De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

Jullie staan op punt het spel Speuren naar sporen te spelen. Daarvoor is wel wat kennis over de verschillende periodes nodig, en hoe archeologen te werk.

Verwante presentaties


Presentatie over: "Jullie staan op punt het spel Speuren naar sporen te spelen. Daarvoor is wel wat kennis over de verschillende periodes nodig, en hoe archeologen te werk."— Transcript van de presentatie:

1

2 Jullie staan op punt het spel Speuren naar sporen te spelen. Daarvoor is wel wat kennis over de verschillende periodes nodig, en hoe archeologen te werk gaan.

3 Archeologie = een wetenschap die de materiële overblijfselen onderzoekt om het verleden van de mens beter te leren begrijpen.

4 1.Hij graaft in de bodem op zoek naar SPOREN uit het verleden van de mens. 2. Met behulp van de voorwerpen en resten die hij in die bodem vindt probeert hij te weten hoe de mensen vroeger leefden.

5

6

7

8

9

10

11

12

13 1. Op het veld lopen 2. Luchtfotografie 3. plaatsnamen 4. Proefsleuven

14 RESULTAAT Scherven, muntjes, vuursteen,… 1. Op het veld lopen

15 2. Luchtfotografie Sommige sporen uit het verleden zijn in de velden nog steeds zichtbaar vanuit de lucht. Daarom gaan archeologen met een sportvliegtuigje op zoek naar deze sporen.

16 Een grafcirkel uit de bronstijd VALS SPOOR: watersproeiers

17 3. plaatsnamen Namen van dorpen, buurten, rivieren of velden kunnen veel vertellen over de geschiedenis. Door plaatsnamen te bestuderen kan de archeoloog nieuwe sites ontdekken.

18 Driesch of dries ? Een dries was een pleintje waarrond de boerderijen lagen. Op de dries werd ‘s avonds het vee samengedreven.

19 4. Proefsleuven Een veel gebruikte methode om archeologische sites op te sporen is het graven van proefsleuven. Deze sleuven zijn ongeveer 2m breed en gaan tot op het goede archeologische niveau. Ca. 50 CM diep ! Zo kan de archeoloog heel snel archeologische sites ontdekken.

20 4. Proefsleuven Dit terrein werd met proefsleuven onderzocht.

21 4. Proefsleuven Dank zij deze proefsleuven ontdekten de archeologen 3 zones met sporen die ze moesten opgraven.

22

23 1. Afgraven van de aarde 2. Tekenen en fotograferen 3. Sporen onderzoeken 4. zeven

24

25 Een boerderij uit de Romeinse tijd. Al deze grijze vlekkenzijn de resten van dehouten palenwaarmee deboerderij wasgebouwd.Deze sporen zitten+/- 50 cm diep onderDe grond.

26 1. Afgraven van de aarde Om deze grond af te graven gebruikt de archeoloog een kraan.

27 1. Afgraven van de aarde Daarna gaat hij met de schop het volledige vlak schoon schaven, zodat alle sporen duidelijk zichtbaar zijn.

28 2. Tekenen en fotograferen 3. Sporen onderzoeken

29 4. zeven

30 Tijdens het onderzoek vinden archeologen dus allerlei dingen die meer vertellen over hoe de mens vroeger leefde.

31

32 1. wassen, tekenen en nummeren 2. puzzelen 3. tentoonstellen 4. schrijven Na het terreinonderzoek heeft de archeoloog nog steeds veel werk. Alle gegevens moeten verwerkt worden zodat hij iedereen kan laten weten wat hij gevonden heeft.

33 1. wassen, tekenen en nummeren Alle vondsten worden na de opgraving gewassen en genummerd. Er worden ook tekeningen van gemaakt.

34 2. puzzelen Soms kan men scherven aan elkaar zetten tot een bijna volledige pot. Om alles mooi aan elkaar te zetten gaat de archeoloog naar een specialist. Die kan de pot er terug als nieuw doen uitzien.

35 3. tentoonstellen Met alle gegevens kan de archeoloog tentoonstellingen maken. Zo kan iedereen zien wat er allemaal in onze regio gevonden is en vooral hoe de mensen er vroeger leefden.

36 4. schrijven De archeoloog moet ook alle gegevens neerschrijven in boeken, zodat men ook later nog kan nalezen wat hij gevonden heeft.

37

38 1. Stuifmeel 2. Zaden en vruchten 3. Dierlijke beenderen 4. Menselijke beenderen

39 Archeologen vinden voornamelijk voorwerpen in aardewerk of (vuur)steen. Voorwerpen in organisch materiaal vergaan door de inwerking van bacteriën. Tenzij ze onder water blijven !

40 Het onderzoek van dit organisch materiaal gebeurt niet op het terrein, maar in een laboratorium onder de microscoop. Uit organisch materiaal – beenderen, stuifmeelkorrels, zaden en vruchten, zelfs resten van kevers – leren de archeologen zeer veel bij over de natuur en over de landbouw.

41 1. Stuifmeel Stuifmeel wordt bekeken onder een microscoop, om na te gaan van welke planten en bomen het komt. Men kan dan bepalen hoe het oude landschap er uitzag en wat men op de akkers verbouwde.

42 2. Zaden en vruchten Oude zaden en vruchten zeggen meer over de eetgewoontes van de mens en over hoe ze planten gebruikten.

43 3. Dierlijke beenderen Sommige dieren werden als huisdieren gehouden. Honden werden gebruikt om mee te jagen. Resten van dierlijke beenderen zeggen de archeoloog ondermeer welke diersoorten er vroeger waren en wat deze betekenden voor de mens. Door deze resten weten archeologen welke dieren en vissen op het menu stonden. En hoe groot deze dieren waren. Hieruit weten we ook dat sommige dieren een rituele betekenis hadden en belangrijk voor het geloof waren.

44 4. Menselijke beenderen Door het menselijk skelet te bestuderen leert de archeoloog meer over de leeftijd, het geslacht en de lichaamslengte van de mensen vroeger Door vervormingen op de beenderen kan men bepaalde ziektepatronen zoals reuma terugvinden. Soms kan men uit deze vervormingen ook afleiden dat de mens een bepaalde beweging vaak deed. Door zware arbeid, maar ook door paardrijden. In zeldzame gevallen ziet men sporen van verwondingen of operaties (breuken) op de beenderen.

45

46 1. jaarringen 2. Koolstof Geschreven bronnen 4. Vorm en versiering

47 1. jaarringen Een boom maakt elk jaar een nieuwe jaarring aan. Samen vormen deze ringen een patroon dat op een streepjescode lijkt. Alle bomen van een zelfde streek en periode vormen een gelijkaardig patroon.

48 1. jaarringen Door de patronen van verschillende houten balken en bomen te laten overlappen kan men terug gaan in de tijd en een soort tijdsband opmaken.

49 1. jaarringen Wanneer een archeoloog een stuk hout vindt, kan hij dit laten inpassen in de tijdsband. Zo weet hij hoe oud het gevonden stuk hout is.

50 2. Koolstof 14 In alle levende wezens zit een hoeveelheid radioactieve koolstof, zogenaamd 14C. Jullie kennen het misschien onder de naam koolstof 14 of C14.

51 2. Koolstof 14 Tijdens het leven is de hoeveelheid 14C in een wezen zowat constant. Na de dood verminderd de hoeveelheid door straling.

52 2. Koolstof 14 Wetenschappers kunnen meten hoeveel 14C er nog in een vondst zit, en zo bepalen hoe oud de vondst is. Dit is koolstofdatering of 14C.

53 In sommige sporen ontdekt de archeoloog houtskool. 2. Koolstof 14

54 Die kan hij dan met de 14C-methode laten dateren. Zo weet de archeoloog hoe oud het spoor is. 2. Koolstof 14

55 3. Geschreven bronnen Vanaf de middeleeuwen kunnen we in onze regio beroep doen op geschreven bronnen.

56 4. Vorm en versiering Alles evolueert. Dingen worden verbeterd en veranderen van vorm. Kijk naar deze auto’s en zie hoe ze evolueerden van de eerste auto uit het eind van de 19 e eeuw tot een model uit 1980.

57 4. Vorm en versiering Door onderzoek weten archeologen wanneer sommige soorten aardewerk gebruikt werden. 1 e v.C. 2-3 e n.C. 9 e n.C e n.C.

58

59 1. Steentijd 2. Metaaltijden 3. Gallo-Romeinse periode 4. Middeleeuwen 5. Postmiddeleeuwen

60 > – 2000 v.C. -Langste periode van de menselijke geschiedenis, opgedeeld in meerdere periodes (oude, midden en nieuwe steentijd). -Tijdens deze periode evolueert de mens, eerst is er de Neanderthaler en later de moderne mens (ca v.C.).

61 > – 2000 v.C. -Lange tijd heersen de ijstijden met een max. temperatuur van ca. 5°tijdens de zomer. -Het landschap is bedekt met ijs, er zijn weinig planten in te vinden en soms lopen er kuddes grote dieren, zoals mammoeten, wolharige neushoorns of rendieren in.

62 > – 2000 v.C. -In de warmere periodes kwamen hier ook mensen wonen. Eerst de zogenaamde neanderthalers. Later ook de moderne mens (ca v.C.). -Ze trokken op jacht in groepen van 20 tot 30 mensen en leefden in tijdelijke kampen met tenten.

63 > – 2000 v.C. -Van de oudste steentijd zijn slechts een paar werktuigen in vuursteen bekend. Het gaat om zogenaamde schrabbers. -Ze werden gemaakt door grote stenen te bewerken.

64 > – 2000 v.C. -De schrabbers werden gebruikt om vlees te snijden en huiden te bewerken.

65 > – 2000 v.C. -In de middensteentijd werd het klimaat warmer. -Het ijs smelt en de zeeën en rivieren vormen zich. -Het landschap verandert in bos. -De grote kuddes verdwijnen en in de plaats komen de hedendaagse dieren, everzwijnen, hazen, herten, vogels,...

66 > – 2000 v.C. -De mens past zich aan het nieuwe landschap aan. Hij leeft nog steeds in tentenkampen en trekt rond op zoek naar voedsel. -Pijl en boog worden de belangrijkste wapens om te jagen.

67 > – 2000 v.C. -In de laatste fase van de steentijd verandert er veel. De mens schakelen over naar landbouw en veeteelt. -De mens gaat voor het eerst in huizen wonen, op een vaste plaats (sedentair).

68 > – 2000 v.C. -De mens gebruikt grote bijlen uit vuursteen om de bomen te hakken. Zo maakt hij plaats voor akkers in het bos en heeft hij hout om huizen mee te bouwen.

69 > – 2000 v.C. -De mens leerde ook dat klei kon gebakken worden in vuur en dat er potten mee konden gemaakt worden. -Deze dienden om in te koken of voedsel in op te slaan. -Soms waren deze potten versierd met nagel- of touwindrukken.

70 2000 – 50 v.C. -In de metaaltijden zijn voor het eerst voorwerpen uit brons en later ijzer gemaakt. -De streken waar deze ertsen werden gevonden werden welvarend en er ontstond een machtige en rijke elite. -Ze zijn vooral bekend door de vondsten van grote graven met rijke grafgiften.

71 2000 – 50 v.C. -In onze regio zijn er geen ertsen te vinden. De mens leeft hier nog steeds van landbouw en veeteelt. -De mensen leefden op erven in houten woonstalhuizen. Soms stonden die geïsoleerd, maar soms stonden ze samen en vormden ze de eerste kleine dorpen. -In Maldegem werd zo een dorpje opgegraven. Vlakbij lagen grafheuvels.

72 2000 – 50 v.C. -Metalen voorwerpen zijn dus zeldzaam in onze regio. Er zijn een maar een paar gevonden. -Waaronder deze lanspunt is. Deze is gevonden door spelende kinderen in de Oude Kale bij Landegem (Nevele). -Omdat metaal zo zeldzaam was was het waarschijnlijk een pronkstuk dat moest tonen hoe belangrijk de eigenaar was.

73 2000 – 50 v.C. -Deze versierde speld werd teruggevonden bij graafwerken in het Kanaal van Schipdonk. -Metalen voorwerpen worden vaak in depots teruggevonden in rivieren. -Mogelijk was het weggooien van deze zeldzame en dure voorwerpen een bewijs van de macht en rijkdom van de eigenaar.

74 2000 – 50 v.C. -Belangrijke personen kregen een speciaal begrafenisritueel. -Ze werden begraven onder een grote grafheuvel. Rond deze heuvels werden 1 of meerdere cirkelvormige grachten gegraven. -De grafheuvels waren groot, hoog en lagen vaak gegroepeerd. -Het zijn de grachten van de grafheuvels die bij opgravingen worden teruggevonden. Soms worden ze zelfs vanuit de lucht opgemerkt.

75 50 v.C. – 500 n.C. -De Romeinen veroverden een groot deel van Europa, waaronder ook onze gewesten. -Onze streek was bekend als Belgica en maakte deel uit van Gallië.

76 50 v.C. – 500 n.C. -De lokale gewoontes en cultuur vermengden zich met de Romeinse tot een mengcultuur. We spreken dan ook van de Gallo-Romeinse periode. -Hoewel het Romeinse rijk een turbulente politieke geschiedenis kent, spreken we over een keizerrijk. De lijst van heersende keizers is lang.

77 50 v.C. – 500 n.C. -De Romeinen bouwden ook een administratie uit om recht te spreken, om belastingen te innen, … -De Romeinen brachten heel wat vernieuwingen mee, zoals nieuwe soorten groenten en fruit. Ze introduceerden ook nieuwe technieken zoals de draaischijf voor het maken van potten uit klei.

78 50 v.C. – 500 n.C. -De Romeinen introduceerde ook een echte muntcultuur. Toch bleef ruilhandel onder de lokale bevolking erg belangrijk. -Op de kleine munt staat Keizer Trajanus. Hij leefde van 53 tot 117 en regeerde van 98 tot 117 n.C. -Hierdoor kan er soms een site gedateerd worden. Maar voorzichtig want munten blijven echter langer in gebruik dan de keizers leven.

79 50 v.C. – 500 n.C. -De rijke Romeinen leefden in grote stenen villa’s. Deze villa’s zijn heel erg zeldzaam in onze regio. -Slechts op enkele plaatsen werden hier Romeinse stenen constructies bij opgravingen aangetroffen. -Een ervan ligt in Aalter. Het is echter geen villa maar een Romeins kamp. Dat bewijst dat het Romeinse leger hier in de streek een oogje in het zeil hield.

80 50 v.C. – 500 n.C. -Bij het onderzoek van dit legerkamp in Aalter werd ook een waterput gebouwd uit steen onderzocht. -Daarin werden kostbare zaken gevonden zoals deze panfluit en stemschroef. -Er werd ook heel wat luxueus aardewerk in gevonden, zoals het rode Terra Sigillata.

81 50 v.C. – 500 n.C. -De gewonen mensen leefden niet in grote stenen villa’s. -Zij leefden in kleinere houten huizen, die nog erg veel leken op die uit de metaaltijden. -Deze huizen worden vaak gevonden met een waterput en kleinere bijgebouwen om voedsel in op te slaan. -Het hele erf was afgebakend door één of meerdere grachten.

82 50 v.C. – 500 n.C. -Vanouds verbrandde de lokale bevolking in onze regio de doden op een bandstapel. Deze traditie bleef verder bestaan tijdens de Gallo-Romeinse periode. -Crematiegraven tekenen zich af als donkere vlekken in de bodem. Dit is de rest van de brandstapel, met houtskool, verbrand bot en soms met (mooie en rijke) grafgiften.

83 500 – 1500 n.C. -Het Romeinse Rijk krijgt het snel zwaar te verduren onder de invallen van Germaanse stammen. Deze kwamen van over de Rijn en Donau. -Vanaf de 5 e eeuw is het afgelopen met het westerse Romeinse Rijk. -De periode van de 5 e t.em. de 9 e eeuw is een periode van invasies van stammen wat chaos veroorzaakte. De levenskwaliteit van de mensen ging achteruit. -We spreken dan ook wel van de donkere of duistere middeleeuwen. Er zijn geen geschreven bronnen en ook de archeologische sporen zijn schaars.

84 500 – 1500 n.C. -Toch was er enige orde in de chaos. Tussen de 5 e en de 8 e eeuw zijn de Merovingische koningen aan de macht. Dit koningshuis wordt opgevolgd door de Karolingers. Karel De Grote (768 – 814) was de meest bekende koning. -Onder hun bewind werden de verschillende stammen binnen een groot deel van Europa – al dan niet met harde hand – verenigd.

85 500 – 1500 n.C. -Tussen de 9 e en de 11 e eeuw vielen de vikingen binnen in onze streken. Ze waren afkomstig uit Zweden, Noorwegen en Denemarken en pluderden de regio. -Daarom werden vluchtburchten en versterkte mottekastelen opgetrokken. Een voorbeeld van een mottekasteel is de Hoge Wal en die vind je in Ertvelde bij Evergem.

86 500 – 1500 n.C. -Deze tekening toont hoe het mottekasteel in Evergem er vroeger uitzag. Het was de versterkte woonplaats van de edelman en de voorloper van vele kastelen. -Het mottekasteel bestond uit een houten toren op een hoge heuvel, omringd met een gracht en stevige houten palissades (opperhof). Er was ook een woongedeelte met huizen, stallen en soms een kapel of kerk. Ook dit gedeelte was omringd door een gracht en een palissade (neerhof).

87 500 – 1500 n.C. -Deze muntschat werd in 1949 gevonden door arbeiders bij wegwerkzaamheden. -De veldfles is gevuld met meer dan 450 zilveren munten. De aardewerksoort is typisch voor de periode van de invallen van de vikingen. -We vermoeden dan ook dat iemand zijn rijkdom wou verbergen toen de vikingen de streek onveilig maakten. -De fles werd echter pas na 800 jaar terug gevonden.

88 500 – 1500 n.C. -Tijdens de middeleeuwen ontstond het zogenaamde leenstelsel. De vazal of leenman kreeg van de leenheer een leen (= alles dat inkomsten op bracht : een ambt, landerijen, een kasteel,..). Daarvoor moest de leenman de leenheer met raad en daad bijstaan, bvb. in oorlogen helpen. -Zolang de leenman zijn leenheer trouw was, mocht hij de inkomsten van zijn leen gebruiken. -Dit systeem startte bij de koning die zo edellieden aan hem bond. En het werd zo doorgetrokken tot de gewone bevolking. Zo was een gewone boer ook verplicht om een deel van zijn oogst af te geven of zelfs om mee te vechten, als betaling voor zijn woning.

89 500 – 1500 n.C. -De grote leenheren bakenden hun eigendom af met tiendepalen. -Deze tiendepalen maakten duidelijk aan wie de leenman moest betalen. Naast huurgeld moesten de leenmannen een tiende van hun inkomsten afdragen aan hun leenheer. -Deze tiendepaal staat nog steeds in Sint-Margriete.

90 500 – 1500 n.C. -De gewone bevolking had het niet makkelijk. Ze moesten hoge belastingen betalen en zaten gewrongen tussen oorlogen die werden uitgevochten tussen edellieden en steden. Daarnaast bleven ze niet gespaard van ziektes of hongersnood door misoogsten. -De gewone mensen leefde van de landbouw en woonde in eenvoudige houten boerderijen. -In Aalter, maar ook recentelijk in Evergem Lovendegem en Nevele werden dergelijke boerderijen terug gevonden.

91 500 – 1500 n.C. -Een middeleeuws erf heeft in grote lijnen dezelfde karakteristieken als de voorgangers uit de Romeinse tijd of zelfs vroeger. -Het erf bestaat uit verschillende gebouwen, bijgebouwen, beschikt over minstens 1 waterput voor drinkwater en is begrensd door een grachtensysteem.

92 1500 n.C. – nu -Vanaf de 15 e eeuw zijn er veel meer geschreven bronnen door de introductie van de boekdrukkunst. Onze kennis over deze periode komt dan ook vooral uit deze geschreven bronnen. -Toch zijn er nog aspecten uit het (gewone) leven waar niet werd over geschreven. Daar kunnen opgravingen dan wel informatie over geven. -Verdwenen kastelen of vergeten kerkhoven, loopgraven uit de grote oorlogen, … Eigenlijk zijn deze zaken nog niet zo lang geleden onder de grond begraven, maar het menselijk geheugen is ze al vergeten.

93 1500 n.C. – nu -Dit kaartje toont het verdwenen kasteel van Andries Andries uit Assenede. Het werd gebouwd omstreeks 1510 maar verdween al zo een 150 jaar later. -Nu staat het nieuw gemeentehuis van Assende op deze plaats. -Voor de bouw begon konden archeologen de kasteelsite onderzoeken.

94 1500 n.C. – nu -Deze musketkogels zijn afkomstig uit het kasteel van Middelburg bij Maldegem. -Het zijn kleine loden kogels die werden afgeschoten met musketgeweren (zware vuurwapens). -De vondst van deze kogels bewijst dat het kasteel vaak werd aangevallen.

95 1500 n.C. – nu -Bij graafwerken rond het kerkplein van Lovendegem vonden arbeiders een oude grafkelder. -Archeologen onderzochten de kelder en vonden er zeven doodskisten. -Eén ervan was van een gravin uit Lovendegem. Ze stierf in 1866.

96 1500 n.C. – nu -Bij het onderzoek van een site in Merendree bij Nevele ontdekten archeologen loopgraven uit Wereldoorlog I. -Daarbij werd ook munitie gevonden. -Het ging om Duitse granaten gevuld met giftig gas.

97 Hiermee beëindigen we ons overzicht en zijn jullie klaar om het spel te spelen.


Download ppt "Jullie staan op punt het spel Speuren naar sporen te spelen. Daarvoor is wel wat kennis over de verschillende periodes nodig, en hoe archeologen te werk."

Verwante presentaties


Ads door Google