De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

HOOFDSTUK 5 Markt. Markten  Welke markten ken je?  Welk kenmerk heeft elke markt?  Er zijn vragers naar producten  Er zijn aanbieders van producten.

Verwante presentaties


Presentatie over: "HOOFDSTUK 5 Markt. Markten  Welke markten ken je?  Welk kenmerk heeft elke markt?  Er zijn vragers naar producten  Er zijn aanbieders van producten."— Transcript van de presentatie:

1 HOOFDSTUK 5 Markt

2 Markten  Welke markten ken je?  Welk kenmerk heeft elke markt?  Er zijn vragers naar producten  Er zijn aanbieders van producten

3 Wie lust een Pizza Margarita?  Hoeveel pizza’s worden er verkocht bij een prijs van:  € 20  € 15  € 10  € 5  € 1  Gratis!

4

5 Begrippen  Collectieve vraag: is de som van alle mensen die iets willen kopen (product of dienst).  Vraag hangt meestal samen met de prijs van het product / dienst.  Betalingsbereidheid: Wat kopers maximaal voor een product willen uitgeven. De koopbereidheid kan worden vastgesteld in een grafiek met een vraagcurve. Vraaglijn. Qv.

6 Vraaglijnen Teken in je schrift een grafiek.  De verticale-as geeft de prijs weer (P) en loopt tot €20  De horizontale-as geeft de hoeveelheid weer (Q) en loopt tot 25.  Hoe zou de vraaglijn (Qv) ongeveer lopen denk je? Teken deze.  Welke conclusie kun je maken over de combinatie tussen de gevraagde hoeveelheid en de prijs van een pizza?

7 De vraaglijn Hoe onthoud ik hoe de vraaglijn loopt? -Dalend verloop (als de prijs lager wordt wil ik meer) -Het is de eerste streep die je trekt als je een v opschrijft! LET OP: Dit is gebaseerd op vereenvoudigde modellen en een ideale situatie. We gaan uit van een bepaalde theorie. De werkelijkheid wijkt vaak af!

8 Conclusie vraaglijn Pizza’s ?  Hogere prijs minder vraag. Redenen: Er zijn mensen die het niet kunnen betalen bij een hoge prijs. Betalingsbereidheid ligt daar lager. Bij een hogere prijs ga je op zoek naar een vervangbaar product. Een substituut. Bijv. Frietjes of kebab.

9 De vraag hangt dus o.a. af van prijs van een product. Maar er zijn nog 3 dingen waardoor de vraag naar een product kan verschillen. 1. Het budget van de mogelijke kopers. 2. De behoefte/ voorkeur van de mogelijke kopers. 3. De prijs van andere goederen.

10 Wat gaan we vandaag doen?  Hoe loopt de vraaglijn ook al weer?  Waarom?  Tekstboek corrigeren.  Belangrijkste punten vorige les.  Vraag 1 en 2 nakijken.  Uitleg begrippen.  Maken vraag 3, 4 en 5 = hw

11 De vraag is afhankelijk van….  Prijs van het product  Goedkoop -> Veel vraag, Duur -> Weinig vraag  Budget van de koper  Hoog budget -> Meer vraag, Laag budget -> Minder vraag  Behoeften en voorkeuren van kopers  Als weinig kopers voorkeuren hebben voor jij product, zal de vraag ook laag zijn.  Prijs van andere producten  Als de concurrent goedkopere producten heeft, gaat de koper daar naar toe.

12 DOEN: Opgave Opgave 1  A. 35 – 15 = 20  B. Producenten van spelcomputers zijn niet bereid tegen minder dan € 100 een spelcomputer aan te bieden. Opgave 2 A. Langs de x-as (horizontale as) staat het aantal mensen dat bereid is een spelcomputer te kopen. We noemen dat de gevraagde hoeveelheid of gevraagde kwantiteit en korten dit af met Qv. Hoe verder naar rechts hoe meer er gevraagd wordt. Langs de y-as (verticale as) staat de prijs (P). Hoe hoger op de as hoe hoger de prijs. B. Als de prijs hoog is zijn weinig mensen bereid om die prijs te betalen. Als de prijs laag is zijn veel mensen bereid die prijs te betalen. De vraagcurve geeft dit aan. links boven is de prijs hoog en het aantal mensen dat bereid is die prijs te betalen klein. Rechts onder is de prijs juist laag en willen veel mensen het product wel kopen.

13 De prijs van concurrenten  Substitutiegoederen = Goederen die op elkaar lijken en die je door elkaar kunt vervangen. (Bv Italiaans ipv Grieks)  Stel we kijken naar de vraag van Coca Cola. De prijs van Pepsi daalt, wat gebeurt er met de vraag naar Cola? Deze daalt. Men gaat meer Pepsi kopen.  Complementaire goederen = Goederen die je eigenlijk NIET los van elkaar kunt zien. (Bv. Playstation + Spellen, Benzineauto + Benzine)  Stel we kijken naar de vraag van Benzine. De prijs van benzine auto’s wordt goedkoper, wat gebeurt er met de vraag naar benzine? Deze stijgt. Er worden meer benzine auto’s verkocht -> Dus ook meer vraag naar benzine

14 Vraagvergelijking Formule voor de vraagcurve  Qv = - aP + b  Qv = gevraagde hoeveelheid  P = Prijs van product x  a = Mate waarin de vraag reageert op de prijs (Negatief!)  b = Gedeelte van de vraag dat niet afhankelijk is van de prijs  Qv = - 0.2p + 75

15 Verschuiven van de vraaglijn Qa Qv1 P Q Qv2

16 Waarom kan de vraaglijn verschuiven?  Verandering in inkomen  Inkomen stijgt. Vraag naar rechts  Prijs van substituten en complementaire goederen  Substitutiegoederen = Goederen die op elkaar lijken en die je door elkaar kunt vervangen.  Complementaire goederen = Goederen die je eigenlijk NIET los van elkaar kunt zien.  Behoeften en voorkeuren van vragers kan veranderen  Aantal vragers veranderd  Vragers stijgt. Vraag naar rechts

17 Weten we het nog?  De vraag is afhankelijk van?  Prijs van het product  Budget van de koper  Behoeften en voorkeuren van kopers  Prijs van andere producten  Wat zijn: Substitutiegoederen en Complementaire goederen?  Hoe loopt de vraaglijn en wat staat er op de assen?  Waarom kan de vraaglijn verschuiven?  Verandering inkomen, prijs substit. en compl. Goederen, behoefte en voorkeur verandert, aantal vragers veranderen.

18 Nieuwe begrippen Hoger inkomen en dan?  Bij sommige goederen daalt de vraag als het inkomen stijgt.  Inferieure goederen (AH Basis, Tweedehands kleding)  Bij sommige goederen stijgt de vraag als het inkomen stijgt  Basisgoederen (Vraag stijgt een beetje, Bv. Aardappelen)  Luxe goederen (Vraag stijgt enorm, bv Ipad)

19 DOEN: Opgave Opgave 3  A.  Koffiemok, theeglas, plasticbeker  E-book, krant, tijdschrift maar ook: een televisie, computer.  Krukje, bank, zitzak  Koffer, rugzak, map  B. Bij een substitutiegoed kun je het ene product voor het andere vervangen omdat, ze in dezelfde behoefte voorzien. Dat kan is het geval van de dierentuin voor Hafida een rustig dagje uit zijn. Voor Marise kan de behoeft waarin de dierentuin voorziet echter anders zijn, ze kan er bijvoorbeeld naar toe gaan omdat ze iets wil leren over dieren. Het pretpark kan niet in die zelfde behoefte voorzien. Opgave 4 A. Voor het bord eten: elke andere soort eten. Voor het paar schoenen: slippers, sandalen etc. B. Voor het bord eten: bijvoorbeeld een glas drinken, bestek. Voor het paar schoenen: bijvoorbeeld sokken, schoenpoets of schoenveters.

20 DOEN: Opgave 5 Opgave 5  A.  De vraag neemt toe, dus dan valt het inferieure goed in ieder geval af. De vraag lijkt redelijk veel toe te nemen, daarom lijkt een luxe goed het beste op zijn plek.  B.  Voor de prijsstijging: 25, na de prijsstijging 35. Dus een toename van 10.

21 Prijselasticiteit  Wat gebeurt er met de vraag naar deze goederen als de prijs verlaagd wordt?

22 Prijselasticiteit  Hoe “elastisch” is de vraag als de prijs veranderd? Dus…hoeveel veranderd de vraag als de prijs veranderd?  Als de prijs veranderd, veranderd de vraag mee. Hoe rekenen we een van deze verandering uit in procenten? (procentuele verandering)  Nieuw-Oud *100% Oud

23 Prijselasticiteit

24 P4.3 Prijselasticiteit Wat betekent dit antwoord nu? Als de prijs met 1% stijgt, dan daalt de gevraagde hoeveelheid met 0,8% Bij een prijselasticiteit heb je altijd 1 positief getal en 1 negatief getal. Het antwoord is altijd negatief! Want: Prijs stijgt -> Vraag daalt Prijs daalt -> Vraag stijgt

25 Prijselasticiteit BetekenisVoorbeeldproduct 0 (Volkomen inelastisch)Als de prijs verandert, dan verandert er niets in de vraag. BESTAAT NIET Tussen de -1 en 0 (Inelastisch) Als de prijs verandert, dan veranderd de vraag een beetje. Brood (Noodzakelijke goederen) Kleiner dan -1 Dus -2,-3 etc. (Volkomen elastisch) Als de prijs verandert, dan veranderd de vraag heel veel. I-pod (Luxe goederen)

26 DOEN: Opgave 6 (€200 is oud, €100 is nieuw) Opgave R4 (blz. 126)

27 Opgave R4  F. De prijselasticiteit van de vraag naar koffie is zeer elastisch. De vraag naar koffie neemt veel sterker af dan de prijs is gestegen  G. De benzineprijs verhogen is wel verstandig omdat de omzet en de winst daar van stijgen. Maar door de prijs van koffie te verhogen maken ze alleen maar minder winst. Dat kunnen ze dus beter laten.

28 DOEN: OpgaveH1 – H2 – H3 – H5 – H6 – H7 –H8 – H20 – H21 Opgave H1 De kwaliteit, hoe noodzakelijk het goed is, je eigen inkomen, wat is de prijs van substitutiegoederen. Opgave H3  A. X-as = Qv (de vraag naar besteksets) Y-as = P (de prijs van besteksets)  B. Ongeveer 300  C. 0, de vraag stopt al bij €350  D. Bij een hogere prijs zijn minder mensen bereid dat bedrag te betalen voor een bestekset. Bij een prijs boven € 350 wil zelfs niemand een bestekset kopen.  E. Hoe lager de prijs, hoe hoger de vraag. Je kunt dus zien dat linksboven de prijs hoog is en de vraag laag. Rechtsonder is de prijs laag en de vraag juist heel groot. Opgave H2 D.D. I = Definitie vraag II = Niet iedereen wil hetzelfde betalen

29 DOEN: OpgaveH1 – H2 – H3 – H5 – H6 – H7 –H8 – H20 – H21 Opgave H5 D. Opgave H7  A. Een laptop, computer, palmtop.  B. Een koptelefoon, apps, bijpassend toetsenbordje, beschermhoes etc. Opgave H6  A. Goederen die in een vergelijkbare behoefte voorzien als een ander goed.  B. Ilse geeft niet heel veel om uitgebreid dineren, voor haar is eten puur iets functioneels dat je doet omdat je honger hebt. Michael vindt dineren wel belangrijk voor hem is eten een belevenis en een kop soep met een broodje voldoet daar voor hem niet aan. Opgave H8  B.

30 DOEN: OpgaveH1 – H2 – H3 – H5 – H6 – H7 –H8 – H20 – H21 Opgave H20  A. Dit ligt aan de behoeft waarin de auto moet voorzien. Voor een alleenstaande is deze auto luxe terwijl een gezin een auto van deze omvang gewoon nodig heeft. De keus is dus tussen een luxe of een normaal goed.  B. Elk auto onderdeel is goed, daarnaast ook: kinderzitjes, benzine, ruitenwisservloeistof, navigatie apparatuur etc.  C. Een motor of scooter, het openbaarvervoer, de fiets etc. Opgave H21  A. Als de prijs stijgt, zal ook de vraag veranderen.  B.

31 Opgave H21  C.  D. Wanten zijn prijselastisch. De prijselasticiteit is ruim -1,08 dus de vraag verandert meer dan de prijs.  Sokken zijn prijsinelastisch. De prijselasticiteit is ongeveer -0,5 dus de vraag verandert minder dan de prijsstijging. Opgave H21  E.  Ze zou kunnen kijken welke goederen wel en welke goederen niet prijselastisch zijn. Zo kan ze bepalen of een prijsverandering leidt tot meer of minder omzet en winst. DOEN: Opgave H1 – H2 – H3 – H5 – H6 – H7 –H8 – H20 – H21

32 De aanbodlijn  Wanneer zal de pizzaboer meer pizza’s willen aanbieden? (Willen wil niet zeggen dat hij dat ook werkelijk doet!)  Als de prijs € 10,- is  Als de prijs € 3,- is  Een producent wil meer aanbieden als de prijs hoger is, want hij ziet zo de winst per product groter worden. (Dit is een theorie! We gaan in de economie uit van deze theorie!) In de praktijk kan een lagere prijs leiden tot meer verkoop en in het totaal een hogere winst! LET OP: Dit is gebaseerd op vereenvoudigde modellen en een ideale situatie. We gaan uit van een bepaalde theorie. De werkelijkheid wijkt vaak af!

33 De aanbodlijn Q PQa Hoe onthoud ik hoe de aanbodlijn loopt? -Stijgend verloop(als de prijs hoger wordt wil de producent meer aanbieden) -Het is de eerste streep die je trekt als je een hoofdletter A opschrijft! Waarom start de aanbodlijn niet in 0? -Een producent wil minimaal een bepaald aantal kosten eruit halen met verkopen. Bij €0,- lukt dat niet. Dus begint hij pas met verkopen boven de €0,-

34 Formule voor de aanbodcurve  Qa = aP + b  Qa = aangeboden hoeveelheid  P = Prijs van product x  a = Mate waarin het aanbod reageert op de prijs (Positief!)  b = Gedeelte van het aanbod dat niet afhankelijk is van de prijs  Qa = 0,3p - 25

35 DOEN: Opgave 7(A-C)-8 Opgave 7  A.  Als de prijst stijgt, wil de producent meer aanbieder. Per product kan hij nu meer winst maken.  C.  Bij een prijs van €200,- Opgave 8  A.  Voor die prijs kunnen er geen spelcomputers gemaakt worden. De kosten zijn blijkbaar hoger dan €50,- om ze te maken.  B.  Formule: 0,3p – 25 Voor P invullen: 0,3 * 100 – 25 = 5 stuks 0,3 * 150 – 25 = 20 stuks 0,3 * 200 – 25 = 35 stuks 0,3 * 250 – 25 = 50 stuks

36 De marktevenwicht Q P Qa Qv Evenwichtspunt: Vraag en aanbod zijn hier precies aan elkaar gelijk! Evenwichtsprijs Evenwichts - hoeveelheid

37 Evenwicht P Q 0 Qa Qv Stel de prijs is €75,- Is er dan een vraag of aanbodoverschot? Wat doet de aanbieder vervolgens met zijn prijs? Stel de prijs is €60,- Is er dan een vraag of aanbodoverschot? Wat doet de aanbieder vervolgens met zijn prijs? Stel de prijs is €25,- Is er dan een vraag of aanbodoverschot? Wat doet de aanbieder vervolgens met zijn prijs? DUS UITEINDELIJKE ALTIJD HET PUNT WAAR VRAAG EN AANBOD AAN ELKAAR GELIJK ZIJN!

38 Marktmechanisme  Het feit dat de prijs altijd in de richting van de evenwichtsprijs schuift  Het model van vraag en aanbod noemen we het marktmodel

39 Markten  Kunnen vragers en aanbieders elkaar aanraken en is er een specifieke locatie waar het product verhandeld wordt dan spreken we van concrete markten.  Abstracte markten zijn dan de markten waar dit NIET gebeurt.

40 DOEN: Opgave 9-11 Opgave 9  A.  Evenwichtsprijs: € 200 Evenwichtsaanbod: 35 stuks Evenwichtsvraag: 35 stuks  B.  Een andere prijs dan de evenwichtsprijs kan er niet tot stand komen. Indien de prijs hoger is als de evenwichtsprijs, wordt de aanbieder genoodzaakt de prijs te verlagen. Is de prijs lager als de evenwichtsprijs, wordt de aanbieder genoodzaakt de prijs te verhogen. Net zo lang de evenwichtsprijs tot stand komt. Opgave 11  A.  Concrete, vrager en aanbieder kunnen elkaar zien.  B.  Nee, deze komt alleen tot stand op de abstracte markt.

41 Welke marktvormen zijn er?  Volkomen concurrentie  Veel vragers & aanbieders, gelijke/homogene producten.  Één vrager of aanbieder heeft geen invloed op de prijs. Zij kunnen wel de gevraagde of aangeboden hoeveelheid aanpassen. HOEVEELHEIDSAANPASSER  Iedereen heeft dezelfde informatie  Toetreden tot de markt kan zonder problemen  (Bv Graanmarkt)  De meeste markten werken echter niet op deze manier. Dit noemen we marktfalen.

42 Welke marktvormen zijn er?  Monopolistische concurrentie  Veel vragers & aanbieders  Andere/ heterogene producten.  (Bv. Restaurantmarkt)  Oligopolie  Weinig aanbieders, veel vragers.  De aanbieders kunnen elkaar in de gaten houden  Prijsafspraken (Kartelvorming)  Monopolie  1 aanbieder, veel vragers. (Geen concurrentie)  Alleen bij een volkomen concurrentie werkt het systeem van vraag en aanbod op de manier zoals wij het bestudeerd hebben.

43 DOEN: Opgave Opgave 12  A.  Volkomen concurrentie: de oliemarkt, graanmarkt, goudmarkt. Monopolistische concurrentie: kledingmarkt, telefoonmarkt etc. Oligopolie (homogeen product): elektriciteitsmarkt, benzine, grondstoffen Oligopolie (heterogeen product): frisdrankmarkt, levensmiddelenmarkt (supermarkten), waspoeder, margarine.  B. Ja, bij al deze marktvormen is er sprake van veel vragers. Een individuele vrager heeft dus geen invloed op de prijs. Hij kan alleen zijn gevraagde hoeveelheid aanpassen. Opgave 13  A.  Het betekent dat er geen markt met volkomen concurrentie ontstaat. Er ontstaat dan bijvoorbeeld een monopolie, oligopolie of monopolistische concurrentie.  B.  Aardolie: Homogeen  Plastic: Homogeen  Telefoon: Heterogeen  Boek: Heterogeen  Paperclip: Homogeen  Gloeilamp: Homogeen

44 Zelf de vraag en aanbodlijn tekenen Qa Qv P Q Qv (Vraaglijn): Snijdt de x-as en de y-as Qa (Aanbodlijn): Snijdt alleen de Y-as Op het moment dat de lijn een as snijdt, is of Q = 0, of P = 0

45 Snijpunten Qv Qv P Q Qv = - 30p Snijpunt 1 P = 0 Qv = ? Snijpunt 1 P = 0 -> Invullen Qv = 1800 stuks Snijpunt 2 P = ? Qv = 0 0 = -30p p = 1800 p = 1800 / 30 = €

46 Snijpunten Qa Qa Qv P Q Qa = 20p Snijpunt P = ? Qa = 0 0 = 20p p = p = 200 P = 200 / 20 = €10 Voor de rest van het verloop van de lijn vul je willekeurig wat getallen voor p in. P 10

47 Doen: Extra opgave 1 – 2 P (dollarcenten) Q Qa Qv ,33 Qa = 1,5P – 20 Q = 0 0 = 1,5P – 20 -1,5P = -20 P = - 20 / - 1,5 P = 13,33 QV: -2,5P P = 0 -> Qv = - 2,5* Qv = 700 Q = 0 0 = -2,5P ,5P = 700 P= 700 / 2,5 P= 280

48 P (dollarcenten) Q Qa1 Qv ,33 Qa2 Qv2 D: Prijs daalt Doen: Extra opgave 1 – 2

49 Extra opgave 2 P (dollarcenten) Q 0,2 0,4 0,6 0,8 1,0 1,2 1,4 1,6 2,0 1, QV: –10P + 16 P = 0 -> Qv = - 10* Qv = 16 Q = 0 0 = -10P P = 16 P= 16 / 10 P= 1,6 Qv Qa = 15p – 9 Q = 0 0 = 15P – 9 -15P = - 9 P = - 9 / - 15 P = 0,6 Qa

50 Extra opgave 2 P (dollarcenten) Q 0,2 0,4 0,6 0,8 1,0 1,2 1,4 1,6 2,0 1, Qv B. Er ontstaat dus een aanbodoverschot. C. QV: –10P + 16 Qv = -10 * 1, Qv = 2 Qa = 15p – 9 Qa = 15 * 1,40 – 9 Qa = – 2 = 10 miljoen pakken frisdrank als aanbodoverschot. Qa

51 Evenwichtspunt berekenen  Qv = -30P Qa = 20P – 200  Wat is een kenmerk van het evenwichtspunt?  Vraag en aanbod zijn gelijk.  Dus punt waar Qa = Qv  Reken de evenwichtsprijs en de evenwichtshoeveelheid uit.

52 Evenwichtspunt berekenen  Qa = Qv 20P – 200 = -30P P – 200 = P = 2000 P = 2000 / 50 =€ 40 (evenwichtsprijs)  Om de evenwichtshoeveelheid uit te rekenen vul ik P in, in een van de formules:  20 * 40 – 200 = 600 stuks -30 * = 600 stuks

53 DOEN: Extra opgave

54 Extra opgave 3 QV: –2P + 20 P = 0 -> Qv = - 2* Qv = 20 Q = 0 0 = -2P +20 2P = 20 P= 20 / 2 P= 10 Qa = 2P - 4 Q = 0 0 = 2P – 4 -2P = - 4 P = - 4 / - 2 P = 2

55 Extra opgave 4 Opgave 1 Qa = Qv 1,5p – 20 = -2,5p P = 720 P = 180 dollarcenten Evenwichtshoeveelheid: Qa = 1,5 * 180 – 20 = 250 Qv =-2,5 * = 250 Dus kg koffie Opgave 2 Qa = Qv 15p – 9 = –10p P = 725 P = 1 euro Evenwichtshoeveelheid: Qa = 15 * 1 – 9 = 6 Qv = -10 * = 6 Dus 6 miljoen pakken Opgave 3 Qa = Qv 2P – 4 = -2P P = 24 P = 6 euro Evenwichtshoeveelheid: Qa = 2 * 6 – 4 = 8 Qv = -2 * = 8 Dus stuks

56 Extra opgave 5 QV: -15P P = 0 -> Q = Q = 0 -> P = / 15 = 400 Qa: 15P P = 0 -> Q = -900 (Heb je dus niets aan!) Q = 0 -> P = 900 / 15 = 60 P = 200 -> Q = 2.100

57 DOEN: Op blz Opgave H9- H10 – H12 – H13 – H14- H15 H16

58 H9- H10 – H12 – H13 – H14 - H15 - H16 Opgave H9 D. I Definitie aanbod II Dan zie je het grafisch Opgave H12  A. Dan wordt er 40 minder aangeboden.  B. Omdat het dan moeilijker wordt om geld te verdienen aan het product zullen minder producenten het aanbieden.  C. 220 / 40 = 5,5 5,5 x 0,5 = 2,75 € 4 – € 2,75 = € 1,25  D. Tegen die prijs is geen enkele producent nog in staat chocolade aan te bieden tegen een kostendekkende prijs. Opgave H10  Als de kosten te hoog zijn, dan wordt er minder aangeboden.  Producenten zullen nooit goederen aanbieden tegen prijzen die onder de productiekosten liggen. Ze zouden dan immers verlies maken

59 H9- H10 – H12 – H13 – H14 - H15 - H16 Opgave H13 Bij concreet zien vrager en aanbieder elkaar. Je kunt de markt bezoeken. Bij abstract zien vrager en aanbieder elkaar niet. Je kunt de markt niet bezoeken. Het systeem van vraag en aanbod is een abstracte markt. Opgave H15  A. Harry had zijn prijs zo laag gesteld dat heel veel mensen hamburgers wilden kopen. De vraag was daardoor groter dan normaal en Harry kon dus niet aan de vraag voldoen.  B. De prijs omhoog doen. bijvoorbeeld € 2 vragen  C. Omdat ze anders hun hamburgers niet meer kwijt kunnen, iedereen gaat naar Harry. Ze zullen gaan concurreren met Harry. Opgave H14  B, Het punt waarop vraag en aanbod elkaar snijden is het evenwichtpunt

60 H9- H10 – H12 – H13 – H14 - H15 - H16 Opgave H16 Vraagoverschot De vraag is groter als het aanbod Aanbodoverschot Het aanbod is groter als de vraag

61 DOEN: Op blz Opgave H24- H25 – H26 – H27 – H28- H29 Op blz. 127 Opgave R7


Download ppt "HOOFDSTUK 5 Markt. Markten  Welke markten ken je?  Welk kenmerk heeft elke markt?  Er zijn vragers naar producten  Er zijn aanbieders van producten."

Verwante presentaties


Ads door Google