De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

Berekeningen aan redoxtitraties Directe titratie en terugtitratie.

Verwante presentaties


Presentatie over: "Berekeningen aan redoxtitraties Directe titratie en terugtitratie."— Transcript van de presentatie:

1 Berekeningen aan redoxtitraties Directe titratie en terugtitratie

2 Directe titraties Bij het bepalen van het gehalte H 2 O 2 in een waterstofperoxide-oplossing in massaprocenten is het volgende voorschrift gevolgd: – Pipetteer 25,00mL H 2 O 2 -oplossing in een in een erlenmeyer – Zuur dit aan met een overmaat 1M zwavelzuur – Titreer vervolgens met een 0,5040M KMnO 4 -oplossing Er blijkt voor deze bepaling 16,74mL van de KMnO 4 -oplossing nodig te zijn. Bereken het gehalte H 2 O 2 in de waterstofperoxide-oplossing in massaprocenten

3 Directe titraties; massaprocent H 2 O 2 Stap 1 – Wat is de juiste reactievergelijking? Stap 2 – Hoeveel mmol van de stof die met het waterstofperoxide reageert is toegevoegd? Stap 3 – Wat is de molverhouding tussen de stof die reageert en de stof die je wilt bepalen? Stap 4 – Reken uit hoeveel mol waterstofperoxide aanwezig was en kijk na in hoeveel mL oplossing dit zat Stap 5 – Kijk naar wat er gevraagd is: Concentratie Gehalte (bijvoorbeeld in gram per L / g L -1 ) Massaprocenten – Reken om naar wat wordt gevraagd

4 Directe titraties; massaprocent H 2 O 2 Stap 1 – Wat is de juiste reactievergelijking? MnO H + + 5e -  Mn H 2 O H 2 O 2  2H + + O 2 + 2e - Eerste reactie 2x, tweede reactie 5x Juist optellen en H + wegstrepen geeft: 2 MnO H + + 5H 2 O 2  2Mn H 2 O + 5O 2

5 Directe titraties; massaprocent H 2 O 2 Stap 2 – Hoeveel mmol van de stof die met het waterstofperoxide reageert is toegevoegd? Getitreerd: – 16,74mL van een 0,5040M KMnO 4 -oplossing 16,74 x 0,5040 = 8,4370 mmol MnO 4 -

6 Directe titraties; massaprocent H 2 O 2 Stap 3 – Wat is de molverhouding tussen de stof die reageert en de stof die je wilt bepalen? – 2 MnO H + + 5H 2 O 2  2Mn H 2 O + 5O 2 2 MnO 4 - : 5H 2 O 2

7 Directe titraties; massaprocent H 2 O 2 Stap 4 – Reken uit hoeveel mol waterstofperoxide aanwezig was en kijk na in hoeveel mL oplossing dit zat 2 MnO 4 - : 5H 2 O 2 (stap 3) 8,4370 mmol MnO 4 - (stap 2) 8,4370/2 x 5 = 21,092 mmol H 2 O 2 Dit zat in 25,00mL oplossing

8 Directe titraties; massaprocent H 2 O 2 Stap 5 – Kijk naar wat er gevraagd is: Concentratie Gehalte (bijvoorbeeld in gram per L / g L -1 ) Massaprocenten – Reken om naar wat wordt gevraag 21,092 mmol H 2 O 2 in 25,00mL oplossing, dus 21,092 / 25,00 = 0,84370 mol L -1 M(H 2 O 2 ) = 34,01 g mol -1 dus 0,84370 x 34,01 = 28,69 gram H 2 O 2 per L Water: ±1 g mL -1 Dus 2,87 massa-% H 2 O 2 in oplossing aanwezig

9 Terugtitraties Wat is een terugtitratie? Ophalen reactiesnelheid: mol L -1 s -1 – Hoe kun je indirect snelheid van een exotherme reactie meten?

10 Terugtitraties Bepalen sulfidegehalte van verontreinigd water. – Voeg aan 100 mL van een sulfide-houdend monster een overmaat CdCl 2 -oplossing (1,0mL 0,11M) toe. – Filtreer de suspensie met (zuiver) water – Los het neerslag op in een afgesloten vat in 5,00mL 0,0246M joodoplossing/ 4M zoutzuur – Titreer het overgebleven deel van het I 2 met een 0,0221M Na 2 S 2 O 3 -oplossing – Er blijkt 7,23mL Na 2 S 2 O 3 -oplossing nodig

11 Terugtitraties; sulfidegehalte Stap 1 – Wat zijn de juiste reactievergelijkingen? Stap 2 – Hoeveel mmol van de stof die met het jood reageert is toegevoegd? Stap 3 – Wat zijn de molverhouding tussen de stoffen die reageren en de stof die je wilt bepalen? Stap 4a – Reken uit hoeveel mol jood heeft gereageerd met het thiosulfaat en kijk na hoeveel er oorspronkelijk aanwezig was Stap 4b – Reken vervolgens uit hoeveel mol jood gereageerd moet hebben met het sulfide Stap 5 – Kijk naar wat er gevraagd is – Reken om naar wat wordt gevraagd

12 Terugtitraties; sulfidegehalte Stap 1 – Wat zijn de juiste reactievergelijkingen?

13 Terugtitraties Bepalen sulfidegehalte van verontreinigd water. – Voeg aan 100 mL van een sulfide-houdend monster een overmaat CdCl 2 -oplossing (1,0mL 0,11M) toe. – Filtreer de suspensie met (zuiver) water – Los het neerslag op in een afgesloten vat in 5,00mL 0,0246M joodoplossing/ 4M zoutzuur – Titreer het overgebleven deel van het I 2 met een 0,0221M Na 2 S 2 O 3 -oplossing – Er blijkt 7,23mL Na 2 S 2 O 3 -oplossing nodig

14 Terugtitraties; sulfidegehalte Stap 1 – Wat zijn de juiste reactievergelijkingen? Neerslag van CdS Cd 2+ (aq) + S 2- (aq) → CdS (s) Reactie CdS met zuur CdS (s) + 2 H 3 O + (aq) → Cd 2+ (aq) + H 2 S (g) + 2 H 2 O (l) Reactie H 2 S met I 2 H 2 S → S + 2H + + 2e - en I 2 + 2e - → 2I - geeft H 2 S + I 2 → S+ 2H + + 2I - Reactie thiosulfaat met overgebleven I 2 2S 2 O 3 2- → S 4 O e - en I 2 + 2e - → 2I - geeft 2S 2 O I 2 → S 4 O I -

15 Terugtitraties; sulfidegehalte Stap 2 – Hoeveel mmol van de stof die met het jood reageert is toegevoegd? – Titreer het overgebleven deel van het I 2 met een 0,0221M Na 2 S 2 O 3 -oplossing – Er blijkt 7,23mL Na 2 S 2 O 3 -oplossing nodig 7,23 x 0,0221 = 0,1598 mmol S 2 O 3 2-

16 Terugtitraties; sulfidegehalte Stap 3 – Wat zijn de molverhouding tussen de stoffen die reageren en de stof die je wilt bepalen? Cd 2+ (aq) + S 2- (aq) → CdS (s) CdS (s) + H 3 O + (aq) → Cd 2+ (aq) + H 2 S (g) + 2 H 2 O (l) H 2 S + I 2 → S+ 2H + + 2I - 2S 2 O I 2 → S 4 O I - – Molverhouding S 2 O 3 2- : I 2 is 2:1 – Molverhouding I 2 staat tot H 2 S is 1:1 en molverhouding H 2 S staat tot S 2- is 1:1 dus molverhouding I 2 : S 2- is 1:1

17 Terugtitraties; sulfidegehalte Stap 4a – Reken uit hoeveel mol jood heeft gereageerd met het thiosulfaat en kijk na hoeveel er oorspronkelijk aanwezig was 0,1598 mmol S 2 O 3 2- dus met molverhouding S 2 O 3 2- : I 2 is 2:1 geeft dat 0,1598/2 = 0,07989 mmol I 2 In het begin is toegevoegd 5,00mL 0,0246M joodoplossing dus 5,00 x 0,0246 = 0,123 mmol I 2

18 Terugtitraties; sulfidegehalte Stap 4b – Reken vervolgens uit hoeveel mol jood gereageerd moet hebben met het sulfide In het begin is toegevoegd 5,00mL 0,0246M joodoplossing dus 5,00 x 0,0246 = 0,123 mmol I 2 Overgebleven: 0,07989 Gereageerd met H 2 S dus 0,123 – 0,07989 = 0,043 mmol I 2 LET OP: HET UITREKENEN VAN EEN VERSCHIL IS KENMERKEND BIJ EEN TERUGTITRATIE !!! HET VERSCHIL TUSSEN DE OORSPRONKELIJKE HOEVEELHEID EN DE HOEVEELHEID DIE HEEFT GEREAGEERD TIJDENS DE TITRATIE GEEFT DE HOEVEELHEID DIE HEEFT GEREAGEERD MET DE STOF DIE JE WILT BEPALEN

19 Terugtitraties; sulfidegehalte Stap 5 – Kijk naar wat er gevraagd is – Reken om naar wat wordt gevraagd Gereageerd met H 2 S dus 0,123 – 0,07989 = 0,043 mmol I 2 – Gevraagd gehalte S 2- in water Molverhouding I 2 : S 2- is 1:1 dus ook 0,043 mmol S 2- in oorspronkelijke hoeveelheid water, dit was 100 mL Gehalte dus 0,043/100 = 4, mmol mL -1 dus 4, mol L -1

20 Terugtitraties Bepalen sulfidegehalte van verontreinigd water. – Waarom met een terugtitratie? M t/m 7


Download ppt "Berekeningen aan redoxtitraties Directe titratie en terugtitratie."

Verwante presentaties


Ads door Google