De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

Communicatie-invloed kan je bevorderen door : Meedelen wat van het gesprek te verhopen en te verwachten.

Verwante presentaties


Presentatie over: "Communicatie-invloed kan je bevorderen door : Meedelen wat van het gesprek te verhopen en te verwachten."— Transcript van de presentatie:

1

2 Communicatie-invloed kan je bevorderen door :

3 Meedelen wat van het gesprek te verhopen en te verwachten.

4 Ik kan de manier waarop ik de dingen zie, klasseer en orden op de andere overbrengen.

5 Ik breng anderen in een gesprek op door hen gewaardeerde ideeën.

6 Ik zeg iets op zo een wijze dat ik mag verwachten dat de andere niet juist andersom gaat reageren.

7 Er rekening mee houden dat wat je laat zien vaak meer overtuigend werkt dan wat je laat horen of laat voelen, waartegenover staat dat de ander gemakkelijker zijn ogen voor iets kan sluiten dan zijn oren of zijn aanvoelen.

8 In gesprek onderkennen steeds drie kansen te hebben om je invloed te laten gelden : door wat je laat horen, door wat je laat zien, door wat je laat voelen.

9 Er attent op zijn door wat je gebruikt en wat niet, door wat je opeenvolgend gebruikt en tot waar, door wat je eerst gebruikt en wat later je mogelijk bepaalt met wat je zult moeten uitpakken om invloed te hebben en wat de ander overneemt in zijn expressierepertorium naar je toe.

10 Weten ervaren impact te hebben op de andere.

11 Ik let er op of ik gemakkelijker invloed heb op de gevoelens, de gedachten, de behoeften of het gedrag van de andere.

12 Weten hoe invloed op de andere te kunnen uitoefenen.

13 Er attent op zijn zo in gesprek het minst invloed te willen hebben mogelijk het meest invloed te hebben.

14 Er attent op zijn zo in gesprek te veel op te voorgrond te komen de voorkeur te geven aan meer op de achtergrond te komen.

15 Er attent op zijn zo de ander tot verandering te willen stimuleren er behoefte is aan ruimte om tot verandering te kunnen komen.

16 In gesprek eerst je relatie klaar en duidelijk krijgen en garanties geven of laten ervaren vooraleer invloed te kunnen uitoefenen.

17 In gesprek eerst je doel aangeven en garanderen vooraleer invloed te kunnen hebben.

18 Er attent op zijn dat in de wijze waarop je iets uitdrukt je de mate aangeeft waarin je invloed wil hebben (bepalend, voorstellend, informerend,...).

19 Naast inzicht, in gesprek ook aandacht weten besteden aan gevoelens, motivaties en ervaringen om tot verandering te komen.

20 In gesprek nagaan of je eerder een reactie bij de ander teweegbrengt via aangesproken gevoelens, inzicht, begrip, voorstelling, herinnering, motivatie, feitelijke waarneming, eigen ervaring.

21 Emotioneel gekleurde persoonsbetrokken ervaringen aanbieden met betrekking tot wat en hoe de ander iets zegt of doet en zijn effecten.

22 Beschrijven hoe en wat de ander zegt en doet bij je overkomen en wat het bij je oproepen.

23 Al wat ik vraag wordt met me overlegd.

24 In gesprek op een expressieve wijze laten merken de ander te accepteren zoals die is.

25 Eerst luisteren en kijken naar de uitdrukking van de ander en vanuit het geven van feedback hierover en weerspiegeling hiervan je eigen inbreng hierop laten aansluiten.

26 Ik breng respect op voor de andere en de tot expressie gebrachte visie en ingenomen positie en wijs ze niet op een of andere manier af.

27 De ander het gevoel geven voldoende beluisterd en begrepen te worden.

28 Je in gesprek minder wetend opstellen maar eerder als te willen weten.

29 In gesprek aandacht opbrengen voor wat de ander reeds gezegd of gedaan heeft en voor wat nog niet en mogelijk een zinvol of bruikbaar alternatief kan vormen.

30 Ik praat zo dat er naar mij geluisterd wordt.

31 Weten zich op een door de ander gewaardeerde wijze uit te drukken.

32 Ik ervaar het de moeite met de andere te praten.

33 In gesprek de ander laten ervaren te overtuigen te zijn.

34 Ik kan de andere in een gesprek overtuigen.

35 In gesprek nagaan of je invloed uitoefent op elkaar door wat je elkaar zegt, of elkaar laat zien of elkaar laat voelen.

36 In gesprek nagaan of het volstaat heel open te zijn en elkaar zowat alles te zeggen om op dit niveau invloed te hebben ofwel je pas rekening houdt met of reageert op elkaar zo iets wordt getoond of je elkaar iets laat aanvoelen.

37 In gesprek nagaan of je elkaar geleerd hebt pas te moeten rekening houden met of te moeten reageren op wat je zegt, of op wat je toont of op wat je doet.

38 Je dilemma aangeven je ongemakkelijk voelen door iets op zijn beloop te laten en je ongemakkelijk voelen door iets aan te kaarten.

39 De keerzijde van je niet reageren voor de ander verwoorden als iets op zijn beloop laten, afstand houden, zich niet betrokken voelen, aan zijn lot overlaten en weerloos toezien.

40 Er attent op zijn dat de ander wellicht zal reageren op de treffendste of de krachtigste boodschap die deze opvangt.

41 Er rekening mee houden dat hoe meer iets aangrijpt hoe meer invloed er van uit gaat.

42 In gesprek twee activatieplateaus onderscheiden : een met betrekking tot luisteren en meningsvorming en een met betrekking tot motivatie en handelingswijze.

43 Zo ik de ander wil meekrijgen, moet ik het deze wel eerst vragen, zoniet gaat deze gemakkelijk op zijn rechten staan en dwarsliggen.

44 Van de ander niet verwachten in zijn (re)ageren ontrouw te zijn aan de eigen gedachten, gevoelens en verlangens,

45 maar de ander ertoe brengen zijn gedachten, gevoelens en verlangens bij te stellen en overeenkomstig deze te reageren of te vragen anders te (re)ageren met behoud van en respect voor zijn eigen gedachten, gevoelens en verlangens met de kans ze zo bij te stellen. maar de ander ertoe brengen zijn gedachten, gevoelens en verlangens bij te stellen en overeenkomstig deze te reageren of te vragen anders te (re)ageren met behoud van en respect voor zijn eigen gedachten, gevoelens en verlangens met de kans ze zo bij te stellen.

46 Ik breng op het meest gunstige ogenblik informatie, argumentatie en houdingen naar voor.

47 In gesprek een bewering ondersteunen met feiten samen met de wijze waarop de bewering en de feiten met elkaar verbonden zijn (logisch, toepassing, afspraak,...).

48 Wat je zegt zo verkieslijk illustreren met feiten-, cijfer-, voorbeeld-, soortgelijk-, analoog- materiaal.

49 Vooraf in gesprek het kader afgrenzen waarbinnen je invloed wil hebben (of niet).

50 In gesprek nagaan of iets al of (nog) niet tot je invloedssfeer behoort : zo ja, dit opnemen en je hier op richten, en zo neen, eerst uitzoeken en opnemen op welke wijze de invloedssfeer kan uitgebreid worden.

51 Wat anderen doen is meebepaald door wat ik hen voorstel.

52 Toestemming vragen voor een voorstel of een vraag eerder dan voor een reactie of antwoord (mag ik je vragen, mag ik voorstellen, kan ik,...).

53 Op een voorstellende (of suggestieve) wijze het antwoord reeds in de vraag opnemen (kunnen we, mogen we ervan uitgaan, zullen we,... wel of niet, reeds,...).

54 Er attent op zijn dat de invloed van wat je zegt toeneemt met wie je bent in de ogen van en voor de ander.

55 Er attent op zijn dat bepaalde voorstellingen (juiste of mythen) van zaken bij de ander gevoelens kunnen opwekken die zijn houding of zijn reactie kunnen beïnvloeden.

56 In gesprek druk ik expressief positieve verwachtingen naar de ander uit.

57 Aandacht en medewerking voor het gesprek wekken door de ander te vragen waartoe die denkt dat je dit gesprek wil hebben, waarom die denkt dat dit gesprek nodig is, hoe die denkt dat dit gesprek zou kunnen helpen, hoe die denkt zelf te kunnen bijdragen,...

58 Aangeven over een moeilijkheid te willen praten, maar niet te weten hoe en de ander hiervoor om medewerking en hulp vragen.

59 Zelf het (communicatie)gedrag vertonen dat men bij de ander wil bereiken.

60 In gesprek voor jezelf duidelijk maken of je een gesprek opneemt om te overtuigen en zelf weinig beïnvloedbaar te zijn of om overtuigd te geraken en zelf beïnvloedbaar te zijn.

61 In gesprek duidelijk maken hoe en voor wat er op je kan gerekend worden.

62 In gesprek nagaan of de ander zich niet wil distantiëren, of zich hoe dan ook gedistancieerd voelt, of nog niet weet toe te naderen, of poogt toe te naderen.

63 In gesprek groei- en veranderingskrachten bij de ander in de aandacht brengen, verhelderen en aanspreken.

64 In gesprek hoogte trachten te krijgen van hinderende en weerstandskrachten bij de aanvang of tijdens het veranderingsproces en hoe deze te voorkomen, weg te nemen of te overwinnen.

65 Onzekerheden en bezorgdheden voor de ander in gesprek trachten weg te nemen.

66 In gesprek hindernissen en beperkingen trachten te preciseren (materiële, reële en mentale middelen en mogelijkheden, oriëntatie- en keuzenoodzaak, afhankelijkheid, kosten-baten, risico's,...).

67 In gesprek weerstanden trachten te preciseren (tegen elke of welke verandering, voor inspanning of doel, praktische of mentale implicaties verandering, realiseerbaarheid, doelmatigheid, bezwaren, angsten,...).

68 In gesprek hoogte weten krijgen van de gevoelens van de ander (spanning, (faal)angst, miskenning, vernedering, wantrouwen, verwarring, twijfel,...) die verhinderen tot iets te komen.

69 Ik tracht hoogte te krijgen van het precieze knelpunt voor de ander om tot een oplossing te komen.

70 In gesprek overlopen wat er zou moeten veranderen om de ander zijn doel te laten bereiken.

71 Meevoelen en -denken met het veranderingsproces van de ander en de er in aanwezige drempels eerder dan plotse veranderingen te verwachten.

72 Er rekening mee houden dat elke verandering in de realiteit of in de voorstelling ervan meer tijd, energie en inspelen vergt naarmate de verandering groter is.

73 Er in gesprek de voorkeur aan geven hindernissen, beperkingen en weerstanden tot een minimum te herleiden of weg te nemen eerder dan ze te trachten te overstemmen vanuit een groei- en veranderingsdynamiek.

74 Er in gesprek attent op zijn dat iemand gemakkelijker voorbij de grenzen van zijn remmen komt zo er een beschermend kader of een begrijpende en aanvaardende omgeving is.

75 Nagaan of gesprek eerder gebaat is met doorzichtigheid en overzichtelijkheid dan met voorzichtigheid en omzichtigheid om tot verandering te komen, ze op gang te brengen en tot een goed einde te brengen (op eieren lopen, zorgen dat het lijntje niet breekt, met een zacht lijntje,...).

76 De ander er toe brengen vaste minder bevredigende (gespreks)interactiepatronen los te laten om tot meer bevredigende op een hoger niveau te kunnen komen.

77 In gesprek de ander helpen in het achterhalen van de motieven voor geen positief resultaat biedend (gespreks)handelen.

78 In gesprek de ander helpen in het achterhalen wat de kansen zijn op welk resultaat en wat de risico's zijn op welk verlies of falen bij een bepaald (gespreks)handelen.

79 In gesprek samen verhelderen of een bepaalde hoop die de ander denkt te hebben een bepaald risico waard is.

80 In gesprek de ander voorzien van het voordeel te weten wat er parallel met wat die doet of wenst te doen gebeurt of aan het gebeuren is.

81 Vanuit het gegeven dat de ander iets niet wil verliezen wat die zich voorspiegelt, wat die reeds heeft of waartoe die reeds onderweg is, de ander tot iets weten bewegen of van iets weten weerhouden.

82 Vanuit de geboden ervaring van wat iemand reeds bereikt heeft hem of haar er toe te brengen in die richting verder te gaan.

83 Vanuit de ervaring wat reeds bereikt werd niet verloren te laten gaan, de ander er toe brengen verder te gaan.

84 Vanuit de mogelijke realiteit dat voldoening slechts helemaal op het einde wordt bereikt, de ander er toe brengen tot het einde door te gaan.

85 Ik tracht via gesprek de ander zover te brengen te willen en te weten hoe te handelen vanuit zichzelf.

86 In gesprek de ander zo wenselijk motiveren en bewegen tot verandering en zich eigen maken eerder dan de ander rechtstreeks te willen bijsturen (kan veranderen eerder dan kan veranderd worden, kan leren eerder dan kan geleerd worden, kan bewustworden eerder dan kan bewust gemaakt worden,...).

87 Zo de ander niet ingaat op een argumentatie of je argumentatie deze een betere argumentatie geven.

88 Zo een reden of regel iemand tegenhoudt zo verkieslijk op zoek gaan naar de onderliggende redenering.

89 Zo wat van je of van binnenaf komt niet aanvaardbaar is, nagaan of wat van een ander of van buitenaf komt helpt.

90 Er rekening mee houden op twee manieren iemand te kunnen motiveren : door uit te zoeken wat te kunnen bereiken en zo voldoening te vinden of door uit te zoeken wat te kunnen vermijden en zo teleurstelling te voorkomen.

91 Een opstelling die in het teken staat van vermijden en afstandwinnen in het teken weten zetten van opzoeken en toenaderen.

92 Een (gespreks)interactie in het teken van onlust (vermijden) weten zetten in het teken van voldoening (zoeken).

93 Er attent op zijn zo de ander alleen reageert door niet te ondernemen of weg te gaan van, hij nooit zal ageren naar iets toe en zo alleen onlust zal voorkomen, maar geen voldoening zal bereiken.

94 Eerder dan de ander op te leggen wat er zou moeten gebeuren of wat de ander zou moeten doen, de ander vragen wat er zou moeten gebeuren of zou moeten doen om tot iets te komen.

95 Vanuit het gegeven dat weerstand of afweer vooral zal optreden als een verandering te groot is of als te groot wordt ervaren, de ander in gesprek tot opeenvolgende kleine stappen weten bewegen zonder dat weerstand of afweer wordt opgewekt.

96 De aanwezige weerstand of afweer positief weten aanwenden door er positief appelerend gebruik van te maken (dit is het doel, middelen en wegen zelf bedenken; dit is het probleem, oplossingen zelf voorstellen;...

97 niet graag dat anderen zich met iets inlaten, vandaar voorstel om het zelf op te nemen; erg mee bezig, misschien alternatieven mee helpen zoeken; erg onduidelijk, misschien even uitproberen en vanuit eigen ervaring zelf evalueren;...).

98 Zo te merken weinig of geen invloed te hebben nagaan welke stappen mogelijk werden overgeslagen.

99 Zo je de ander kan overtuigen, samen nagaan welke gevoelens deze nieuwe overtuiging oproept en voldoende aandacht hieraan besteden tot de overtuiging emotioneel geïntegreerd is, vooraleer tot handelen te komen.

100 Eerder dan onwil aan de ander toe te schrijven, onderkennen dat de ander mogelijk bang is voor de negatieve gevolgen van welke keuze deze ook maakt (spreken of zwijgen, vasthouden of loslaten,...).

101 De doelen voor de ander zo formuleren dat die nauwelijks kan mislukken (luisteren, overleggen, proberen, zich inzetten, beginnen,...).

102 De ander in gesprek op proef tot verandering weten bewegen zodat ervaring kan opgebouwd worden om tot een meer definitief standpunt of definitieve oplossing te komen.

103 Voorstellen iets nieuw op proef uit te proberen (tijd-, situatie-, hoeveelheid-, frequentie- gebonden).

104 Signalen zo minimaal mogelijk sterk maken als nodig is om een respons te bekomen.

105 In gesprek laat ik de andere voldoende keuzevrijheid om deze het gevoel te geven zelf of mee te kunnen beslissen.

106 Er attent op zijn dat de voorwaarde voor of keerzijde van de macht van de ander de vrijheid is die je de ander geeft, door meer of minder vrijheid te geven vermeerdert of vermindert ook de macht.

107 In (gespreks)interactie de ander toelaten een bijdrage aan iets te kunnen leveren.

108 Wat je wil formuleren als wat je toelaat of niet zult hinderen.

109 In gesprek er voor zorgen dat door ieders bijdrage en inbreng de kwaliteit en de aanvaarding van een beslissing kan toenemen en daardoor ook haar effect.

110 De ander er attent op maken of die wil dat jij of een ander de koers voor hem uitzet en hem in koers houdt of dat die zijn eigen koers wil uitzetten en zichzelf in koers houdt.

111 Het voor jezelf en de ander als een uitdaging of groepsbevestiging zien jezelf en de ander ertoe te kunnen brengen zich aan afspraken, regels en verwachtingen te houden.

112 Er rekening mee houden dat naarmate je meer (verandering) van de ander vraagt, deze zich meer op zichzelf zal concentreren, waardoor minder zal doordringen wat je zegt.

113 Wanneer je spreekt gevoelig kijken naar de reactie die je van de ander krijgt.

114 In gesprek de ander luistergevoelig maken of houden voor een inhoudelijke boodschap en tijdelijk je inhoudelijke boodschap onderbreken en via luisteren de weerstand verminderen tot er opnieuw luistergevoeligheid is.

115 Feedback vragen hoe wat je wou zeggen overkwam zodat je kan bijstellen en verduidelijken.

116 Zich de eerdere ervaringen voor de geest halen hoe de ander op je manier van praten reageerde.

117 Zo wenselijk vragen of trachten achterhalen wat de ander nodig heeft om iets te ervaren of te doen.

118 Zo wenselijk vragen of trachten achterhalen hoe je de ander kan helpen om iets te ervaren of te doen.

119 De ander bij voorkeur vragen wat aan een probleem (voor je) te kunnen doen eerder dan op te leggen wat eraan te doen.

120 Zo wenselijk verwoorden of vragen wat je nodig hebt om iets te ervaren of te doen.

121 Zo wenselijk aangeven of vragen hoe de ander je kan helpen iets te ervaren of te doen.

122 Zo wenselijk in gesprek trachten achterhalen wat er zou moeten gebeuren of wat de een van de ander nodig heeft of zelf denkt nodig te hebben om relationeel iets te ervaren of te doen.

123 Zo je van de ander iets wil, nagaan wat de ander er aan zou kunnen hebben voor zichzelf en wat het voor de ander zou kunnen betekenen je te helpen.

124 In gesprek aandacht schenken aan hoe je ditmaal en in het algemeen overkomt.

125 Voor elkaar formuleren wat elk in gesprek wil veranderd en gerealiseerd zien.

126 Nagaan of het er in gesprek omgaat om eerder je doel (jegens elkaar) te veranderen maar niet je handelen of eerder je handelen (jegens elkaar) te veranderen maar niet je doel.

127 In gesprek aangeven dat het niet zozeer gaat om wat juist en bruikbaar is in het algemeen, maar juist en bruikbaar in bepaalde omstandigheden.

128 Ik informeer de ander precies met concrete voorbeelden hoe deze me kan tegemoet komen.

129 In gesprek duidelijk maken er helemaal niet op uit te zijn overwicht te willen hebben op de ander, maar enkel garantie te willen voldoende tot je recht te kunnen komen en dit liever op een andere manier dan via overwicht te willen bekomen.

130 In gesprek vormen van beïnvloeding die niet aanvaard worden omwille van het opgemerkte dwingende of het later ontdekte manipulatieve inruilen voor het vooraf meegedeelde en aanvaarde gezagsvolle.

131 Kort, vriendelijk met tact en duidelijkheid de ander informeren over een moeilijkheid voor je die de andere kan verhelpen.

132 Aandacht besteden aan hoe je je boodschap of je appèl naar de ander toe verpakt of omzwachtelt zodat ze gemakkelijker te aanvaarden, te verwerken en op te reageren is (als dwang met prikkeldraad of eerder als kans met strik of als prettig-onprettig met zoet-zuur of zoals de sandwichmethode met zoet-zuur- zoet,...).

133 Samen op zoek gaan naar de ingrediënten voor constructief overleg en samenwerking.

134 In gesprek druk ik me zo uit dat de afstand tot wat bij de ander leeft zo klein mogelijk wordt, terwijl ik toch mezelf blijf.

135 In gesprek er attent op zijn dat elk slechts waarneemt vanuit bij zichzelf aanwezige informatie en het zinvol kan zijn meer informatie aan te reiken bij middel van communicatie of ervaring.

136 De betekenis onderkennen van het verwoorden van gedachten, ervaringen, gevoelens, verlangens, fantasieën, lichamelijke gevoelens van je tegenover de ander (veel aan je gedacht, voelde erg mee met je, verlangde zo naar je, droomde van je, de herinnering aan ons ervaren bracht me tot rust,...).

137 Informatie passend weten aanwenden als oriëntatie-, sensibilisatie-, beïnvloedings- of drukkingsmiddel.

138 Niet alleen informatie geven, maar ook bij de betekenis en implicaties ervan voor de ander stilstaan door via samenpraten erover bij deze gevoelens, gedachten, voorstellingen, herinneringen en ervaringen wakker te schudden.

139 Niet alleen in gesprek informatie geven, maar de ander ook mentaal wakker maken ('cfr. flesje schudden') om het te laten doordringen en het actief te maken.

140 In gesprek er attent op zijn dat elk waarneemt vanuit zijn toepasbaar of te wijzigen kennis- en ervaringsverleden opgeslagen in het geheugen.

141 Er attent op zijn dat het vóórbeeld (beeld vooraf) dat iemand heeft erg bepalend is voor zijn handelen (is er een beeld vooraf, hoe is dit beeld zoals gekend, met wat is het beeld geassocieerd, welk opstapbeeld, welk eindbeeld, welk wegbeeld, welk inzetbeeld, welk hindernissenbeeld, welk waardebeeld, welk persoonlijk beeld, welk sociaal beeld,...).

142 Er attent op zijn dat handelen pas zal plaatshebben zo of naarmate er een beeld vooraf is, het veilig is, het gunstig is, het mogelijk is.

143 Er rekening mee houden dat de ander vaak op een of andere manier meer of minder bewust op zoek is naar iets dat bekend en/of vertrouwd is.

144 Aandacht besteden aan het doelbewust worden : achterhalen welk doel iemand feitelijk en eigenlijk wil bereiken, achterhalen hoe gericht iemand een doel nastreeft.

145 Naast iemands concrete expliciete basisdoelen iemands algemene impliciete synthesedoelen weten onderscheiden (studeren voor en kracht opdoen, studies opgeven en loyaal aan omgeving, niet studeren voor en eigen identiteit opbouwen,...).

146 Wat je voorstelt zoveel mogelijk als toepassing of afleiding laten inpassen of aansluiten bij reeds aanwezige inzichten of aanvaarde zienswijzen.

147 Ik laat wat ik zeg aansluiten bij datgene waarop de andere zijn aandacht prioritair richt en niet op wat de andere weglaat of waarop deze niet gericht is.

148 Ik ga in gesprek na wat de ander voor zich wil bereiken.

149 De ander aanspreken door wat te kunnen bereiken of door wat te kunnen verliezen.

150 De ander helpen voor zichzelf zijn doel(en), wat hij wil en hoe binnen welke context (m.b.t. ontwikkeling, relatie, leven,...), klaar en precies te formuleren.


Download ppt "Communicatie-invloed kan je bevorderen door : Meedelen wat van het gesprek te verhopen en te verwachten."

Verwante presentaties


Ads door Google