De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

Het verband tussen subtypes van ruminatie en problematisch middelengebruik in de adolescentie Lore Willem, Patricia Bijttebier, Laurence Claes, & Filip.

Verwante presentaties


Presentatie over: "Het verband tussen subtypes van ruminatie en problematisch middelengebruik in de adolescentie Lore Willem, Patricia Bijttebier, Laurence Claes, & Filip."— Transcript van de presentatie:

1 Het verband tussen subtypes van ruminatie en problematisch middelengebruik in de adolescentie Lore Willem, Patricia Bijttebier, Laurence Claes, & Filip Raes FADO congres 17 november 2010

2 Introductie Adolescentie  verhoogde kwetsbaarheid voor aanpassingsproblemen (bv. Problematisch middelengebruik). Prevalentie jongeren jaar (VAD, Leerlingenbevraging ): –22% drinkt regelmatig alcohol –2,7% gebruikt regelmatig cannabis –1,9% heeft illegale drugs anders dan cannabis gebruikt tijdens maand voor bevraging Ruminatie als recente kwetsbaarheidsfactor voor problematisch middelengebruik.

3 Ruminatie Definitie Nolen-Hoeksema (1991): Het repetitief focussen op negatieve gevoelens en mogelijke oorzaken en gevolgen van deze gevoelens zonder zich te richten op het actief aanpakken van het probleem. Vooral in relatie tot depressie (Watkins, 2008). Stabiele trek (Nolen-Hoeksema & Davis, 1999).

4 Ruminatie – problematisch middelengebruik Recente evidentie voor associatie tussen ruminatie en problematisch middelengebruik Mechanisme: Gebruiken om ruminatie te vermijden Evidentie –Nolen-Hoeksema & Harrell (2002): gerelateerd aan alcohol problemen (concurrent/longitudinaal), middelen als coping. –Nolen-Hoeksema, Stice, Wade, & Bohon (2007): voorspelt middelenmisbruik en toename in misbruik over 4 jaar –Caselli, Bortolai, Leoni, Rovetto, & Spada (2008): hogere ruminatie in probleemdrinkers, ruminatie voorspelt groepslidmaatschap onafhankelijk van depressieve symptomatologie –Caselli et al. (2010): associatie tussen ruminatie en mate van herval bij alcoholgebruikers, onafhankelijk van depressieve symptomatologie  Evidentie beperkt bij gemengde groep van adolescenten!

5 OV 1: Brooding - reflectie Recentelijk ruminatie als twee-dimensioneel construct (Treynor, Gonzalez, & Nolen-Hoeksema, 2003): Brooding en Reflectie Brooding: passieve vergelijking van iemands huidige situatie met onbereikte standaarden, op een passieve en zelf-kritisch manier blijven hangen op je emoties (bv. ‘Ik denk: “wat doe ik toch om dit te verdienen”’), gerelateerd aan maladaptieve coping. Reflectie: op een doelbewuste manier naar zichzelf kijken om dmv cognitieve probleemoplossing zijn/haar negatieve gevoelens te verminderen, actief onderzoeken van eigen emoties (bv. ‘ik ga alleen weg en denk na over waarom ik me zo voel), gerelateerd aan adaptieve coping.

6 Nog geen onderzoek mbt subtypes van ruminatie en problematisch middelengebruik Uitzondering: studie van Nolen-Hoeksema et al. (2007)  enkel brooding bestudeerd Hypothesen vanuit depressie-literatuur: –Brooding = maladaptief –Reflectie = adaptief

7 OV 2: Onafhankelijk van depressie? Hoge comorbiditeit depressie – problematisch middelengebruik (Davis, Uezato, Newell, & Frazier, 2008) Studies rond ruminatie bij gebruik controleren niet voor depressie (met uitz van studies van Caselli et al., 2008; 2010). Controleren voor depressie als we willen weten dat ruminatie een onafhankelijke kwetsbaarheidsfactor voor problematisch middelengebruik is.

8 OV 3: Interacties met geslacht? Vrouwen rumineren meer als mannen, en ruminatie verklaart de geslachtsverschillen in depressieve symptomen (Nolen-Hoeksema, 2004). Inconsistentie in geslachtsverschillen mbt. brooding en reflectie: –Burwell & Shirk (2007): brooding  depressie, enkel bij meisjes –Verstraeten, Vasey, Raes, & Bijttebier (2010): lagere reflectie  depressie, enkel bij jongens Mbt problematisch middelengebruik nog geen studies!

9 Methode - deelnemers N = 189 (50.3% meisjes) 3e – 6e middelbaar Gemiddelde leeftijd: jaar (SD = 1.26, range = – 19.83)

10 Methode - instrumenten Ruminatie: –Ruminative Response Scale (RRS; Nolen-Hoeksema & Morrow, 1991) Ernst van depressieve symptomatologie: –Beck Depression Inventory-II (BDI-II; Beck, Steer, & Brown, 1996) Alcoholgebruik: –Eerste drie items van de Alcohol Use Disorder Identification Test (AUDIT; Saunders, Aasland, Babor, de la Fuente, & Grant, 1993). Frequentie van drinkgedrag Gemiddeld aantal glazen per keer Aantal binge drink episodes

11 Druggebruik –Eerste drie items van de Drug Use Disorder Identification Test (Berman, Bergman, Palmstierna, & Schlyter, 2005) Frequentie van druggebruik Mate van gebruik per dag Zwaar gebruik Problemen tgv alcohol en/of druggebruik –Aanpassing van de Rutgers Alcohol Problem Index (RAPI; White & Labouvie, 1989)

12 Resultaten – Descriptieven *p≤.05, **p≤.01, ***p≤.001

13 Resultaten - correlaties

14 Resultaten - regressies Hiërarchische lineare regressie analyse, met in stap 1 leeftijd en geslacht, in stap 2 brooding en reflectie, in stap 3 BDI scores, en in stap 4 brooding x geslacht, reflectie x geslacht. AUDIT-C score: –Geslacht (β = -.29, p ≤.001) –Leeftijd (β =.36, p ≤.001) DUDIT-C score: –Geslacht (β = -.20, p ≤.01) –Leeftijd (β =.14, p ≤.05) –Reflectie (β = -.20, p ≤.05) –Resultaten blijven hetzelfde wanneer gecontroleerd wordt voor BDI scores.

15 RAPI scores: –Geslacht (β = -.29, p ≤.001) –Leeftijd (β =.28, p ≤.001) –Brooding (β =.25, p ≤.01) –Reflectie x geslacht (β =.20, p ≤.01) –Resultaten blijven hetzelfde wanneer gecontroleerd wordt voor BDI scores.

16 Interactie reflectie x geslacht The simple slope for Reflection for girls was 0.03, t (181) = 0.54, p =.60, whereas for boys it was -0.16, t (181) = -3.14, p =.002.

17 Discussie Onderzoeksvraag 1: –Hoge brooding geassocieerd met RAPI scores  conform studie van Nolen-Hoeksema et al. (2007) en maladaptieve rol van brooding in depressie (e.g., Raes, 2010) –Mechanisme: jongeren met hoge brooding gebruiken alcohol/drugs om hun distress geassocieerd met het brooding proces te verminderen, van zich af te zetten (cfr. Cooper, 1994) –Lage reflectie geassocieerd met hogere drugconsumptie  protectieve rol van reflectie (cfr. Verstraeten et al., 2010) Onderzoeksvraag 2: –Associaties blijven significant bij controle voor depressieve symptomen  ruminatie is onafhankelijke predictor van middelengebruik (cfr. Caselli et al., 2008; 2010)

18 Onderzoeksvraag 3: –Associatie tussen reflectie en RAPI gemodereerd door geslacht: Enkel bij jongens was lage reflectie predictief voor middelengerelateerde problemen (cfr. Verstraeten et al., 2010) –Reflectie ook protectieve factor voor middelengerelateerde problemen, enkel bij jongens. Link met coping (Burwell & Shirk, 2007) als mogelijke tentatieve verklaring voor resultaten –Brooding  maladaptieve coping –Reflectie  adaptieve coping

19 Klinische implicaties: –Vooral richten op het brooding proces –Hoe? Negatieve gevolgen aanleren van brooding proces Zoeken naar andere en adaptievere manieren het proces van brooding tegen te gaan

20 Limitaties: –Cross-sectioneel  belang van longitudinaal onderzoek. –Motieven om te gebruiken (Cooper, 1994) –Angst –Zelfrapportage  sociale wenselijkheid? –Community sample

21 Vragen? Contact:


Download ppt "Het verband tussen subtypes van ruminatie en problematisch middelengebruik in de adolescentie Lore Willem, Patricia Bijttebier, Laurence Claes, & Filip."

Verwante presentaties


Ads door Google