelijke vertegenwoordigers: 7-6 informeer binnen je instelling wat je mag overleggen wees attent en beleefd in het contact bedenk dat er vaak sprake is van een emotionele band praat respectvol over de cliënt

51 Doorverwijzen naar anderen: 7-7 binnen de instelling buiten de instelling laat de cliënt zoveel mogelijk zelfstandig doen

52 De inhoud van dit thema: Materialen en schoonmaakmiddelen 8.3Werkvolgorde 8.4Leefruimte op orde houden 8.5Sanitair 8.6Keuken 8.7Overige ruimten 8.8Tips voor de praktijk

53 Voor nat werk: 8-2 emmers spons, zeem raamtrekker vloertrekker borstel om mee te boenen mop met bijbehorende emmer of dweil met luiwagen (soort bezem) werkdoeken afwaskwast vaatdoeken

54 Voor droog werk: 8-3 stofdoeken stofzuiger kruimeldief ragebol plumeau veger stoffer en blik

55 Schoonmaakmiddelen: 8-4 allesreinigers vetoplossers kalkoplossers sanitairreinigers schuurmiddelen chloor toiletreiniger glasreinigers spiritus stofdoekspray middelen om houten meubels te behandelen

56 Schoonmaakmiddelen: 8-5 gebruik de schoonmaakmiddelen van de instelling gebruik ze volgens voorschrift/ lees de informatie op de verpakking goed gebruik niet meer dan nodig is zorg dat cliënten niet bij de schoonmaakmiddelen kunnen komen

57 De juiste volgorde: 8-6 werk van boven naar beneden werk van achteren naar voren eerst droog, dan nat als laatste stofzuigen/ dweilen

58 Leefruimte op orde houden: 8-7 opruimen schoonhouden gezellig maken

59 Afwassen met de vaatwasser: 8-8 cliënten laten meehelpen taken afstemmen op de cliënt eerst tafel afruimen afwasmachine vullen met vuile vaat afwasmiddel in de vaatwasser doen volgens voorschrift afwasmachine goed sluiten aanzetten

60 De inhoud van dit thema: Soorten bedden en hulpmiddelen 9.3Bedden opmaken 9.4De was verzorgen 9.5Tips voor de praktijk

61 Bedhulpmiddelen: 9-2 bedklossen hoog-laagbedden papegaai hoofdsteun/rugsteun dekenboog voetenbankjes zandzakjes en kussentjes

62 Werkvolgorde bed afhalen: 9-3 haal de slopen van de kussens haal de dekbedhoes binnenstebuiten van het dekbed af haal het onderlaken af haal eventueel de molton van het bed laat kussens en dekbed luchten eventueel: draai de matras om

63 Wat ligt er allemaal op het bed? 9-4 matrasbeschermer matras molton hoeslaken kussen(s) dekbed met dekbedhoes

64 Werkvolgorde opmaken bed: 9-5 leg eventueel een schone molton op de matras leg een schoon hoeslaken over de molton op de matras en stop het goed in zorg dat zowel molton als hoeslaken strak ligt doe eventueel een schoon ondersloop om de kussens en dan een schoon sloop leg de kussens op hun plaats doe een schone dekbedhoes om het dekbed en stop het dekbed bij het voeteneinde in

65 Werkwijze hoes om dekbed: 9-6 steek je handen in de hoes tot aan de twee punten van het hoofdeind pak met je handen de twee punten van het hoofdeind van het dekbed vast als je met zijn tweeën bent, pakt de ander de hoes en trekt die over het dekbed, terwijl jij het dekbed en de hoes bij de punten blijft vasthouden als je in je eentje bent, moet je een hand uit de hoes halen en met die hand de hoes over het dekbed trekken doe een klein stukje en wissel dan van hand om de andere kant over het dekbed te trekken

66 Soorten wasmiddel: 9-7 voor witte was van 30°C tot 95°C voor bonte was van 30°C tot 60°C voor fijne was van 30°C tot 40°C speciaal wolwasmiddel vloeibare wasmiddelen wastabletten waspoeder wasmiddel voor de handwas vloeibare vlekverwijderaars

67 De inhoud van dit thema: Belangrijk bij de verzorging van maaltijden 10.3Voorbereiden van maaltijden 10.4Inkopen doen 10.5Koken volgens recept 10.6Kooktoestellen 10.7Tips voor de praktijk

68 Maaltijden verzorgen, rekening houden met: 10-2 het seizoen tijdsbesef bij cliënten de prijs verkrijgbaarheid wensen van cliënten variatie en Schijf van Vijf

69 Schijf van Vijf: 10-3 vak 1: groente en fruit vak 2: brood, pasta, rijst, peulvruchten vak 3: zuivel, vlees, vis, ei of vleesvervangers vak 4: vetten en olie vak 5: water, vocht

70 Een recept bestaat uit: 10-4 titel van het recept opsomming van de ingrediënten beschrijving hoe je het gerecht moet klaarmaken Soms ook: bereidingstijd (eventueel met voorbereidingstijd) aantal kilocalorieën per persoon

71 Soorten kookplaten: 10-5 elektrische kookplaat gaskookplaat keramische kookplaat (halogeen) keramische kookplaat (inductie)

72 De inhoud van dit thema: Algemene uitgangspunten voor de inrichting 11.3Aandachtspunten voor kinderen 11.4Tips voor de praktijk

73 Aspecten van de inrichting: 11-2 functie doelgroep doelmatigheid veiligheid eisen en tips sfeer kleurengebruik

74 Aspecten van de inrichting: 11-3 slaapruimte sanitaire voorzieningen speelruimte voor grof-motorische activiteiten verschillende soorten speelhoeken de groepstafel kleuren licht zachte materialen

75 De inhoud van dit thema: Persoonlijke hygiëne 12.3 Verzorging van de mond 12.4 Verzorging van de oren 12.5 Scheren 12.6 Verzorging van het lichaam 12.7Tips voor de praktijk

76 Tandenpoetsen bij cliënten: 12-2 altijd eerst zelf je handen wassen denk aan de hoek van de tandenborstel het bovengebit: -buitenkant -binnenkant -kauwvlakken van de kiezen het ondergebit: -buitenkant -binnenkant -kauwvlakken van de kiezen laten spoelen mond af laten drogen

77 Gebitsprothese schoonmaken: 12-3 gebit uit laten doen en in prothesebakje leggen wasbak met een laagje water vullen gebit afspoelen gebit poetsen (tandpasta, of water en daarna een bruistablet) cliënt de mond laten spoelen gebit schoongespoeld teruggeven: eerst bovengebit, dan ondergebit

78 Nodig bij het douchen: 12-4 handdoeken en washandjes schone kleren douchegel, badschuim of -olie shampoo nagelschaar en nagelvijl eventueel deodorant en bodylotion

79 Hulpmiddelen bij het baden: 12-5 douchestoel badlift badborstel met gebogen steel verlengde kam tubedispenser kraanopener

80 Werkvolgorde wassen op bed: 12-6 bovenlichaam: gezicht armen bovenlichaam voor wassen dan afdrogen met de handdoek voor bovenlichaam laten omdraaien: rug wassen dan afdrogen met de handdoek voor bovenlichaam bovenlichaam aankleden onderlichaam: eerst de voorkant, dan de achterkant mannen: eikel niet met zeep maar met ruim water vrouwen: -altijd van voor naar achteren wassen -tussen de schaamlippen niet met gewone zeep -afdrogen in dezelfde volgorde met de handdoek voor onderlichaam

81 De inhoud van dit thema: Het belang van kleding 13.3Baby’s en peuters aan- en uitkleden 13.4Mensen met een beperking helpen bij het aan- en uitkleden 13.5Tips voor de praktijk

82 Functies van kleding: 13-2 schaamte bescherming uitingsvorm

83 Aan- en uitkleden: 13-3 aandachtspunten voor baby’s aandachtspunten voor peuters

84 Aandachtspunten voor baby’s: 13-4 luiers aan- en uitkleden verschonen en verzorgen

85 Klaarleggen: 13-5 handdoek watten warm water in een bakje babydoekjes of billendoekjes schone luier babyzalf of -crème afvalzakje of luieremmer schone kleren (rompertje, T-shirt, broekje of jurkje, sokjes of babyschoentjes)

86 Let op: 13-6 ondersteuning van het hoofdje en de nek de armen de vingers

87 Aandachtspunten voor peuters: 13-7 aan- en uitkleden schoenen

88 Mensen met een beperking helpen: 13-8 dementerenden en mensen met een verstandelijke beperking chronisch zieken en mensen met een lichamelijke beperking

89 Aspecten bij de verzorging: 13-9 verlammingen elastische kousen schoeisel

90 Werkwijze elastische kousen: doe het hulpsokje aan de voet van de cliënt keer de elastische kous binnenstebuiten doe de voet van de kous naar binnen, in de kous steek de voet met het hulpsokje in de voet van de kous stroop de kous met twee handen omhoog over het been zorg dat je recht omhoog trekt, zodat de kous niet gedraaid komt te zitten de kous moet tot in de knieholte komen verwijder het hulpsokje

91 De inhoud van dit thema: Zindelijk worden 14.3 Begeleiden naar het toilet 14.4 Po, urinaal en urineschuitje geven in bed 14.5 Incontinentie 14.6 Hulpmiddelen 14.7 Tips voor de praktijk

92 Mogelijke oorzaken voor vertraging bij het zindelijk worden: 14-2 de sluitspieren werken nog niet goed het kind kan nog niet goed zelfstandig op een potje zitten het kind begrijpt niet wat de bedoeling is het kind wil niet meewerken angst erfelijke factoren omgevingsfactoren medische oorzaken

93 Om zelfstandig naar de wc te kunnen, kan het kind: 14-3 zelfstandig de broek en onderbroek omlaag doen wc-papier gebruiken de broek weer omhoog doen het toilet doortrekken handen wassen

94 Gevolgen van incontinentie: 14-4 eenzaamheid minder goed functioneren in het dagelijks leven negatief gevoel over zichzelf

95 De inhoud van dit thema: Gezichtsverzorging 15.3Haarverzorging 15.4Nagelverzorging 15.5Uiterlijke verzorging en kinderen 15.6Tips voor de praktijk

96 Producten voor de verzorging van het gezicht: 15-2 reinigingsproducten dagcrèmes en nachtcrèmes make-up specifiek voor mannen: aftershave of scheerbalsem

97 Klaarzetten voor gezichtsreiniging: 15-3 wascrème, wasemulsie of reinigingsmelk voor het gezicht oogmake-up remover wattenschijfjes (pads) of wattenbolletjes lotion of tonic nachtcrème

98 Klaarleggen voor verzorging nagels: 15-4 een stuk keukenpapier of een papieren handdoek nagellakremover en wattenschijfjes nagelschaartje of nageltangetje vijl 'bokkenpootje' (voor het terugduwen van de nagelriem) nagellak en wattenstokjes

99 De inhoud van dit thema: Ondersteunen bij het lopen 16.3Helpen bij het gebruik van hulpmiddelen 16.4Helpen bij het verplaatsen van stoel naar bed en omgekeerd 16.5Verplaatsen in bed 16.6Tips voor de praktijk

100 Juiste volgorde bij het lopen met één kruk of stok: 16-2 kruk en slechte been verplaatsen gewicht overbrengen op de kruk gezonde been verplaatsen

101 Instructie voor lopen met twee krukken: 16-3 sta goed rechtop zet de krukken ongeveer 10 centimeter schuin voor de voeten gebruik de krukken als afzetpunt breng het lichaam naar voren en zet de slechte voet tussen de krukken breng de goede voet nu naar voren en zet deze voor de krukken verzet de krukken weer naar voren enzovoort

102 Bij het tillen altijd: 16-4 je rug recht houden je voeten iets gespreid naast elkaar neerzetten of je voeten in schredestand zetten: de ene voet voor de andere door je knieën zakken als je iets van laag naar hoger moet tillen (niet hurken) neem het gewicht zo dicht mogelijk bij je eigen lichaam overeind komen met een rechte rug

103 Soorten tilliften: 16-5 passieve tilliften actieve tilliften

104 Cliënt goed in de stoel laten zitten: 16-6 ga achter de cliënt staan houd je rug recht en zak iets door je knieën vraag de cliënt zijn handen op de buik te houden en zijn handen te vouwen breng je eigen armen onder de oksels van de cliënt door pak zo zijn onderarmen beet let erop dat je duim naast je vingers ligt! strek je knieën terwijl je de cliënt blijft vasthouden trek je cliënt zo vanzelf mee naar boven

105 Glijzeil weghalen: 16-7 zet het bed op werkhoogte zet het bedhek aan de kant waar je níet staat, omhoog trek voorzichtig en stukje bij beetje aan de onderste laag van het zeil totdat je het hele zeil in je handen hebt

106 De inhoud van dit thema: Voedingspatroon 17.3 De voeding van baby’s en peuters 17.4 Voeding bij ouderen 17.5Helpen bij eten en drinken 17.6 Diëten 17.7 Alternatieve voeding 17.8 Multiculturele voeding 17.9 Ontkoppeld en gekoppeld koken Tips voor de praktijk

107 Het voedingspatroon laat zien: 17-2 hoe vaak per dag iemand eet op welke momenten welk soort voedingsmiddelen iemand eet

108 Onregelmatig eten leidt tot: 17-3 trek op andere momenten meer trek dan anders trek in andere dingen (vetter en zoeter)

109 Gezond eten: 17-4 drie maaltijden per dag op vaste tijden kleine tussendoortjes minimaal 200 gram groente per dag minimaal twee stuks fruit per dag weinig suiker en weinig vet voldoende vocht (minimaal 1½ liter)

110 Eet iedere dag uit ieder vak van de Schijf van Vijf: 17-5 vak 1:groente en fruit vak 2: brood, pasta, rijst, peulvruchten vak 3:zuivel, vlees, vis, ei of vleesvervangers vak 4:vetten en olie vak 5:water, vocht

111 Wat heeft je lichaam nodig? 17-6 vitaminen mineralen koolhydraten eiwitten vetten vocht

112 Twee soorten koolhydraten: 17-7 verteerbare niet-verteerbare

113 Twee soorten eiwitten: 17-8 dierlijke plantaardige

114 Twee soorten vet: 17-9 verzadigd vet = verkeerd onverzadigd vet = oké

115 Oorzaken tekort aan voedingsstoffen bij ouderen: men denkt dat voeding onbelangrijk is voor ouderen eenzaamheid en depressie alleen eten is ongezellig medicijngebruik

116 Tafel dekken: gezellige omgeving netjes gedekt alles op tafel wat er nodig is

117 Een cliënt helpen bij eten en drinken: beker met drinktuit drinken met kleine slokjes tegelijk geven niet teveel eten tegelijk in de mond stoppen opletten of de mond leeg is voordat je een nieuwe hap geeft

118 Een zieke helpen met eten: zet de cliënt rechtop zet een bedtafeltje op schoot of klap het nachtkastje uit zorg dat de cliënt niet afkoelt – doe eventueel een bedjasje aan of sla een sjaal om de schouders zeg wat het eten is als de cliënt dit niet goed kan zien niet teveel eten tegelijk in de mond geven opletten of de mond leeg is voordat je een nieuwe hap geeft

119 Meest voorkomende diëten: natriumbeperkt energiebeperkt diabetesdieet vetarm dieet maagdieet anti-allergiedieet

120 Alternatieven: vegetarische voeding veganistische voeding ecologische voeding andere alternatieven

121 De inhoud van dit thema: Gezond of ziek? 18.3 Veranderingen in de gezondheid 18.4 Tips voor praktijk

122 Factoren die de gezondheid beïnvloeden: 18-2 lichamelijke factoren sociale factoren leefstijl en gedrag gezondheidszorg

123 Goede sociale omstandigheden: 18-3 lid zijn van een groep vrienden hebben gewaardeerd worden

124 Veranderingen bij ziek worden: 18-4 slaap- en waakritme ademhaling temperatuur hartslag uitscheiding

125 Slaapgebrek veroorzaakt: 18-5 geheugenverlies minder concentratievermogen lagere reactiesnelheid verminderde besluitvaardigheid heftigere emoties minder weerstand tegen ziektes

126 Slaapproblemen voorkomen door: 18-6 regelmaat slaapritueel de baby niet uit de wieg of het bedje te halen niets te veranderen

127 Soorten slaapproblemen: 18-7 inslaap- en doorslaapproblemen restless legs syndrome (RLS) slaapapneu

128 Goede slaapgewoontes: 18-8 's avonds geen cafeïne niet teveel alcohol niet langer proberen te slapen dan nodig is als ochtendmens niet 's avonds werken als avondmens niet 's morgens vroeg werken

129 Het ademhalingsstelsel bestaat uit: 18-9 neus keelholte luchtpijp longen

130 Ademhaling observeren: je hebt nodig: pen en papier polsteller of horloge met secondewijzer of stopwatch werkwijze: verander de houding van je cliënt niet, laat hem rustig zitten of liggen vertel de cliënt dat je gaat polstellen pak de pols beet alsof je de polsslag wilt meten observeer ondertussen de ademhaling één ademhaling is: -inademen -uitademen -rust tel gedurende ½ minuut het aantal inademingen vermenigvuldig dat getal met 2 (of tel gedurende een minuut het aantal inademingen)

131 Thermometers: kwikthermometers digitale thermometers

132 De inhoud van dit thema: Kinderziekten 19.3 Infectieziekten 19.4 Maag-darmaandoeningen 19.5 Aandoeningen van de luchtwegen 19.6 Aandoeningen van het bewegingsapparaat 19.7 Aandoeningen van het zenuwstelsel 19.8 Hart- en vaatziekten 19.9 Diabetes type Huidaandoeningen 19.11Tips voor de praktijk

133 Kinderziekten: 19-2 de bof hersenvliesontsteking kinkhoest mazelen rode hond roodvonk waterpokken vijfde ziekte zesde ziekte

134 Infectieziekten: 19-3 besmetting door micro-organismen incubatietijd: wel besmet, nog niet ziek iedere ziekte heeft eigen incubatietijd

135 Andere infecties: 19-4 middenoorontsteking verkoudheid ontstoken amandelen griep

136 Maag- en darmstoornissen: 19-5 voedselvergiftiging paratyfus obstipatie maden en wormen

137 Chronische aandoeningen van de luchtwegen: 19-6 astma longemfyseem chronische bronchitis

138 Astma: 19-7 overgevoeligheid van de luchtwegen aangeboren aanvallen door: allergische reacties infectieziekten sterke opwinding lichamelijke inspanning

139 Longemfyseem: 19-8 aandoening van de longen ontstaat op volwassen leeftijd hevige benauwdheid bij: inspanning vervuilde of rokerige omgeving

140 Chronische bronchitis: 19-9 aandoening van de luchtwegen roken is belangrijke oorzaak ontstaat op volwassen leeftijd benauwdheid, vooral ‘s morgens hoesten taai slijm opgeven

141 Aandoeningen van het bewegingsapparaat: reuma spierziekten

142 Artrose: vooral bij ouderen slijtage van het kraakbeen in het gewricht pijn moeilijk bewegen

143 Reumatoïde artritis: ontsteking van het gewrichtskapsel gezwollen, pijnlijke gewrichten ongeneeslijke aantasting van gewricht en bot

144 Spierziekten: afnemende spierkracht spreken en slikken gaat moeilijk progressief verloop vaak een lage levensverwachting

145 Drie voorbeelden van spierziekten: Ziekte van Landouzy -begint in het gezicht -relatief hoge levensverwachting Ziekte van Duchenne -immobiliteit al tijdens kinderjaren -lage levensverwachting (± 20 jaar) Ziekte van Becker -immobiliteit begint in puberteit -relatief hoge levensverwachting

146 Aandoeningen van het zenuwstelsel: multiple sclerose (MS) epilepsie spasticiteit ziekte van Parkinson beroerte

147 Multiple sclerose (MS): ontstaat tussen 20 en 40 jaar komt vaker voor bij vrouwen dan bij mannen mogelijke klachten zijn: -vermoeidheid -problemen met zien/dubbelzien -spierzwakte of spierstijfheid -gevoelsstoornissen (tintelingen) -coördinatieproblemen -duizeligheid -problemen met spreken -klachten bij plassen of stoelgang -seksuele problemen -depressies verloop van de ziekte progressief pieken en dalen

148 Epilepsie: oorzaak: hersenbeschadiging aanvallen (insulten): -petit mal -grand mal

149 Petit mal: kortdurende afwezigheid (seconden tot enkele minuten) omgeving merkt vaak niets

150 Grand mal: duurt maximaal 10 minuten buiten bewustzijn spierkramp, heftig schokken van armen, benen en hoofd ademhaling stopt schuim op de mond behandeling: blijf bij de patiënt voorkom dat hij zich kan bezeren leg kussentje of iets dergelijks onder zijn hoofd maak knellende kleding los aanval die langer dan 10 minuten duurt: waarschuw arts

151 Spasticiteit: hersenbeschadiging bij de geboorte spieren spannen zich onwillekeurig aan -vreemde houdingen -vreemde bewegingen slik- en spreekproblemen

152 Ziekte van Parkinson: stijfheid beven traagheid in bewegingen moeite met balans (evenwicht) weinig gelaatsuitdrukking (geen mimiek, maskergelaat) algehele vermoeidheid depressie

153 Belangrijkste kenmerken van een beroerte: halfzijdige verlammingen scheeftrekkend gezicht coördinatie- en evenwichtstoornissen afasie

154 Hart- en vaatziekten: arteriosclerose hartinfarct hoge bloeddruk

155 Arteriosclerose: vetafzetting tegen de bloedvatwanden mogelijk gevolg: -hartinfarct -herseninfarct

156 Hartinfarct: verstopte of vernauwde kransslagader een deel van het hart krijgt geen bloed (dus zuurstof)

157 Oorzaken hoge bloeddruk: stress te veel alcohol overgewicht te weinig lichaamsbeweging roken

158 Diabetes type 2: tekort aan het hormoon insuline teveel glucose in het bloed

159 Complicaties van diabetes type 2: slechtziendheid gevoelsstoornissen verwondingen genezen slecht diabetisch coma

160 Te weinig of teveel glucose: te weinig glucose (een hypo) in het bloed door: teveel insuline of medicijnen maaltijd(en) overslaan ongebruikelijke lichamelijke inspanning oorzaken te veel glucose (een hyper) in het bloed: te weinig insuline maag- en darmstoornissen infectieziekten alcoholgebruik

161 Huidaandoeningen: open been decubitus psoriasis

162 Open been: open plek of zweer aan het onderbeen meestal aan de binnenkant van de enkel meestal niet pijnlijk geeft veel vocht af moeizame genezing

163 Ontstaan van decubitus: de huid is lichtrood en gevoelig de lichtrode plek wordt roder er ontstaat een blaar de huid gaat open er ontstaat een diepe wond

164 Verschillende vormen van psoriasis: dikke, rode schilferende plekken op de huid aan de buitenkant van armen en benen kleine schilferende rode plekjes verspreid over het lichaam rozerode glanzende plekken in de huidplooien psoriasis op het hoofd: rode, sterk schilferende hoofdhuid psoriasis aan de nagels: rode, schilferende randen om de nagels, eeltlaag onder de nagels en putjes in de nagels kleine met pus gevulde blaasjes in de handpalmen of aan de voetzolen (komt bijna alleen bij rokers voor)

165 De inhoud van dit thema: Brandgevaar 20.3 Ondeugdelijk materiaal 20.4 Vermissing 20.5 Onverantwoord gedrag van cliënten 20.6 Basisprincipes EHBO 20.7 Veel voorkomende ongelukken 20.8 De inhoud van een verbandtrommel 20.9 Tips voor de praktijk

166 Oorzaken van brand: 20-2 open vuur brandgevaarlijke stoffen chemische vloeistoffen

167 Wat te doen bij brand: 20-3 handelen volgens protocol brandweer bellen zuurstoftoevoer naar vlammen afsluiten bij vlam in de pan: deksel op de pan vlucht via vluchtwegen

168 Materiaal: 20-4 moet voldoen aan veiligheidsnormen moet bij mankementen vervangen of gerepareerd worden moet goed onderhouden worden

169 Mankementen, let op: 20-5 kapotte onderdelen ontbrekende onderdelen niet goed functionerende of vastlopende bewegende onderdelen losse of blootliggende bedrading bij elektrische apparaten combinatie water/vocht en elektriciteit loszittende stekkers

170 Voorkomen van vermissing: 20-6 regelmatig controleren aanwezigheid afspraken maken wat te doen als je elkaar kwijt raakt deuren vergrendelen (alleen als instellingsbeleid!)

171 Vermist! Wat nu? 20-7 laat andere cliënten niet aan hun lot over ga na waar en wanneer de cliënt vermist raakte zoek op logische plaatsen meld het volgens het instellingsprotocol

172 Onverantwoord gedrag van cliënten: 20-8 waarschuw de leidinggevende volg de regels van het instellingsbeleid op

173 Wat te doen bij een ongeval? signaleer eventuele gevaren, denk aan eigen veiligheid 2bepaal de ernst van de situatie 3bepaal of je zelf hulp kunt verlenen, zo niet regel deskundige hulp 4verleen eerste hulp

174 Veel voorkomende ongevallen: uitwendige wonden blaren splinters voorwerp in neus of oor insectenbeten vuiltje in oog flauwvallen tand eruit brandwonden botbreuken kneuzingen vergiftiging

175 Standaardinhoud van een verbandtrommel: wondsnelverbanden 2 snelverbanden, nummer 1 1 snelverband, nummer 2 ideaal windsel, 4, 8, 12 cm 1 pakje witte watten 6 steriele gaasjes 2 metaline compressen, steriel 3 elastische, hydrofiele zwachtels 4 m lang, 6 cm breed 2 driekante doeken, ook bekend onder de naam mitella 1 assortiment wondpleister 1 rol kleefpleister, 2 ½ cm breed 1 verbandschaar 6 veiligheidsspelden

176 De inhoud van dit thema: Wat is dementie? 21.3Oorzaken van dementie 21.4De verschillende stadia van dementie 21.5Behandeling 21.6Benaderingswijzen van dementerenden 21.7Omgaan met agressieve dementerenden 21.8Tips voor de praktijk

177 Verschijnselen dementie: 21-2 geheugenverlies geheugenverlies verbloemen problemen met plannen maken/doelgericht handelen oriëntatie in tijd, plaats en persoon gaat moeilijker taalproblemen (afasie) problemen met handelingen in het dagelijkse leven (apraxie) problemen met het herkennen (agnosie) gedragsveranderingen persoonlijkheidsveranderingen stemmingsveranderingen verlies van waardigheid lichamelijke veranderingen

178 Oorzaken van dementie: 21-3 Alzheimer vasculaire dementie dementie veroorzaakt door lichamelijke aandoeningen en alcoholvergiftiging

179 De verschillende stadia van dementie: 21-4 voorfase lichte of beginnende dementie matige of voortgaande dementie diepe of vergevorderde dementie

180 Benaderingswijzen van dementerenden: 21-5 warme zorg realiteitsoriëntatietraining (ROT) validation zintuigactivering (snoezelen) psychomotorische therapie reminiscentie levensboeken passiviteiten van het dagelijkse leven (PDL)

181 De inhoud van dit thema: Wat is agressie? 22.3 Omgaan met agressie 22.4 Tips voor de praktijk

182 Agressie: 22-2 voorvallen waarbij een werknemer psychisch of fysiek wordt lastig gevallen, bedreigd of aangevallen, onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met het verrichten van werk

183 De inhoud van dit thema: Soorten activiteiten 23.3Doelen van activiteiten 23.4Het activiteitenplan 23.5Het activiteitenprogramma 23.6Cliënten stimuleren en motiveren 23.7Tips voor de praktijk

184 Verschillende soorten activiteiten: 23-2 individuele en groepsactiviteiten sociale activiteiten recreatieve activiteiten sportieve activiteiten educatieve activiteiten

185 Doelen bij activiteiten: 23-3 ontwikkeling zelfstandigheid ontspanning vorming sociaal contact beweging geheugen gedrag

186 Activiteitenplan: 23-4 totaalplan over allerlei activiteiten voor één cliënt of een groep cliënten opgesteld door een activiteitenbegeleider kan onderdeel zijn van een zorgplan of een begeleidingsplan opstellen: samen met cliënt en/of zijn vertegenwoordigers 5 W’s evalueren en bijstellen helpende zorg en welzijn assisteert bij de uitvoering

187 Activiteitenprogramma’s voor cliënten: 23-5 dag-, week- en maandprogramma’s voor een individuele cliënt of een groep cliënten leidinggevende maakt deze programma’s

188 Stimuleren en motiveren van cliënten: 23-6 speel in op de mogelijkheden en wensen van de cliënt oordeel niet straal enthousiasme uit benader cliënten positief toon respect

189 De inhoud van dit thema: Activiteiten voorbereiden 24.3 De uitvoering van activiteiten 24.4 Activiteiten evalueren 24.5 Opruimen 24.6 Tips voor de praktijk

190 Het voorbereiden van activiteiten: 24-2 waarom voor wie wat waar wanneer materialen en middelen wie helpt overige aandachtspunten

191 Evaluatie: 24-3 terugkijken bijstellen

192 Opruimen: 24-4 zorgvuldig taken verdelen

193 De inhoud van dit thema: Het begrip emotie 25.3 De functies van emoties 25.4 De uitwerking van emoties op het gedrag van mensen 25.5 Het waarnemen en observeren van emoties 25.6 Fasen in de verwerking van emotionele gebeurtenissen 25.7 Tips voor de praktijk

194 De functies van een emotie zijn: 25-2 uiting geven aan een gevoel oplossen van spanning uitlokken van een reactie manipuleren om iets gedaan te krijgen woorden kracht bijzetten beïnvloeding van verstand en gedrag

195 Het verschil tussen waarnemen en observeren is: 25-3 waarnemen is het ongericht opmerken zonder een vooropgezet doel observeren is het bewust en systematisch waarnemen met het doel informatie over iemand te verzamelen

196 Fasen in de verwerking van emotionele gebeurtenissen: 25-4 Verdrietige gebeurtenissenBlijde gebeurtenissen 1ontkenning, ongeloof, verbazing en soms afweer, verzet ongeloof 2verdriet, angst, woede, blijdschap en geluk doffe berusting 3aanpassing/veranderingen aanpassing/veranderingen aanbrengen aanbrengen 4aanvaarding en een aanvaarding en een plekje geven

197 De inhoud van dit thema: Het taxeren en interpreteren van emoties 26.3 Het reageren op emoties 26.4 Het omgaan met emoties 26.5 Zes basisemoties 26.6 Gesprekstechnieken 26.7 Omgaan met je eigen emoties 26.8 Tips voor de praktijk

198 Taxeren en interpreteren van emoties: 26-2 taxeren: inschatten van de situatie van de cliënt interpreteren:een betekenis geven aan die inschatting

199 Keuzes bij emotionele ervaringen: reageer ik via denken of via mijn gevoel 2zoek ik toenadering tot anderen of trek ik me terug 3wat wil ik voelen: angst, verdriet, boosheid of pijn

200 De vier fasen bij de verwerking op langere termijn: 26-4 Verdrietige gebeurtenissenBlijde gebeurtenissen 1ontkenning, ongeloof, verbazing en soms afweer, verzet ongeloof 2verdriet, angst, woede, blijdschap en geluk doffe berusting 3aanpassing/veranderingen aanpassing/veranderingen aanbrengen aanbrengen 4aanvaarding en een aanvaarding en een plekje geven

201 Zes basisemoties: 26-5 angst woede verbazing afschuw vreugde verdriet

202 Gesprekstechnieken bij emotionele gebeurtenissen: 26-6 de zes A-s actief luisteren ik-boodschappen LSD: luisteren, samenvatten, doorvragen

203 De inhoud van dit thema: Wat is zelfredzaamheid? 27.3 De zelfredzaamheid van een cliënt vaststellen 27.4 De zelfredzaamheid van een groep vaststellen 27.5 De ondersteuningsdoelen vaststellen 27.6 De zelfredzaamheid gericht stimuleren 27.7 De benadering van de cliënt 27.8 Tips voor de praktijk

204 De twee gebieden van zelfredzaamheid van individuele cliënten: 27-2 Algemene Dagelijkse Levensverrichtingen (ADL) Huishoudelijke Dagelijkse Levensverrichtingen (HDL)

205 Gradaties van zelfredzaamheid: 27-3 een activiteit zonder moeite uit kunnen voeren een activiteit wel op eigen kracht uit kunnen voeren maar met moeite een activiteit uit kunnen voeren met hulp van anderen een activiteit helemaal niet uit kunnen voeren

206 De vijf gebieden van zelfredzaamheid van een groep: 27-4 leiding organisatie creativiteit uitvoering sociale aspecten

207 Codes gradaties zelfredzaamheid: 27-5 een activiteit zonder moeite uit kunnen voeren: + een activiteit wel op eigen kracht uit kunnen voeren maar met moeite: ± een activiteit uit kunnen voeren met hulp van anderen: ± - een activiteit helemaal niet uit kunnen voeren: -

208 Kernvragen bij de vaststelling van de ondersteuning en stimulansen van één cliënt: 27-6 wat kan de cliënt zelf? wat kan de cliënt zeker niet zelf? wat zijn de wensen en behoeften van de cliënt zelf? wat kán de cliënt nog leren? wat kan het sociale netwerk bijdragen aan de verzorging? wat kun je stimuleren en hoe kun je stimuleren?

209 Kernvragen bij de vaststelling van de onder- steuning en stimulansen van een groep: 27-7 wat kan de groep zelf? wat kan de groep zeker niet zelf? wat zijn de wensen en behoeften van de groep? wat kunnen individuele groepsleden nog leren? wat kan de groep met elkaar nog leren? waarbij heeft de groep ondersteuning nodig?

210 Gericht stimuleren is: 27-8 uitgaan van het probleem zicht hebben op de mogelijkheden en onmogelijkheden zicht hebben op de vragen, wensen en behoeften van de cliënt of groep zicht hebben op mogelijke oplossingen een duidelijk doel hebben een stappenplan hebben om het doel te bereiken dit stappenplan consequent uitvoeren, evalueren en eventueel bijstellen

211 Richtlijnen voor de omgang tijdens de verzorging: 27-9 luister naar de cliënt overleg met de cliënt bevorder de zelfstandigheid van de cliënt bescherm de privacy van een cliënt ga volgens de richtlijnen te werk

212 Richtlijnen voor het stimuleren van de zelfzorg: geef het nut aan van de persoonlijke verzorging leer wat algemeen geldende normen zijn wijs op de consequenties van afwijkend gedrag geef instructies hoe iemand zichzelf kan verzorgen zorg dat je er zelf goed verzorgd uitziet

213 De inhoud van dit thema: Meedoen in de maatschappij 28.3 Het compensatiebeginsel 28.4 Zelfstandig een huishouden voeren 28.5 Aanpassing van de woning 28.6 Vervoer 28.7 Sociale contacten 28.8 Mantelzorgers en vrijwilligers 28.9Tips voor de praktijk

214 Doelstellingen Wmo: 28-2 de ondersteuning in het kader van de Wmo stelt mensen in staat om: 1een huishouden te voeren 2zich te verplaatsen in en om de woning 3zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel 4medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan

215 De inhoud van dit thema: Het communicatieproces 29.3 Communicatiemiddelen 29.4 Communicatieve vaardigheden 29.5 Interculturele communicatie 29.6 Tips voor de praktijk

216 Verbale en non-verbale communicatie: 29-2 verbale communicatie = met woorden non-verbale communicatie = zonder woorden

217 Communicatiemiddelen: 29-3 mondeling (verbaal en non-verbaal) schriftelijk (verbaal)

218 Drie belangrijke communicatieve vaardigheden: 29-4 vragen stellen actief luisteren controleren of je elkaar begrijpt

219 Interculturele communicatie wordt bemoeilijkt door: 29-5 gebruik van verschillende codes een ander referentiekader spreken van verschillende talen

220 De inhoud van dit thema: Gespreksstructuur 30.3Het informatieve gesprek 30.4De individuele werkbespreking 30.5Het functioneringsgesprek 30.6Tips voor de praktijk

221 Een formeel gesprek: 30-2 heeft een doel heeft een opbouw heeft een rolverdeling

222 Gespreksdoelen: 30-3 kennisdoelen houdingsdoelen gedragsdoelen

223 Gespreksopbouw: 30-4 opening kern afronding

224 Informatief gesprek: 30-5 doel: overdragen van informatie rolverdeling: informatievrager en informatieverstrekker opbouw: -informatiebehoefte helder hebben -duidelijk uitleg geven -controleren of het begrepen is

225 Werkbespreking: 30-6 doel: oplossen van een probleem rolverdeling: raadvrager en raadgever opbouw: SOGO-model

226 SOGO-model: 30-7 Situatie Oorzaak Gevolg Oplossing

227 Functioneringsgesprek: 30-8 doel: bespreken en verbeteren van jouw functioneren rolverdeling: leidinggevende en werknemer (maar gelijkwaardig!) opbouw: -voorbereiding (onderwerpen bedenken) -gesprek zelf (onderwerpen bespreken, afspraken maken) -afsluiting (afspraken controleren, ondertekenen)

228 De inhoud van dit thema: Wat is assertiviteit? 31.3 Gedrag herkennen 31.4 Waarom assertief zijn? 31.5 Tips voor de praktijk

229 Assertiviteit: 31-2 op een nette manier opkomen voor je rechten

230 Assertiviteit: 31-3 agressief: winnaar-verliezer niet-assertief: verliezer-winnaar assertief: winnaar-winnaar

231 De inhoud van dit thema: Evalueren en afstemmen met de cliënt 32.3 Evalueren en afstemmen met collega’s 32.4 Evalueren en afstemmen met familie en verwanten 32.5 Evalueren en afstemmen met overigen 32.6 Tips voor de praktijk

232 Evalueren en afstemmen met cliënten: 32-2 evalueren: waarderen of beoordelen doel bepalend voordelen: bijstellen en cliënt betrekken bij zorg meteen na het werk of na verloop van tijd mondeling of schriftelijk

233 Evalueren en afstemmen collega’s: 32-3 niet langs elkaar heen werken goed communiceren evaluatiegesprekken en evaluatielijsten

234 Evalueren en afstemmen met familie of verwanten: 32-4 goede communicatie familie erbij betrekken evalueren: mondeling of met lijsten of enquetes

235 Evalueren en afstemmen met anderen: 32-5 anderen: alle overige betrokkenen bijvoorbeeld een huisarts of specialist informatie onderling overdragen door: -(elektronisch) zorgdossier met gegevens, afspraken, correspondentie -(elektronisch) overdrachtsdossier afstemming door evaluatie

236 In dit thema komen aan de orde: Tevredenheid en ontevredenheid 33.3Klachten en soorten klachten 33.4Klachtenafhandeling van de HZW 33.5Klachtenregelingen en klachtencommissies. 33.6Tips voor de praktijk

237 Tevredenheid en ontevredenheid: 33-2 tevredenheid : compliment. ontevredenheid: goed luisteren, serieus nemen, actie ondernemen

238 Klachten en soorten klachten: 33-3 klacht: een uiting van ontevredenheid, biedt kans tot verbetering soorten klachten: over product, niet nakomen van afspraken, verzorging of omgang

239 Klachtenafhandeling van de HZW: 33-4 actief luisteren klager serieus nemen begrip tonen zakelijk blijven klager op zijn gemak stellen informatie doorgeven aan leidinggevende

240 Klachtenregelingen en klachtencommissies: 33-5 klachtenregeling: een regeling van een instelling over het omgaan met klachten klachtencommissie: handelt klachten af

241 De inhoud van dit thema: Wat is rapporteren 34.3 De overdracht 34.4 Vrije rapportage en rapportageformulieren 34.5 Telefoonnotities berichten 34.7 Tips voor de praktijk

242 Wat is rapporteren? 34-2 geven van informatie aan anderen manieren: mondeling voordelen: snel, op elkaar reageren nadelen: niet nog eens nalezen schriftelijk voordelen: nog eens nalezen, terugkomen op iets, bewaren nadelen: minder snel

243 Overdracht: 34-3 schriftelijke of mondelinge informatie geven aan een collega hoofdzaken zakelijk

244 Vrije rapportage en rapportageformulieren: 34-4 vrije rapportage: rapportage op een leeg vel papier aandachtspunten: duidelijk, objectief, zakelijk, correct taalgebruik, hoofdzaken, geen afkortingen rapportageformulieren: voorbedrukte formulieren met onderwerpen voordelen: bieden houvast en zijn herkenbaar

245 Telefoneren: 34-5 zeggen wie je bent beleefd zijn goed luisteren duidelijk en rustig praten naam herhalen en spellen telefoonnummer herhalen afsluiting

246 berichten: 34-6 aanhef let op taal- en typefouten verzorgde mail kort en bondig mail doorlezen voor verzending antwoord snel let op correcte aanspreekvorm simpele opmaak één onderwerp onderwerpveld invullen geen onnodige afschriften geen onnodige attachments afsluiting ondertekening automatische ondertekening

247 De inhoud van dit thema: Wat is samenwerken? 35.3 Tips voor de praktijk

248 Samenwerken: 35-2 samen een doel bereiken

249 De inhoud van dit thema: Hoe geef je feedback? 36.3 Hoe ontvang je feedback? 36.4 Tips voor de praktijk


Download ppt "De inhoud van dit thema: 1-1 1.2De functie helpende zorg en welzijn 1.3 HZW in verzorgings- en verpleeghuizen en ziekenhuizen 1.4 HZW in de thuiszorg 1.5."

Verwante presentaties


Ads door Google