H 27: Kostprijs bij homogene productie.

Slides:



Advertisements
Verwante presentaties
H20:Voorraadwaardering
Advertisements

Procenten Als je deze uitleg stap voor stap volgt, kun je na afloop prima rekenen met procenten Elke keer als je klaar bent met lezen, klik je op een toets.
H 11: Winstverdeling en (stock)- cashdividend
Samenvatting H5+H6 Maak de opgaven (ook bouwstenen)
Rekenen met procenten Rekenen met procenten.
Break-even-analyse oftewel “quitte spelen”
H 29: Kostprijs bij heterogene producten
H 22: Kosten van een duurzaam produktiemiddel (dpm)
(heeft niet als doel om winst te maken = overheid)
Opdracht Gerealiseerde omzet 125%
H1 Kosten Kostprijs bevat alleen de toegestane kosten per eenheid product. Achteraf vergelijk je de toegestane kosten met de werkelijke kosten= efficiëntie.
Omzet.
Agenda  Les 13  wkn 13 2 e  hs 2.4 overige kosten  bestuderen tb 32 tm 47 maken 2.15 tm 2.20 (wb tm 84)
Verkoopresultaat Niveau 3 Kerntaak 5 Blz. 63.
6.1 Wat wordt de prijs? Winkeliers mogen zelf weten voor welke prijs ze hun producten verkopen. Hoe berekenen ze die prijs? Wat hebben vraag en aanbod.
Homogene productie.
De toets data 2kb juni 2kc juni 2kd 20 juni 2ke 17 juni   2ma 19 juni
Toepassingen 5L week 1: ‘Een nieuwe start’
H 28: Nacalculatie bij homogene productie
A: korte (basale) herhaling H 27
H 40: Regels voor de passiva.
H 22: Brutowinstopslagmethode
inkoopprijs – verkoopprijs winst – verlies
Elke 7 seconden een nieuw getal
Bedrijfseconomie Uitwerking opgave (pagina 396)
Agenda  Les 15  wkn 14 2e  hs 2.6 winst & verlies
Inkomen les 14 Begrippen & 65 t/m Begrippen Primaire sector Bedrijven die zaken aan de natuur onttrekken (landbouw, jacht, bosbouw, visserij)
Inkomen Begrippen + 6 t/m 10 Werkboek 6. 2 Begrippen Arbeidsverdeling Verdeling van het werk in een land.
A5 Management & Organisatie
Hoofdstuk 5 “Een eigen bedrijf”
Lesplanning – paragraaf 7 blz. 38
Wat moet je leren: Heel hoofdstuk 3, behalve paragraaf 5
Lesplanning – paragraaf 7 blz. 38 Binnenkomst Intro Vragen huiswerk Uitleg docent Zelfstandig werken, met radio?? Afsluiting van de les. Lokaal verlaten.
Een bakje kwark kost € 1,27. Hoeveel kosten vijf bakjes? 5 x € 1,27 = 5 x € 1,00 = € 5,00 5 x € 0,20 = € 1,00 5 x € 0,07 = € 0, € 6,35 Een.
M3F-MATEN - Gewichten en lengtematen
H4 Differentiëren.
Kostprijs berekening bij meerdere soorten producten:
Hoeveelheidsaanpassing I
Hoeveelheidsaanpassing II
De financiële functie: Integrale bedrijfsanalyse©
Inkoopprijs, verkoopprijs,winst, verlies
Algemene Ondernemersvaardigheden
H12 Kostencalculaties.
(Naam bedrijf & logo) Lost het product/dienst een bestaand probleem op? 1.1 Zo ja, welke? 1.2 Zo, nee wie gaat dit product/dienst kopen? 2. Waaruit maak.
Algemene Ondernemersvaardigheden
Agenda  Les  wkn  hs 2 1 omzet en afzet  bestuderen tb 32 tm 36 maken 2.1 tm 2.5 (wb tm 60)
Stap 3; Constant of Variabel?
Exploitatiebegroting Deel 2
Retaileconomie hoofdstuk 1, paragraaf 1.7
Break-even analyse Hoeveel moet ik minimaal produceren om geen verlies te maken?= p.
J. de Lange ECONOMIE HOE KUN JE DAT NOU MAKEN?. Winstberekening Belangrijk PROGRAMMA:
Hoofdstuk 6 Productie.
Hoofdstuk 11 De Break-Even Afzet (BEA). Wat kost internet ? Vroeger moest je internetkosten betalen per minuut. Dat ging via een vorm van bellen. Joep.
De optimale productiegrootte (bij een markt van volkomen concurrentie)
Constante kosten / variabele kosten. Ondernemer zijn Waarom ben je ondernemer? Om geld te kunnen verdienen. Voordat je kunt beginnen: Ga je:
Financiering Hoofdstuk 3 Verschillenanalyse. Inhoud 1 Het resultaat van een onderneming berekenen 2 Begrotingen en budgetten 3 Verschillenanalyse 4 Financiële.
Productie onderneming
verwarring begrippen omzet of winst
Hoofdstuk 11 De Break-Even Afzet (BEA) Les
Havo 4 Lesbrief Vervoer.
Break-even-analyse oftewel “quitte spelen”
Examenopgave Havo M&O opgave 3
Hoofdstuk 27 t/m 31 Kostprijsberekening in industriële ondernemingen
Huiswerk: Hoofdstuk 11 m&o boek, opgave 1 Oefenopgave 2 (stencil)
Welkom 8 mei 2018.
Break-Even Hoofdstuk 11 M&O.
PRODUCEREN OMZET, AFZET, WINST.
Vakman ondernemer – Financieel plan
Financiering en inkoop
Transcript van de presentatie:

H 27: Kostprijs bij homogene productie. Wat verstaan we onder de kostprijs? De noodzakelijk te maken kosten om 1 product te fabriceren en/of te verkopen. Waarom moet je de kostprijs (voorcalculatorisch) berekenen? 1 – De klant wil de verkoopprijs weten. Er is namelijk geen klant die iets koopt als hij niet weet wat hij er voor moet betalen. 2 – M.b.v. de kostprijs weet je wat een product kost en weet je ook hoeveel materialen (grondstoffen, personeel) je gereed moet hebben om te kunnen produceren. 3: De kostprijs is altijd voorcalculatorisch. D.w.z. gebaseerd op verwachtingen. Achteraf kun je kijken of de verwachtingen overeen komen met de werkelijkheid (=nacalculatorisch). Dat kan o.a. m.b.v. bijvoorbeeld prijs- en efficiencyverschillen (H26)

CF/NP + VF/BP Wat verstaan we onder homogene productie? Er is dan sprake van massaproductie of ook wel industriële productie. M.a.w. er wordt geen rekening gehouden met individuele wensen van klanten. Voorbeeld: suikerklontjes, luciferstokjes, pindakaas, spijkers. Ook in dit hoofdstuk speelt de formule C/N + V/B een belangrijke rol. Aangezien het om fabriceren en/of verkopen gaat wordt de formule ook gesplitst in 2 afzonderlijke formules. Als het alleen gaat om het fabriceren ontstaat de fabricagekostprijs. Deze bereken je m.b.v. de volgende formule: CF/NP + VF/BP Cf = constante fabricagekosten Np = normale productie Vf = variabele fabricagekosten Bp = begrote productie

de fabricage kostprijs + (Cv/Na + Vv/Ba) Als we het product ook verkopen (en dat is natuurlijk de bedoeling) dan gaat dat meestal ook gepaard met kosten. Namelijk Cv en Vv. Op dezelfde manier als bij de fabricage kostprijs ontstaat dan de commerciële kostprijs. De commerciële kostprijs bereken je als volgt: de fabricage kostprijs + (Cv/Na + Vv/Ba) Cv = constante verkoopkosten Na = normale afzet Vv = variabele verkoopkosten Ba = begrote afzet De commerciële kostprijs + winst = verkoopprijs Verkoopprijs + BTW = consumentenprijs

Voorbeeld: Cf = € 937.500 Np = Na = 50.000 stuks Vf = € 823.500 Bp = Ba = 54.000 stuks Cv = € 962.500 Vv = € 364.500 De winst bedraagt 40% van de (commerciële) kostprijs; het BTW-tarief is 21%. 1: Bereken de fabricagekostprijs. 2: Bereken de commerciële kostprijs. 3: Bereken de verkoopprijs. 4: Bereken de consumentenprijs. 5: Bereken BEA en BEO. 6: Bereken de verwachte winst.

Antwoorden: 1: 937.500/ 50.000 + 823.500/54.000 = 18,75 + 15,25 = € 34 2: 34 + 962.500/50.000 + 364.500/54.000 = 34 + 19,25 + 6,75 = € 60 3: 60 x 1,4 = € 84 4: € 84 x 1,21 = € 101,64 5: (937.500 + 962.500)/(84 -22) = 30.645 stuks (BEA) 30.645 x 84 = € 2.574.100 (BEO) 6: 1e manier = TO – TK T0 = 54.000 x 84 = € 4.536.000 TK = Cf = € 937.500 = Vf = € 823.500 = Cv = € 962.500 = Vv = € 364.500 € 1.448.000 2e manier: Ruilwinst + of – totale bezettingsresultaat Ruilwinst = 54.000 x (€ 84 - € 60) = € 1.2960.00 (+) Bezettingsresultaten: afdeling fabricage = (54.000 – 50.000) x 18,75 = € 75.000 (+) : afdeling verkoop = (54.000 – 50.000) x 19,25 = € 77.000(+) € 1.448.000 (+)

(aangeven positief of negatief) Formule ruilwinst = Ba x (verkoopprijs – commerciële kostprijs) (aangeven positief of negatief) Formule bezettingsresultaten (zie ook H 26) Afdeling fabricage = (Bp – Np) x (Cf/Np) (aangeven positief of negatief) Afdeling verkoop = (Ba – Na) x (Cv/Na) De 2 bezettingsresultaten bij elkaar opgeteld geven samen het totale bezettingsresultaat.

Voorbeeld: Cf = € 2.041.250 Np = 115.000 stuks Na = 110.000 stuks Vf = € 1.543.500 Bp = Ba = 126.000 stuks Cv = € 742.500 Vv = € 1.039.500 De winst bedraagt 40% van de verkoopprijs; het BTW-tarief is 21%. 1: Bereken de fabricagekostprijs. 2: Bereken de commerciële kostprijs. 3: Bereken de verkoopprijs. 4: Bereken de consumentenprijs. 5: Bereken BEA en BEO. 6: Bereken de verwachte winst. 7: Bereken bij welke productie en afzet er een winst gemaakt wordt van € 1.400.000.

Antwoorden: 1: 2.041.250/ 115.000 + 1.543.500/126.000 = 17,75 + 12,25 = € 30 2: 30 + 742.500/110.000 + 1.039.500/126.000 = 30 + 6,75 + 8,25 = € 45 3: 45/0,6 = € 75 4: € 75 x 1,21 = € 90,75 5: (2.041.250 + 742.500)/(75 -20,50) = 51.078 stuks (BEA) 51.078 x 75 = € 3.830.850 (BEO) 6: 1e manier = TO – TK T0 = 126.000 x 75 = € 9.450.000 TK = Cf = € 2.041.250 = Vf = € 1.543.500 = Cv = € 742.500 = Vv = € 1.039.500 € 4.083.250 2e manier: Ruilwinst + of – totale bezettingsresultaat Ruilwinst = 126.000 x (€ 75 - € 60) = € 3.780.000 (+) Bezettingsresultaten: afdeling fabricage = (126.000 – 115.000) x 17,75 = € 195.250 (+) : afdeling verkoop = (126.000 – 110.000) x 6,75 = € 109.000(+) € 4.083.250 (+) 7: (2.041.250 + 742.500 + 1.400.000)/(75-20,5) = 76.766 stuks