De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

Sociale agogiek Wetenschap en beroep. Sociale agogiek (Studie van) interventies in een diversiteit van situaties.

Verwante presentaties


Presentatie over: "Sociale agogiek Wetenschap en beroep. Sociale agogiek (Studie van) interventies in een diversiteit van situaties."— Transcript van de presentatie:

1 Sociale agogiek Wetenschap en beroep

2 Sociale agogiek (Studie van) interventies in een diversiteit van situaties

3 Sociale agogiek  Reflexief handelen : « praxis »

4 Sociale agogiek Definitie -studie van het geheel van -Systematische en -Intentionele -Interventies -Gericht op de ondersteuning van individuen en groepen -In hun sociale en culturele ontplooiing.

5 Sociale agogiek  Kernthema = interventie  = tussenkomst in gebeurtenissen/situaties die onafhankelijk van deze interventie hun beloop kennen  Tussenkomst : sturing van deze gebeurtenissen en situaties   verandering of behoud situatie

6 Kenmerken agogische interventie  Systematisch  Intentioneel  Pedagogisch = comprehensieve kenmerken : de betekenis van elk kenmerk moet begrepen worden in het licht van alle andere kenmerken

7 Agogische interventie = systematische interventie  Systematisch = gebaseerd op een methodiek  Methodiek = antwoord op vraag waarom voor een bepaalde aanpak gekozen wordt  verbinding tussen theoretisch referentiekader en gekozen aanpak  Gekozen aanpak = methode

8 Agogische interventie = systematische interventie  Voorbeeld : weinig speelruimte voor kinderen : is dit een sociaal probleem ? Of m.a.w. moet hierin tussengekomen worden ?

9 Agogische interventie = systematische interventie  Bepaling of tussenkomst al dan niet nodig is = politieke discussie   parlement   « civil society » : sociale ruimte tussen staat en individu  Bijv. : jeugdraad; oudergroep, actiegroep, vakbond …  Inclusief : welzijns-en sociaal cultureel werk

10 Agogische interventie = systematische interventie  Waarom tussenkomen ?  diverse referentiekaders  In het voorbeeld van weinig speelruimte : -kinderen hebben recht op spelen -Spelen is belangrijk voor de ontwikkeling van kinderen -Weinig speelruimte houdt risico’s in van « overlast » van spelende kinderen -…

11 Agogische interventie = systematische interventie  Gekozen referentiekader (waaromvraag) bepaalt de aanpak (hoevraag)  Voorbeeld : -recht op spelen  herinrichten openbare ruimte en kinderen hierbij betrekken -Spel is belangrijk voor ontwikkeling  speelruimtes aangepast aan « ontwikkelingsnoden » kinderen -« Overlast »  inrichting speelplein, zodat kinderen niet meer op straat spelen.

12 Agogische interventie = systematische interventie  Verbinding theoretisch referentiekader en concrete aanpak kan op verschillende manieren  Voorbeeld : Herinrichting openbare ruimte via -kleinschalig inspraakproject -Invoering « kinderparagraaf » -Instelling « kindergemeenteraad » -…

13 Agogische interventie = systematische interventie Vanuit verschillend referentiekaders kan voor eenzelfde aanpak gekozen worden Voorbeeld : Inspraakproject is ook dienstig om na te gaan of idee speelplein aanslaat bij kinderen en « preventie » dus zal werken Cfr. Comprehensiviteit kenmerken agogische interventie : gekozen aanpak (hoe) niet los zien van waarom en van waartoe (intentionaliteit)

14 Agogische interventie = intentionele interventie  Algemene doelstelling agogische interventie = ondersteuning « sociale en culturele ontplooiing » individuen en groepen

15 Agogische interventie = intentionele interventie  Menselijk handelen = sociaal handelen, d.w.z. handelen zinvol betrokken op anderen  Grondcategorieën sociaal handelen : -affectief sociaal handelen -Traditioneel sociaal handelen -Waarderationeel sociaal handelen -Doelrationeel sociaal handelen

16 Sociaal handelen  Affectief sociaal handelen : wijzen waarop mensen individuele gemoedstoestanden en gewaarwordingen, bijv. woede, vreugde, verdriet … sociaal tot uitdrukking brengen

17 Sociaal handelen  Traditioneel sociaal handelen : gewoontebepaald handelen, bijv. etiquette, kledij verbonden met bepaalde beroepen.….

18 Sociaal handelen  Waarderationeel handelen : intrinsiek belangrijk door de waarde die mensen eraan hechten, bijv. samenzijn onder vrienden…

19 Sociaal handelen  Doelrationeel handelen : handelen gesteld om een doel te bereiken, en waarbij het gedrag van andere mensen een voorwaarde of middel is om deze doelstelling te bereiken, bijv. invoering snelheidsbeperking om veiliger verkeer te bekomen…

20 Sociaal handelen  = aangeleerd handelen  Komt tot stand via -interactie = waarneembaar gedrag van mensen -Communicatie = mededelen van informatie  Via interactie geven mensen betekenissen door  Deze betekenissen worden doorgegeven via socialisatie  Sociaal handelen moet historisch begrepen worden

21 Sociaal handelen : historisch te begrijpen handelen  Handelen vandaag verwijst mede naar verleden en is gericht op toekomst  Voorbeeld : OCMW vandaag -structuur vergelijkbaar met COO -beeldvorming beïnvloed door COO -dienstverlening in relatie tot actuele noden -en in relatie tot inschatting toekomstige ontwikkelingen

22 Sociaal handelen  Geeft uitdrukking aan relatie individu- gemeenschap  Bijv. -Impact traditioneel sociaal handelen in 1950  impact vandaag -Impact doelrationeel sociaal handelen vandaag  impact 1950  Problematisering negatieve effecten te grote impact doelrationeel handelen : concept risicomaatschappij.

23 Concept « risicomaatschappij »  Ulrich Beck : postmoderne samenleving verschilt grondig van moderne, industriële samenleving  Industriële samenleving : gekenmerkt door strijd om verdeling maatschappelijke rijkdom (welvaart en welzijn)  Postmoderne samenleving : kenniseconomie, gekenmerkt door strijd om verdeling maatschappelijke risico’s.

24 Concept « risicomaatschappij »  « Maatschappelijke risico’s » = risico’s voortvloeiend uit maatschappelijke keuzes -Ecologische risico’s -Sociaal-economische risico’s -Individualiseringsriscio’s  fundamentele veranderingen in sociaal handelen en in socialisatieproces  verbinding tussen deze veranderingen en socialisatie = studieterrein sociale agogiek

25 Sociale agogiek  = thematisering sociaal handelen tot object van pedagogische interventie  Centrale vraag : op welke wijze kunnen pedagogische interventies bijdragen tot een « verbetering » van het sociaal handelen ?  Criterium : « sociale en culturele ontplooiing » individuen en groepen

26 « Sociale ontplooiing »  Sociaal handelen = begrensd door sociale positie en verbindingen tussen sociale posities bijv. « handelingsrepertoire » vrouwen verschillend van dit van mannen  Via sociaal handelen maken mensen nieuwe verbindingen tussen sociale posities bijv. Emancipatorisch vormingswerk helpt vrouwen hun handelingsrepertoire uit te breiden  Geheel van sociale posities en relaties individu = sociaal netwerk bijv. Sociaal netwerk van huisvrouwen verschillend van het sociaal netwerk van uithuiswerkende vrouwen.

27 « Culturele ontplooiing »  Sociaal handelen = beïnvloed door de waardering van sociale posities en sociale netwerken, en door verwachtingen die mensen ervan hebben, bijv. verwachtingen van vrouwen ten aanzien van vormingswerk anders dan verwachtingen van mannen  Deze waarderingen vinden hun neerslag in cultuurpatronen : gestructureerde gehelen van waarden, normen, verwachtingen en doelstellingen.  Deze cultuurpatronen worden via socialisatie en opvoeding overgedragen

28 Groepen  = verbinding tussen netwerken en cultuurpatronen.  Verschillende soorten groepen socialiseren het individu tot « sociaal wezen »

29 Soorten groepen  Primaire groepen, bijv. Gezin  Taakgerichte groepen, bijv. Projectgroep  Referentiegroepen - groepen waartoe men wil behoren, bijv. Jeugdsubculturele groep - groepen waarmee men de eigen situatie vergelijkt, bijv. inkomensgroep

30 Socialisatie en opvoeding  Socialisatie : gedurende het gehele leven  Primaire socialisatie : in primaire groepen, vooral informeel  Secundaire socialisatie : in formele organisaties, zoals bijv. de school  Tertiaire socialisatie : door massamedia, onpersoonlijk van aard  Opvoeding : tussenkomst in socialisatieproces

31 Socialisatie en opvoeding  Ontwikkeling westerse samenleving : -socialisatiefunctie gezin in toenemende mate overgenomen door de overheid -toenemende impact sociale en educatieve praktijken  « pedagogisering » -Vb : kinderopvang; scholing, hulpverlening, gezondheidszorg, cultuurwerk…

32 Sociaalagogische interventie = pedagogische interventie  = vakgebied binnen pedagogische wetenschappen  Ontwikkeling in verschillende fasen : 1 van pedagogiek naar sociale pedagogiek 2 van sociale pedagogiek naar sociale agogiek 3 verscheidenheid agogische interventies 4 paradigmaverscheidenheid 5 sociale agogiek als studie sociaalagogisch handelen

33 Van pedagogiek naar sociale pedagogiek  Eind 19e eeuw : systematisering kritieken op zgn. « Individualpädagogik »  Individualpädagogik : opvoeding individu tot harmonische persoonlijkheid  Sociale pedagogiek : opvoeding individu tot lid van de gemeenschap  Niet enkel een zaak van individuele opvoeding, maar ook van sociale verbanden die bemiddelen tussen individu en gemeenschap

34 Van pedagogiek naar sociale pedagogiek  Sociale pedagogiek : gericht op groepen waarin jeugdigen vertoeven, buiten gezin en school  Kern = « vrije jeugdvorming »  « opvoeding tot gemeenschap » wordt gezien als : - weerhouden van onmaatschappelijk gedrag ; - begeleiding naar verantwoordelijkheid en competentie, om bij te dragen tot een democratische, betere samenleving

35 Van sociale pedagogiek naar sociale agogiek  NA WO II : dubbele beweging : -onderscheid jeugdvorming (sociale pedagogiek) en volwassenenvorming (andragogiek) -T.T. ten Have : streven naar scherpere afgrenzing en profilering sociale pedagogiek ten opzichte van pedagogiek

36 Van sociale pedagogiek naar sociale agogiek  T.T. ten Have : ordening geheel van opvoedingspraktijken die het sociale gedrag van het individu beogen  Sociale agogiek = « arbeid waarbij welbewust gestreefd wordt naar een verbetering van een bestaande toestand, althans verandering van deze toestand in een wenselijk geachte richting  sociale interventie als kernthema in agogische theorievorming

37 Van sociale pedagogiek naar sociale agogiek  Sociale interventie : aanvankelijk begrepen als « verandering in de richting van verbetering »  Later : ook gerichtheid op behoud situaties  Sociale interventie = « intentionele sociale beïnvloeding »

38 Verscheidenheid van sociaalagogische interventies  Ordening sociaalagogische praktijken  terminologische discussies  Frequente criteria : -doelgroep : jongeren (sociale pedagogiek), volwassenen (andragogiek) -Terrein : sociale agogiek en culturele agogiek -Vertrekpunt interventie : exagogiek, anagogiek, katagogiek

39 Verscheidenheid van agogische interventies  Ordeningscriteria = lezing van de realiteit  Kritische benadering nodig : cfr. vestiging « normaliteitsbeeld »

40 Paradigmaverscheidenheid  Paradigma = -model voor wetenschapsbeoefening -specifieke combinatie van uitgangspunten van waaruit naar de sociale werkelijkheid gekeken wordt, theorieopvattingen en voorschriften van methodologische en onderzoekstechnische aard -  onderscheid technische professionele, persoonlijke groei en kritisch-emancipatorische benaderingen.

41 Paradigmaverscheidenheid  Technisch-professionele benaderingen : -sociale agogiek = sociale veranderkunde -gebaseerd op « driefasenmodel » K. Lewin : unfreezing, moving, refreezing -Diagnose en probleemdefinitie  doelbepaling  strategiebepaling  implementatie  evaluatie - Heel courant gehanteerde agogische begrippen verwijzen naar deze benaderingen

42 Paradigmaverscheidenheid  Persoonlijke groeibenaderingen -sociale verandering = verandering in de persoon (cfr. Humanistische psychologie) -Interventie = gericht op wegnemen belemmerende of vervreemde factoren die mensen beletten hun groeicapaciteiten maximaal tot ontwikkeling te brengen -Bijdrage tot sociale agogiek ligt vooral in ontwikkeling alternatieve methodes

43 Paradigmaverscheidenheid  Kritisch-emancipatorische benaderingen -verbinden agogische interventie met ruimere maatschappelijke analyse -Nadruk op niet neutrale karakter agogische interventie -Niet enkel richting interventie is belangrijk ook de vraag wie, ten aanzien van wie, op welke gronden, deze richting bepaalt  van « sociale brandweer » naar « verantwoord handelen »

44 Van « sociale brandweer » naar « verantwoord handelen »  « Sociale brandweer » : agoog definieert problemen en zoekt oplossingen  opdelen problemen in individuele kwesties  inpassing in beleidsondersteunende doelstellingenkaders  beheersing  Emancipatie : verhogen handelingscompetentie mensen : biografische competentie, institutionele competentie, politieke competentie

45 Van « sociale brandweer » naar « verantwoord handelen »  Emancipatie = -verwerven structurele mogelijkheden om deel te nemen aan samenleving (cfr. sociale ontplooiing) -Verwerven nodige vaardigheden om de verworven mogelijkheden te benutten (cfr. culturele ontplooiing) -Te begrijpen in het licht van een ruimere maatschappelijke analyse : accent verschuift van doel-middelrelatie (cfr. technisch professionele benaderingen) naar verantwoordingsrelatie

46 Sociale agogiek : studie van het sociaalagogisch handelen  Vanaf 1980 : « decentrering » agogisch perspectief  Integratiebeweging naar pedagogiek, cfr. concept « levenslang leren »  Pedagogische aandacht verschuift van overwegend formeel leren naar ook informeel en nonformeel leren

47 Formeel, informeel en nonformeel leren  Formeel leren : leren in formeel verband, verbonden met diploma’s en kwalificaties  Informeel leren : leren in het alledaagse leven van gezin, werkplek  Nonformeel leren : ondersteuning van het leren in groepen die mensen met elkaar vormen, buiten het formele en informele leren, bijv. « sociaal leren », « verantwoordingsleren »

48 Kernthema’s sociale agogiek  Fundamenteel te vinden op spanningsveld « beheersing » - « emancipatie »  Kernthema’s : -maatschappelijke participatie -Maatschappelijke integratie -Preventie -Preventie van marginalisering -Emancipatie

49 Sociale agogiek als beroep

50  Ruim werkterrein, cf. toenemende modernisering en pedagogisering, evenals  Specifieke ontwikkelingen : -demografische ontwikkelingen, bijv. actueel toenemende vraag kinderopvang, bejaardenzorg … -Veranderende opvattingen over zorg, bijv. actueel toenemende aandacht thuisverzorging, cliëntparticipatie, netwerkontwikkeling …

51 Sociale agogiek als beroep -Ook bestaan zelf van voorzieningen leidt tot toename interventies, bijv.actueel mogelijk beroep op diverse vormen van « bemiddeling » omwille van bestaan van een aanbod terzake : bijv. Scheidingsbemiddeling, herstelbemiddeling, (collectieve) schuldbemiddeling … -  « aanbod schept de vraag », maar « niet de probleemsituatie die eraan ten grondslag ligt »

52 Sociale agogiek als beroep  Niet enkel professionele inbreng  Relatie professionele-niet professionele inbreng is specifiek aandachtspunt, cf. -« traditie vrijwilligerswerk » -continuüm niet professionele-professionele zorg -samenwerking vrijwilligers-professionelen -erkenning « meerwaarde » en/of « specificiteit » vrijwillige inbreng.

53 Vrijwillige inbreng  Zowel in hulpverlening, als in sociaalculturele, culturele en civiele sector  Meerwaarde ligt in aard geboden activiteiten en in « multiplicatoreffect »  Meerwaarde soms ook in inzet « ervaringskennis » (  inzet van ook « ervaringsdeskundigen » als « professionals »  Wisselwerking ervaringskennis en wetenschappelijk ontwikkelde kennis als aandachtspunt in theorievorming en praktijk

54 Eigen dynamiek professionalisering  Toenemende pedagogisering  laat toe probleemsituaties genuanceerder en meer indringend te benaderen en aldus adequatere ondersteuning te bieden  vergemakkelijkt tegelijk disciplinerende werking samenleving door vestiging, mede via sociaal wetenschappelijke taal, van bepaald « normaliteitsbeeld » Cfr. Spanningsveld beheersing en emancipatie

55 Eigen dynamiek professionalisering  Toenemende invloed deskundigen  Mensen minder geneigd op hun eigen probleemdefinitie/formele rechtspositie te staan  Laat ruimte voor « sociale bewijsvoering » d.w.z. feiten en veronderstellingen worden door agoog geïnterpreteerd tot onderlinge samenhang  risico : « lezing » van de werkelijkheid wordt gezien als « weergave » van de werkelijkheid  kritische reflectie over eigen handelen nodig

56 Eigen dynamiek professionalisering  Risico op ontwikkeling « interventiespiraal », cf. -mogelijke onderwaardering informele zorg -mogelijke overwaardering formele zorg  te snel/te ingrijpend inzetten interventies -verhoogd risico op ervaring agogische interventie als negatief en controlerend  Noodzaak tot « zorgvuldig handelen » (ontwikkeling ethiek pedagogisch handelen)

57 Eigen dynamiek professionele interventies  Ontwikkeling toenemend aantal « specialismen »  « mechanistische » opvatting over sociale problemen en versmalling interventie tot individueel gerichte interventies  overwegend negatieve welzijnsdefinities  welzijnswerk als een complex van « interventietrechters » waarbij problemen worden omgezet in gestandardiseerde oplossingsrichtingen  Samenhang leren zien binnen differentiatie

58 Beheersing en emancipatie  Foucault : welzijnswerk = kolonisering  Elias/de Swaan : welzijnswerk = beschavingsoffensief  Praktijk van het welzijnswerk = een « vat vol paradoxen »  Nodig pedagogisch handelen te kaderen in ruimere maatschappelijke analyse  In westerse context = analyse (ontwikkeling) van de verzorgingsstaat.

59 Verzorgingsstaat als politieke interventiestructuur = context sociaalagogisch handelen.

60 Verzorgingsstaat als politieke interventiestructuur  = maatschappijvorm waarin overheid  Niet enkel optreedt ter vrijwaring van burgerlijke en politieke rechten (= « l’Etat Gendarme ») maar  Ook tussenkomt in het maatschappelijk leven  En waarbij deze tussenkomst gericht is op een vermindering van de marktafhankelijkheid (= « l’Etat Protecteur »)

61 Verzorgingsstaat als politieke interventiestructuur  Overheid staat garant voor de ontwikkeling van zorgarrangementen  Spanningsveld tussen - overheidszorg - zelfzorg - particuliere zorg  Diverse types verzorgingsstaten naargelang vormgeving aan dit spanningveld.

62 Origines Westerse verzorgingsstaat = pluriforme concepten die geleidelijk aan, vanaf de vroegmoderne periode, in de openbare armenzorg worden opgenomen.  « origines westerse verzorgingsstaat » : -notie sociale bescherming -caritasdenken -lokalistische structuur -ontwikkeling kapitalisme -ontwikkeling staatsinterventie zélf

63 Notie sociale bescherming  Cfr. feodale periode : bescherming van de heer als voorwaarde tot afhankelijkheid van de leenman  Mechanisme paternalistische bescherming tot op vandaag herkenbaar, bijv. -armoedebestrijding als prioriteit in context toenemende globalisering -« ontwikkeling activerende verzorgingsstaat » vanuit bezorgdheid om mogelijk dysfunctioneren maatschappij

64 Caritasdenken  Cfr. kerkelijke liefdadigheid : liefdadigheid, niet als inzet tot verlichting probleem, maar als inzet voor zieleheil van diegene die helpt  Gunstkarakter + instrumentalisering van de zorg  Liefdadigheid als plicht  zekere tolerantie ten aanzien van armoede en bedelarij  residuele zorgopvatting  belangrijke plaats particulier initiatief in de vormgeving aan en financiering van de zorg

65 Lokalistische structuur  Cfr. gemene rechten en solidariteits-mechanismen « dorpsgemeenschappen »  Onderstandswoonstbepalingen en uitstoting « vreemde » behoeftigen  Spanning tussen ontwikkeling zorgsysteem op basis van een lokale logica (aanspraken op basis van burgerschap) en zorgsysteem op basis van rationele logica (aanspraken op tegemoetkoming aan behoeften in veranderende wereld)

66 Ontwikkeling kapitalisme  Cfr. « functionele imperatieven » van ordehandhaving en arbeidsmarktregulering.  Nodig dat mensen zich aanbieden op de arbeidsmarkt wanneer deze behoefte hieraan heeft;  Nodig dat mensen in zekere mate « gedecommodificeerd » zijn, d.w.z. onttrokken aan de marktvoorwaarden  Impact : afstemming zorgsysteem op arbeid als centrale organisatiefactor («diachroon beleid »)

67 Ontwikkelling staatsinterventie  Cfr. toenemend beroep op staatsinterventie verandert ook de aard van deze interventie  l’Etat Gendarme profileert zich als sociaal-politieke overheid, die het « algemeen belang » vertegenwoordigt (l’Etat Protecteur)  Impact : aanvulling, na WO II, van de « traditionele sociaal-politieke doelstellingen » met doelstellingen verwijzend naar recht op menswaardig bestaaan ( ontwikkeling naar een zekere mate van « synchroon » beleid).

68 Ideologische fundamenten van de verzorgingsstaat = debat over twee onderscheiden denkmodellen over rechtvaardigheid

69 Ideologische fundamentelen verzorgingsstaat  Ideologie = sociale en ethische overwegingen die de maatschappelijke werkelijkheid structureren, mensen onderling verbindt en aangeeft welke de taken zijn die hun in de maatschappij worden opgedragen  Onderscheiden ideologische denkmodellen :  Rechtvaardigheid als wederzijds voordeel  Rechtvaardigheid als onpartijdigheid

70 Rechtvaardigheid als wederzijds voordeel  Uitgangspunt : mensen zijn niet rechtvaardig uit vrije wil, maar omdat ze ertoe gedwongen worden of omdat ze vrezen dat onrechtvaardigheid gestraft wordt  leidend principe : « do ut es » : ik wil jouw belangen respecteren, als jij de mijne respecteert  Andermans belangen worden instrumenteel in rekening gebracht  In ontwikkeling verzorgingsstaat terug te vinden in het verzekeringsprincipe

71 Rechtvaardigheid als onpartijdigheid  Uitgangspunt : mensen zijn rechtvaardig wanneer ze genoeg verbeelding kunnen opbrengen om zich van hun onmiddellijk eigen belang los te maken, en in staat zijn de belangen van anderen op dezelfde manier als hun eigen belang in rekening te brengen  leidend principe : ieders belangen wegen principieel even zwaar door; rechtvaardigheid wordt uitgedrukt in streven naar meer egalitaire maatschappijstructuur  In ontwikkeling verzorgingsstaat terug te vinden in solidariteitsprincipe.

72 Verzekeringsprincipe en solidariteitsprincipe  Ontwikkeling verzorgingsstaat vanuit verzekeringsprincipe : cfr. zoeken naar oplossing voor risico’s die mensen kunnen overkomen  Verzekeringsprincipe is gebaseerd op premiebetaling  verzekeringssysteem produceert solidariteit : mensen staan deel van hun inkomen af, zonder dat beroep moet gedaan worden op altruïstische motivaties  Beide denkmodellen raken elkaar

73 Toenemende impact solidariteitsprincipe  In uitbouw verzorgingsstaat wordt solidariteitsprincipe in toenemende mate belangrijk, cfr -verzekeringsprincipe is adequaat in situaties van tijdelijke aard, niet in situaties van structurele uitsluiting; deze structurele uitsluiting is een toenemende problematiek in de rijke landen; -Verzekeringsprincipe is inadequaat in het licht van de demografische en technologische ontwikkelingen in de Westerse wereld

74 « Adverse selection »  Verzekerings-en solidariteitsprincipe zijn niet zonder meer tegengesteld, cfr -verzekeringsprincipe produceert solidariteit -Verzekeringen worden door de overheid in toenemende mate verplicht gesteld, omwille van - bescherming burgers tegen mogelijke niet vooruitziendheid - lagere kosten, en positieve effecten op in stand houden arbeidsreserves - vermijden van « adverse selection »

75 « Adverse selection »  Cfr. Akerlof « the market of lemons » - gebruik predictieve gegevens door verzekeraars  hogere premie voor groepen met gemiddeld hoger risico  alleen mensen die vermoeden dat zij het risico effectief lopen zullen premie betalen  premies stijgen waardoor mensen die weinig risico menen te lopen uit de markt gedreven worden  uiteindelijk resultaat is dat diegenen voor wie de verzekering het belangrijkst is deze niet langer kunnen betalen

76 Actuele ontwikkelingen  Druk op solidariteitsprincipe als ideologisch fundament verzorgingsstaat  kern van het debat is niet enkel de « betaalbaarheid » van de verzorgingsstaat, maar ook de ideologische verankering ervan  Cfr. structurele en culturele component « emancipatie »  Cfr. gerichtheid agogische interventies op sociale en culturele ontplooiing.

77 Types verzorgingsstaten  Kapitalistische samenleving : marktprincipe als dominant ordeningsprincipe  Verzorgingsstaat : correctie op marktprincipe, ten voordele van een grotere impact behoeftebeginsel  = politiek compromis tussen vrije markt en collectivistisch stelsel  verschillende types verzorgingsstaten naargelang de mate waarin maatschappelijke goederen via marktprincipe dan wel via behoeftebeginsel verdeeld worden.

78 Types verzorgingsstaten  Criterium onderscheid = « geïnstitutionaliseerde levenskansen » = 1. de mate waarin individuele keuzemogelijkheid structureel voorzien zijn, inz. via sociale rechten 2. de mate waarin deze structurele keuzemogelijkheid ook cultureel ingebed zijn (cfr. solidariteitsprincipe)

79 Types verzorgingsstaten  Sociaal-democratische verzorgingssstaat : scala van universele, wettelijk verankerde voorzieningen die individuele burgers beschermen, en gebaseerd zijn op aanname menselijke waardigheid  Institutionele verzorgingsstaat : sociale rechten aanwezig en cultureel gedragen, doch binnen de bestaande sociale stratificatie (« corporatistisch regime »)

80 Types verzorgingsstaten  Residuele verzorgingsstaat : individuele verantwoordelijkheid staat centraal; sociale solidariteit begrensd tot bepaalde situaties en selectief toebedeeld aan bepaalde bevolkingscategorieën  Rudimentaire verzorgingsstaat : familiale solidariteit staat centraal; eventueel beroep op lokale zorginstituties

81 Types verzorgingsstaten  Grenzen tussen de diverse types zijn open  Regimekenmerken komen onder druk te staan o.i.v. internationale en nationale ontwikkelingen  Noodzaak tot voortdurend maken keuzes in sociale politiek en sociaal beleid  Relatie individueel handelen-maatschappelijk handelen, cfr : contextgebondenheid sociaalagogisch handelen.

82 Historische ontwikkeling verzorgingsstaat  geleidelijke ontwikkeling  geen “lineaire” evolutie : cf. ook actuele ontwikkelingen  vigerende concepten komen onder druk te staan en/of worden in discussie gesteld met nieuwe benaderingen

83 Historische ontwikkeling verzorgingsstaat  Humanistische benadering : veranderend concept van “armenzorg” o.i.v. proletariseringsproces  cf. gevolg proletarisering : van potentiële naar feitelijke armoedesituatie  Humanistische benadering = synthese economische ontwikkeling en sociaal- culturele ontwikkeling

84 Kenmerken humanistische benadering -uitgesproken werelds karakter -positief geïnspireerd arbeidsethos -appél op de overheid -Definitief onderscheid « bonafide » - « malefide » armen Disciplinering als finaliteit

85 - aanpassing aan dominante samenleving - « welzijn » binnen economisch en politiek ontwikkelingsmodel - afwisselende inzet repressieve en sociale interventies cfr bijv. Landloperij en bedelarij

86 Omslag industriële revolutie  Van moraliserende naar rationele benadering (cf Verlichting)  Wetenschappelijke interesse voor oorzaken sociale problemen  praktische voorstellen tot inpassing « maatschappelijk gedeclasseerden »  Interventieinstrumenten : werkverschaffing en heropvoeding

87 Idee van « sociaal verweer »  Via sturing individu komen tot een betere samenleving  Opvoedingsfinaliteit = andere samenleving  Geleidelijke omslag van armenzorg t.a.v. « surplusbevolking » naar grotere reikwijdte sociaal beleid

88 Uitbouw verzorgingsstaat  Vooal in naoorlogse periode, cfr -crisis 1930 : inzicht dat werkloosheid geen individueel doch ook « maatschappelijk » (conjunctureel) gegeven is -Nood aan « wederopbouw » 1944 : nationaal pact sociale solidariteit

89 Uitbouw verzorgingsstaat  Armenzorg  bijstand  Sociale verzekering sociale zekerheid  Sociale voorzieningen gedifferentieerd aanbod  Sociale rechten omslag in « welzijnsdenken »

90 Actuele ontwikkelingen  (Onbedoelde) effecten uitbouw verzorgingsstaat : Bureaucratisering en vervreemding « Overconsumptie » sociale interventies en « consumptieve » opstelling Matteüseffect : voordelen sociaal beleid gaan tendentieel en verhoudingsgewijze meer naar de hogere dan naar de lagere sociale lagen

91 Actuele ontwikkelingen  Onbedoelde neveneffecten  vraag tot « herijking sociaal beleid »  debat « activerende verzorgingsstaat »  Activering : in het welzijnswerk een methode om mensen gerichter aan te spreken op verantwoordelijkheid in sociaal beleid : « containerbegrip » voor diversiteit van maatregelen waarbij uitkeringen gekoppeld worden aan inspanningen van de uitkeringsgerechtigde

92 Actuele ontwikkelingen  Rosanvallon : « La nouvelle question sociale »  « nieuwe sociale kwestie » : actuele ontwikkelingen leiden tot uitsluiting toenemend aantal groepen uit arbeidsmarkt  Verzorgingsstaat moet niet enkel « compensatie » bieden voor marktafhankelijkheid maar « recht op integratie » verzekeren

93 Actuele ontwikkelingen  Activering : verschillende ideologische referentiekaders, o.m. Angst voor « onderklasse » - vgl denkbeelden feodale armenzorg Bestrijding « bijstandsafhankelijkheid »  omslag van « welfare » naar « workfare » Activering als realisatie sociale grondrechten (cfr. Mensenrechtenparadigma)

94 Actuele ontwikkelingen  Activeringsdebat = zoeken naar antwoord op veranderende positie arbeid in onze samenleving Cfr. tegenstelling « kapitaal » (bezit productiemiddelen) en « arbeid » (bezit productiefactoren) wordt aangevuld met nieuwe tegenstelling, namelijk tegenstelling tussen wie productiefactoren (arbeid, kapitaal…) kan aanbieden en diegene die geen productiefactoren te gelde kunnen maken.

95 Actuele ontwikkelingen  Vraag in welke richting debat (overwegend) verder ontwikkeld wordt Aansluiting vormgeving verzorgingsstaat met ontwikkelingen op de arbeidsmarkt (diachroon beleid) Aansluiting vormgeving verzorgingsstaat met erkenning recht op menswaardig bestaan (synchroon beleid)


Download ppt "Sociale agogiek Wetenschap en beroep. Sociale agogiek (Studie van) interventies in een diversiteit van situaties."

Verwante presentaties


Ads door Google