De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

Chemisch rekenen voor oplossingen Hfst 3.8 t/m 3.11.

Verwante presentaties


Presentatie over: "Chemisch rekenen voor oplossingen Hfst 3.8 t/m 3.11."— Transcript van de presentatie:

1 Chemisch rekenen voor oplossingen Hfst 3.8 t/m 3.11

2 3.8 Stoichiometrie binnen oplossingen HCl + NaHCO 3 → NaCl + H 2 O + CO 2 Er is 18,0 ml 0,100 M HCl. Hoeveel ml 0,125 M NaHCO 3 is nodig om het zuur te neutraliseren? hoeveel (L) ml is dat van de 0,125 M NaHCO 3 oplossing aantal mol HCl (mol) = M (mol/L) × V (L) = M × 0,018 L = 1.8 × mol dus 1.8 × mol NaHCO 3 nodig [1 op 1] om HCl te neutraliseren aantal mol verbinding (mol) Molariteit M (mol/L) Volume (L) = = = L = 14.4 mL 1.8 × mol M VB

3 I: - exact afwegen van de stof - exact aanvullen tot een bepaald volume (in een maatkolf) II: snel (en minder nauwkeurig) een oplossing maken en daarna m.b.v. titratie de exacte conc. bepalen Een oplossing maken met een exact bekende concentratie

4 Titratie: Het bepalen van de concentratie van een oplossing (bijv. HCl) d.m.v. het toevoegen van een standaardoplossing (bijv. NaOH) met een bekende concentratie m.b.v. een buret zodat het toegevoegde volume nauwkeurig kan worden bepaald. Een indicator wordt aan de te bepalen oplossing toegevoegd om te kunnen bepalen wanneer de reactie afloopt. Zuur (kleurloos) Base (roze) fenolftaleïne NaOH toevoegen tot roze gloed ontstaat. 3.9 Titratie

5 48,6 ml 0,100 M NaOH is nodig om 20,0 ml HCL te titreren ( lees neutraliseren). Wat is de molariteit van de HCl opl. ??? 1:Reken het aantal mol NaOH uit ,86 x mol 2:Hoeveel mol HCl was er aanwezig? ,86 x mol 3:Bereken de molariteit van de HCl opl ,243 M HCl 3.10 Titratie

6 3.11 % composition en empirische formules * %composition (relatieve atoommassa) = relatieve massa van een element binnen een molecuul * Empirische formule = formule, die de verhouding weergeeft van het aantal atomen binnen een molecuul (bijv. glucose = CH 2 O) * Molecuulformule = formule die het daadwerkelijke aantal atomen binnen een molecuul weergeeft (bijv. glucose = C 6 H 12 O 6 ) III Een molecuul bevat 84,1% C en 15,9% H. Doe alsof het om 100 g gaat. Dan heb je 84,1 g C en 15,9 g H Bereken m.b.v. de molmassa van deze elementen het aantal molen: 7,00 mol C en 15,8 mol H Bepaal de coëfficiënten door te delen door het kleinste getal C 1 H 2.26 I

7 3.10 % composition en empirische formules * %composition (relatieve atoommassa) = relatieve massa van een element binnen een molecuul * Empirische formule = formule, die de verhouding weergeeft van het aantal atomen binnen een molecuul (bijv. glucose = CH 2 O) * Molecuulformule = formule die het daadwerkelijke aantal atomen binnen een molecuul weergeeft (bijv. glucose = C 6 H 12 O 6 ) III Een molecuul bevat 84,1% C en 15,9% H. Doe alsof het om 100 g gaat. Dan heb je 84,1 g C en 15,9 g H Bereken m.b.v. de molmassa van deze elementen het aantal molen: 7,00 mol C en 15,8 mol H Bepaal de coëfficiënten door te delen door het kleinste getal C 1 H 2.26 De empirische formule is het eerste veelvoud dat uit gehele getallen bestaat: C 4 H 9 (MM = 57.1 amu). Is dat ook de molecuulmassa?? De molecuulmassa blijkt amu te zijn, dus de molecuulformule = C 8 H 18 I

8 3.10 % composition en empirische formules * %composition (relatieve atoommassa) = relatieve massa van een element binnen een molecuul * Empirische formule = formule, die de verhouding weergeeft tussen het aantal atomen binnen een molecuul (bijv. glucose = CH 2 O) * Molecuulformule = formule die het daadwerkelijke aantal atomen binnen een molecuul weergeeft (bijv. glucose = C 6 H 12 O 6 ) III Wat zijn de relatieve atoommassa’s (massa%) van de verschillende elementen binnen glucose (C 6 H 12 O 6 ) ? Doe alsof je 1 mol Glucose hebt. Bereken daarin het aantal gram C, H en O. Dan heb je: 72.0 g C en 12.1 g H en 96.0 g O Bereken de relatieve atoommassa’s: % C, H en O. MM van Glucose = 180,1 g/mol 72.0/180.1 × 100% = 40.0% C 12.1/180.1 × 100% = 6.72% H 96.0/180.1 × 100% = 53.3% O

9 3.11 Element analyse Een methode om van koolstofverbindingen het massa % van de elementen te bepalen is door de koolstofverbindingen met zuurstof te verbranden (combustion): – CH O 2 → CO 2 + 2H 2 O – Het aantal mol CO 2 komt overeen met het aantal mol C in de uitgangsstof – Als het aantal mol H 2 O bekend is kan het aantal mol H berekend worden in de uitgangsstof. – Bereken het aantal g H en C. Is de som daarvan gelijk aan het gewicht van de uitgangsstof? Er zijn alleen C’s en H’s aanwezig. – Komt het gewicht niet overseen? Het verschil is het aantal g O-atomen.

10 3.11 Bepaling empirische formules: Element analyse Vb. X + O 2 → CO 2 + H 2 O (0.330 g) X + O 2 → CO 2 + H 2 O (0.330 g) (1.133 g) (0.185 g)

11 3.11 Bepaling empirische formules: Element analyse Een bepaalde hoeveelheid (g) van een onbekende stof wordt verbrand (Combustion) en de massa’s van de verbrandingsproducten worden gebruikt voor de bepaling van de empirische formule. X + O 2 → CO 2 + H 2 O (0,330 g) X + O 2 → CO 2 + H 2 O (0,330 g) (1,133 g) (0,185 g) mol C = 1,133 g CO 2 /44,01 g CO 2 = 0,02574 mol CO 2 = 0,02574 mol C (1 mol C/1 mol CO 2 ) mol H = 0,185 g H 2 O/18,02 g H 2 O = 0,01026 mol H 2 O = 0,0205 mol H (1 mol H 2 O bevat 2 mol H) Bereken vervolgens het aantal g C en H: ( × × 1.01 = g) Dit getal komt precies overeen met de hoeveelheid van de uitgangsstof X. Dus X bestaat uit alleen C en H. Is er een verschil in massa, dan is dat de hoeveelheid O geweest. Wet van behoud van massa!!!!!

12 3.11 Bepaling empirische formules: Element analyse Een bepaalde hoeveelheid (g) van een onbekende stof wordt verbrand (Combustion) en de massa’s van de verbrandingsproducten worden gebruikt voor de bepaling van de empirische formule. X + O 2 → CO 2 + H 2 O (0,330 g) X + O 2 → CO 2 + H 2 O (0,330 g) (1,133 g) (0,185 g) mol C = 1,133 g CO 2 /44,01 g CO 2 = 0,02574 mol CO 2 = 0,02574 mol C (1 mol C/1 mol CO 2 ) mol H = 0,185 g H 2 O/18,02 g H 2 O = 0,01026 mol H 2 O = 0,0205 mol H (1 mol H 2 O bevat 2 mol H) Bereken vervolgens het aantal g C en H: ( × × 1.01 = g. Dit getal komt precies overeen met de hoeveelheid van de uitgangsstof X. Dus X bestaat uit alleen C en H. Is er een verschil in massa, dan is dat de hoeveelheid O geweest. Wet van behoud van massa!!!!! C / H / = C 1.26 H 1 Maak van beide getallen een heel getal = C 5 H 4 Deel door het kleinste getal:

13 Een onbekende stof wordt verbrand en de massa’s van de verbrandingsprodukten worden gebruikt voor de bepaling van de empirische formule 3.11 Bepaling empirische formules: Element analyse VB X = 0,330 g CO 2 = 1,133 g H 2 O = 0,185 g X + O 2  CO 2 + H 2 O 0,330 g 1,133 g 0,185 g g mol30,9 mmol25,7 mmol10,3 mmol 61,8 mmol O 25,7 mmol C 10,3 mmol O 51,5 mmol O 20,6 mmol H 25,7 mmol C 20,6 mmol H X = 0,0257 mol C = 0,0206 mol H C: 25,7 mmol H: 20,6 mmol O: 61,8 mmol C: 25,7 mmol H: 20,6 mmol O: 61,8 mmol 0,988 g C 0,0257 H 0,0206 C 1,25 H 1 C5H4C5H4 Wet van behoud van massa

14 Zelfstudie Zelfstudie: Hfst 3 van Chemistry Mc Murry-Fay (§ 8 t/m 11); blz. 97 t/m 105. Problem 18 t/m 27 Extra opgaven 9 en 10 (zie volgende dia)

15 Opgave 9 Barnsteenzuur heeft een moleculaire massa van 118,1 amu. Men lost 38,52 g barnsteenzuur op in water en vult deze oplossing aan tot 1,00 L. Vervolgens neemt men 50,0 mL van deze oplossing om een titratie mee uit te voeren. Tijdens deze titratie blijkt er 65,20 mL van een 0,5000 M NaOH oplossing nodig te zijn om het zuur te neutraliseren. Hoeveel zure (afsplitsbare) H-atomen zitten er in 1 molecuul barnsteenzuur. Opgave 10 Glycerol bestaat uit koolstof, waterstof en zuurstof. Bij de verbrandingsanalyse van 1,000 g glycerol ontstaat 0,7825 g water en 1,434 g CO 2. Wat is de empirische formule van glycerol.


Download ppt "Chemisch rekenen voor oplossingen Hfst 3.8 t/m 3.11."

Verwante presentaties


Ads door Google