Het werkwoord faire (= doen/maken)

Slides:



Advertisements
Verwante presentaties
En español gustar significa “leuk vinden”
Advertisements

Het delend lidwoord Het delend lidwoord is een soort onbepaald lidwoord waarmee je een onbepaalde hoeveelheid aangeeft, bijvoorbeeld:
PASSÉ COMPOSÉ VERVOEGD MET ÊTRE
Grammaire chapitre 5 3 havo.
REGELMATIGE WERKWOORDEN OP -ER
PASSÉ COMPOSÉ ÊTRE APPRENDRE 3 UNITÉ 2.
REGELMATIGE WERKWOORDEN OP -RE
PASSÉ COMPOSÉ AVOIR APPRENDRE 3 UNITÉ 2.
Les hobbys Narshis Windey.
Vous avez passé de bonnes vacances de Noël?
Bienvenue à tous.
Grammaire chapitre 2 2 havo/vwo.
Grammaire thème 4.
Grammaire thème 6 4 vwo.
Havo 3 Grammaire chapitre 6.
Passé composé.
 1 Hoe ga je naar school?  Tu vas à l’école comment?
Franse Les Les 18 Vorige les & huiswerk Zinnen maken / herhalen
Regelmatige werkwoorden op –er
Franse Les Les 3 Vorige les & huiswerk Voyages p. 37/38/39
Het lijdend voorwerp 3 VMBO - Frans.
Persoonlijk voornaamwoord met nadruk
Connaitre 3M – week 40 - Frans.
Franse Les Les 5 Vorige les & huiswerk Voyages p. 41/43/44
In de supermarkt Au supermarché Wat vind jij lekker om te eten? Qu’est-ce que tu aimes manger, toi?
Hallo! Goedendag! Bonjour!
Franse Les Les 4 Vorige week Voyages p. 12/13 Il y a une fille … Vorige week Voyages p. 12/13 Il y a une fille … Nous sommes mercredi le 8 avril 2015.
Faire 3 VMBO - Frans.
Franse Les Les 4 Vorige les & huiswerk Voyages p. 40/41 Klokkijken
Franse Les Les 7 Vorige week Voyages p. 18/19 Verbe : avoir + faire
De verleden tijd - imparfait
Venir 2 VMBO - Frans.
L’IMPARFAIT, LE PASSÉ COMPOSÉ, LE PASSÉ SIMPLE
Lire 3 VMBO - Frans. Wat moet je weten om dit onderdeel te begrijpen?: Wat een onregelmatig werkwoord is De tegenwoordige tijd (présent) De verleden tijd.
HET LIDWOORD L’ARTICLE [LS3_4v_u5_animaties_GRIII] [Audio p.1]
Het werkwoord être (= zijn)
Wat doe je graag/niet graag?
Les verbes.
À/de+ bepaald lidwoord àin, naar, van, op, aan devan, uit bepaald lidwoordle, la, l’, les.
Franse Les Les 20 Vorige les Voyages unité 7 p. 56/57 moi non, moi si vergelijkingen p maken Vorige les Voyages unité 7 p. 56/57 moi non, moi si.
Avoir (= hebben) vervoegingvertaling j’aiik heb tu asjij hebt il/elle/on ahij/zij/men heeft nous avonswij hebben vous avezjullie hebben/u heeft ils/elles.
Franse Les J’ai perdu mon livre et vous? Les nombres Prononciation J’aime / Je n’aime pas Un jour normal Chanson – Destination ailleurs J’ai perdu mon.
Imparfait Nederlands:onvoltooid verleden tijd voorbeeldIk keek een film. Wij waren in Frankrijk.
Grammatik C + I Redemittel J + D
TAALREGELS 33 DE VRAGENDE ZIN
Le COD et le COI Het persoonlijk voornaamwoord als lijdend voorwerp (COD) En meewerkend voorwerp (COI)
Quel jour sommes-nous aujourd’hui ?
Quel jour sommes-nous aujourd’hui ?
Passé composé (voltooid tegenwoordige tijd)
DE PASSÉ COMPOSÉ de voltooid tegenwoordige tijd.
Quel jour sommes-nous aujourd’hui ?
Franse Les – 1e jaar Les 10 Aujourd’hui nous sommes …. Unité 2 page 25
Franse Les – 1e jaar Les 9 Aujourd’hui nous sommes …. Unité 2 page 25
Quel jour sommes-nous aujourd’hui ?
Delend lidwoord l'article partitif.
Quel jour sommes-nous aujourd’hui ?
Quel jour sommes-nous aujourd’hui ?
Benadrukt persoonlijk voornaamwoord
Persoonlijk voornaamwoord
-ir -er -re Regelmatige werkwoorden eindigend op:
Connaître (= kennen) présent ik ken je connais jij kent tu connais
Bezittelijk voornaamwoord
Onregelmatig werkwoord être
Regelmatige werkwoorden op -er
Le futur proche et le futur
Le futur De futur is de toekomende tijd.
Wat doe je graag/niet graag?
Le passé compose et l’imparfait
Qu’est-ce qu’on va faire?
(Het werkwoord doen, maken)
Transcript van de presentatie:

Het werkwoord faire (= doen/maken) vervoeging vertaling je fais ik doe/maak tu fais jij doet/maakt il/elle/on fait hij/zij/men doet/maakt nous faisons wij doen/maken vous faites jullie doen/maken u doet/maakt ils/elles font zij doen/maken

in combinatie met sport vorm van faire + du/de la/de l’ + sportnaam lidwoord du/de la/de l’ voorbeeld le du du foot la de la de la danse l’ de l’ de l’équitation

voorbeelden Ik voetbal./Ik doe aan voetbal. Je fais du foot. Zij danst./Zij doet aan dansen. Elle fait de la danse. Wij rijden paard./Wij doen aan paardrijden. Nous faisons de l’équitation.

Let op! In combinatie met onderstaande werkwoorden, krijgen sporten het normale lidwoord. - aimer (houden van, leuk vinden) - préférer (leuker vinden) - adorer (dol zijn op) - détester (een hekel hebben aan)

voorbeelden Ik houd van skiën. J’aime le ski. Zij zijn dol op zwemmen. Ils adorent la natation. Jij hebt een hekel aan aerobic. Tu détestes l’aérobic.