De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

Parasjah Beha'alotcha בהעלותך Numeri 8:1 - 12:16.

Verwante presentaties


Presentatie over: "Parasjah Beha'alotcha בהעלותך Numeri 8:1 - 12:16."— Transcript van de presentatie:

1 Parasjah Beha'alotcha בהעלותך Numeri 8:1 - 12:16

2 Numeri 10: En het was bij het opbreken van de ark dat Mozes zei: Sta op, HEERE, laat Uw vijanden overal verspreid worden en hen die U haten, van Uw aangezicht vluchten! 36En als ze rustte, zei hij: Keer terug, HEERE, tot de tienduizenden van de duizenden van Israël!

3 Grondtekst Numeri 10:35-36 נ

4 Onderwerpen Numeri 10:35-36 –betekenis –context Yeshua herkennen vanuit de parasjah –zachtmoedigheid –getrouwheid –rechtstreekse openbaring van God –uitstorting van de Geest

5 Onderwerpen Numeri 10:35-36 –Yeshua herkennen –profetische betekenis

6 Num. 10: En het was bij het opbreken van de ark dat Mozes zei: Sta op, HEERE, laat Uw vijanden overal verspreid worden en hen die U haten, van Uw aangezicht vluchten! 36En als ze rustte, zei hij: Keer terug, HEERE, tot de tienduizenden van de duizenden van Israël!

7 Ex. 25:22 22Dan zal Ik u daar ontmoeten en van boven het verzoendeksel, van tussen de twee cherubs, die zich op de ark van de getuigenis zullen bevinden, zal Ik met u spreken over alles wat Ik u voor de Israëlieten gebieden zal.

8 Ex. 23:20, 23, 27, 28 en 30 20Zie, Ik zend een Engel voor u uit om over u te waken op de weg en u te brengen naar de plaats die Ik gereedgemaakt heb. 23Mijn Engel zal namelijk vóór u uit gaan en u brengen bij de Amorieten en de Hethieten en de Ferezieten en de Kanaänieten en de Hevieten en de Jebusieten, en Ik zal hen uitroeien.

9 Ex. 23:20, 23, 27, 28 en 30 27De schrik voor Mij zal Ik vóór u uit zenden, en al de volken waaronder u komt, zal Ik in verwarring brengen. En Ik zal al uw vijanden voor u op de vlucht doen slaan. 28Ik zal ook horzels vóór u uit zenden; die zullen de Hevieten, de Kanaänieten en de Hethieten vóór u uit verdrijven.

10 Ex. 23:20, 23, 27, 28 en 30 30Ik zal hen geleidelijk vóór u uit verdrijven, totdat u zo in aantal toegenomen bent dat u het land in erfbezit kunt nemen.

11 Gen. 3: Toen zei de HEERE God tegen de slang: Omdat u dit gedaan hebt, bent u vervloekt onder al het vee en onder alle dieren van het veld! Op uw buik zult u gaan en stof zult u eten, al de dagen van uw leven. 15En Ik zal vijandschap teweegbrengen tussen u en de vrouw, en tussen uw nageslacht en haar Nageslacht; Dat zal u de kop vermorzelen, en u zult Het de hiel vermorzelen.

12 Gen. 22: Hij zei: Ik zweer bij Mijzelf, spreekt de HEERE: Omdat u dit gedaan hebt en Mij uw zoon, uw enige, niet onthouden hebt, 17 zal Ik u zeker rijk zegenen en uw nageslacht zeer talrijk maken, als de sterren aan de hemel en als het zand dat aan de oever van de zee is. Uw nageslacht zal de poort van zijn vijanden in bezit hebben.

13 Num. 10:36 (3 vertalingen) 1.En als ze rustte, zei hij: Keer terug, HEERE, tot de tienduizenden van de duizenden van Israël! 2.En wanneer zij bleef rusten, zeide hij: Breng terug HEERE, de tienduizenden der duizenden Israëls. 3.Rust O HEERE onder de myriaden (ontelbaren) van Israël.

14 Deut. 30:3 3Dan zal de HEERE, uw God, een omkeer brengen in uw gevangenschap en Zich over u ontfermen. Hij zal u weer bijeenbrengen uit al de volken waarheen de HEERE, uw God, u verspreid had.

15 Num. 10:36 (3 vertalingen) 1.En als ze rustte, zei hij: Keer terug, HEERE, tot de tienduizenden van de duizenden van Israël! 2.En wanneer zij bleef rusten, zeide hij: Keer terug HEERE, de tienduizenden der duizenden Israëls. 3.Rust O HEERE onder de myriaden (ontelbaren) van Israël.

16 Num. 1:3 3Het gaat om ieder in Israël die met het leger uittrekt, van twintig jaar oud en daarboven. Die moet u tellen, ingedeeld naar hun legers, u en Aäron.

17 Num. 2:1-2 1De HEERE sprak tot Mozes en tot Aäron: 2De Israëlieten moeten hun kamp opslaan, ieder bij zijn vaandel, bij de herkenningstekens die behoren bij hun familie; zij moeten op enige afstand hun kamp opslaan rondom de tent van ontmoeting.

18

19

20 Num. 11:20b 20 maar tot een volle maand, totdat het u de neus uit komt en u ervan walgt. Want u hebt de HEERE, Die in uw midden is, verworpen, en hebt voor Zijn aangezicht gejammerd: Waarom zijn wij eigenlijk uit Egypte vertrokken?

21 Num. 11:4 4Het samenraapsel van vreemdelingen dat in hun midden verkeerde, werd met gulzigheid bevangen; daarom jammerden ook de Israëlieten opnieuw en zeiden: Wie zal ons vlees te eten geven?

22 Zach. 2:11 11 Veel heidenvolken zullen op die dag bij de HEERE gevoegd worden en zij zullen Mij tot een volk zijn, en Ik zal in uw midden wonen. Dan zult u weten dat de HEERE van de legermachten Mij tot u gezonden heeft.

23 Num. 12:1-2 1Mirjam, en ook Aäron, spraken over Mozes vanwege de Cusjitische vrouw die hij genomen had, want hij had een Cusjitische vrouw genomen. 2Zij zeiden: Heeft de HEERE alleen maar door Mozes gesproken? Heeft Hij ook niet door ons gesproken? En de HEERE hoorde het.

24 Num. 12:3 3Maar de man Mozes was zeer zachtmoedig, meer dan alle mensen die op de aardbodem waren.

25 Matth. 11:29 29Neem Mijn juk op u, en leer van Mij dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart; en u zult rust vinden voor uw ziel;

26 Num. 12:6-8 6Hij zei: Luister toch naar Mijn woorden! Als iemand onder u een profeet is, maak Ik, de HEERE Mij door een visioen aan hem bekend, spreek Ik met hem door een droom. 7Maar zo doe Ik niet tegenover Mijn dienaar Mozes, die in Mijn hele huis trouw is,

27 Num. 12:6-8 8met hem spreek Ik van mond tot mond, ja, zichtbaar, en niet in raadsels. Hij aanschouwt de gestalte van de HEERE. Waarom dan bent u niet bevreesd geweest om over Mijn dienaar, over Mozes, te spreken?

28 Heb. 3:1-6 1Daarom, heilige broeders, deelgenoten aan de hemelse roeping, let op de Apostel en Hogepriester van onze belijdenis: Christus Jezus. 2Hij is getrouw aan God, Die Hem aangesteld heeft, zoals ook Mozes trouw was in heel Zijn huis. 3Want Christus is zoveel meer heerlijkheid waard geacht dan Mozes, evenals hij die het huis gebouwd heeft, meer eer ontvangt dan het huis zelf.

29 Heb. 3:1-6 4Immers, elk huis wordt door iemand gebouwd, maar Hij Die dit alles gebouwd heeft, is God. 5En Mozes is wel trouw geweest in heel Zijn huis, maar als dienaar, om te getuigen van wat later gesproken zou worden; 6Christus echter is getrouw over Zijn huis als Zoon. Zijn huis zijn wij, als wij tenminste de vrijmoedigheid en de roem van de hoop tot het einde toe onwrikbaar vasthouden.

30 Joh. 5:20 20Want de Vader heeft de Zoon lief en laat Hem alles zien wat Hij doet, en Hij zal Hem grotere werken laten zien dan deze, opdat u zich verwondert.

31 Num. 11: Mozes ging naar buiten en sprak de woorden van de HEERE tot het volk. En hij verzamelde zeventig mannen uit de oudsten van het volk en stelde hen op rondom de tent. 25Toen daalde de HEERE neer in de wolk en sprak tot hem, en Hij zonderde een deel af van de Geest Die op hem was, en droeg dat over op de zeventig mannen, die oudsten. En het gebeurde, toen de Geest op hen rustte, dat zij profeteerden, maar daarna niet meer.

32 Zach. 4:6 6Daarop antwoordde Hij en zei tegen mij: Dit is het woord van de HEERE tot Zerubbabel: Niet door kracht en niet door geweld, maar door Mijn Geest, zegt de HEERE van de legermachten.

33 Num. 11: Twee mannen echter waren in het kamp achtergebleven. De naam van de ene was Eldad, en de naam van de andere Medad. De Geest rustte op hen – zij behoorden namelijk tot de aangeschrevenen, maar waren niet naar de tent vertrokken – en zij profeteerden in het kamp.

34 Num. 11: Een jongen liep snel weg en vertelde het aan Mozes, en zei: Eldad en Medad profeteren in het kamp. 28Jozua, de zoon van Nun, de dienaar van Mozes, een van zijn uitgekozen jongeren, antwoordde en zei: Mijn heer Mozes, belet het hun!

35 Num. 11:29 29Maar Mozes zei tegen hem: Zet u zich voor mij in? Och, of allen van het volk van de HEERE profeten waren, dat de HEERE Zijn Geest over hen gaf!

36 Joël 2: Daarna zal het geschieden dat Ik Mijn Geest zal uitstorten op alle vlees: uw zonen en uw dochters zullen profeteren, uw ouderen zullen dromen dromen, uw jongemannen zullen visioenen zien. 29Ja, zelfs op de dienaren en op de dienaressen zal Ik in die dagen Mijn Geest uitstorten.

37 Hand. 2:5 5 Nu woonden er Joden in Jeruzalem, godvrezende mannen uit alle volken die er onder de hemel zijn.

38 Hand. 2:33 33Hij dan, Die door de rechterhand van God verhoogd is en de belofte van de Heilige Geest ontvangen heeft van de Vader, heeft dit uitgestort wat u nu ziet en hoort.

39 Numeri 10: En het was bij het opbreken van de ark dat Mozes zei: Sta op, HEERE, laat Uw vijanden overal verspreid worden en hen die U haten, van Uw aangezicht vluchten! 36En als ze rustte, zei hij: Keer terug, HEERE, tot de tienduizenden van de duizenden van Israël!

40 Kol. 2:15 15Hij heeft de overheden en de machten ontwapend, die openlijk te schande gemaakt en daardoor over hen getriomfeerd.

41 Heb. 2: Omdat nu die kinderen van vlees en bloed zijn, heeft Hij eveneens daaraan deel gehad om door de dood hem die de macht over de dood had – dat is de duivel – teniet te doen, 15en allen te verlossen die door angst voor de dood gedurende heel hun leven aan slavernij onderworpen waren.

42 Numeri 10:36 36En als ze rustte, zei hij: Keer terug, HEERE, tot de tienduizenden van de duizenden van Israël!

43 Num. 10:36 (3 vertalingen) 1.En als ze rustte, zei hij: Keer terug, HEERE, tot de tienduizenden van de duizenden van Israël! 2.En wanneer zij bleef rusten, zeide hij: Breng terug HEERE, de tienduizenden der duizenden Israëls. 3.Rust O HEERE onder de myriaden (ontelbaren) van Israël.

44 Lezen Matth. 24: Kor. 15: Thess. 4:13-18

45


Download ppt "Parasjah Beha'alotcha בהעלותך Numeri 8:1 - 12:16."

Verwante presentaties


Ads door Google