De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

Een man en een vrouw hebben 2 kinderen en een hoge schuldenlast. Hun inkomen is sterk gedaald nadat de man plots werkloos werd. Zij hebben hun bestedingspatroon.

Verwante presentaties


Presentatie over: "Een man en een vrouw hebben 2 kinderen en een hoge schuldenlast. Hun inkomen is sterk gedaald nadat de man plots werkloos werd. Zij hebben hun bestedingspatroon."— Transcript van de presentatie:

1 Een man en een vrouw hebben 2 kinderen en een hoge schuldenlast. Hun inkomen is sterk gedaald nadat de man plots werkloos werd. Zij hebben hun bestedingspatroon niet kunnen aanpassen en de schulden zijn niet zomaar af te lossen met de huidige uitkering. De man heeft voortdurend ruzie met zijn vrouw. Als zij dingen koopt die ze zegt nodig te hebben wordt hij kwaad en stelt hij haar verantwoordelijk voor de grote schulden. Ook begint hij zijn kinderen te slaan, wat in het verleden nooit gebeurde. Hij vindt dat zelf verschrikkelijk, trekt zich terug in zichzelf wat de situatie erger maakt. Zijn vrouw vindt dat hij wat aan de situatie moet doen. Ze heeft erover gesproken met de schooljufrouw van de kinderen. De man van de schooljuf werkt bij het OCMW als sociaal werker. Hij hoeft hem alleen maar te bellen voor een afspraak.

2 Kernbegrippen Een vraag is nog geen probleemstelling Een probleem is nog geen probleemstelling –Probleem: ruzie maken –Vraag: Waarom maken ze ruzie? –Mogelijke probleemstellingen (vraagstellingen): Hoe kunnen ruzies vermeden worden? Hoe helpen we de man bij het (constructiever) hanteren van zijn onmacht en frustraties? Hoe kunnen man en vrouw leren om hun wederzijdse zorgen, angsten en behoeften bespreekbaar te maken zodanig dat er toenadering ontstaat en er ruimte komt om te kijken naar oplossingen Een complex van samenhangende problemen is een problematiek

3 De 3 archetypische rollen van de adviseur / hulpverlener 1.De handlanger: ‘U vraagt wij draaien!’ 2.De expert: ‘Ik weet wat goed is voor u!’ 3.De partner: cfr. de uitgangspunten en werkprincipes van de sociale agogiek Wederkerigheid! Context en geschiedenis! Eigen handelen / verantwoordelijkheid! Eigen mogelijkheden!

4 Welke vragen stel je jezelf? De directie van een tele-centrum vraagt u een kursus klantvriendelijk telefoneren te organiseren omdat het personeel soms nog te bot en te kortaf is. De kursus mag 2 dagen duren, eventueel residentieel, dat is immers ook goed voor de team-building.

5 De fase van initiatief en begin 3 sleutelvragen: –Wie neemt hier het initiatief en wat betekent dat? –In welke termen wordt het probleem gesteld en wat betekent dat? –Waar zeg ik ja (=begin) tegen? 4 mogelijke categorieën initiatiefnemers: 1.De betrokkenen zelf 2.Anderen die begaan zijn met hen 3.Agogisch deskundigen 4.Instanties met middelen / macht (management, overheid, …)

6 De fase van analyse en onderzoek 3 niveaus van onderzoek: 1.Het subjectieve gebied: persoonlijke beleving Sleutelvraag: Hoe is dat voor jou? 2.Het objectieve gebied: feiten Sleutelvraag: Wat is er precies gebeurd? 3.Het sociale gebied: onderlinge verhoudingen, normen en waarden Sleutelvraag: Wie heeft hier met wie te maken en wat zijn hier de belangen, coalities en (sub-)culturen?

7 Schakelen tussen inhoud en emotie Hulpvrager: “Het werk stapelt zich enorm op en ik loop in dit project voortdurend achter op mijn tijdsschema.” Mogelijke reacties hulpverlener: –Doorvragen op info: Waarom? Wat? Hoe? … geeft nieuwe inhoud –(Gevoels-)reflectie: “Je maakt je zorgen of je het project wel op de afgesproken tijd kunt afronden” –“Ja, en ik wil natuurlijk wel kwaliteit leveren” –(Gevoels-)reflectie: ”Je voelt je vast zitten tussen ofwel echte kwaliteit leveren ofwel op tijd klaar zijn” –“Ja, ik weet echt niet hoe ik hier mee verder moet” –Gevoelsreflectie: “Je hebt al vanalles geprobeerd en bent nu ten einde raad”

8 Processen bij analyse en onderzoek 1.Contactlegging 2.Waarnemen en observeren 3.Analyseren en ordenen Opmerking: Elke waarneming is gekleurd! Wees je bewust van je eigen kleur!

9 Verschillen in waarneming In functie van: 1.Positie 2.Waarde-oordelen 3.Kennis en ontwikkeling

10 Waar op letten (5 P’s) 1.Persoon 2.Plaats 3.Probleem 4.Product 5.Proces Wie? (ikzelf / hulpvrager) Waar / Wanneer? (context) Wat en waarom? Wat en waartoe? Op welke manier / waarmee?

11 Vorm drietallen met de rollen A, B en C A begint een verhaal te vertellen aan B over iets dat hij beleefd heeft, of hij geeft zijn opinie over een onderwerp B luistert actief naar A B verwoordt nu de gevoelens die hij bij A bemerkt A zegt of dit klopt of niet en gaat verder C is observator en maakt notities over het soort gevoelens dat B verwoordt, hoe zijn houding is, of hij actief luistert en of hij A daarmee stimuleert om verder te gaan. Hij let ook op of B zijn eigen gevoelens niet verwart met die van A Korte nabespreking in drietallen

12 Stap 1: Vraagintroductie –Inbrenger introduceert zijn/ haar vraag (iets waar je momenteel mee zit) en geeft een beknopte toelichting Stap 2: Probleemverkenning –Doorvragen, samenvattten en reflecteren –Aandacht voor het objectieve, subjectieve en sociale gebied Stap 3: Definieer een probleemstelling –In je eigen woorden –Bijvoorbeeeld: “Jou probleem is volgens mij:Hoe kan ik …?” Stap 4:Inbrenger geeft feedback –Is dit inderdaad de essentie van mijn vraag/probleem


Download ppt "Een man en een vrouw hebben 2 kinderen en een hoge schuldenlast. Hun inkomen is sterk gedaald nadat de man plots werkloos werd. Zij hebben hun bestedingspatroon."

Verwante presentaties


Ads door Google