De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

RISICO’S VAN OPLOSMIDDELEN Eigenschappen Effecten Brand en explosie Blootstelling aan oplosmiddelen.

Verwante presentaties


Presentatie over: "RISICO’S VAN OPLOSMIDDELEN Eigenschappen Effecten Brand en explosie Blootstelling aan oplosmiddelen."— Transcript van de presentatie:

1 RISICO’S VAN OPLOSMIDDELEN Eigenschappen Effecten Brand en explosie Blootstelling aan oplosmiddelen

2 OPLOSMIDDEL Vloeistof waarin een stof (vast of vloeibaar) of een gas kan oplossen of mengen en deze vloeistof zelf de grootste fractie is. Een organisch oplosmiddel bestaat uit: een vloeibare stof waarvan de moleculen koolstof (C) bevatten een of meer van de elementen waterstof, halogenen, zuurstof, zwavel, fosfor, silicium en stikstof

3 VLUCHTIGE OPLOSMIDDELEN Vluchtige oplosmiddelen zijn vloeistoffen die gemakkelijk verdampen. Voorbeelden: Benzeen, tolueen en xyleen: aromatische oplosmiddelen oplosmiddel voor rubber, gommen, harsen, vetten en andere natuurlijke producten lak- en verfindustrie Tolueen en xyleen: verdunningsmiddel voor lakken, vernissen, verven (thinner), kleefstoffen, drukinkten en kleurstoffen.

4 VLUCHTIGE OPLOSMIDDELEN (2) Voorbeelden: terpentine hexaan thinner peut wasbenzine ether alcohol Toepassingen: vluchtigheid (verf) vetoplossend vermogen bij productieprocessen laboratoria (voor synthese of onderzoek)

5 GEVAARLIJKE OPLOSMIDDELEN Definiëring Stoffen, mengsels of oplossingen van stoffen Gevaar voor de veiligheid of gezondheid dan wel hinder voor de werknemers Veroorzaakt door de eigenschappen van deze stoffen of de omstandigheden waaronder zij voorkomen Kunnen niet alleen letsel, schade of hinder teweeg brengen aan personen, maar ook schade aan materiaal of het milieu

6 EIGENSCHAPPEN EN RISICO’S Omgaan met oplosmiddelen: Kans dat daarbij (gezondheids)schade ontstaat wordt uitgedrukt als het risico (kans x effect). Kans en schade bepaald door: De mate van blootstelling aan het oplosmiddel Bepaald door fysische eigenschappen oplosmiddel, zoals: –dampspanning of het kookpunt –ventilatie van de ruimte –heftigheid waarmee met de stof wordt omgegaan Schadelijkheid van de stof

7 BEGRIPPEN (1) Vluchtigheid Het gemak waarmee een bepaalde vloeistof verdampt. Afhankelijk van karakteristieke dampspanning van een vloeistof. Kookpunt Temperatuur waarbij overal in een vloeistof dampbellen ontstaan. Hoe hoger het kookpunt  hoe lager de dampspanning  des te minder vluchtig het oplosmiddel is. Vlampunt Temperatuur waarbij een stof nog juist kan ontbranden in lucht. Beneden het vlampunt (Flashpoint F p ) zal de damp boven een vloeistof niet gaan branden.

8 BEGRIPPEN (2) Vlampunt is handig criterium om risico in te schatten van omgaan met vluchtig en brandbaar oplosmiddel. zeer licht ontvlambaarF p­ < 0 °C(K0) licht ontvlambaarF p­ < 21 °C(K1) ontvlambaar21 °C < F p < 55 °C(K2) brandbaar55 °C < F p < 110 °C(K3) Zelfontbrandingstemperatuur Temperatuur waarbij een stof 'spontaan' kan ontbranden, in afwezigheid van een ontstekingsbron.

9 MAC-WAARDEN (1) Stoffen moeilijk qua toxiciteit onderling te vergelijken. Gebruik maken van beschikbare normen bij inschatten van risico’s. MAC: Maximale Aanvaarde Concentratie. Bestuurlijk vastgestelde concentratie van gas, damp, nevel in de lucht op de werkplek. Uitgangspunten: Geen gezondheidsschade bij werknemer en nageslacht: bij herhaalde expositie gedurende een arbeidsleven omvattende periode

10 MAC-WAARDEN (2) MAC-waarde voorheen uitgedrukt in ppm (parts per million) tegenwoordig in mg/m 3. Omrekenfactor concentratie in lucht is: 1 ppm=M/24 (mg/m 3 ) M = molecuulgewicht Voordeel eenheid ppm: eenheid onafhankelijk van molecuulgewicht. Voorbeeld: 100 ppm aceton in de lucht is vergelijkbaar met 100 ppm chloroform.

11 OPNAME Opname door het lichaam (resorptie) van oplosmiddelen via: huid inademen (inhalatie) inslikken (ingestie) Vreemde stoffen moeten effectieve barrière van cellen passeren. Opname via huid in het algemeen relatief langzaam. Makkelijker naarmate de verbinding beter vetoplosbaar (apolair) is. Opname via de longen (inhalatie) verloopt vaak relatief snel.

12 EFFECTEN OP DE GEZONDHEID Hoge blootstelling  bewustzijnsverlaging. Meestal reversibel, soms blijvende schade. Risicogroep: bijv. schilders, drukkers en tapijtleggers. Na opname verspreiding door lichaam naar weefsels. Concentratie in weefsels afhankelijk van: dosis affiniteit verbinding voor het weefsel mate van doorbloeding snelheid uitgescheiding of omgezetting verbinding

13 PIEKBLOOTSTELLING Oplosmiddel verplaatst snel naar hersenen (vetrijke celmembranen). Lever zorgt voor ontgifting lichaam. Indien levercapaciteit ontoereikend  lichaam kan toxische concentratie bereiken. Bij kortdurende maar grote blootstelling (piekblootstelling), lichaam niet snel genoeg ontgiftigd  mogelijk schade weefsel(s).

14 SCHILDERSZIEKTE OPS: Organisch phychosyndroom; betreft een verstoring van het centraal zenuwstelsel. Als OPS wordt veroorzaakt door organische oplosmiddelen, dan spreekt men van oplosmiddelensyndroom of schildersziekte. Verschijnselen: Vergeetachtigheid, concentratiestoornissen, moeheid of gedragsveranderingen.

15 ACUTE EN CHRONISCHE EFFECTEN Acute effecten Snelkomend, snel verdwijnend. Kortdurende hoge blootstelling (bijv. verven) → een verdoving van de hersencellen. Acute OPS-klachten zijn reversibel. Chronische effecten Licht oplosmiddel-OPS (langzamer komend, langzamer verdwijnend) Matig oplosmiddel-OPS; aanhouden blootstelling → ziekteverschijnselen blijvend Ernstig oplosmiddel-OPS ; ontstaan van sluipende ernstige hersenschade → te laat voor (volledig) herstel

16 CARCINOGENITEIT/ REPROTOXICITEIT Organische oplosmiddelen kunnen kankerverwekkend zijn. Voorbeeld hiervan is benzeen. IARC oordeelt dat bepaalde branches of bewerkingsprocessen kankerverwekkend kunnen zijn. Schilder, productie van isopropanol en schoenmaker en schoenreparatie → kankerverwekkende beroepen. Blootstelling aan oplosmiddelen bij mannen of vrouwen kan een aantal reprotoxische aandoeningen veroorzaken.

17 BRAND EN EXPLOSIE Grote kans op ongevallen met persoonlijk letsel en/of materiële schade. Brand brandwonden door het vrijkomen van vuur en/of hittestraling; vergifting door het vrijkomen van giftige verbrandingsproducten verstikking door een tekort aan zuurstof letsel door het bezwijken van constructies Explosie schade aan gebouwen, machines enz. door een schokgolf schade door scherfwerking (wegschieten van scherven of brokstukken)

18 BRANDBARE OPLOSMIDDELEN Voorwaarden voor ontstaan van brand: Brandbare stof Zuurstof Voldoende hoge temperatuur Vlamsymbool Omgevingstemperatuur R-(Risk)zinnen: R10 t/m R12 Voorzorgsmaatregelen; S-(Safety)zinnen: S16 en S21

19 DAMPDICHTHEID Zware of lichte damp Damp kan zich ophopen Zelfontbrandingstemperatuur van belang Verdunnen van damp → ventilatie (S51)

20 EXPLOSIE Deflagratie Detonatie Explosieve mengsels Explosiegrenzen Lower Explosion Limit: LEL Upper Explosion Limit: UEL

21 BLOOTSTELLING Schatten van de blootstellingconcentraties Grootte van het effect Concentraties meten Deskundigheid Metingen ingewikkeld en duur Onzichtbare en kleine gezondheidsschade Preventieve maatregelen Eenvoudige handvatten

22 VERVANGINGSVERPLICHTINGEN Op grond van wetenschappelijk vergaarde kennis → wettelijke vervangingsplicht. Arbobesluit → Artikel 4.62b Voorkomen van blootstelling; vervangen (ook voor zelfstandige ondernemers; artikel 9.5 ); Voorbeeld: Voor professionele schilders: verbod gebruik van verven met hoog oplosmiddelgehalte voor gebruik binnenshuis: muurverven → 60 gram oplosmiddel per liter product kozijnen, deuren, metaal enz. → max. 100 gram per liter

23 VEILIGHEIDSBLADENBESLUIT Wet milieugevaarlijke stoffen → producent of leverancier moet gebruiker op de hoogte stellen van de risico's van het product. Veiligheidsbladenbesluit regelt dat: Leverancier bij elke eerste levering een veiligheidsinformatieblad moet verstrekken Ook bij meer dan 1% gevaarlijke bestanden in veilig product Eisen van het Veiligheidsinformatieblad hierin zijn vastgelegd

24 R- EN S-ZINNEN Op het etiket en in het Veiligheidsinformatieblad: gevaren en aanbevelingen →standaardsymbolen en waarschuwingszinnen R-zinnen (risicozinnen ofwel waarschuwingszinnen) S-zinnen (safetyzinnen ofwel veiligheidsaanbevelingen) Gevaarssymbolen (andreaskruis, doodshoofd, enzovoort) Voorbeelden:R22: Schadelijk bij opname door de mond S20: Niet eten of drinken tijdens gebruik

25 GLOBALE SCHATTINGEN M.b.v. verdampingssnelheid → globaal inschatten blootstellingkans. Verdampingssnelheid → hoe lager hoe beter. Concentratie van de damp ook afhankelijk van de ruimteventilatie. Verhouding dampdruk/MAC-waarde (p/MAC) → relatieve risico-index. Voor het beoordelen van alternatieven voor schadelijke oplosmiddelen. Hoe hoger p/MAC, hoe hoger het risiconiveau.

26 VOORBEELD P/MAC oplosmiddel MAC (ppm) p (mbar) p/MAC (mbar/ppm) n-hexaan251606,4 n-pentaan ,96 n-heptaan400480,12 iso-hexaan (2-methylpentaan) ,53

27 LABORATORIUM Gemiddelde concentratie in de ademhalingszone lineair afhankelijk van dampdruk. Vuistregel: concentratie (ppm) is 0,1 tot 0,5 van de dampspanning (mbar) Overschrijding MAC-waarde onwaarschijnlijk in een laboratorium en buiten de zuurkast, indien: ventilatievoud van meer dan 5 per uur p/MAC < 5 ppm/mbar Bij tetra, benzeen, chloroform → p/MAC > 5 ppm/mbar → overschreiding MAC-waarde!

28 RAQ-WAARDE (1) In de Verfovereenkomst → RAQ-waarde ('Required Air Quantity‘, benodigde hoeveelheid lucht) Hoeveelheid lucht nodig om vluchtige stoffen uit 1 liter verf te verdunnen beneden MAC-waarde. RAQ-waarde in m 3 /l (lucht nodig voor 1 liter). Stoffen met een grote RAQ-waarde hebben een hoog risico.

29 RAQ-WAARDE (2) Op grond van de RAQ-waarde: vier risicoklassen: A.RAQ < 200 m 3 /1binnenshuis te gebruiken zonder ademhalingsbescherming B. RAQ < 600 m 3 /1binnenshuis te gebruiken met goede ventilatie of ademhalingsbescherming C. RAQ < 1200 m 3 /1 D.RAQ > 1200 m 3 /1


Download ppt "RISICO’S VAN OPLOSMIDDELEN Eigenschappen Effecten Brand en explosie Blootstelling aan oplosmiddelen."

Verwante presentaties


Ads door Google