De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

Wat gaat goed en wat kan er fout gaan Han van Reekum.

Verwante presentaties


Presentatie over: "Wat gaat goed en wat kan er fout gaan Han van Reekum."— Transcript van de presentatie:

1 Wat gaat goed en wat kan er fout gaan Han van Reekum

2  Drukplekken en decubitus (het meest voorkomende probleem)  Nervuslaesies (komt minder vaak voor, maar is ingrijpender)  Contracturen (kan alleen bij zeer langdurige operaties)

3  Op die plaatsen waar de weefselperfusie langere tijd (> 2 uur) wordt onderbroken. (Dan zou je bloedleegte van meer dan 2 uur ook een drukplek kunnen noemen…)  Het onderbreken van de perfusie gebeurd door het eigen gewicht. (Dat is het verschil met bloedleegte)

4  Elke druk hoger dan de perfusiedruk (hallo, open deurtje)  De perifere perfusiedruk is ca: 60 hPa (nou en…?)  Een zachte matras in een bed levert een maximale druk op van 80 hPa (en zorgt op den duur altijd voor drukplekken!

5 Nee, de volgende factoren zijn van invloed:  Gebruik van betablokkers  Ondervulling  Ondervoeding  Lage perifere bloeddruk

6 70 kg verdeeld over 0,05 m 2 = P / 500 cm = / 500 = 140 hPa/cm 2 Dit gaat ongeveer op voor een patiënt die met de billen, de schouderbladen en de hakken op een hard kussen van de operatietafel ligt.

7  Inderdaad, iedereen krijgt dus decubitus op een operatietafel! Maar leg hem of haar eens op een matras die het steunende oppervlak 3 keer zo groot maakt… 70 kg verdeeld over 0,15 m 2 = / 1500 = 47 hPa/cm 2 (en dat is lager dan de perfusiedruk!)

8  ‘Bottoming out’ Dragende punten drukken door het matras heen tot op de harde onderlaag.  Komt voor bij gelmatten!

9  Mechanisch? De zenuw kapot drukken? Zou kunnen…  Anoxie? Verminderde perfusie van de myeline schede? Zou ook kunnen… Voorkom beknelling van zenuwen! (moet je wel weten waar ze zitten!)

10  Komen alleen voor bij langdurige dwangstand en meestal opereren we niet zo lang. Alhoewel, een resectie van een brughoektumor met een reconstructie van de sternocleidomastoïdeus na het verwijderen van een positief klierpakket, kan wel 36 uur duren.

11 Kijk naar de patiënt  Op welke plaats drukt deze op de operatietafel of de arm/beensteun?  Zitten daar goed geperfundeerde spieren of is het bot?  Zitten daar ook zenuwen?  Is de patiënt ondervuld, ondervoed of gebetablokt? (is beperkt te corrigeren)

12 Volgens de verzekeraar MediRisk kosten verkeerde positioneringen hen € per jaar (in 2005)

13 Denk om:  Achterhoofd of (bij opzij gedraaid hoofd)  Oorschelp  Scapulapunten  Sacrum  Calcaneï

14  Zachte polstering onder het hoofd.  Drukverdeling met kussen onder de scapulapunten.  Drukverdeling met kussen onder het sacrum.  Halfrond kussen onder de lendenen (ca 4 cm hoog en 8 cm breed).  Halfrond kussen onder de knieën (ca 4 cm hoog en 8 cm breed).  Drukverdeling met kussen onder de hakken of een halfrond kussen onder de achillespezen (ca 4 cm hoog en 8 cm breed) of een schuimrubber ring rond de enkels.  De voeten liggen naast elkaar en raken elkaar niet.  Het lichaam van de patiënt maakt nergens contact met de metalen delen van de tafel.  Het laken onder de patiënt is strakgetrokken en heeft geen plooien.  Er lopen geen kabels of leidingen onder de patiënt door of zij zijn met een kussen afgedekt.

15 Denk om:  Schouderbladen  hakken

16  Zachte polstering onder het hoofd.  Het hoofd is zijdelings gefixeerd tegen wegglijden.  Drukverdeling met halfrond kussen onder de achillespezen (ca 4 cm hoog en 8 cm breed) of een schuimrubber ring rond de enkels.  Halfrond kussen onder de knieën (ca 4 cm hoog en 8 cm breed) of speciaal kussen voor flexie in de knieën.  De voeten liggen naast elkaar en raken elkaar niet.  De nek is vrij van de tafel en het hoofd wordt gesteund onder het achterhoofd.  Het laken onder de patiënt is strakgetrokken en heeft geen plooien.  Er lopen geen kabels of leidingen onder de patiënt door of zij zijn met een kussen afgedekt.  Het lichaam van de patiënt maakt nergens contact met de metalen delen van de tafel.

17 Denk om: scapula sacrum kuiten Flexie heupen knieën

18  Zachte polstering onder het hoofd.  Drukverdeling met kussen onder de scapulapunten.  Drukverdeling met kussen onder het sacrum.  Drukverdeling met kussen onder de hakken of onder de kuit.  De flexie van de heupen is niet groter dan 90 o.  De flexie van de knieën is niet groter dan 90 o.  De laterale zijde van de knieën drukt niet tegen de steun of de palen van de steun.  Het laken onder de patiënt is strakgetrokken en heeft geen plooien.  Er lopen geen kabels of leidingen onder de patiënt door of zij zijn met een kussen afgedekt.  Het lichaam van de patiënt maakt nergens contact met de metalen delen van de tafel of de beensteunen.

19 Denk om: neus (tenzij het hoofd opzij is gedraaid) en ogen, thorax, os pubis en crista iliaca anterior, patellae, dorsum van de voet.

20  Zachte ringvormige polstering onder het gezicht die de neus en de ogen of het oor vrijhoudt van druk.  Het gezicht ligt in hetzelfde ventrale vlak als de thorax of is opzij gekeerd.  Er is lordose van de cervicale wervelkolom.  Drukverdeling met een 10cm hoog kussen onder de thorax de bovenrand van dit kussen mag niet boven de claviculae uitkomen. de zijranden mogen niet buiten het glenoïd komen. de onderrand mag niet onder het xyfoïd uitsteken.  Bij vrouwen: mammae naar lateraal gelegd.  Halfrond kussen onder de cristae (ca 10cm hoog en 10cm breed).  De buik is vrij van de operatietafel of raakt deze juist aan.  Bij mannen: penis en scrotum met testis distaal van het kussen voor de crista gebracht.  Drukverdeling met een kussen onder de knieën.  Halfrond kussen onder de wreef dat de voeten zo hoog houdt dat de tenen de tafel niet raken of een schuimrubber ring rond de enkels dat de voeten zo hoog houdt dat de tenen de tafel niet raken.  De voeten liggen naast elkaar en raken elkaar niet.  Het laken onder de patiënt is strakgetrokken en heeft geen plooien.  Er lopen geen kabels of leidingen onder de patiënt door of zij zijn met een kussen afgedekt.  Het lichaam van de patiënt maakt nergens contact met de metalen delen van de tafel.

21 Denk om: knieën cristae

22  Zachte ringvormige polstering onder het gezicht die de neus en de ogen of het oor vrijhoudt van druk.  Het gezicht ligt in hetzelfde ventrale vlak als de thorax of is opzij gekeerd.  Er is lordose van de cervicale wervelkolom.  Drukverdeling met een 10cm hoog kussen onder de thorax de bovenrand van dit kussen mag niet boven de claviculae uitkomen. de zijranden mogen niet buiten het glenoïd komen. de onderrand mag niet onder het xyfoïd uitsteken.  De buik is vrij van de operatietafel of raakt deze juist aan.  Bij vrouwen: mammae naar lateraal gelegd.  Drukverdeling met kussen onder de cristae.  Bij mannen: penis en scrotum met testis distaal van het kussen voor de crista gebracht.  Drukverdeling met een kussen onder de knieën.  Halfrond kussen onder de wreef dat de voeten zo hoog houdt dat de tenen de tafel niet raken of een schuimrubber ring rond de enkels dat de voeten zo hoog houdt dat de tenen de tafel niet raken of de voeten hangen vrij.  De voeten liggen naast elkaar en raken elkaar niet.  Het laken onder de patiënt is strakgetrokken en heeft geen plooien.  Er lopen geen kabels of leidingen onder de patiënt door of zij zijn met een kussen afgedekt.  Het lichaam van de patiënt maakt nergens contact met de metalen delen van de tafel.

23 Denk om oorschelp schouder thorax crista en trochanter knieën enkels armen

24  Zachte ringvormige polstering onder het hoofd met vrijheid voor de oorschelp.  Drukverdeling met kussen onder de thorax met vrijheid voor de schouder.  Drukverdeling met kussen onder de crista.  Drukverdeling met kussen voor de pubissteun.  Drukverdeling met kussen voor de sacrumsteun.  Drukverdeling met kussen onder de trochanter van het onderste been.  Drukverdeling met kussen onder de onder de knie en tussen de knieën.  Een schuimrubber ring rond de enkel van het onderste been of een ‘sok’ van schuimrubber aan de voet van het onderste been.  Het laken onder de patiënt is strakgetrokken en heeft geen plooien.  Er lopen geen kabels of leidingen onder de patiënt door of zij zijn met een kussen afgedekt.  Het lichaam van de patiënt maakt nergens contact met de metalen delen van de tafel.

25  Nervuslaesies aan de armen worden beschouwd als de meest voorkomende anesthesie-complicatie! Dat is misschien niet eerlijk, maar tenzij u fotografisch bewijs hebt van een juiste positionering, kunt u daar niets tegen in brengen!

26  Denk om: elleboog met zenuwen fixatie  Nooit buiten tafelrand!

27  De arm ligt naast het lichaam met de duim omhoog  De arm is gefixeerd met een steun of banden tegen omlaag glijden  De elleboog is gepolsterd tegen nervuslaesies  De arm van de patiënt maakt nergens contact met de metalen delen van de tafel

28  Denk om: Flexie en Abductie!

29  De arm ligt op een steun met de duim omhoog.  De arm is gefixeerd met een band.  De elleboog is gepolsterd tegen nervuslaesies.  De hoek van de arm met het ventrale vlak is 180 o of kleiner.  De hoek van de arm met de vertikaal is 90 o of kleiner  De arm van de patiënt maakt nergens contact met de metalen delen van de steun of van de tafel.

30  Denk om: contact met de steun afknellen vaten in de elleboog

31  De arm ligt op een steun met de duim naar proximaal  De arm is gefixeerd met een band  De hoek van de arm met het ventrale vlak is 90 o of groter, maar kleiner dan 120 o  De hoek van de arm met de vertikaal is 90 o of kleiner  De arm van de patiënt maakt nergens contact met de metalen delen van de steun of van de tafel

32  Denk om: Flexie en Abductie!

33  De arm ligt op een steun met de duim naar mediaal.  De arm is gefixeerd met een band.  De hoek van de arm met het ventrale vlak is 180 o of kleiner.  De hoek van de arm met de vertikaal is 90 o of kleiner.  De bovenarm ligt vrij van de tafelrand of van kussens die onder de thorax zijn gelegd.  De arm van de patiënt maakt nergens contact met de metalen delen van de steun of van de tafel.

34 Kijk, dit vind ik dus niks, maar het wordt wel gedaan Voor elleboog- prothese

35 Denk om flexie schoudergordel cervicale wervelkolom

36  De arm ligt op een steun met de duim naar proximaal.  De arm is gefixeerd met een band.  De hoek van de arm met het ventrale vlak is 180 o of kleiner.  De hoek van de arm met de vertikaal is 90 o of kleiner.  De bovenarm ligt vrij van de tafelrand of van kussens die onder de thorax zijn gelegd.  De arm van de patiënt maakt nergens contact met de metalen delen van de steun of van de tafel.


Download ppt "Wat gaat goed en wat kan er fout gaan Han van Reekum."

Verwante presentaties


Ads door Google