De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

Gezang 124 Gezang 118 Ps. 72 : 1, 2 Ps. 40 : 2, 3, 5 SB 22 Wij zingen, Vader, U ter eer Adventsproject Ps. 72: 5, 6, 7 Richteren 7 : 23 – 8 : 35 (NBV)

Verwante presentaties


Presentatie over: "Gezang 124 Gezang 118 Ps. 72 : 1, 2 Ps. 40 : 2, 3, 5 SB 22 Wij zingen, Vader, U ter eer Adventsproject Ps. 72: 5, 6, 7 Richteren 7 : 23 – 8 : 35 (NBV)"— Transcript van de presentatie:

1 Gezang 124 Gezang 118 Ps. 72 : 1, 2 Ps. 40 : 2, 3, 5 SB 22 Wij zingen, Vader, U ter eer Adventsproject Ps. 72: 5, 6, 7 Richteren 7 : 23 – 8 : 35 (NBV) 1 Zondag 2 december 2012

2 2 Welkom in deze ochtenddienst Voorganger:Ds. H. de Bruijne Ouderling:Cors Visser Organist: Krijn van Veen Intro

3 3 Sing in 1. Breng dank aan de eeuwige 2. Welzalig de man die niet wandelt 3. Je hoeft niet bang te zijn (kinderlied) 4. Stil

4 4 1. Breng dank aan de eeuwige

5 Breng dank 5 Breng dank aan de Eeuwige, breng dank aan de Heilige, breng dank aan onze Vader, die ons Jezus zond. Breng dank aan de Eeuwige, breng dank aan de Heilige, breng dank aan onze Vader, die ons Jezus zond.

6 6 Want nu zegt de zwakke: ik ben sterk, zegt de arme: ik ben rijk, om wat de Here heeft gedaan voor ons. Want nu zegt de zwakke: ik ben sterk, zegt de arme: ik ben rijk, om wat de Here heeft gedaan voor ons.

7 7 Breng dank aan de Eeuwige, breng dank aan de Heilige, breng dank aan onze Vader, die ons Jezus zond. Breng dank aan de Eeuwige, breng dank aan de Heilige, breng dank aan onze Vader, die ons Jezus zond. Breng dank!

8 8 2. Welzalig de man die niet wandelt

9 9 Welzalig de man, die niet wandelt in de raad der goddelozen, Die niet staat op de weg der zondaars, Noch zit in de kring der spotters, Maar aan des Heren wet zijn welgevallen heeft. En diens wet overpeinst bij dag en bij nacht. ….

10 10 … Want hij is als een boom geplant aan waterstromen. Die zijn vrucht geeft op zijn tijd, welks loof niet verwelkt, alles gelukt.

11 11 3. Je hoeft niet bang te zijn

12 Je hoeft niet bang te zijn 12 Je hoeft niet bang te zijn al gaat de storm tekeer, leg maar gewoon je hand in die van onze Heer.

13 13 Je hoeft niet bang te zijn als oorlog komt of pijn, de Heer zal als een muur rondom je leven zijn.

14 14 Je hoeft niet bang te zijn al gaan de lichten uit, God is er en Hij blijft als jij je ogen sluit.

15 4. Stil 15

16

17 Stil, mijn ziel, wees stil en wees niet bang voor de onzekerheid van morgen. God omgeeft je steeds, Hij is erbij in je beproevingen en zorgen. 17

18 God, U bent mijn God en ik vertrouw op U en zal niet wank’len. Vredevorst, vernieuw een vaste geest binnenin mij, die rust in U alleen. 18

19

20 Stil, mijn ziel, wees stil en dwaal niet af; dwars door het dal zal Hij je leiden. Stil, vertrouw op Hem en hef je schild tegen de pijlen van verleiding. 20

21 God, U bent mijn God en ik vertrouw op U en zal niet wank’len. Vredevorst, vernieuw een vaste geest binnenin mij, die rust in U alleen. 21

22

23 Stil, mijn ziel, wees stil en laat nooit los de waarheid die je steeds omarmd heeft. Wacht, wacht op de Heer; de zwartste nacht verdwijnt wanneer het daglicht doorbreekt. 23

24 God, U bent mijn God en ik vertrouw op U en zal niet wank’len. Vredevorst, vernieuw een vaste geest binnenin mij, die rust in U alleen.

25

26 God, U bent mijn God en ik vertrouw op U en zal niet wank’len. Vredevorst, vernieuw een vaste geest binnenin mij, die rust in U alleen.

27

28 Welkom en mededelingen

29 29 Eunice rink

30 Nu daagt het in het oosten, het licht schijnt overal: Hij komt de volken troosten, die eeuwig heersen zal. 30 Gezang 124 : 1, 2, 3, 4, 5

31 De duisternis gaat wijken van de eeuwenlange nacht. Een nieuwe dag gaat prijken met ongekende pracht. 31 Gezang 124 : 1, 2, 3, 4, 5

32 Zij, die gebonden zaten in schaduw van de dood, van God en mens verlaten begroeten 't morgenrood. 32 Gezang 124 : 1, 2, 3, 4, 5

33 De zonne, voor wier stralen het nachtlijk duister zwicht, en die zal zegepralen, is Christus, 't eeuwig licht! 33 Gezang 124 : 1, 2, 3, 4, 5

34 Reeds daagt het in het oosten, het licht schijnt overal: Hij komt de volken troosten, die eeuwig heersen zal. 34 Gezang 124 : 1, 2, 3, 4, 5

35 Stil gebed, votum, groet

36 Op U, mijn Heiland, blijf ik hopen. Verlos mij van mijn bange pijn! Zie, heel mijn hart staat voor U open en wil, o Heer, uw tempel zijn. O Gij, wien aard' en hemel zingen, verkwik mij met uw heilge gloed. Kom met uw zachte glans doordringen, o zon van liefde, mijn gemoed! 36 Gezang 118 : 1, 2

37 Vervul, o Heiland, het verlangen, waarmee mijn hart uw komst verbeidt! Ik wil in ootmoed U ontvangen, mijn ziel en zinnen zijn bereid. Blijf in uw liefde mij bewaren, waar om mij heen de wereld woedt. O, mocht ik uwe troost ervaren: doe intocht, Heer, in mijn gemoed! 37 Gezang 118 : 1, 2

38 10 geboden 38

39 Geef, Heer, de koning uwe rechten en uw gerechtigheid aan 's konings zoon, om uwe knechten te richten met beleid. Dan ruist op alle bergen vrede, heil op der heuvlen top. Hij zal geweldenaars vertreden, maar armen richt Hij op. 39 Psalm 72 : 1, 2

40 Zolang de zon des daags zal rijzen, de maan schrijdt door de nacht, moet al het volk hem eer bewijzen, hem loven elk geslacht. Hij moge mild zijn als de regen, het land tot lafenis. Vrede zal bloeien allerwegen, totdat geen maan meer is. 40 Psalm 72 : 1, 2

41 Gebed

42 42 We lezen uit de Nieuwe Bijbelvertaling: I Rechters 7 : 23 – 8 : 17 II Rechters 8 : III Rechters 8 : 28-33

43 43 I. Rechters 7 : 23 – 8 : Gideon liet de weerbare Israëlieten uit Naftali, Aser en Manasse terugroepen om de Midjanieten te achtervolgen. 24 Ook stuurde hij een afvaardiging naar het bergland van Efraïm, met de boodschap: ‘Ga de Midjanieten tegemoet en snijd hun de pas af door de Jordaanoever te bezetten tot aan Bet-Bara.’ Na deze oproep bezetten de mannen van Efraïm de Jordaanoever tot aan Bet-Bara.

44 44 25 Ze overmeesterden Oreb en Zeëb, de beide legeraanvoerders van de Midjanieten. Oreb werd gedood bij de Rots van Oreb, en Zeëb bij de Perskuip van Zeëb. Ze zetten de achtervolging op de Midjanieten in en brachten de hoofden van Oreb en Zeëb naar Gideon, die inmiddels de Jordaan was overgestoken.

45 45 1 Daarbij zeiden ze: ‘Waarom hebt u ons er niet bij betrokken toen u tegen Midjan ten strijde trok? Dat is toch geen manier van doen!’ Ze maakten hem de heftigste verwijten, 2 maar Gideon antwoordde: ‘Wat ik deed, is toch niets vergeleken bij wat u gedaan hebt? Efraïm heeft de kroon gezet op het werk van Abiëzer.

46 46 3 God heeft de beide legeraanvoerders van Midjan, Oreb en Zeëb, aan u uitgeleverd. Daarbij valt alles wat ik heb kunnen doen toch in het niet?’ Toen Gideon de zaak zo voorstelde, bedaarde de woede van de mannen van Efraïm.

47 47 4 Ook Gideon was dus met zijn driehonderd manschappen de Jordaan overgestoken om de Midjanieten te achtervolgen, hoewel ze de uitputting nabij waren. 5 Daarom vroeg hij aan de burgers van Sukkot: ‘Ik zit Zebach en Salmunna achterna, de koningen van Midjan. Geef mijn soldaten wat te eten, want ze zijn uitgeput.’

48 48 6 Maar het stadsbestuur van Sukkot zei: ‘Waarom zouden wij uw leger te eten geven? Hebt u Zebach en Salmunna soms al in handen gekregen?’ 7 ‘Nee, dat niet,’ antwoordde Gideon. ‘Maar zodra de HEER Zebach en Salmunna aan mij uitlevert, zal ik u komen afranselen met doorntakken en distels uit de woestijn, daar kunt u van op aan!’

49 49 8 Van Sukkot ging hij verder naar Penuel. Hij deed de burgers van Penuel hetzelfde verzoek als hij de burgers van Sukkot had gedaan, en kreeg van hen hetzelfde antwoord. 9 Daarop bedreigde hij ook de burgers van Penuel, met de woorden: ‘Zodra ik ongedeerd terugkeer, zal ik uw toren met de grond gelijkmaken.’

50 50 10 Zebach en Salmunna hadden intussen hun kamp opgeslagen in Karkor. Ze waren met ongeveer vijftienduizend man, meer was er van het leger van de woestijnvolken niet over. Honderdtwintigduizend geoefende krijgslieden waren al gesneuveld. 11 Gideon volgde de nomadenroute ten oosten van Nobach en Jogboha en slaagde erin het kamp van de Midjanieten, die zich veilig waanden, te overrompelen.

51 51 12 De beide koningen Zebach en Salmunna probeerden in de algemene verwarring te ontkomen, maar hij haalde ze in en nam ze gevangen. 13 Gideon, de zoon van Joas, keerde via de Cherespas uit de strijd terug. 14 Onderweg kreeg hij een jongen uit Sukkot te pakken.

52 52 Hij hoorde hem uit en liet hem de namen opschrijven van de oudsten en de leden van het stadsbestuur; het waren er zevenenzeventig. 15 Toen ging hij naar Sukkot en zei: ‘Kijk, hier heb ik Zebach en Salmunna, met wie u mij hebt gehoond door te zeggen: “Waarom zouden wij uw leger te eten geven? Hebt u Zebach en Salmunna soms al in handen gekregen?”’

53 53 16 Hij nam de oudsten gevangen en liet doorntakken en distels uit de woestijn halen. En de burgers van Sukkot hebben het geweten! 17 Ook haalde hij de toren van Penuel omver en doodde hij de inwoners van die stad.

54 Zalig de man die op den HEER vertrouwt, geen acht slaat op de eigenwaan van die hun eigen wegen gaan, maar die de leugen uit zijn leven houdt. Mijn God, ik wil U roemen en al uw daden noemen, niets is aan U gelijk. Wil ik ze tellen, HEER, ik zie er telkens meer, 't gaat boven mijn bereik. 54 Psalm 40 : 2

55 18 Gideon vroeg aan Zebach en Salmunna: ‘Wat waren dat voor mannen die u bij de Tabor hebt gedood?’ ‘Ze zagen er net zo uit als u,’ antwoordden ze. ‘Het leken stuk voor stuk wel koningszonen.’ 19 Toen zei Gideon: ‘Dat waren mijn volle broers, de zonen van mijn eigen moeder. Zo waar de HEER leeft, als u hen toen in leven had gelaten, zou ik u nu niet doden.’ 55 II Rechters 8 :

56 20 En hij droeg zijn oudste zoon Jeter op: ‘Vooruit, dood ze!’ Maar de jongen trok zijn zwaard niet; hij durfde niet, omdat hij nog zo jong was. 21 Zebach en Salmunna zeiden: ‘Doet u het dan zelf. U bent mans genoeg.’ Toen doodde Gideon hen zelf. De gouden maantjes die de nek van hun kamelen sierden nam hij mee. 56

57 22 De Israëlieten zeiden tegen Gideon: ‘U hebt ons bevrijd uit de greep van Midjan. Wees daarom onze heerser, en na u uw zoon, en de zoon van uw zoon.’ 23 Maar Gideon antwoordde: ‘Ik zal uw heerser niet zijn, en mijn zoon zal uw heerser niet zijn, want de HEER is uw heerser. 57

58 24 Maar ik wil u iets anders vragen: laat ieder mij een ring geven uit de buit die hij op de Midjanieten heeft behaald.’ (Deze afstammelingen van Ismaël droegen hun rijkdommen immers in de vorm van gouden sieraden bij zich.) 25 ‘Maar natuurlijk!’ antwoordden ze, en er werd een mantel uitgespreid waarin iedereen een ring wierp. 58

59 26 De gouden ringen die hij van de Israëlieten ontving wogen samen wel zeventienhonderd sjekel. Daar kwamen dan nog bij de gouden maantjes en oorringen en de purperen mantels van de Midjanitische koningen, en de halssieraden van hun kamelen. 59

60 27 Gideon liet van dit alles een priestergewaad maken. Hij gaf het een plaats in Ofra, waar heel Israël het als een afgod kwam vereren. Dit zou uiteindelijk leiden tot de ondergang van Gideon en zijn familie. 60

61 Het is geen offervuur wat U behaagt, Gij wilt, Heer, dat ik naar U hoor en zelf ontsluit Gij mij het oor: Gij hebt alleen gehoorzaamheid gevraagd. Mijn God, ik draag uw wetten, om op uw wil te letten, gedurig bij mij om. Het boek schrijft over mij. Gij hoordet hoe ik zei: "O Here, zie, ik kom!” 61 Psalm 40 : 3

62 28 Midjan kwam de nederlaag niet meer te boven en moest het hoofd buigen voor Israël. Onder Gideon had het land veertig jaar rust. 29 Gideon zelf, de zoon van Joas, die ook wel Jerubbaäl wordt genoemd, ging weer in Ofra wonen. 30 Hij verwekte zeventig zonen, want hij had vele vrouwen. 62 III. Rechters 8 : 28-33

63 31 Een van zijn bijvrouwen woonde in Sichem. Ook zij schonk hem een zoon, en die gaf hij de naam Abimelech. 32 Gideon, de zoon van Joas, stierf in gezegende ouderdom. Hij werd bijgezet in het graf van zijn vader Joas in Ofra, waar de afstammelingen van Abiëzer wonen. 63

64 33 Na de dood van Gideon begonnen de Israëlieten opnieuw achter de Baäls aan te lopen. Ze verhieven Baäl-Berit tot god 34 en vergaten de HEER, hun God, die hen had bevrijd van de hen omringende vijanden. 35 Ook bewezen ze de familie van Jerubbaäl niet de verschuldigde dankbaarheid voor al het goede dat hij, Gideon, voor Israël had gedaan. 64

65 O HEER, onthoud mij uw ontferming niet en laat uw goedertierenheid mij toch bewaren in de tijd dat ik word overstelpt door mijn verdriet. Mijn ongerechtigheden laten mij niet met vrede, mijn moed wordt mij ontroofd. Mijn zonden slaan mij neer. Mijn God, ik tel er meer dan haren op mijn hoofd. 65 Psalm 40 : 5

66 De kinderen van 4-12 jaar kunnen nu naar de bijbelklas. Het gaat over Naomi in Moab Ruth 1 66

67 Verkondiging

68 68 “Wij zingen, vader, U ter eer” (Schriftberijmingen 22)

69 Hij heeft wat Hij bij U bezat niet boven alles liefgehad, maar zich van majesteit ontdaan: Hij deed het kleed van slaven aan. 69

70 Hij werd een mens, in needrigheid, en, levend uit gehoorzaamheid, heeft Hij aan U zich toevertrouwd: tot in de hof, tot aan het hout. 70

71 Daarom heeft God zijn knecht die leed met alle macht en eer bekleed: zijn hoge naam, die HERE luidt, gaat boven alle namen uit. 71

72 Dat God zijn offer heeft aanvaard wordt in het einde openbaar, als elke tong van Hem getuigt en elke knie zich voor Hem buigt, 72

73 en alle vlees de Vader roemt en Jezus Christus HERE noemt. Leer ons de weg die Christus ging: de weg van zelfverloochening. 73

74 Gebeden

75

76

77

78

79

80

81

82 De collecten zijn vandaag voor: 1 Diaconie 2 Kerk 82 Collecten

83 Leve de koning in ons midden, geef hem Arabisch goud. Laten wij daaglijks voor hem bidden, nu hij de scepter houdt. Het veld zal blinken van het koren. Men zal het als een woud zelfs op de bergen ruisen horen, het ganse land is goud. 83 Psalm 72 : 5, 6, 7

84 Bloeie zijn naam in alle streken, zolang de zon verrijst. Zijn koningschap zij ons een teken dat naar Gods toekomst wijst. Dat opgetogen allerwegen de volken komen saam, elkander groetend met de zegen van zijn doorluchte naam. 84 Psalm 72:6.

85 Laat ons de grote naam bezingen van Hem die Isrel leidt, want Hij alleen doet grote dingen, zijn roem vervull' de tijd. Looft God de HEER, Hij openbaarde zijn wonderen, zijn eer. Zijn heerlijkheid vervult de aarde. Ja, amen, looft de HEER. 85 Psalm 72:7.

86 Zegen te beantwoorden met 86

87 87 U bent uitgenodigd om nu gezamenlijk een kopje koffie te drinken. Vanmiddag om uur dienst met ds. H. de Bruijne alhier. De preek gaat over het tweede gebod, n.a.v. Zondag 35 Heidelbergse Catechismus


Download ppt "Gezang 124 Gezang 118 Ps. 72 : 1, 2 Ps. 40 : 2, 3, 5 SB 22 Wij zingen, Vader, U ter eer Adventsproject Ps. 72: 5, 6, 7 Richteren 7 : 23 – 8 : 35 (NBV)"

Verwante presentaties


Ads door Google