De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

Havo A Samenvatting Hoofdstuk 10. Lineaire groei en exponentiële groei 10.1.

Verwante presentaties


Presentatie over: "Havo A Samenvatting Hoofdstuk 10. Lineaire groei en exponentiële groei 10.1."— Transcript van de presentatie:

1 havo A Samenvatting Hoofdstuk 10

2 Lineaire groei en exponentiële groei 10.1

3 Werkschema: Herkennen van exponentiële groei bij een tabel. 1Bereken voor even lange tijdsintervallen het quotiënt aantal aan het eind van het interval aantal aan het begin van het interval 2Verschillen de quotiënten weinig, dan mag je uitgaan van exponentiële groei. 10.1

4 Een krant zag in een reeks van jaren het aantal jaarabonnementen dalen. Jaartal 2000 2001 2002 2003 2004 2005 aantal abonnementen (×1000) 970 941 913 885 859 833 Stel op grond van deze tabel een zo goed mogelijk passende formule op die het verloop van het aantal duizenden abonnementen A als functie van de tijd t in jaren beschrijft. Neem t = 0 voor 2000. Als het aantal jaarabonnementen onder de 500.000 zakt raakt de krant in problemen. In welk jaar is dat het geval als dit verloop niet wijzigt? De jaartallen nemen gelijkmatig toe. Deling van opeenvolgende aantallen abonnementen levert steeds (ongeveer) 0,97 op: 941/ 970 ≈ 913/ 941 ≈ 885/ 913 ≈ 859/ 885 ≈ 833/ 859 ≈ 0,97. De daling is een vorm van exponentiële afname met groeifactor g ≈ 0,97 < 1. Het aantal abonnementen neemt jaarlijks met 3 procent af. Een passende formule is daarom: A = 970 ·0,97t. Maak vervolgens een tabel van deze functie met de rekenmachine. Ga na dat op t = 22 de waarde van A minder dan 500 is. Op deze manier raakt de krant in 2022 in de problemen.

5 opgave 7 a1265/960 ≈ 1,3177 1670/1265 ≈ 1,3202 2200/1670 ≈ 1,3174 2900/2200 ≈ 1,3182 De quotiënten verschillen weinig, dus bij benadering exponentiële groei. bg jaar ≈ 1,318 dus O = 960 · 1,318 t c2015  t = 13 t = 13  O = 960 · 1,318 13 ≈ De omzet is 34767 miljoen euro. Dat is per Nederlander 34767/16,8 ≈ 2069 euro. jaar20022003200420052006 omzet O9601265167022002900

6 Bij de grafiek van N = b · g t onderscheiden we 2 situaties. groeifactoren kleiner dan 0 of gelijk aan 1 hebben geen betekenis O x y O x y g > 10 < g < 1 1 1 toename afname 10.1

7 Op 1 januari 2000 stond een bedrag van € 3500,00 op een spaarrekening. De bank gaf op deze rekening een rente van 4% per jaar. Neem aan dat dit alles vanaf 1-1-2000 niet verandert en stel een formule op voor het saldo S op deze rekening afhankelijk van de tijd t in jaren vanaf 1-1-2000. Maak een tabel die laat zien hoe het saldo zich ontwikkelde. Bij een procentuele toename van 4% per jaar hoort een groeifactor van 1,04. Op t = 0 is het saldo 3500 euro. Op t = 1 is het saldo 3500 · 1,04 = 3640 euro. Op t = 2 is het saldo 3500 · 1,04 · 1,04 = 3500 · 1,04 2 = 3785,60 euro. Enzovoorts... Een passende formule is daarom S = 3500 · 1,04 t. Als je deze formule invoert in de rekenmachine heb je snel een tabel.

8 opgave 12 aN T = 0,15t + 18 bN P = 9,6 · 1,04 t cmaart 2007  t = 14 t = 14  N T = 0,15 · 14 + 18 = 20,1  N P = 9,6 · 1,04 14 ≈ 16,6 Het scheelt 20,1 – 16,6 = 3,5 miljoen. dVoer in y 1 = 9,6 · 1,04 x t = 16  N P ≈ 17,981 t = 17  N P ≈ 18,7 Dus meer dan 18 miljoen bij t = 17, juni 2007. eVoer in y 2 = 0,15x + 18 optie intersect x ≈ 19,95 Dus N P > N T vanaf t = 20, september 2007. 0510152025 5 10 15 20 25 t N ∙ ∙ ∙ ∙ ∙ ∙ ∙ ∙ 19,95 10.1

9 Groeifactor en groeipercentage Neemt een bedrag met 250 euro per jaar met 4,5% toe, dan is de groeifactor 1,045. 100% + 4,5% = 104,5%  x 1,045 formule : B = 250 x 1,045 t Dus bij een groeifactor van 0,956, is de procentuele afname 100% - 95,6% = 4,4%. Bij een verandering van p% hoort exponentiële groei met groeifactor g = 1 + p/100. Bij een groeifactor g hoort een procentuele verandering van p = ( g – 1 ) x 100%. 10.2

10 Neem de tabel over en vul in: procentuele toename per jaar 13 –60,3 groeifactor per jaar1,150,983,950,01 1,130,941,003 15–2295–99

11 Groeifactoren omzetten naar andere tijdseenheid Bij exponentiële groei met groeifactor g per tijdseenheid is de groeifactor per n tijdseenheden gelijk aan g n. Bij een groeifactor van 1,5 per uur, hoort een groeifactor van 1,5 24 ≈ 16834,11 per dag, en een groeifactor van 1,5 ¼ ≈ 1,11 per kwartier. 1,11  111%  toename per kwartier is 11% Het omzetten van groeipercentages naar een andere tijdseenheid gaat via groeifactoren. 10.2

12 Een hoeveelheid neemt per kwartier met 12% toe. ag ¼uur = 1,12 g uur = 1,12 4 ≈ 1,574 De toename per uur is 157,4 – 100 = 57,4%. bg 15 minuten = 1,12 g 5 minuten = 1,12 ⅓ ≈ 1,038 De toename per 5 minuten is 103,8 – 100 = 3,8%. cg uur = 1,12 4 g 5 uur = (1,12 4 ) 5 = 1,12 20 ≈ 9,65 De toename per 5 uur is 965 – 100 = 865%. opgave 20

13 In de periode 1955-1965 nam het dramatisch af met 95%. ag 10 jaar = 0,05 g jaar = 0,05 (1/10) ≈ 0,741 De afname per jaar is 100 – 74,1 = 25,9%. bg 20 jaar = 12 g jaar = 12 (1/20) ≈ 1,132 De toename per jaar is 13,2%. cIn 1965 waren er 14000/12 ≈ 1170 broedparen in 1955 waren er 1170/0,05 ≈ 23400 broedparen opgave 25

14 Verdubbelings- en halveringstijd De verdubbelingstijd bij exponentiële groei is de tijd waarin de hoeveelheid verdubbelt. Bij groeifactor g vind je de verdubbelingstijd t door de vergelijking g t = 2 op te lossen. De halveringstijd is de tijd waarin de hoeveelheid gehalveerd wordt. Bij groeifactor g bereken je de halveringstijd t door de vergelijking g t = ½ op te lossen. 10.2

15 ag 10 dagen = 2 g dag = 2 (1/10) ≈ 1,072 Het groeipercentage per dag is 7,2%. bg 25 jaar = 2 g jaar = 2 (1/25) ≈ 1,028 Het groeipercentage per jaar is 2,8%. cg 28 jaar = 0,5 g jaar = 0,5 (1/28) ≈ 0,976 De hoeveelheid neemt per jaar met 2,4% af. voorbeeld 10.2

16 0 – 1500  g 1500 jaar = 2  g jaar = 2 ≈ 1,0005  0,05% 1500 – 1800  g 300 jaar = 2  g jaar = 2 ≈ 1,0023  0,23% 1800 – 1950  g 150 jaar = 2  g jaar = 2 ≈ 1,0046  0,46% 1950 – 1986  g 36 jaar = 2  g jaar = 2 ≈ 1,0194  1,94% 1986 – 2006  g 20 jaar = = ≈ 1,35  g jaar = 1,35 ≈ 1,0153  1,53% 6 opgave 33

17 Lineaire en exponentiële groei 10.3

18 voorbeeld 4 0 1 · · x 4 -3 ∆y∆yomhoog ∆x∆xrechts a = ∆y : ∆x a = -¾ y = ax + b y = -¾x + b door A(1,4) 4 = -¾ · 1 + b 4 = -¾ + b 4¾ = b  b = 4¾ m : y = -¾x + 4¾ 15 A B y B – y A = 1 - 4 x B – x A = 5 - 1 -3 4 Staan er bij de assen andere letters dan gebruik je deze letters in de formule, de manier blijft hetzelfde. y Gegeven zijn de punten A(1,4) en B(5,1). Stel de formule op van de lijn m door de punten A en B. 10.3

19 opgave 39 t410 N10002500 g 6 dagen = g dag = N = b · g t g ≈ 1,165 voor t = 4  N = 1000 Dus N = 543 · 1,165 t. N = b · 1,165 t 1000 = b · 1,165 4 b ≈ 543 x 2,5 + 6 1000 = b · 1,165 4 b ≈ 543

20 Algebraïsch oplossen Werkschema : lineaire vergelijkingen algebraïsch oplossen. 1Staan er haakjes? Werk ze weg. 2Breng alle termen met x naar het linkerlid, de rest naar het rechterlid. 3Herleid beide leden en deel door het getal dat voor de x staat. 4a + 5 = 5a - 2 4a – 5a = -2 - 5 -a = -7 a = -7/-1 = 7 5a naar links brengen en 5 naar rechts herleid linker- en rechterlid deel door het getal dat voor a staat als 5a naar links gaat krijg je -5a 10.3

21 Soorten groei Exponentiële groei wordt op den duur afgeremd, zodat verzadiging optreedt. Bij logistische groei nadert de grafiek tot de asymptoot van het verzadigingsniveau. Formules bij groeiprocessen 10.3

22 opgave 47 a bt = 3 geeft = 52 Dus 52 cm hoog. t = 11 geeft = 256 Na 11 weken is de zonnebloem 256 cm hoog. Voer in y 1 = Voer in y 2 = 250. Optie intersect geeft x ≈ 9,64. Dus vanaf t = 9,7. 3 11 x af toe t h 0 h = 260 9,64

23 opgave 49 N = 1200(1 – 0,7 t ) N = 1200 Er zitten 1200 leerlingen op school. aVoer in y 1 = 1200(1 – 0,7 x ) bTabel De quotiënten zijn niet gelijk, dus er is geen exponentiële groei. cVoer in y 2 = 950 Optie intersect geeft x ≈ 4,398. 0,398 · 60 ≈ 24 Dus om 13.00 uur + 24 minuten = 13.24 uur. t01234 N0360612788912 360/0 = k.n., 612/360 = 1,7, 788/612 ≈ 1,3, 912/788 ≈ 1,2 t N 0 N = 1200 4,398 950

24 opgave 59 A = 0,007G 0,425 L 0,725 aG = 78 en L = 183 A = 0,007 · 78 0,425 · 183 0,725 ≈ 1,95 m 2 bG = 80 A = 0,007 · 80 0,425 · L 0,725 ≈ 0,045L 0,725 Voer in y 1 = 0,045x 0,725. cA = 1,65 en L = 152 1,65 = 0,007G 0,425 · 152 0,725 0,267G 0,425 = 1,65 Voer in y 1 = 0,267x 0,425 en y 2 = 1,65 Optie intersect geeft x ≈ 72,6. Zijn gewicht is ongeveer 73 kg. d1 m 2 = 10 000 cm 2 A * = 10 000 cm 2 · 0,007 · G 0,425 · L 0,725 A * = 70G 0,425 L 0,725. A L O 150200 ll 72,6

25 opgave 64 A = 6(50 – v)(w – 2) + 430 aw = 3 en v = 40 A = 6(50 – 40)(3 – 2) + 430 A = 6 · 10 · 1 + 430 = 490 Er passeren 490 auto’s per uur. bv = 40 A = 6(50 – 40)(w – 2) + 430 A = 6 · 10 · (w – 2) + 430 A = 60(w – 2) + 430 = 60w – 120 + 430 A = 60w + 310 cw = 3,5 A = 6(50 – v)(3,5 – 2) + 430 A = 6(50 – v) · 1,5 + 430 = 9(50 – v) + 430 A = 450 – 9v + 430 = 880 – 9v dA = 6(50 – v)(w – 2) + 430 v = 10w A = 6(50 – 10w)(w – 2) + 430

26 Maximaal haalbare snelheid Zet op de getallenlijn.

27 Logaritmische schaalverdeling Een gewone schaalverdeling is niet praktisch als je op een getallenlijn gegevens wilt uitzetten die sterk in grootte verschillen. We kiezen in zo’n situatie liever een logaritmische schaalverdeling. Op de logaritmische schaalverdeling is de afstand van 10 4 tot 10 0 gelijk aan 4. 10.5

28 A  1,3 B  7,5 C  23 D  55 E  150 F  2400 10 3 10 4 10 5 10 6 10 7 opgave 69 A  1300 B  7500 C  23000 F  2 400 000 D  55000 E  150 000

29 opgave 72a Rechte lijn op logaritmisch papier, dus N = b · g t. t = 1 en N = 30 t = 7 en N = 400 N = b · 1,540 t t = 1 en N = 30 Dus N = 19 · 1,540 t. 400 30 g 6 dagen = g dag =≈ 1,540 b · 1,540 1 = 30 b =

30 opgave 77 aTeken bVanaf 1995 is er een rechte lijn. W = b · g t ct = 5 en W = 2,01 t = 16 en W = 9,05 W = b · 1,147 t t = 5 en W = 2,01 Dus W = 1,01 · 1,147 t. g 11 jaar = g jaar = b · 1,147 5 = 2,01 b =


Download ppt "Havo A Samenvatting Hoofdstuk 10. Lineaire groei en exponentiële groei 10.1."

Verwante presentaties


Ads door Google