De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De inhoud van dit thema: 1-1 1.2Motieven om te sporten 1.3 De trainer-coach 1.4 In de sportpraktijk.

Verwante presentaties


Presentatie over: "De inhoud van dit thema: 1-1 1.2Motieven om te sporten 1.3 De trainer-coach 1.4 In de sportpraktijk."— Transcript van de presentatie:

1 De inhoud van dit thema: Motieven om te sporten 1.3 De trainer-coach 1.4 In de sportpraktijk

2 Motieven om te sporten: 1-2 lichamelijk of somatisch motief sociaal-psychologisch motief prestatiemotief financieel motief

3 De inhoud van dit thema: Wat is gezondheid? 2.3Het bevorderen van de gezondheid 2.4Sport en gezondheid 2.5Alcohol en roken 2.6In de sportpraktijk

4 Gezondheid: 2-2 een toestand van welbevinden op de volgende drie gebieden: fysiek of lichamelijk psychisch of geestelijk sociaal-maatschappelijk

5 Geestelijke gezondheid; hangt af van: 2-3 situatie stemming motivatie

6 Bevorderen gezondheid: 2-4 gezond leven: gezonde voeding voldoende beweging voldoende nachtrust goede lichaamshygiëne regelmatig zelfonderzoek regelmatig laten onderzoeken door arts of specialist risicovol gedrag vermijden, zoals: roken drugs gebruiken teveel blootstellen aan zonlicht teveel alcohol drinken stress risicovolle situaties aangaan onveilig vrijen

7 Bevorderen gezondheid: 2-5 kans op hart- en vaatziekten vermindert conditie en kracht verbeteren weerstand tegen ziektes verbetert

8 Positieve geestelijke effecten van sport: 2-6 ontspanning gezelligheid verruiming geestelijke vermogens

9 Positieve sociale effecten van sport: 2-7 opdoen sociale contacten sport ‘verbroedert’

10 Negatieve lichamelijke effecten van sport: 2-8 tijdelijke blessures blijvende blessures: invaliditeit sterfte

11 Negatieve geestelijke effecten van sport: 2-9 overmatige stress faalangst ‘in een gat vallen’

12 Negatieve sociale effecten van sport: 2-10 egocentrisme (topsport) spelverruwing supportersgeweld

13 De inhoud van dit thema: Hygiëne van de sportomgeving 3.3 Lichaamshygiëne 3.4 In de sportpraktijk

14 Hygiëne van de sportomgeving: 3-2 ventileren schoonmaken van: -sportruimte -kleedruimte -toiletten -kantine desinfecteren van materialen

15 Problemen met voeten en benen door slechte verzorging: 3-3 voetwratten ingegroeide teennagels likdoorns en eeltplekken zwemmerseczeem schimmelnagels (kalknagels) teenknobbels (bunions) platvoeten holvoeten spataderen zweetvoeten

16 Verzorging van de huid: 3-4 handen, voeten en oksels dagelijks met zeep wassen rest van lichaam 3x per week met zeep wassen haren niet te vaak wassen bij hoofdluis: speciale shampoo

17 Verzorging van mond en tanden: 3-5 poets na elke maaltijd 2 minuten de tanden gebruik een tandenborstel met kunststofharen of een elektrische tandenborstel spoel na poetsen de mond na met lauw water gebruik tandenstokers en tandzijde bezoek 2x per jaar de tandarts

18 De inhoud van dit thema: Verstandige voeding 4.3 Voedingsstoffen 4.4 Voeding, energie en lichaamsgewicht 4.5 Voeding voor sporters 4.6 In de sportpraktijk

19 Schijf van Vijf: 4-2 voorziet in goede, gevarieerde voeding voorkomt tekorten van onmisbare voedingsstoffen helpt welvaartsziekten voorkomen ondersteunt bij de juiste energiebalans

20 Maaltijdschijf; vijf groepen: 4-3 groep 1: groente en fruit groep 2: brood, (ontbijt)granen, aardappelen, rijst, pasta, peulvruchten groep 3: zuivel, vlees(waren), vis, ei en vleesvervangers groep 4: vetten en olie groep 5: drinken (vocht)

21 Voedingshygiëne: 4-4 ontdooi bevroren voedsel in koelkast bewaar restjes niet langer dan twee dagen in koelkast hou koelkast schoon koop geen voedsel waarvan de verpakking stuk is eet geen voedsel na de houdbaarheidsdatum hou keuken en keukengerei schoon zorg dat afwaswater goed heet is en neem een schone vaatdoek was regelmatig je handen

22 Een gevarieerde maaltijd bevat: 4-5 koolhydraten: snelle energieleveraars vetten: langzame energieleveraars eiwitten: bouwstoffen vitamines: voor een goed verloop van lichaamsprocessen mineralen: voor een goed verloop van lichaamsprocessen water

23 Water: 4-6 is transportmiddel voor voedsel en afvalstoffen reguleert warmte zorgt dat cellen goed kunnen werken

24 Energie voor twee soorten stofwisseling: 4-7 ruststofwisseling: energie voor vitale organen arbeidsstofwisseling: energie voor alle ‘extra’ inspanning

25 Voeding voor sporters: 4-8 recreatiesport: normale gezonde voeding intensieve sportbeoefening: extra voeding of speciale samenstelling topsporters: persoonlijk voedingsadvies drinken voordat dorstgevoel ontstaat

26 De inhoud van dit thema: Sportmateriaal 5.3 Sportkleding 5.4 Sportschoenen 5.5 In de sportpraktijk

27 Sportmateriaal: 5-2 persoonlijke uitrusting -sportkleding -persoonlijk materiaal -beschermende middelen sportartikelen -klein materiaal -groot materiaal

28 Klein materiaal in de sport: 5-3 speelmateriaal afbakeningsmateriaal meetapparatuur ondersteuningsmateriaal

29 Eisen aan sportkleding: 5-4 comfortabel ventilerend sterk wasbaar weerstandverlagend goed passend modieus beschermend

30 Onderdelen loopschoen: 5-5 rubberen slijtzool tussenzool inlegzool dempingsysteem teensprong contrefort en hielkap breedtesteun achillesbescherming polstering mesh nylon in de neus vetersysteem flare-stand buigingszone met flex grooves

31 Criteria bij kiezen van loopschoen: 5-6 juiste pasvorm lichaamsgewicht eventuele voetafwijking wedstrijd- of trainingsschoen? soort ondergrond trainingsfrequentie

32 De inhoud van dit thema: Opbouw van het menselijk lichaam 6.3Hart en bloedsomloop 6.4Longen en ademhaling 6.5De spijsvertering 6.6Het zenuwstelsel 6.7Het hormoonstelsel 6.8De huid 6.9In de sportpraktijk

33 Opbouw menselijk lichaam: 6-2 cellen weefsels organen orgaanstelsels

34 Cellen: 6-3 zijn zelfstandig levende eenheden in je lichaam hebben in principe dezelfde bouw hebben allemaal hun eigen ‘taak’

35 Het hart: 6-4 pompt bloed rond heeft linker- en rechterkamer heeft linker- en rechterboezem bevindt zich precies in het midden van de borst

36 Bloedsomloop: 6-5 longader hart slagaders bloedvaten die zich vertakken haarvaten bloedvaten die samenkomen hart longslagader longhaarvaten

37 De functie van aders, slagaders en haarvaten: 6-6 aders (venen): -vervoeren zuurstofarm bloed naar het hart -longader vervoert zuurstofrijk bloed -liggen oppervlakkig -hebben kleppen slagaders (arteria): -vervoeren zuurstofrijk bloed naar het lichaam -longslagader vervoert zuurstofarm bloed -alleen aorta en longslagader hebben kleppen -hebben elastische dikke wanden haarvaten (capillairen): -overgangsgebied van slagader naar ader -gaswisseling (uitwisseling van O2 en CO2)

38 Opbouw van bloed: 6-7 bloedplasma rode bloedcellen witte bloedcellen bloedplaatjes

39 Functies van bloed: 6-8 transport van voedingsstoffen, zoals vetten, eiwitten, glucose, vitaminen en mineralen transport van hulpstoffen, zoals hormonen afvoeren van afvalstoffen, zoals koolzuurgas (CO2) zorgt voor een constante lichaamstemperatuur bevat afweermechanismen en afweerstoffen tegen schadelijke invloeden

40 Ademhaling: 6-9 transport van O2 en CO2 in rust: 6 liter lucht per minuut 2 soorten: borst- en buikademhaling ademhalingsweg: -mond/neus -luchtpijp -twee hoofdbronchiën -kleiner wordende bronchiën -longblaasjes -longhaarvatennet ademcentrum in hersenen

41 Verloop van spijsvertering: 6-10 mond: -amylase zorgt voor afbraak koolhydraten -voedsel wordt fijngemalen slokdarm -‘knijpt’ voedsel naar beneden -verbinding tussen mond en maag maag -maagsappen lossen voedsel op en doden bacteriën -bij teveel lucht in maag: boeren dunne darm -sappen uit darmwand, alvleesklier en galblaas maken voedsel fijn -voedingstoffen gaan via darmvlokken naar bloed -bloed stroomt door lever voor ‘schoonmaakbeurt’ dikke darm -water wordt terug geabsorbeerd naar bloed -overtollige afval wordt afgescheiden door endeldarm en anus

42 Het zenuwstelsel: 6-11 centrale zenuwstelsel -hersenen (grote en kleine) -hersenstam -ruggenmerg perifere zenuwstelsel onwillekeurig zenuwstelsel -sympatische zenuwvezels -parasympatische zenuwvezels

43 Het hormoonstelsel: 6-12 werking: -neurale regulatie -humorale regulatie -weefselgevoeligheid hormoonklieren -hypothalamus -hypofyse -schildklier -bijschildklieren -bijnieren -alvleesklier -geslachtsklieren

44 De huid: 6-13 biedt bescherming tegen schadelijke bacteriën en uitdroging regelt temperatuur via haartjes en zweetkliertjes vormt vitamine D onder invloed van zonlicht functioneert als gevoelsorgaan

45 De inhoud van dit thema: Botten en gewrichten 7.3Spieren 7.4Bewegingsmogelijkheden van botten en gewrichten 7.5Skeletspieren 7.6Spierpijn 7.7In de sportpraktijk

46 Botten en gewrichten: 7-2 botten: -206 verschillende -bieden stevigheid en bescherming -bestaan uit beenweefsel (kalk en lijmstof) gewrichten: -beweegbare beenverbindingen -kogelgewricht, scharniergewricht en rolgewricht

47 Soorten spierweefsel: 7-3 hartspierweefsel (hart): dwarsgestreept, onvermoeibaar glad spierweefsel (organen): glad, onvermoeibaar dwarsgestreept spierweefsel (skeletspieren): dwarsgestreept, vermoeibaar

48 Skeletspieren: 7-4 kennen twee soorten spiervezels: -type I: rode spiervezels; slow-twitch -type II: witte spiervezels; fast-twitch bevatten bloedvaten voor toevoer zuurstof en voedingstoffen en afvoer van afvalstoffen zitten met pezen aan botten of huid vast bestaan uit myofibrillen met laagjes actine en myosine die bij contractie in elkaar schuiven worden bestuurd vanuit hersenen via motorische en sensorische zenuwen trekken samen door samenwerking tussen agonist en antagonist kennen concentrische, excentrische en statische contractie

49 Bewegingsassen en bewegingsvlakken: 7-5 assen bij bewegingen: -transversale as of breedteas -sagittale as of diepteas -longitudinale as of lengteas vlakken bij bewegingen: -transversaal vlak -sagittaal vlak -frontaal vlak

50 De inhoud van dit thema: Het menselijk lichaam bij inspanning 8.3 Brandstoffen 8.4 Energieleverende processen 8.5 Warmteregulatie 8.6 Warming-up en cooling-down 8.7 In de sportpraktijk

51 Aanpassingen bij sportinspanning: 8-2 bloedvaatjes in huid gaan openstaan zweetkliertjes gaan vocht afscheiden hartslag en ademhaling versnellen meer spiervezels worden geactiveerd spijsvertering op ‘laag pitje’

52 Brandstoffen: 8-3 koolhydraten vetten eiwitten

53 ATP-resynthese: 8-4 enzymen ATP ADP + P + E (voor spiercontractie) resynthese enzymen anaëroobanaëroobaëroob a-lactischlactisch (energieleverende processen of indirecte energie)

54 Energieleverende systemen: 8-5 anaëroob a-lactisch -zonder zuurstof, zonder melkzuur -bij intensieve inspanning korter dan 20 seconden anaëroob lactisch -zonder zuurstof, met melkzuur -bij intensieve inspanning van 20 seconden tot 2 minuten combinatie anaëroob lactisch + aëroob -afwisseling zonder zuurstof/met melkzuur en met zuurstof -bij intensieve inspanning tussen 2 en 10 minuten aëroob -met zuurstof -bij inspanningen in gelijkmatig tempo vanaf 10 minuten

55 Kenmerken anaëroob a-lactische energiesysteem: 8-6 direct beschikbaar kleine capaciteit (voorraad) zeer groot vermogen herstel loopt vrij snel

56 Kenmerken anaëroob lactische energiesysteem: 8-7 begint na ongeveer 5 seconden bij maximale belasting na ongeveer 20 seconden optimaal groot vermogen beperkte capaciteit (voorraad) vorming van lactaat (melkzuur)

57 Gevolgen van verzuring: 8-8 (chemische) reacties in het lichaam verlopen minder goed door beschadiging spiercellen neemt kracht af door beschadiging spier- en zenuwcellen wordt coördinatie minder pijn door beschadigde zenuwuiteinden

58 Kenmerken aërobe energielevering: 8-9 glycogeenverbranding: -bij inspanningen met een matige tot maximale intensiteit -in rust -energielevering komt traag op gang -weinig vermogen -capaciteit (voorraad) is groot vetverbranding: -bij inspanningen vanaf 45 à 60 minuten -kost meer tijd en zuurstof dan bij glycogeenverbranding -weinig vermogen -zeer grote capaciteit (voorraad)

59 Warmteverlies wordt tegengegaan door: 8-10 onderhuidse vetlaag luchtlaag tussen de huidharen kleding vernauwing bloedvaten (vasoconstrictie) verkleinen lichaamsoppervlak inspanning: rillen, klappertanden

60 Te hoge lichaamstemperatuur wordt tegengegaan door: 8-11 verdamping vocht (huid, luchtwegen) verwijding bloedvaten (vasodilitatie) geleiding straling stroming

61 Warming-up: 8-12 stofwisseling in spieren neemt toe hartslag stijgt en bloedcirculatie verbetert zenuwen worden geactiveerd (snellere acties en bewegingen) gevoeligheid gewrichten, pezen en zintuigen neemt toe (betere coördinatie) ademhaling en longventilatie neemt toe warmteafgifte neemt toe adrenaline komt vrij (actiebereidheid) psyche bereidt zich voor (in de sfeer van het sporten komen)

62 Fasen warming-up: 8-13 algemene fase: -circulatie op gang brengen -losmaken/loszwaaien tonusverlagend rekken specifieke fase (eventueel:) tonusverhogend rekken

63 Cooling-down: 8-14 helpt lichaamstemperatuur te verlagen helpt de bloedverdeling te normaliseren helpt afvalstoffen af te voeren en het herstel te bevorderen circa 10 minuten uitlopen, losmaken en rekken, daarna: verzorgen

64 Fasen cooling-down: 8-15 circulatie-colling-down losmaken/loszwaaien tonusverlagend rekken verzorgen

65 De inhoud van dit thema: Zwaartekracht 9.3 Evenwicht 9.4 Analyses van lichaamshoudingen 9.5 Vectoren 9.6 Hefbomen 9.7 De wetten van Newton 9.8 Hydromechanica 9.9 Translatie en rotatie 9.10 In de sportpraktijk

66 Zwaartekracht: 9-2 aantrekkingskracht van de aarde uitgedrukt in massa (Newton) 10 N(ewton) = 1 Kg symbool: Fz centrum van de massa: zwaartepunt

67 Evenwicht: 9-3 de zwaartelijn (vektor) van een voorwerp of lichaam valt binnen het grondvlak drie soorten evenwicht: -stabiel evenwicht -labiel evenwicht -indifferent evenwicht

68 Vector: 9-4 aanduiding van de grootte en richting van een op het zwaartepunt inwerkende kracht, bijvoorbeeld: zwaartekracht afzetkracht veerkracht spierkracht

69 Hefbomen, vijf factoren: 9-5 een last (L) een kracht (K) een draaipunt of as een lastarm (La) een krachtsarm (Ka)

70 Wetten van Newton: 9-6 wet van de massatraagheid de impulswet de actie-reactiewet

71 Wet van de massatraagheid: 9-7 een lichaam blijft in rust of volhardt in zijn rust of beweging, tenzij er een kracht op wordt uitgeoefend

72 Impulswet: 9-8 als een lichaam met een massa (m) een versnelling (a) heeft, dan is de kracht (F) die erdoor wordt uitgeoefend het product van massa en versnelling: F = m x a

73 Actie-reactiewet: 9-9 elke actie levert altijd een even grote, maar tegengestelde reactie op: A = -R

74 Hydromechanica: 9-10 de wet van Archimedes het principe van Bernouilli koppelwerking

75 Wet van Archimedes: 9-11 een lichaam of voorwerp in water krijgt een opwaartse kracht die gelijk is aan het gewicht van de verplaatste hoeveelheid water

76 Principe van Bernouilli: 9-12 als water (of lucht) sneller gaat stromen, worden de moleculen ervan uit elkaar getrokken en zal de druk van dit water (of deze lucht) wat gaan dalen waardoor drukverschillen ontstaan

77 Koppelwerking: 9-13 een beweging (rotatie) die ontstaat wanneer twee evenwijdige, tegengestelde krachten tegelijkertijd op een voorwerp inwerken

78 Translatie en rotatie: 9-14 translatie: verplaatsing; beweging van een voorwerp waarbij de richting behouden blijft rotatie: draaiing; beweging van een voorwerp waarbij de richting verandert

79 Rotatie van een bal; bijvoorbeeld: 9-15 effectbal: een bal die met een bepaalde rotatie wordt gespeeld inswinger/outswinger (voetbal): effectvol schot waarbij de bal indraait/afdraait backspin/topspin (tennis): achterwaarste/voorwaartse rotatie van de bal

80 De inhoud van dit thema: Sportblessures 10.3 Oorzaken van sportblessures 10.4 Blessurepreventie 10.5 Warming-up en cooling-down 10.6 Handelen bij sportblessures 10.7 Sporten bij extreme weersomstandigheden 10.8 In de sportpraktijk

81 Enkele veel voorkomende sportblessures: 10-2 botbreuken (acuut) enkelverzwikking (acuut) spierkneuzing (acuut) zweepslag (acuut) meniscus (acuut) peesontsteking, bijvoorbeeld achillespeesblessure (chronisch) springschenen of shinsplints (chronisch) springersknie of jumpersknie (chronisch) tennis- of golferselleboog (chronisch)

82 Oorzaken sportblessures: 10-3 lage belastbaarheid van de sporter te hoge belasting uitwendige factoren als lichamelijk contact

83 Drie soorten blessurepreventie: 10-4 primaire preventie secundaire preventie tertiaire preventie

84 Verantwoordelijken voor blessurepreventie: 10-5 de sporter zelf de trainer-coach sportmedische begeleiding sportbond en sportorganisatie

85 Belangrijke manieren om blessures te voorkomen: 10-6 warming-up cooling-down

86 Warming-up: 10-7 een serie oefenvormen om het lichaam voor te bereiden op een grotere inspanning zodat blessures worden voorkomen

87 Cooling-down: 10-8 een serie oefenvormen om het lichaam voor te bereiden op de rust en herstelperiode na een grote inspanning

88 Acuut stoppen met sporten als: 10-9 de pijn niet verdwijnt bewegingspatroon niet normaal kan worden uitgevoerd een knap of krak is gehoord of gevoeld zich snel een zwelling ontwikkelt

89 Bij kneuzingen of verdraaiingen: ICE I = IJs: intensief afkoelen C = Compressie: een drukverband aanleggen E = Elevatie: hoogleggen en onbeweeglijk houden

90 De inhoud van dit thema: Dopingaffaires 11.3 Redenen voor dopinggebruik 11.4 Dopingbestrijding; de motieven 11.5 Dopingbestrijding; de aanpak 11.6 De dopinglijst 11.7 Kanttekeningen bij doping 11.8 In de sportpraktijk

91 Motieven voor dopinggebruik: 11-2 onderdrukken van pijn en vermoeidheid lager lichaamsgewicht beheersing van de motoriek sneller herstel kracht en zuurstoftransport verbeteren mentaal sterker voelen

92 Motieven voor dopingbestrijding: 11-3 bevorderen van fair play beschermen van gezondheid van sporter voorbeeldfunctie van sport en topsporters in ere houden

93 Dopingbestrijding: 11-4 hanteren van dopinglijst harmonisatie van de anti-dopingaanpak dopingcontroles

94 Dopinglijst: 11-5 verboden stoffen verboden methoden verboden stoffen in bepaalde omstandigheden

95 Verboden stoffen; vijf dopinggroepen: 11-6 stimulantia narcotische analgetica anabole middelen diuretica peptide hormonen, groeihormonen en EPO

96 Verboden methoden: 11-7 bloeddoping kunstmatige zuurstofdragers en/of plasmavolumevergroters farmacologische, chemische en fysieke manipulatie

97 Verboden stoffen in bepaalde omstandigheden: 11-8 alcohol canabinoïden lokale anaesthetica of pijnstillende middelen glucocorticosteroïden bètablokkers

98 Kanttekeningen bij dopingbeleid: 11-9 vervuilde voedingspreparaten -geneesmiddelen -voedingssupplementen twijfelachtige stoffen op dopinglijst

99 De inhoud van dit thema: Prestatiebepalende factoren 12.3De vier trainingsgroepen 12.4Trainingsvormen 12.5Trainingsbelasting 12.6Supercompensatie 12.7Andere trainingswetmatigheden 12.8In de sportpraktijk

100 Prestatiebepalende factoren: 12-2 bewegingseigenschappen (cluks) psychische eigenschappen techniek en tactiek aanleg en gezondheid overige factoren (weersomstandigheden, materiaal etc.)

101 Bewegingseigenschappen (conditie): 12-3 coördinatie lenigheid uithoudingsvermogen kracht snelheid

102 Mentale eigenschappen; o.a.: 12-4 inzet doorzettingsvermogen concentratie incasseringsvermogen beheersing zelfreflectie

103 Techniek en tactiek: 12-5 techniek: met de juiste bewegingsvaardigheid, kracht, balans, snelheid, coördinatie en timing bewegingen uitvoeren tactiek: de strategie die je gebruikt om je vaardigheden zo goed mogelijk toe te passen

104 Aanleg en gezondheid: 12-6 talent bouw spiervezeltype vatbaarheid voor infecties geslacht leeftijd

105 Omstandigheden; o.a.: 12-7 weersomstandigheden kleding en materiaal voeding sociaal-maatschappelijke omstandigheden

106 Vier trainingsgroepen: 12-8 techniek tactiek conditie mentaliteit

107 Techniektraining: 12-9 het in de praktijk oefenen van een bepaalde beweging met de bedoeling om deze zo doelmatig (mechanisch verantwoord en effectief) en economisch (efficiënt) mogelijk uit te kunnen voeren

108 Tactiektraining: het in de praktijk oefenen met een strategie ten opzichte van een tegenstander, of, bij individuele sporten, ten opzichte van de race-indeling, met als doel de wedstrijd te winnen

109 Conditietraining: het in de praktijk oefenen met bewegingsvaardigheden en bewegingseigenschappen, vooral lenigheid, uithoudingsvermogen, kracht en snelheid, met het doel het prestatievermogen te verbeteren

110 Mentale training: het in de praktijk leren omgaan met eigenschappen en vaardigheden die betrekking hebben op de psyche

111 Trainingsvormen: algemeen ontwikkelde oefenvormen specifieke trainingsvormen wedstrijdvormen

112 Belasting en belastbaarheid: belasting = de weerstand die je lichaam ondergaat, de arbeid die jij levert belastbaarheid = het vermogen om een belasting te ondergaan of te leveren zonder nadelige gevolgen

113 Trainingsbelasting: de inwendige of uitwendige belasting die noodzakelijk is om het prestatievermogen te verbeteren, bestaande uit de volgende bouwstenen: omvang duur intensiteit pauze

114 Supercompensatie: prestatieverbetering door een juiste afwisseling tussen inspanning en herstel

115 Supercompensatie door: rusten hersteltraining andere trainingsvorm voeding massage sauna

116 Andere trainingswetmatigheden: overload verminderde meeropbrengst omkeerbaarheid (reversibiliteit) specificiteit individualiteit duurzaamheid

117 De inhoud van dit thema: Wat is coördinatie? 13.3 Algemene en specifieke coördinatie 13.4 De rol van het zenuwstelsel 13.5 Leeftijdspecifiek trainingsregels 13.6 In de sportpraktijk

118 Coördinatie: 13-2 het vermogen om op grond van een nauwe samenwerking tussen zenuwstelsel, zintuigen en spieren motorische acties economisch en nauwkeurig uit te voeren

119 Soorten coördinatie: 13-3 algemene coördinatie: harmonische samenwerking tussen zintuigen, spier- en zenuwstelsel als gevolg van de totale bewegingservaring die is opgedaan specifieke coördinatie: harmonische samenwerking tussen zintuigen, spier- en zenuwstelsel als gevolg van de bewegingservaring die de sporter in zijn eigen specifieke tak van sport heeft opgedaan

120 Zenuwstelsel: 13-4 centrale zenuwstelsel (CZS) -grote hersenen -kleine hersenen -hersenstam -ruggenmerg perifere zenuwstelsel (zenuwen) onwillekeurig zenuwstelsel -sympathische zenuwvezels -parasympathische zenuwvezels

121 De inhoud van dit thema: Wat is lenigheid? 14.3 Soorten lenigheid 14.4 Oorzaken van tekort aan lenigheid 14.5 Lenigheidstraining 14.6 In de sportpraktijk Bijlage: rekkingsoefeningen

122 Lenigheid: 14-2 het vermogen om bewegingen met een zo groot mogelijke bewegingsuitslag (bewegingsamplitude) in de gewrichten uit te voeren

123 Soorten lenigheid: 14-3 algemene en specifieke lenigheid actieve en passieve lenigheid dynamische en statische lenigheid

124 Oorzaken van tekort aan lenigheid: 14-4 inactiviteit mannelijke hormonen koude spieren vermoeidheid huidbeschadiging stress vetweefsel ouder worden spier- en gewrichtsblessures aanleg

125 Lenigheidstraining: 14-5 het vergroten van de bewegingsuitslag door: dynamisch of verend rekken doel: tonusverlaging van antagonisten statisch rekken

126 De inhoud van dit thema: Wat is uithoudingsvermogen? 15.3 Capaciteit en vermogen voor uithoudingsvermogen 15.4 Verschillende soorten uithoudingsvermogen 15.5 Trainingsadaptatie 15.6 De ontwikkeling van het uithoudingsvermogen 15.7 Trainingsmethoden 15.8 De optimale HF voor training 15.9 Trainen voor gezondheid In de sportpraktijk

127 Uithoudingsvermogen: 15-2 het vermogen van de sporter om weerstand te bieden aan psychische en fysieke vermoeidheid bij aanhoudende belastingen en/of snel kunnen herstellen na dergelijke belastingen

128 Twee begrippen bij uithoudingsvermogen: 15-3 capaciteit voor uithoudingsvermogen: de totale voorraad aan energierijke stoffen vermogen voor uithoudingsvermogen: de energie die per tijdseenheid uit de capaciteit kan worden vrijgemaakt

129 Soorten uithoudingsvermogen: 15-4 indeling 1: -anaëroob a-lactisch uithoudingsvermogen -anaëroob lactisch uithoudingsvermogen -aëroob uithoudingsvermogen indeling 2: -basisuithoudingsvermogen -krachtuithoudingsvermogen -snelheidsuithoudingsvermogen indeling 3: -algemeen uithoudingsvermogen -specifiek uithoudingsvermogen

130 Eerste indeling in uithoudingsvermogen: 15-5 anaëroob a-lactisch uithoudingsvermogen: het vermogen om weerstand te bieden aan vermoeidheid bij snelheid en nagenoeg maximale intensiteit (kort u.h.v.) anaëroob lactisch uithoudingsvermogen: het vermogen om ondanks hoge intensiteit en snelheid de productie van lactaat te beperken, dan wel om het lactaat tijdens het sporten gedeeltelijk af te breken en af te voeren (middellang u.h.v.) aëroob uithoudingsvermogen: het vermogen om weerstand te bieden aan een algehele vermoeidheid die ontstaat in hart, longen en spieren bij langdurige inspanning (lang u.h.v.)

131 Tweede indeling in uithoudingsvermogen: 15-6 basisuithoudingsvermogen krachtuithoudingsvermogen snelheidsuithoudingsvermogen

132 Derde indeling in uithoudingsvermogen: 15-7 algemeen uithoudingsvermogen: basisuithoudingsvermogen specifiek uithoudingsvermogen: het vermogen om weerstand te bieden aan vermoeidheid bij belastingen die specifiek zijn voor een bepaalde tak van sport

133 Trainingsadapatie: 15-8 concreet waarneembare fysieke trainingseffecten in de volgende systemen: het cardiovasculaire systeem het respiratoire systeem het vasculaire systeem de stofwisseling het neuromusculaire systeem

134 Trainingsmethoden van het uithoudingsvermogen: 15-9 duurmethode intervalmethode herhalingsmethode wedstrijd- of testmethode

135 Duurmethode: trainingsmethode waarbij de sporter continue langdurige belastingen ondergaat: duurtraining-1: extensieve duurtraining duurtraining-2 duurtraining-3: intensieve duurtraining

136 Intervalmethode: trainingsmethode waarbij trainingsbelasting en herstel planmatig worden afgewisseld: intensieve intervaltraining extensieve intervaltraining

137 Herhalingsmethode: trainingsmethode waarbij trainingsintensiteit afgewisseld wordt met lange pauzes waarin volledig herstel plaatsvindt

138 Wedstrijd- of testmethode: trainingsmethode waarbij de sporter de wedstrijd simuleert (nabootst)

139 Variaties op trainingsmethoden voor uithoudingsvermogen: tempotraining fartlektraining heuveltraining

140 Trainen voor gezondheid: gewicht verliezen verlaging van de bloeddruk verlaging van het cholesterolgehalte verandering vetconcentraties in bloed

141 De inhoud van dit thema: Wat is kracht? 16.3 Soorten kracht 16.4 Trainingsadaptatie 16.5 Krachttraining 16.6 In de sportpraktijk

142 Kracht: 16-2 de vaardigheid van het neuromusculaire systeem om uitwendige weerstanden te overwinnen en/of deze tegen te werken en/of deze vast te houden

143 Kracht; de soorten: 16-3 naar spiercontractie: statische of isometrische kracht dynamische kracht: -dynamisch concentrische kracht -dynamisch excentrische kracht naar verschijningsvorm: maximale kracht explosieve kracht snelkracht krachtuithoudingsvermogen naar toepassing: algemene kracht specifieke kracht

144 Kracht; indeling naar spiercontractie: 16-4 dynamisch-concentrische spierkracht: het overwinnen van uitwendige weerstanden dynamisch-excentrische spierkracht: het tegenwerken of tegenhouden van uitwendige weerstanden statische (isometrische) spierkracht: het vasthouden van uitwendige weerstanden

145 Kracht; indeling naar verschijningsvorm: 16-5 maximale kracht: hoogste last die een spier kan overwinnen bij één willekeurige contractie explosieve kracht: kracht die een spier eenmalig, zo snel mogelijk kan ontwikkelen snelkracht: vermogen om zo snel mogelijk en meerdere keren achter elkaar kracht te leveren krachtuithoudingsvermogen: het vermogen om weerstand te bieden aan vermoeidheid bij belastingen met geringe krachtsinspanningen

146 Kracht; indeling naar toepassing: 16-6 algemene kracht kracht van de spieren van het gehele lichaam specifieke kracht kracht van de spieren die gebruikt worden voor de specifieke sportbeweging en sportbelasting

147 Krachttraining algemeen: 16-7 gekoppeld aan techniektraining algemene krachttraining bij jeugdigen gericht op optimale verhouding kracht en snelheid hoe hoger de intensiteit, hoe lager de frequentie

148 Hypertrofietraining: 16-8 training met een middelmatige tot bijna maximale spierbelasting die gericht is op een toename van de omvang van de slow-twitch of de fast-twitch vezels

149 Training maximale kracht: 16-9 training met een hoge intensiteit die gericht is op het vergroten van de grootst mogelijke kracht die een spier (eenmalig) kan ontwikkelen

150 Training explosieve kracht: training met een combinatie van maximale snelheid en maximale belasting die gericht is op het vergroten van de kracht die een spier eenmalig, zo snel mogelijk kan ontwikkelen

151 Training snelkracht: training waarin relatief lichte belastingen gecombineerd worden met snelle bewegingen gericht op het vermogen om zo snel mogelijk en meerdere keren achter elkaar kracht te leveren

152 Training krachtuithoudingsvermogen: training gericht op het vermogen om weerstand te bieden aan (lokale) vermoeidheid bij belastingen met geringe krachtsinspanningen

153 De inhoud van dit thema: Wat is snelheid? 17.3 Soorten snelheid 17.4 Trainingsadaptatie 17.5 Snelheidstraining 17.6 In de sportpraktijk

154 Snelheid: 17-2 het vermogen van de sporter een motorische actie of een aantal motorische acties in een zo kort mogelijke tijd te volbrengen

155 Snelheid; de soorten: 17-3 maximale snelheid acceleratiesnelheid snelheidsuithoudingsvermogen reactiesnelheid cyclische snelheid a-cyclische snelheid actiesnelheid snelkracht

156 Algemene snelheidstraining: 17-4 ook gericht op verbeteren van kracht altijd in de specifieke snelheidssituatie met hoge trainingsintensiteit met lage trainingsomvang op jonge leeftijd

157 Training reactiesnelheid: 17-5 training gericht op het vermogen om zo snel mogelijk op een akoestische, optische en/of tactiele prikkel te reageren

158 Training acceleratiesnelheid: 17-6 training gericht op het vermogen om in zo kort mogelijke tijd een zo hoog mogelijke snelheid te bereiken

159 Training maximale snelheid: 17-7 training gericht op het vermogen om, op basis van kracht, motorische acties in zo kort mogelijke tijd te realiseren

160 Training snelheidsuithoudingsvermogen: 17-8 training gericht op het vermogen om weerstand te bieden aan vermoeidheid bij belastingen met maximale bewegingssnelheden

161 De inhoud van dit thema: Wat is de beginsituatie? 18.3 Het vaststellen van de beginsituatie 18.4 Mijn lichaam in cijfers 18.5 Het meten van bewegingseigenschappen 18.6 Betrouwbaar testen 18.7 Het belang van evalueren 18.8 Trainingsevaluatie 18.9 In de sportpraktijk

162 Beginsituatie: 18-2 is het huidige niveau van de prestatiebepalende factoren is individueel verandert steeds door trainingseffect

163 Beginsituatie bepalen: 18-3 anamnese testen en metingen wedstrijdanalyses biometingen

164 Anamnese: 18-4 algemene gegevens sociale anamnese gezondheidsanamnese sportanamnese

165 Testen en metingen: 18-5 laboratoriumtesten veldtesten

166 Wedstrijdanalyse: 18-6 het bestuderen van alle factoren die hebben bijgedragen aan het resultaat dat de sporter tijdens de wedstrijd heeft behaald

167 Bepalen ideaal lichaamsgewicht: 18-7 meting vetpercentage -huidplooimeting -onderwaterdompeling -digitale meetmethode berekenen BMI meting skeletgewicht

168 Bloeddruk: 18-8 spanning van het bloed in de slagaderen; de kracht waarmee het bloed tegen de wanden van de bloedvaten drukt

169 Hartfrequentie: 18-9 aantal slagen van het hart per minuut: HF-max. = het maximale aantal hartslagen dat iemand in een minuut kan krijgen, afhankelijk van leeftijd en conditie HF-rust = het aantal hartslagen per minuut tijdens rust, afhankelijk van conditie en persoonsgebonden

170 Anatomische inspectie van lichaamsbouw: stand schouders en schouderbladen links-rechts verschillen stand van voeten, enkels, knieën, bekken vorm van de wervelkolom

171 Vijf bewegingseigenschappen (conditie): coördinatie lenigheid uithoudingsvermogen kracht snelheid

172 Testen voor coördinatie: testen voor oog-handcoördinatie reactie/coördinatietest sportspecifieke checklists

173 Lenigheidstests: sit-and-reach-test test ilio psoas test M. triceps surae test onderrug/hamstrings

174 Testen uithoudingsvermogen: shuttlerun test Coopertest Åstrandtest Zoladz-test

175 Krachttesten: push up sit up vertical jump test knijptest met dynamometer maximale-krachttest herhalingstest 3-hinkentest

176 Snelheidstesten: shuttle sprint 5 x 10m 30m. sprint met vliegende start 35 m. sprint vanuit staande start 50 x plate tapping voor het meten van ledematen snelheid

177 Een betrouwbare testafname is: reproduceerbaar objectief valide transparantvoor het meten van ledematen snelheid

178 Belang van evalueren: controleren van trainingseffecten bijstellen van trainingsplanning nagaan hoe de training verlopen is

179 Trainingsevaluatie: afnemen van testen bijhouden trainingslogboek analyseren van wedstrijden

180 Gegevens trainingslogboek: HF-rust HF tijdens training lichaamsgewicht aantal trainingsuren of afgelegde trainingsafstand soort training, trainingsresultaten en trainingsomstandigheden fitheidsgevoel tijdens training testresultaten medische testen

181 Wedstrijdanalyse: het onderzoeken van alle afzonderlijke prestatiebepalende factoren

182 De inhoud van dit thema: De sportcarrière en de meerjarenplanning 19.3 De Basis Trainings Periode (BTP) 19.4 De Opbouw Trainings Periode (OTP) 19.5 De Topprestatie Trainings Periode (TTP) 19.6 Het jaarplan 19.7 Macroplanning 19.8 Meso- en microplanning 19.9 Enkele of dubbele periodisering? 19.10Periodiseren van spelsporten

183 Meerjarenplan: 19-2 systematische voorbereiding van de sporter ten behoeve van een toekomstige (top)sportcarrière, onderverdeeld in: drie periodes: 1Basis Trainings Periode (BTP) 2Opbouw Trainings Periode (OTP) 3Topprestatie Trainings Periode (TTP) met voor elke periode vier doelen: -mentale doelen -technisch-tactische doelen -intellectuele doelen -fysieke doelen

184 Doelen Basis Trainings Periode: 19-3 motivatie en plezier in sport (mentaal) grove technische beheersing en basistactische gedrag (technisch-tactisch) kennis en inzicht in belangrijke sportzaken (intellectueel) ontwikkelen algemene conditie (fysiek)

185 Overgang naar OTP als sporter in bezit is van: 19-4 een grove beheersing van de basistechnieken een behoorlijk aëroob uithoudingsvermogen een goede motivatie om regelmatig te trainen wedstrijdervaring kennis van hun prestaties een positieve sportervaring basiskennis van en inzicht in de sport en de training

186 Doelen Opbouw Trainings Periode: 19-5 motivatie, discipline, concentratie, stressbestendigheid (mentaal) ontwikkeling technische en tactische details (technisch-tactisch) uitbreiding kennis en inzicht in training, tactiek en materiaal (intellectueel) ontwikkelen specifieke conditie (fysiek)

187 Nieuwe trainingsvormen in OTP: 19-6 trainingen die lactisch uithoudingsvermogen verbeteren krachttrainingen wedstrijden als trainingsvorm

188 Overgang naar TTP als de sporter: 19-7 tot de betere junioren behoort en vertrouwd is met sportsucces een goede algemene en specifieke fysieke basis bezit, waarmee aansluiting bij de top een reële mogelijkheid is zich heeft gespecialiseerd binnen de sport zich een persoonlijke stijl heeft eigen gemaakt die is afgeleid van de ideale en mechanisch juiste techniek minimale technische tekorten vertoont tactisch al aardig geschoold en ervaren is over trainingsdiscipline en –motivatie beschikt voldoende wedstrijdervaring heeft waarin hij aansluiting bij de top heeft gevonden

189 Hoofddoel Topprestatie Trainings Periode: 19-8 bereiken individueel hoogst mogelijke prestatie, door realiseren van steeds verder gelegen doelen op mentaal, technisch-tactisch, intellectueel en fysiek gebied

190 Bewaken trainingsplanning: 19-9 vaststellen van de beginsituatie maken van een macro-, meso- en microplan controleren en bijsturen van de training

191 Doelen van een jaarplan: realiseren van zo hoog mogelijke prestaties in dat jaar realiseren van tussendoelen, die leiden naar de verder weggelegen hoofddoelen uit het meerjarenplan

192 Uitgangspunten bij opzet jaarplan: sporter moet ‘pieken’ op juiste moment wedstrijdkalender is uitgangspunt drie belangrijke sturingsmechanismen: -trainingsomvang -trainingsintensiteit -rust

193 Macrocycli: voorbereidingsperiode (VP) -algemene voorbereidingsperiode (AVP) -specifieke voorbereidingsperiode (SVP) wedstrijdperiode (WP) overgangsperiode (OP)

194 Meso- en microplanning: mesoniveau: weken microniveau: dagen

195 Twee soorten periodisering: enkele periodisering: trainingsjaar of –seizoen dat uit één piekmoment bestaat dubbele periodisering: trainingsjaar of –seizoen dat uit twee piekmomenten bestaat die ver uit elkaar liggen

196 De inhoud van dit thema: Lichaamsbeweging en psyche 20.3 Coaching 20.4 Feedback geven 20.5 Concentratie: het richten van aandacht 20.6 Werken met doelen 20.7 Mentale aspecten van geblesseerd zijn

197 Mentale effecten van lichaamsbeweging: 20-2 vermindering van milde tot matig ernstige depressies afname van het angstniveau direct positief effect op de stemming (runners high) betere stressbestendigheid

198 Coaching: 20-3 het doorgeven van ervaringen: feedforward feedback

199 Feedback: 20-4 het terugkoppelen van informatie over iemands gedrag: negatief positief

200 Effectief feedback geven: 20-5 op het juiste moment over feitelijk gedrag als een ik-boodschap op een positieve en respectvolle wijze in een niet-bedreigende situatie niet teveel in één keer niet inslikken gevolgen aangeven

201 Concentratie: 20-6 op één punt gerichte aandacht

202 Delen van het aandachtsplan: 20-7 het precompetitie-aandachtsplan het competitie-aandachtsplan

203 Competitie-aandachtsplan; twee strategieën: concentreren op interne (sporttechnische) zaken 2concentreren op externe zaken

204 Centeren: 20-9 de aandacht vestigen op het eigen zwaartepunt, het centrum van het lichaam

205 Het nastreven van doelen: leidt tot zingeving dwingt je na te denken over wat je wilt geeft sturing aan activiteiten geeft inzicht in jezelf stimuleert om door te zetten geeft bij het halen ervan zelfvertrouwen

206 Soorten doelen: eerste indeling:prestatiedoelen resultaatdoelen doe-je-best-doelen 2tweede indeling:technische doelen tactische doelen mentale doelen conditionele doelen 3derde indeling:korte-termijndoelen middellange- termijndoelen lange-termijndoelen 4vierde indeling:individuele doelen groepsdoelen

207 Formuleren van doelen: nauwkeurig concreet realistisch uitdagend

208 Blessures ontstaan vaker: bij minder ‘harde’ persoonlijkheden onder invloed van stress -in dagelijks leven -tijdens wedstrijden

209 Geblesseerd zijn leidt tot: verlies van dagelijkse routine verlies van aandacht hulpeloosheid en afhankelijkheid onzekerheid en angst

210 Mentale training: doelen stellen ontspanningstechnieken visualiseren gedachtecontroletechnieken supportgroups

211 De inhoud van dit thema: Wedstrijdbegeleiding vóór de wedstrijd 21.3 Wedstrijdbegeleiding tijdens de wedstrijd 21.4 Wedstrijdbegeleiding na de wedstrijd 21.5 Wedstrijdevaluatie

212 Wedstrijdbegeleiding vóór de wedstrijd: 21-2 individuele benadering helpen de juiste spanning te creëren -te weinig spanning: opzwepende peptalk -te veel spanning: opbeurende peptalk -verhinderen storende afleiders geen donderspeeches geen ‘last-minute’-instructies toezien op juiste uitvoering warming up

213 Wedstrijdbegeleiding tijdens de wedstrijd: 21-3 beperkte invloed moeizame communicatie vanwege stress en vermoeidheid veelal non-verbaal

214 Begeleiding na de wedstrijd: 21-4 eerst gelegenheid voor verwerken prestatie laat cooling down uitvoeren snelle nabespreking: globale analyse tweede nabespreking: gedetailleerde analyse blijf niet lang stilstaan bij verlies trek lering uit verlies

215 Wedstrijdevaluatie: 21-5 observeren analyseren interpreteren hulpmiddel: evaluatieformulier


Download ppt "De inhoud van dit thema: 1-1 1.2Motieven om te sporten 1.3 De trainer-coach 1.4 In de sportpraktijk."

Verwante presentaties


Ads door Google