De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

Passages & conjuncties Door de waterspiegel van Tomas Lieske.

Verwante presentaties


Presentatie over: "Passages & conjuncties Door de waterspiegel van Tomas Lieske."— Transcript van de presentatie:

1 Passages & conjuncties Door de waterspiegel van Tomas Lieske

2 ‘ Raadselachtige gebeurtenissen lijken het gevolg van andere gebeurtenissen en hebben er toch niets mee te maken.’ [196]

3 Drie wegen door de roman 1. De belevingswereld in de roman 2. Een weefsel van teksten 3. Het vertellen

4 Burgenland ‘In of naast Burgenland, in een streek verloren tussen verschillende landen en bevolkt door Oostenrijkers, Hongaren, Slowaken, Kroaten, Duitsers en nog wat restvolken, bevindt zich een kale vlakte.’ [7]

5 Burgenland ‘In of naast Burgenland, in een streek verloren tussen verschillende landen en bevolkt door Oostenrijkers, Hongaren, Slowaken, Kroaten, Duitsers en nog wat restvolken, bevindt zich een kale vlakte.’ [7] ‘Dit is Centraal-Europa; de enige rijkdom is die van de tegen elkaar botsende talen; de streek stelt niets voor; hier kom ik vandaan.’ [8]

6 Burgenland

7

8

9 Traunsee

10 Höllengebirge

11 Duero Drops; Almendra Dam ( )

12 [Argusinos]

13 Leiden

14 Josef Bürckel ( ) SS Obergruppenführer

15 Antal Szabo ( ) ??

16 Lewis Carroll, Through the Looking-Glass and what Alice found there (1871)

17 H.C. Andersen, De kleine zeemeermin (1836)

18 Ovidius, Metamorphosen Verwonderd zien de Nereusnimfen onder water nu een stad met huizen, en een bos waarin dolfijnen zwemmen, hoog tussen takken door, hun staart slaat tegen stammen aan. Daar, tussen schapen, zwemt een wolf, de zee kent nu ook tijgers en blonde leeuwen; ’t everzwijn heeft nu geen voordeel van flitsende bijtkracht, herten hebben niets meer aan hun snelheid; zelfs vogels speuren naar een plek waar nog te landen valt, storten dan ergens met vermoeide vleugels in de golven.

19 Albert Camus, La Chute (1956)

20 Een rommelige raamvertelling De verteller: proloogspreker [14-15] ‘Wij kankeren, wij geven bijnamen, wij liegen, wij overdrijven’. ‘Hoe wij het zien, de werkelijkheid, daar gaat het om’. ‘te controleren valt er niets’. ‘Deze verhalen behoren dus tot de niet-officiële, zeg maar mythische versie, maar daar hebben we het over’.

21 Een rommelige raamvertelling De verteller: inbreker ‘Het is mijn veelkleurig taalgebruik dat mij soms de das omdoet. Misschien ben ik ook wel een kind van misverstanden. Burgenlandkind dat bestaat uit louter misverstanden. Ik bedoel met die toegangsweg niets onwerkelijks. Mijn bestaan is al onwerkelijk genoeg en iedereen doet er goed aan mijn woorden gewoon letterlijk op te vatten.’ [24-25] ‘De rest sla ik over’. [83]

22 Een rommelige raamvertelling De verteller: mythomaan ‘Veel fantasieën in de carroussel van zijn kop, maar de anderen konden deze heroïeke binnenwereld niet van zijn uniform aflezen.’ [37] ‘Want die [de afloop] heb ik niet van Sebastian kunnen horen en dus ben ik degene die moest zorgen dat alles goed terechtkwam. Ikzelf, Amor en tante Roenie: een werkwaardige, maar werkbare drie-eenheid.’ [86] Het vertellen van nieuwe verhalen:

23 Een rommelige raamvertelling De verteller: mythomaan ‘De Hongaar! Ik wist het, ik wist het. Die liegende, onbetrouwbare, duivelse Hongaar. Sebastian krijgt opnieuw met hem te maken. Natuurlijk, wij krijgen allemaal in ons leven met onze Hongaar te maken. Het heeft geen zin aan mij te vragen de feiten vrolijker voor te stellen of zelfs te verdraaien. Dat gaat niet. Ik kan het verleden in mijn verhaal niet ongedaan maken.’ [148]

24 Correspondenties/conjuncties Locaties Personages Gebeurtenissen

25 Vragen Is het hele gebeuren een fantasmagorie? Wie is de verteller? Wat doet deze verteller? Hoe engageert hij zijn toehoorders en lezers?

26 ‘Amor, ikzelf en tante Roenie […] waren pendanten. Wij vulden elkaar aan bij het uitoefenen van onze gezamenlijke taak: waken over de liefdesverhouding tussen Sebastian Romeijn en Eva Mertz. Hoe verschillend wij ook waren, dat was ons doel: tegenwicht bieden aan de enorme krachten van de Hongaar. Tante Roenie was de meest lichamelijke van ons. Zij was degene die echt bestond en die geil kon zijn. Amor was een geschilderde figuur, maar hij was de enige van ons die rechtstreeks Eva beïnvloedde. Ikzelf was nauwelijks lichamelijk (dat mocht geen naam hebben), ik had geen enkel contact met Eva, zij kende mij niet eens, maar ik was verantwoordelijk voor de afloop. Want die heb ik niet van Sebastian kunnen horen en dus ben ik degene die moest zorgen dat alles goed terechtkwam. Ikzelf, Amor en tante Roenie: een merkwaardige, maar werkbare drie- eenheid’. [85-86]

27 Caravaggio, Amor Vincit Omnia (1601/1602)

28 Fantasmagorie (toverlantaarn) Fantasma = spook, schim Ageôru = ik spreek

29 ‘ Ik vertel het verhaal door. Dat strekt tot troost, het vertellen van verhalen. Alle andere verrichtingen die wij nog kunnen doen of waarbij wij geholpen worden, zijn alleen maar bedoeld om in leven te blijven. Die verhalen maken het leven voor ons waardevol. Daar gaat het om. Wat moeten wij anders?’ [17]

30 Passages en conjuncties. Door de waterspiegel van Tomas Lieske Nijmegen, 11 februari 2015 Mathijs Sanders 1. Voor welke problemen plaatst deze roman zijn lezers? ‘Sebastian realiseerde zich één conclusie heel scherp. En die oversteeg in belang alle verhalen, ontwikkelingen en ellende. Die kinderen die toen naar vreemde verzorgers, ‘ooms en tantes’, waren gestuurd of die, zoals Eva, in een tehuis waren terechtgekomen, moeten het gevoel hebben gehad dat ze dwars door de spiegel waren gestapt en dat ze waren terechtgekomen in een onherkenbare, vaak beangstigende variant van de werkelijkheid, waar honderd meter een afstand blijkt die geen mens kan overbruggen, waar de tijd jaren achteruit- of vooruitspringt. Raadselachtige gebeurtenissen lijken het gevolg van andere gebeurtenissen en hebben er toch niets mee te maken. Al deze absurditeiten, die hem nu op een of andere manier bekend voorkwamen, maakten deel uit van de nieuwe wereld waar de kinderen plotseling in gegooid waren.’ [196]

31 2. Plotsamenvatting Aan het woord is een naamloze verteller uit Burgenland, de zoon van een sadistische kindermoordenaar, die als gevolg van een wraakactie door dorpsbewoners bind en invalide is geworden – hij is letterlijk gereduceerd tot een schim met een stem en een gehoor. In een tehuis in Liechtenstein vertelt hij aan zijn medebewoners een verhaal, waarvan hij beweert dat het afkomstig is van de Nederlander Sebastian Romeijn, die na een zwerftocht over de bodem van de Rijn is aangespoeld in de Liechtensteinse villa. Het verhaal over Sebastian en diens geliefde Eva Mertz raakt gaandeweg vervlochten met een verhaal over een gezin uit een Leidse volksbuurt, een familie waarvan vader Henk ‘oer-Nederlands’ wordt genoemd, maar die een naam draagt die we eerder in Burgenland zouden verwachten: Starkow. De verteller noemt Sebastian ‘een godsgeschenk in mijn leven’ (17). Dankzij deze Sebastian kan hij zich namelijk in verbinding stellen met gebeurtenissen en verhalen die hij zelf onmogelijk zou kunnen meemaken. Mogelijk ook ziet hij Sebastian als een plaatsvervanger van het kind – ‘een achtergebleven en te langzaam groeiend joch’ – dat door zijn vader ‘als een aardappelkloot diep in de modder’ is gestopt en dat wellicht zijn ‘broertje’ was. (8) De verteller komt in het eerste hoofdstuk meteen al eerlijk uit voor zijn oneerlijkheid. Hij zal het verhaal met zijn fantasie ‘wat kleur geven’ door eigen toevoegingen, waardoor het een ‘eigen logische waarheid’ krijgt. (17) Hij beschouwt Sebastian als zijn ‘plaatsvervanger’: wat hij zelf als invalide niet kon en kan beleven in ‘de verschrikkelijke reële wereld’ zal hij in woorden (letterlijk logisch dus) en met behulp van de verbeelding vorm geven. (18) Daarmee in verband staat ook de oproep van de verteller om zijn woorden ‘gewoon letterlijk op te vatten’. (25) Vervolgens wordt met woorden een wereld opgeroepen waarin raadselachtige verbanden bestaan tussen uiteenlopende personages en gebeurtenissen, vergelijkbaar met astrologische conjuncties.

32 3. Drie sporen door de romanwereld Het eerste spoor: de werkelijkheid buiten de fictie (referentialiteit) Het tweede spoor: de teksten buiten de roman (intertekstualiteit) Het derde spoor: de verteller in de romanwereld – proloogspreker, inbreker en mythomaan ‘De Hongaar! Ik wist het, ik wist het. Die liegende, onbetrouwbare, duivelse Hongaar. Sebastian krijgt opnieuw met hem te maken. Natuurlijk, wij krijgen allemaal in ons leven met onze Hongaar te maken. Het heeft geen zin aan mij te vragen de feiten vrolijker voor te stellen of zelfs te verdraaien. Dat gaat niet. Ik kan het verleden in mijn verhaal niet ongedaan maken.’ [148] ‘Amor, ikzelf en tante Roenie […] waren pendanten. Wij vulden elkaar aan bij het uitoefenen van onze gezamenlijke taak: waken over de liefdesverhouding tussen Sebastian Romeijn en Eva Mertz. Hoe verschillend wij ook waren, dat was ons doel: tegenwicht bieden aan de enorme krachten van de Hongaar. Tante Roenie was de meest lichamelijke van ons. Zij was degene die echt bestond en die geil kon zijn. Amor was een geschilderde figuur, maar hij was de enige van ons die rechtstreeks Eva beïnvloedde. Ikzelf was nauwelijks lichamelijk (dat mocht geen naam hebben), ik had geen enkel contact met Eva, zij kende mij niet eens, maar ik was verantwoordelijk voor de afloop. Want die heb ik niet van Sebastian kunnen horen en dus ben ik degene die moest zorgen dat alles goed terechtkwam. Ikzelf, Amor en tante Roenie: een merkwaardige, maar werkbare drie-eenheid’. [85-86] ‘Ik vertel het verhaal door. Dat strekt tot troost, het vertellen van verhalen. Alle andere verrichtingen die wij nog kunnen doen of waarbij wij geholpen worden, zijn alleen maar bedoeld om in leven te blijven. Die verhalen maken het leven voor ons waardevol. Daar gaat het om. Wat moeten wij anders?’ [17]


Download ppt "Passages & conjuncties Door de waterspiegel van Tomas Lieske."

Verwante presentaties


Ads door Google