De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

Jongeren en werk in een snapshot

Verwante presentaties


Presentatie over: "Jongeren en werk in een snapshot"— Transcript van de presentatie:

1 Jongeren en werk in een snapshot
Presentatie voor de Vlaamse jeugdraad 3 juli 2010, Oostende Liesbeth Van Parys - HIVA

2 Overzicht presentatie
Inleiding: de intrede van jongeren op de arbeidsmarkt Jeugdwerkloosheid Jeugdwerkgelegenheidsbeleid Samenvatting Bijlagen

3 1. Inleiding De intrede van jongeren op de arbeidsmarkt

4 Mening van jongeren over werk
Werk = symbool van volwassen worden Werk krijgt centrale plaats maar komt niet op eerste plaats Overgrote meerderheid geeft zz goede kans op werk na afstuderen 4/10 bereid om /wil een job aan te nemen die niet in lijn ligt met studies Jongens zijn minder bereid om arbeidsduur te verminderen dan meisjes met oog op combineren van arbeid en gezin Slechts 1 à 2 / 10 jongeren vindt grensarbeid overweegbaar Let wel: verschillen tussen arbeidsklassen, opleidingsniveaus, loontrekkenden en zelfstandigen Bron: Burssens, D. & Sinnaeve, L. 2006, ‘Over mogen, moeten, willen en kunnen werken’, in Vettenburg, N. et al., Jongeren van nu en straks. Overzicht en synthese van recent jeugdonderzoek in Vlaanderen, Lannoo.

5 De overgang van onderwijs naar de arbeidsmarkt
Gebeurt tussen de leeftijd van 15 en 34 jaar in Vlaams Gewest met gemiddelde van 20. Wie zitten nog op de schoolbanken? 15 – 17 jarigen: quasi 100% 18 – 19 jarigen: 77% jongens, 86% meisjes 20-24 jarigen: 33% (Studie Steunpunt WAV) Bron: Burssens, D. en Sinnaeve, I. (2006), ‘Over mogen, moeten, willen en kunnen werken: Werk in het jeugdonderzoek ’, in Vettenburg, N., Elchardus, M. en Walgrave, L. (eds), Jongeren van nu en straks, Tielt, Lannoo Campus.

6 Overgang onderwijs-arbeidsmarkt is abrupt in België
“Binnen België eindigt de studietijd iets vroeger in Vlaanderen (20 jaar) dan in Wallonië (21 jaar) en in Brussel (22 jaar), wellicht als gevolg van de uiteenlopende gebruiken inzake zittenblijven. Tijdelijke overeenkomsten lijken in Wallonië meer verspreid te zijn dan in de twee andere gewesten. Vrouwen gaan langer naar school dan mannen, maar worden vaker dan deze laatsten geconfronteerd met tijdelijke overeenkomsten en inactiviteit: vanaf de leeftijd van 23 is een vijfde van de vrouwen inactief. De inschakeling in de arbeidsmarkt verloopt vlotter voor hooggeschoolden, maar voor velen vormt een tijdelijke baan een verplichte tussenstap. Een baan vinden blijft bijzonder moeilijk voor laaggeschoolden, van wie op 29-jarige leeftijd nog een derde zonder werk zit.” “Voor de transities vanuit de werkloosheid is de belangrijkste determinant het gewest van de woonplaats. Terwijl de transitiekans in Vlaanderen zowat 53 pct. beloopt, is dat slechts 37 pct. in Wallonië en 36 pct. in Brussel. De tweede determinant van de transitie naar een baan is het scholingsniveau. De kans bedraagt 42 pct. voor laaggeschoolden, 53 pct. voor middengeschoolden en 65 pct. voor hooggeschoolden. Ook het geslacht en de conjunctuur spelen een rol. Voor transities vanuit de inactiviteit is de belangrijkste determinant het scholingsniveau. De transitie naar arbeid beloopt 5 pct. voor laaggeschoolden, 11 pct. voor middengeschoolden, tegen bijna 40 pct. voor hooggeschoolden. Het geslacht is eveneens een niet te verwaarlozen factor, aangezien de transitie van inactiviteit naar een baan ceteris paribus geringer is voor vrouwen. Er zijn geen significante verschillen tussen de regio’s. De transitie van arbeid naar werkloosheid is drie keer frequenter voor jongeren dan voor de leeftijdsgroep van 30 tot 44 jaar. De werkgelegenheid bij jongeren is dus minder stabiel dan voor de andere leeftijdscategorieën. De verklarende variabelen zijn, in volgorde van belangrijkheid, het gewest van de woonplaats en het scholingsniveau. De uitstroom uit arbeid is immers twee keer frequenter in Brussel en anderhalve keer frequenter in Wallonië ten opzichte van Vlaanderen. Binnen de groep van jarigen is deze transitie naar de werkloosheid veel frequenter voor laaggeschoolden (7,7 pct.) dan voor hooggeschoolden (1,5 pct.). De uittreding uit de arbeidsmarkt vanuit arbeid is een relatief weinig frequente transitie. Brussel als woonplaats hebben, het scholingsniveau en het geslacht zijn hier de belangrijkste determinanten.” Volgens een OECD-studie zouden zo’n 11% van de jongeren in België noch op de schoolbanken zitten noch aan het werk zijn (‘NEET generation’). (Bron: Bron: Hoge Raad voor de Werkgelegenheid, 2009, Verslag Inschakeling van jongeren in de arbeidsmarkt

7 Overgang onderwijs-arbeidsmarkt is abrupt in België
Interactieve oefening: wie heeft reeds een vakantiejob gedaan? Wie combineert zijn studies met werken? Werkervaring van jongeren vóóraleer ze de arbeidsmarkt betreden: vakantiejob Studeren gecombineerd met werken (zie figuur) We zien dat de studenten hoger onderwijs in Vlaanderen maar weinig tijd besteden aan werken in vergelijking met hun collega’s in Nederland, Duitsland, Tsjechië, Oostenrijk en Zwitserland. In Nederland combineren heel wat studenten studeren met werken (zij studeren daarom vaak ook langer), terwijl er in Duitsland een goed uitgebouwd systeem van stages bestaat. In vergelijking met andere landen is de overgang van school naar werk in Belgie dus meer abrupt: jongeren hebben minder werkervaring opgedaan. (zie studie OECD studie Jobs for youth; ) “The grafiek toont dat Vlaamse studenten veel tijd op de onderwijsinstelling doorbrengen (20 uur/week) en ongeveer evenveel tijd aan zelfstudie wijden (17 uur/week). Dit zijn hoge cijfers in vergelijking met andere Europese landen en maakt het minder aantrekkelijk en haalbaar om een job te combineren met studeren. ” Bron:

8 Aandeel jongeren dat werkt is dan ook beperkt
De werkzaamheidsgraad (of tewerkstellingsgraad) geeft het aantal werkenden weer in procenten van de bevolking tussen 15 en 64 jaar. Voor de leeftijdsgroep jaar wordt dit: het aantal jongeren met een betrekking in procent van alle jongeren tussen 15-24; of per 100 jongeren tussen zijn er 24,6 aan het werk in het eerste kwartaal van 2009. De werkzaamheidsgraad van jongeren is duidelijk laag in vergelijking met die van de groep jarigen. Een belangrijke verklaring daarvoor is dat veel jongeren nog op de schoolbank zitten (leerplicht tot 18 jaar). Heel wat jongeren behoren bijgevolg tot de (nog) niet-beroepsactieve bevolking. Uit Nota Jeugdwerkloosheid Vlaanderen en EU 2008 Dep. WSE “Een algemene analyse van de positie van jongeren op de Vlaamse en Europese arbeidsmarkt begint bij de kloof in de werkzaamheidsgraad. Jongeren hebben een erg lage werkzaamheidsgraad, en Vlaamse jongeren zijn daarop geen uitzondering. In 2006 is slechts 32% van de 15-24jarigen aan het werk, tegenover 65% van de 15-64jarigen. In Europa (EU-25) is dat 37%, tegenover dezelfde algemene werkzaamheidsgraad. De werkzaamheidsgraad van jongeren is het hoogst in Nederland (66%), Denemarken (65%), Oostenrijk (54%), het Verenigd Koninkrijk (53%) en Ierland (50%), niet toevallig landen waar waar jongeren hun studies (kunnen) combineren met een deeltijdse job. Brussel laat als regio (met 21%) de laagste werkzaamheidsgraad voor jongeren optekenen, gevolgd door Hongarije (22%), Wallonië (22%), Bulgarije (23%) en Luxemburg (23%). De kloof met de algemene werkzaamheidsgraad bedraagt in al deze regio’s meer dan 30 procentpunten. Ter vergelijking: in het best presterende land, Nederland, bedraagt deze kloof slechts 8ppt. (…) [Maar] De werkzaamheidsgraad vormt echter geen goede indicator voor de arbeidsmarktpositie van jongeren omdat deze geen rekening houdt met de mate waarin jongeren studeren en/of leerplichtig zijn tussen hun 15 en 24 jaar. Uitgezuiverd voor de jongeren die op de schoolbanken zitten, bedraagt de Vlaamse werkzaamheidsgraad voor jongeren bijv. 80%, wat betekent dat acht op de 10 jongeren na het beëindigen van hun studies aan de slag zijn. Hun arbeidsmarktkansen kunnen beter worden ingeschat aan de hand van diegenen die zich effectief aanbieden op de arbeidsmarkt, wat tot uitdrukking komt in de werkloosheidsgraad.” Bron: OECD, 2007, Jobs for Youth Belgique

9 Aandeel jongeren dat werkt in vergelijking met aandeel andere leeftijdsgroepen
Een algemene analyse van de positie van jongeren op de Vlaamse en Europese arbeidsmarkt begint bij de kloof in de werkzaamheidsgraad. Jongeren hebben een erg lage werkzaamheidsgraad, en Vlaamse jongeren zijn daarop geen uitzondering. In 2006 is slechts 32% van de 15-24jarigen aan het werk, tegenover 65% van de 15-64jarigen. In Europa (EU-25) is dat 37%, tegenover dezelfde algemene werkzaamheidsgraad. De werkzaamheidsgraad van jongeren is het hoogst in Nederland (66%), Denemarken (65%), Oostenrijk (54%), het Verenigd Koninkrijk (53%) en Ierland (50%), niet toevallig landen waar waar jongeren hun studies (kunnen) combineren met een deeltijdse job. Brussel laat als regio (met 21%) de laagste werkzaamheidsgraad voor jongeren optekenen, gevolgd door Hongarije (22%), Wallonië (22%), Bulgarije (23%) en Luxemburg (23%). De kloof met de algemene werkzaamheidsgraad bedraagt in al deze regio’s meer dan 30 procentpunten. Ter vergelijking: in het best presterende land, Nederland, bedraagt deze kloof slechts 8ppt. Bron:

10 De intrede op de arbeidsmarkt van de schoolverlaters (werkloosheidsgraad)
Op deze grafiek zien we de werkloosheidsgraad van jongeren enerzijds en de hele bevolking op beroepsactieve leeftijd anderzijds in Vlaanderen van januari 1999 tem januari 2009. Opvallend, maar logisch, is de piek die de werkloosheidsgraad van jongeren maakt. Het gaat hier om de maand september: het moment waarop elk jaar een pak jongeren de schoolbanken verlaten en doorstromen naar de arbeidsmarkt. Bron: (Arvastat)

11 De intrede op de arbeidsmarkt van de schoolverlaters
De eerste stap na het verlaten van de schoolbanken: onmiddellijk aan de slag of inschrijven bij VDAB die je helpt bij de zoektocht naar werk Uit studie Schoolverlaters 2009 van de VDAB studiedienst (http://vdab.be/trends/schoolverlaters/schoolv2009.pdf ) “Van alle schoolverlaters die in de periode februari 2008 t/m januari 2009 de school verlieten schreef 84,2% zich in als werkzoekende bij de VDAB op een bepaald moment binnen de opvolgingsperiode die eindigde op 30 juni 2009. 85,4% van alle schoolverlaters was na 1 jaar niet meer werkzoekend. 14,6% was op dat moment nog ingeschreven als werkzoekende bij de VDAB wat een toename is met de helft tegenover de vorige studie. Er zijn echter opmerkelijke verschillen tussen mannen en vrouwen. De kansen op een eerste job liggen heel wat hoger voor vrouwen (rest% = 12,3%) dan voor mannen (rest% = 16,8%). 10,8% van de schoolverlaters die 1 jaar na het verlaten van de school werkzoekend waren hadden in dat jaar toch al enige werkervaring kunnen opdoen. Erger is het gesteld met de schoolverlaters die na 1 jaar nog niet gewerkt hebben. Hun aantal bedroeg of 3,8% van het totaal wat een verdubbeling is in vergelijking met de vorige studie. Ook hier doen de vrouwen het opmerkelijk beter dan de mannen, voornamelijk als gevolg van hun hogere scholingsgraad en keuze voor studies die toeleiden naar minder conjunctuurgevoelige sectoren.” Restpercentage: zij die nog werkzoekend zijn na 1 jaar/ totaal aantal schoolverlaters Zonder werkervaring: zij die nog geen werkervaring hebben na 1 jaar / totaal aantal schoolverlaters Bron: VDAB Studiedienst, Werzoekende schoolverlaters in Vlaanderen 25ste Studie , 2010:

12 Het zoeken en vinden van een job
Zoekkanalen Vindkanalen Hoe gaan jongeren te werk bij het zoeken naar werk? Interactieve oefening in de klas: langs welke kanalen zoeken jongeren naar werk en hoe vinden ze uiteindelijk hun eerste job? VDAB en vrije sollicitaties blijken belangrijke kanalen te zijn bij het zoeken naar werk. Wanneer het aankomt op het vinden van een job, zien we echter dat VDAB een veel kleinere rol speelt: slechts 7,2% van de jongeren vindt ook een job via VDAB. Wat opvalt is dat persoonlijke relaties een belangrijke rol spelen. Ook vrije sollicitiaties blijken een grote kans op werk te geven in vergelijking met andere kanalen.

13 Waar komen jongeren terecht? Tertiair
Bron: Stevens, E. (2009) Jongeren in beeld: Een analyse op basis van EAK/LFS, Steunpunt Werk en Sociale Economie

14 Waar komen jongeren terecht? Tijdelijk
Bron: Stevens, E. (2009) Jongeren in beeld: Een analyse op basis van EAK/LFS, Steunpunt Werk en Sociale Economie

15 Waar komen jongeren terecht? Voltijds
Bron: Stevens, E. (2009) Jongeren in beeld: Een analyse op basis van EAK/LFS, Steunpunt Werk en Sociale Economie

16 Tevredenheid van jongeren met hun job
Heel wat jongeren zijn (heel) tevreden mbt tot: collega’s, mate van contacten met anderen (80-85%) de functie en de verantwoordelijkheden (70-75%) de werkomgeving, de werktijden en het loon (65-70%) Maar (helemaal) niet tevreden mbt: werklast (12%) waardering voor hun werk (18%) mate waarin ze hun opleiding kunnen gebruiken! (17%) promotiekansen (28%) Bron: Vettenburg, N., Elchardus, M. en Walgrave, L. (red.) (2007), Jongeren in cijfers en letters. Bevindingen uit Jop-monitor 1, Leuven: LannooCampus Bron: Vettenburg, N., Elchardus, M. en Walgrave, L. (red.) (2007), Jongeren in cijfers en letters. Bevindingen uit Jop-monitor 1, Leuven: LannooCampus

17 Tevredenheid van jongeren met hun job
Tevredenheid hangt af van: Werkervaring – aantal jobs type statuut: vast/tijdelijk opleidingsniveau Bron: Vettenburg, N., Elchardus, M. en Walgrave, L. (red.) (2007), Jongeren in cijfers en letters. Bevindingen uit Jop-monitor 1, Leuven: LannooCampus

18 Mismatch tussen jongere en de gevonden job

19 2. Jeugdwerkloosheid Omvang en verklaring

20 Jeugdwerkloosheidgraad in Europees perspectief (ILO-definitie)
Bron: Werkloosheidsgraad: Het gaat hier om het aantal werklozen in procenten van de arbeidskrachten (werkenden en werklozen in de zin van het IAB). Maw: het aantal jongeren (15-24 jarigen) dat werk zoekt ten opzichte van alle jongeren die ofwel werk zoeken of wel werken. We zien dat in het eerste kwartaal van 2008 zo’n 16,5% van de jongeren tussen 15 en 24 jaar oud die beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt (en dus niet meer op de schoolbanken zitten) wel werk zoekt maar geen vindt. Sinds de financiële crisis is dat aantal zelfs opgelopen tot 20,8%. Een stijging die duidelijk groter is dan de stijging van de werkloosheid onder de beroepsactieven tussen 25 en 64 jaar oud.

21 Jeugdwerkloosheid in Europees perspectief
Nota Jeugdwerkloosheid 2008 Dept WSE https://www.werk.be/assets/werk.be/cijfers-en-onderzoek/publicaties/2008/2008_Nota_jeugdwerkloosheid.pdf Bron: Nota Jeugdwerkloosheid 2008 Dept WSE https://www.werk.be/assets/werk.be/cijfers-en-onderzoek/publicaties/2008/2008_Nota_jeugdwerkloosheid.pdf

22 Maar grote regionale verschillen (ILO-definitie)
Werkloosheidsgraad: toont de mate waarin de actieve bevolking werkloos is, volgens de ILO definitie: ILO-werklozen / (  ILO-werklozen + ILO-werkenden) Uit Nota jeugdwerkloosheid Vlaanderen en Europese Unie 2008 Dep WSE: “De ILO-werkloosheidsgraad, die op basis van de Labour Force Survey van Eurostat wordt bekomen, bedraagt voor Vlaanderen 5% in 2006, tegenover 12,5% bij de 15- 24jarigen. De jongerenwerkloosheid is in Vlaanderen met andere woorden meer dan twee keer groter dan de werkloosheid onder 15-64jarigen. Toch behoort Vlaanderen tot de goede Europese middenmoot. Betere scores worden opgetekend, alweer, in Nederland (7%), Denemarken (8%), Ierland (9%), Oostenrijk (9%) en Litouwen (10%). Ook in deze landen is de jeugdwerkloosheid echter vaak bijna twee keer zo groot als de werkloosheidsgraad bij 15-64jarigen. Aan de staart van het peloton bengelen, opnieuw, Brussel en Wallonië met resp. jeugdwerkloosheidsgraden van 35% en 31%. Ze worden op de voet gevolgd door landen als Polen (30%), Slovakije (27%) en Griekenland (25%).” Bron: Labour Force Survey geraadpleegd via

23 Jeugdwerkloosheid in tijden van crisis
Dus jeugdwerkloosheidsgraad is 2,7 keer zo hoog als werkloosheidsgraad van jarigen in eerste kwartaal 2008 en zelfs 3 keer zo hoog in zelfde periode in 2009! “In het eerste kwartaal van 2009 waren er volgens de definities van het internationaal arbeidsbureau (IAB) gemiddeld werklozen, hetgeen een toename met eenheden of 16,5% betekent ten opzichte van het vierde kwartaal van 2008 of een toename met 12,1% ten opzichte van het eerste kwartaal van Ook in de evolutie van de werkloosheidscijfers zien we dat de crisis grotere gevolgen heeft bij de mannen dan bij de vrouwen. Het aantal werkloze mannen stijgt met 26% ten opzichte van het vierde kwartaal van 2008; het aantal werkloze vrouwen neemt tijdens diezelfde periode toe met 7,6%. Het aantal werkloze mannen komt daarmee eenheden boven het aantal werkloze vrouwen te liggen. De werkloosheidsgraad van mannen en vrouwen bedraagt respectievelijk 7,6% en 8,3%. De werkloosheidsgraad van jongeren bedraagt 20,8% tegenover 6,8% bij de jarigen. Ook de werkloosheidsgraad evolueert negatief voor beide geslachten en bij zowel de jongeren als de 25-plussers (tabel 4). De grootste toename van de werkloosheidsgraad wordt opnieuw bij de jongeren waargenomen.” Jongeren worden dus zwaarder getroffen door de crisis dan ouderen. Een verklaring hiervoor is het last in first out effect: jongeren zijn het laatst aangeworven door een bedrijf en worden in moeilijke tijden ook het eerst ontslagen. Dit komt omdat het voor werkgevers goedkoper is om een jongere te ontslaan dan een oudere: jongeren hebben immers minder ervaring, de werkgever heeft vaak nog niet zoveel in hen geïnvesteerd, de kost om een jongere in proeftijd of met een tijdelijk contract te ontslaan is veel lager (of onbestaand) dan de kost om een oudere werknemer met een vast contract te ontslaan. Bron: Persbericht 31/07/2009, Crisis treft mannen en jongeren het ergtst

24 Waarom zijn jongeren werkloos?
Individueel niveau: Onderwijsniveau Afkomst Duurtijd werkloosheid en werkervaring Handicap Taal Rijbewijs Werkzoekgedrag Arbeidsmarktregio Sociaal kapitaal – persoonlijk netwerk Niet-werkgerelateerde problemen (medisch, psycho-sociaal, financieel, justitieel, druggerelateerd,…)

25 Opleidingsniveau is een cruciale factor
Uit studie Schoolverlaters Studiedienst VDAB: “Hoe hoger de scholingsgraad hoe kleiner de kans om na 1 jaar werkzoekend te zijn. Enkel de leertijd en ASO2 vormen positieve uitzonderingen op deze regel terwijl KSO3 bij de middengeschoolden een negatieve uitzondering vormt. Bij de laaggeschoolden hebben vooral de schoolverlaters die niet verder dan de eerste graad secundair onderwijs kwamen of zij die hun BSO-opleiding niet afmaakten de grootste moeite om een job te vinden. Bij de schoolverlaters uit het DBSO neemt het rest% dramatische vormen aan met nog meer dan 4 op 10 schoolverlaters werkzoekend 1 jaar na het verlaten van de school. De leertijd waar al een belangrijke schifting gebeurde in de eerste twee jaren en ASO2 met een beperkt aantal schoolverlaters, presteren goed. In TSO2 en KSO2 is nog ongeveer 1 op 4 schoolverlaters na 1 jaar werkzoekend. Bij de middengeschoolden is zowel in ASO3, TSO3 als BSO3 & BSO4 nog ongeveer 1 op 7 schoolverlaters werkzoekend na 1 jaar. Schoolverlaters uit het KSO3 hebben een kans van 1 op 5 om na 1 jaar werkzoekend te zijn. Bi de hooggeschoolden bieden de opleidingen tot professionele bachelor de beste kans op een eerste job, op de voet gevolgd door de masteropleidingen. Wie de school verlaat met een opleiding tot academische bachelor heeft beduidend meer moeite om aansluiting te vinden met de arbeidsmarkt.” Bron: VDAB Studiedienst, Werzoekende schoolverlaters in Vlaanderen 25ste Studie , 2010:

26 Ongekwalificeerde uitstroom
“Ongekwalificeerde uitstroom is het aandeel jongeren (18-24 jaar) met maximaal een diploma lager secundair onderwijs die geen verder onderwijs volgen en tijdens een referentieperiode van 4 weken niet hebben deelgenomen aan een opleiding.” [merk op: dit is een internationale definitie; intern in Vlaanderen wordt een strengere definitie gehanteerd -> vandaar dat resultaten die Van Damme recent in media noemde hoger liggen] De ongekwalificeerde uitstroom is merkelijk hoger bij jongens dan bij meisjes, al wordt het verschil steeds kleiner. In 2008 bedroeg de ongekwalificeerde uitstroom bij Vlaamse jongens 9,6% en bij Vlaamse meisjes 7,5%, een kloof van 2,2 procentpunten. Voor 2006 bedroeg deze kloof nog bijna 5 procentpunten. Het aandeel Vlaamse 20 tot 24-jarigen die het hoger secundair onderwijs wél beëindigd hebben, bedroeg in ,7%. Ook hier blijft het Vlaams Gewest vooruitgang boeken terwijl de andere gewesten stabiliseren of zelfs stagneren. Meisjes scoren weer iets beter dan jongens (89,1% t.o.v. 86,4%), maar ook hier is er een inhaalbeweging zichtbaar.” Hoe komt het dat jongeren met een laag onderwijsniveau minder kansen maken op de arbeidsmarkt? Het aantal jobs voor ongekwalificeerde arbeiders neemt stelselmatig af. Nieuwe technologieën nemen het werk over en deze machines vereisen bepaalde competenties bij de werknemers die ze bedienen die ongekwalificeerde jongeren vaak niet hebben. Ook zien we dat bedrijven naar het oosten en zuiden trekken waar de arbeidskracht goedkoper is. Anderzijds is het zo dat met de vergrijzing mogelijk opnieuw jobs beschikbaar zullen worden. Bron: Bron:http://www.werk.be/assets/werk.be/cijfers-en-onderzoek/cijfers/levenslang/311_ongekwalificeerde_uitstroom.pdf?SMSESSION=NO

27 Afkomst speelt eveneens een belangrijke rol
Bron: VDAB Studiedienst Schoolverlaters : vergelijkingsbalk: x% alle schoolverlaters zijn niet aan het werk na 1 jaar / hebben geen enkele werkervaring na 1 jaar

28 Restpercentage: aandeel jongeren dat nog werkzoekend is 1 jaar na verlaten school
Uit studie schoolverlaters Studiedienst VDAB: “De provincie Antwerpen telt veruit het grootste aantal schoolverlaters (29%) in Vlaanderen op enige afstand gevolgd door de provincie Oost-Vlaanderen waar 23,5% van de schoolverlaters hun woonplaats hebben. In de andere provincies zijn er beduidend minder schoolverlaters. De schoolverlaters vinden het vlotst hun weg naar de arbeidsmarkt in West-Vlaanderen en Vlaams-Brabant waar 1 jaar na het verlaten van de school ongeveer 1 op 8 schoolverlaters werkzoekend is. In West-Vlaanderen doen schoolverlaters wel beduidend meer werkervaring op dan in Vlaams-Brabant. West-Vlaanderen blijft nog steeds de provincie met een aanzienlijk deel industriële tewerkstelling wat zich vertaalt in een gunstige instroomkans voor mannelijke schoolverlaters. In Vlaams-Brabant hebben mannen het dan weer iets minder makkelijk om een eerste job te vinden. Enigszins verrassend is de relatief goede prestatie van Oost- Vlaanderen dat zich qua instroomkansen voor mannelijke schoolverlaters in deze studie duidelijk distantieert van de provincies Antwerpen en Limburg waar de jobkansen voor jonge mannelijke schoolverlaters op een dieptepunt zijn aanbeland. De situatie voor de vrouwelijke schoolverlaters oogt heel wat beter. Daar waar mannelijke schoolverlaters nog 1 kans op 6 hebben om 1 jaar na het verlaten van de school werkzoekend te zijn is dit bij vrouwen 1 kans op 8. Vrouwelijke schoolverlaters doen het traditioneel goed in Vlaams-Brabant omwille van de goed uitgebouwde dienstensector. Ook in West-Vlaanderen is gezien de crisis de instroom van vrouwelijke schoolverlaters behoorlijk, 1 jaar na het verlaten van de school is 1 op 10 werkzoekend. Antwerpen en zeker Limburg zijn net als bij de mannen ook bij de vrouwelijke schoolverlaters de zorgenkinderen. In Limburg hebben vrouwen ook het minst werkervaring kunnen opdoen van alle Vlaamse provincies.” Bron: VDAB Studiedienst, Werzoekende schoolverlaters in Vlaanderen 25ste Studie , 2010:

29 Andere verklaringen voor werkloosheid
Structureel: mismatch onderwijs-arbeidsmarkt (vaardigheden en attitude) te weinig prikkels voor combinatie werk-onderwijs, stage, … blijvende hoge kost van jobs met lage productiviteit kinderopvang wachtuitkering? Conjunctureel LAFI: last in first out (tijdelijke contracten, investeringen, ervaring) Discriminatie Mismatch onderwijs-arbeidsmarkt: werkgevers stellen dat jongeren onvoldoende worden voorbereid op arbeidsmarkt (zinloze qualificaties en tekort aan attitudes en algemene vaardigheden) Uit studie Schoolverlaters : niet alle studies leiden even vlot naar een job op de arbeidsmarkt. Sommige studies ontwikkelen immers niet de kennis, competenties en ervaring waar werkgevers naar op zoek zijn. Meest problematisch zijn beroepsonderwijsopleidingen en academische bachelors: “Beroepsonderwijs moet toeleiden naar de arbeidsmarkt. Wie een opleiding volgde in het beroepsonderwijs moet zonder meer klaar zijn voor de arbeidsmarkt. Hoewel de ambitie om verder te studeren groeit bij schoolverlaters uit het beroepsonderwijs, moet dit niveau toch eerst en vooral schoolverlaters afleveren die klaar zijn voor de arbeidsmarkt en zonder veel moeite kunnen ingeschakeld worden. Dit is niet altijd het geval. 20% van de schoolverlaters volgde opleidingen die focussen op Kantoor en Verkoop maar weinig kansen bieden op de arbeidsmarkt. Hetzelfde geldt voor Grafische technieken dat gezien de complexiteit voor velen te hoog gegrepen is. Voor de opleidingen Mode ontbreekt dan weer een afzetgebied wegens delocalisatie van deze activiteiten. Hoewel er een grote vraag naar verzorging bestaat komen verzorgenden na een zesde jaar beroepsonderwijs slecht aan de bak. Het beroepsonderwijs is aan een herbronning toe die er moet toe leiden dat schoolverlaters competenties verwerven die samenvallen met de vraag op de arbeidsmarkt. Opleidingen die (te) veel beloven en andere die toeleiden naar te complexe jobs moeten in vraag gesteld worden. Gezien het succes ook van de 7de jaren moeten we de vraag durven stellen of een zesjarige opleiding in het BSO nog wel volstaat. Tot slot willen we nog een oproep doen om aan de opleiding ‘Naamloos leerjaar’ een voor de arbeidsmarktactoren meerzeggende benaming toe te kennen.” “Academisch bachelors zijn niet echt klaar voor de Hoewel academisch gerichte bachelors een diploma verwerven blijft het voor de arbeidsmarkt toch een onvoltooide opleiding wat de cijfers dan ook bewijzen. Enkel schoolverlaters die Gezondheidszorg of Godsdienstwetenschappen studeerden kunnen profiteren van de grote vraag op de arbeidsmarkt.” Bron: Hoge Raad voor de Werkgelegenheid, 2009, Verslag Inschakeling van jongeren in de arbeidsmarkt; OECD, 2007 Jobs for Youth Belgique

30 3. Jeugdwerkgelegenheidsbeleid
Komen tot een oplossing voor vastgestelde problemen

31 De hoofd- en bijrolspelers
Internationaal: ILO (internationale normen), OECD Europees: ‘Europese werkgelegenheidsrichtsnoeren’ (Lissabon strategie): prioriteiten, good practices Federaal: wachttijd, tewerkstellingsmaatregelen: financiële prikkels voor tewerkstelling kansengroepen Gemeenschappen: (afstemming) onderwijs (op noden arbeidsmarkt) Gewesten: bemiddeling en begeleiding, sociale economie, training en opleiding, tewerkstellingsmaatregelen Lokaal: lokale economisch beleid Merk op: hele reeks andere actoren: RVA: recht op uitkeringen en ev. sancties VDAB: bemiddeling en begeleiding Vakbonden/hulpkas: uitdelen uitkeringen werkgevers, interim VESOC/SERV en RESOC/SERR Mutualiteit: ziekte-verzekering OCMW: maatschappelijke integratie Vele private commerciële niet commerciële dienstverleners Interactieve oefening: Welke actoren kunnen volgens jullie helpen om de hierboven geschetste situatie te verbeteren? Politieke complexiteit: veel verschillende beleidsniveaus met elk hun eigen bevoegdheden en macht

32 De EU Lissabon Strategie 2000
De EU moet tegen 2010: 1) de meest dynamische en competitieve kenniseconomie ter wereld worden 2) die in staat is tot duurzame economische groei 3) met meer en betere banen en 4) een hechtere sociale samenhang Europa speelt een erg belangrijke rol: drukt zijn stempel op het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten. Vooral sinds de afkondiging vd zogenaamde Lissabon strategie. In het kader van die strategie worden Europese werkgelegeheidsrichtsnoeren afgesproken door de lidstaten. Dit houdt in dat een reeks doelstellingen mbt tewerkstelling worden vastgelegd die moeten worden bereikt. Daarvoor worden ook indicatoren opgesteld. Richtsnoeren zijn ruim: werkgelegenheid, werkloosheid, maar ook levenslang leren, flexibiliteit, preventieve en curatieve sluitende aanpak

33 Historische context Na-oorlogse welvaartsstaat
model gericht op volledige werkgelegenheid gebaseerd op recht op sociale uitkeringen bij werkloosheid, ziekte, pensioenleeftijd 1970: diepe economische crisis groei van structurele werkloosheid, kwetsbare groepen systeem van hoge uitkeringen onbetaalbaar Aanpassingen aan welvaartstaat werk als centrale focus om systeem betaalbaar te houden uitkeringssysteem waarin disincentives omgezet worden in prikkels om te werken

34 Vertaling op federaal en Vlaams niveau
Eerste beleids-maatregel 2004: introductie van de sluitende aanpak De preventieve aanpak De curatieve aanpak (de stock) 2004: samenwerkingsakkoord tussen de federale overheid, de gewesten en de gemeenschappen (RVA-VDAB) Elektronische uitwisseling gegevens RVA-VDAB; art. 80 => controle op werkZOEKgedrag 2002 OCMW: bestaansminimum => leefloon (-25 jarigen nadruk op activering GPMI) Tweede beleids-maatregel Sluitende aanpak: Geïndividualiseerd Project voor Maatschappelijke Integratie (GPMI) Met jongeren onder de 25 jaar die beroep doen op recht op maatschappelijke integratie, sluit het OCMW een 'geïndividualiseerd project maatschappelijke integratie' af, zoals: • Het volgen van een opleiding.   • Het voltooien van studies.   • Het aanvaarden van begeleiding bij zelfstandig wonen. • Budgetbegeleiding. • Arbeidsbegeleiding.

35 Wat bekijken we op volgende slides?
De sluitende aanpak in Vlaanderen – VDAB Controle op werkzoekgedrag door VDAB en RVA Andere beleidsmaatregelen

36 3.1. Beleidsrespons 1 De sluitende aanpak

37 Beleidsrespons 1: de sluitende aanpak
1e Europese richtsnoer : Elke jonge werkloze (-25) met voor hij/zij 6 maanden werkloos is een nieuwe start worden geboden = opleiding, omscholing, werkervaring, een baan of individuele beroepskeuzebegeleiding, andere maatregelen

38 het Jeugdwerkplan Het “jeugdwerkplan plus” heeft als doel alle Vlaamse jongeren zo snel mogelijk te activeren en zo snel en maximaal mogelijk te laten doorstromen naar een duurzame tewerkstelling in het normaal economisch circuit via een snellere diagnose en intensievere en snellere bemiddeling en opvolging. De beleidsverschuiving die we zonet besproken hebben krijgt een concrete vertaling in het JWP. Het JWP is het gevolg van STGP: in 13 steden en gemeenten werd geëxperimenteerd met nieuwe methodieken om jongeren te begeleiden naar werk. Op basis van de resultaten van dit plan werd een Jeugdwerkplan uitgetekend dat nu wordt uitgevoerd in heel Vlaanderen. Voor alle werkzoekende jongeren jonger dan 25 (ongeveer jongeren schat VDAB) Voorganger: STGP: 13 steden en gemeenten (afgekondigd oktober 2005; jan 2006-dec 2007) waar jeugdwerkloosheid hoog is; deze steden en gemeenten krijgen extra middelen om acties te ondernemen om jeugdwerkloosheid te bestrijden; acties kunnen zowel van preventieve als curatieve aard zijn, ook voor jongeren die deeltijds werken en studeren en jongeren die beroep moeten doen op maatschappelijke integratie; ook speciale aandacht voor kortgeschoolde langdurig werkzoekende jongeren (lokale diensteneconomie); twee luiken: reguliere arbeidsmarkt (VDAB) en sociale economie (lokale overheid); regionale invulling en belang van open partnerschap resultaat: jeugdwerkloosheid zou meer gedaald zijn in deze steden dan in andere => beslissing om JWP te veralgemenen naar heel vlaanderen; verspreiding van good practices Bron: Voorstel Jeugdwerkplan Vlaanderen (14/09/08;

39 Principes van het JWP (deel 1)
Duidelijke en snelle explicitering van wederzijdse verwachtingen tussen de jongeren en de VDAB vanaf de inschrijving Transmissie naar RVA (ev. sancties) indien niet wordt voldaan aan plichten Intensieve bemiddeling vanaf de inschrijving gebruik makend van de nieuwe media (SMS, ) Snelle inschatting van de plaatsbaarheid van de jongeren Differentiatie op basis van persoonlijk profiel en individuele kenmerken, minder op groepskenmerken Intensieve opvolging van het werkaanbod op maat (jobhunting) voor plaatsbare werkzoekenden, JWP: sluitende aanpak ter bestrijding en voorkoming van jongerenwerkloosheid: jongeren krijgen meteen smsjes, mailtjes met vacatures jongeren worden binnen de maand na inschrijving uitgenodigd voor een uitleg mbt JWP en de verschillende isntanties waar ze langs moeten + persoonlijk gesprek jongeren die snel kunnen geplaatst worden in een job: zeswekelijkse opvolginggesprekken snelle inschatting van kansen op reguliere arbeidsmarkt: jongeren die meer hulp behoeven: evaluatie; ten laatste 4 maanden na inschrijving snelle inschatting van nood aan extra begeleiding: oriëntatie, hulp bij zoektocht, nood aan opleiding, nood aan sollicitatietraining, nood aan taalles,... job hunting: je wordt begeleid door een VDAB-medewerker (of tender) in je zoektocht op intensieve wijze: medewerker zoekt intensief mee naar vacatures, organiseert inleefstages, gaat mee op sollicitatie, kent alle tewerkstellingsmaatregelen die kunnen helpen om werkgever te overtuigen jongere in dienst te nemen job coaching: je wordt wegwijs gemaakt op de werkvloer door een VDAB-medewerker (of tender): begeleid je eerste dagen en zorgt voor afstemming van wederzijdse verwachtingen aan zijde werknemer en werkgever Bron: Voorstel Jeugdwerkplan Vlaanderen (14/09/08;

40 Principes van het JPW (deel 2)
Snelle identificatie van mogelijke drempels tot tewerkstelling voor (tijdelijk) niet direct plaatsbare jongeren Snelle opstelling van een actieplan voor het remediëren van mogelijke drempels Efficiënt, effectief en structureel wegwerken van deze drempels o.a. door: Ontwikkeling van een specifiek aanbod van observatie, oriëntatie en remediering voor jongeren die niet aan het werk geraken via de intensieve bemiddeling Individuele opleidingstrajecten op maat van de doelgroep Bron: Voorstel Jeugdwerkplan Vlaanderen (14/09/08;

41 Flow chart van het JWP

42 Overzicht

43 Kwalitatieve evaluatie vh JWP door VDAB (1)
Sterke punten: Maatwerk Intensieve bemiddeling Kort op de bal spelen Het niet loslaten van jongeren Mix van individuele en collectieve begeleiding Duidelijk rechten en plichten verhaal Goede samenwerking met partners Maatwerk: aandacht voor individuele kenmerken ipv groepskenmerken Intensieve bemiddeling: online vacature matching; sms en mail met vacatures Kort op de bal spelen: snelle reactie wanneer jongere werkzoekend wordt Het niet loslaten van jongeren: blijvend opvolgen na een uitnodiging Mix van individuele en collectieve begeleiding Duidelijk rechten en plichten verhaal Goede samenwerking met partners

44 Kwalitatieve evaluatie vh JWP door VDAB (2)
Zwakke punten: Niet altijd passende vacatures via de online automatische matching Economische crisis Jongere heeft geen vaste consulent Grote administratieve belasting voor consulenten Overgang van strikte richtlijnen naar het bieden van maatwerk Niet altijd passende vacatures via de online automatische matching: past niet bij profiel, te ver van huis, reeds gekregen via VDAB of interim Economische crisis: jongeren stromen wel in maar niet uit Jongere heeft geen vaste consulent Grote administratieve belasting voor consulenten Overgang van strikte richtlijnen naar het bieden van maatwerk

45 Kwalitatieve evaluatie JWP door VDAB (3)
Knelpunten: Te weinig kinderopvang Te weinig aanbod in sociale economie Schoolaanbod onvoldoende afgestemd op arbeidsmarkt Ex-gedetineerde jongeren weinig kans door strafblad

46 Gevolgen evaluatie JWP bestaat nog
Aanpassingen om zwakke punten aan te pakken

47 3.2. Beleidsrespons 2 Activering door opvolging en sanctionering

48 Beleidsrespons 2: activering
Van passieve verzorgingsstaat naar actieve welvaartstaat Van controle op werkLOOSheid naar controle op werkZOEKENDheid Rechten maar óók plichten Sancties bij niet naleving plichten Actief arbeidsmarktbeleid: overheid doet inspanning om rechten te vervullen Sluitende aanpak: geen werkzoekenden instromen in de langdurige werkloosheid zonder een ‘nieuwe start’ onder de vorm van een traject op maat (F. Leroy: “Elke werkzoekende tijdig op weg naar duurzame tewerkstelling zetten”) Europese richtsnoer nr 17 van 2004: “elke nieuw ingeschreven werkzoekende een ‘nieuwe start’ te bieden vooraleer hij of zij langdurig werkloos wordt – dit is voor de zesde maand bij jonge werkzoekenden en voor de twaalfde twaalfde maand bij volwassen werkzoekenden – en om jaarlijks ten minste 25% van de langdurig werklozen te activeren via een opleiding, omscholing of werkervaring.” ( Administratie Werkgelegenheid (2004), ‘Europa wijst Vlaanderen de weg naar een sluitende aanpak van werkloosheid’ in Over.werk, Nr. 4) MAW: beleid is gericht op het voorkomen van langdurige werkloosheid door een nieuwe aanpak: er wordt niet langer louter gecontroleerd of een werkzoekende wel werkLOOS is, maar er wordt vooral gecontroleerd of de werkzoekende wel degelijk werkZOEKEND is; bovendien vindt niet langer louter CONTROLE plaats maar ook BEGELEIDING DUS: recht op begeleiding (op maat) enerzijds en plicht tot actie ondernemen anderzijds Dit vereist een nieuwe aanpak van de VDAB -> zie jongeren: het Jeugdwerkplan “Binnen de zes maanden wordt elke werkzoekende opgeroepen om een aangepast en verplicht individueel traject te volgen, met attitudevorming, opleiding op de werkvloer, training en werkervaring” (Vlaams Regeerakkoord 2004, p. 21)

49 Activering d.m.v. (dreiging tot) sanctionering
Wie controleert wat? RVA roept alle langdurig werkzoekenden (min 15 mnd) op ter VDAB meldt aan de RVA wanneer de werkzoekende in gebreke blijft RVA roept alle langdurig werkzoekenden (min 15 mnd) op ter controle van inspanningen op het zoekgedrag – er wordt rekening gehouden met persoonlijke situatie en arbeidsmarkt situatie regio VDAB meldt aan de RVA wanneer de werkzoekende in gebreke blijft: afwezigheden op uitnodigingen, weigering om in te gaan op een bemiddelingsaanbod, een trajectovereenkomst, Weigering om in te gaan op een werkaanbod, een opleidingsaanbod,…

50 Activering d.m.v. (dreiging tot) sanctionering
Welke sanctie? 1e evaluatiegesprek: indien onvoldoende gezocht naar werk: opstelling actieplan voor komende 4 maanden 2e evaluatiegesprek: indien verbintenis niet werd nageleefd: intensievere acties worden opgelegd + mogelijk wijziging van uitkering 3e evaluatiegesprek: indien verbintenis niet of onvoldoende werd nageleefd: tijdelijk verlies van recht op uitkering 1e evaluatiegesprek: indien onvoldoende gezocht naar werk: opstelling actieplan voor komende 4 maanden 2e evaluatiegesprek: indien verbintenis niet werd nageleefd: intensievere acties worden opgelegd + mogelijk wijziging van uitkering 3e evaluatiegesprek: indien verbintenis niet of onvoldoende werd nageleefd: tijdelijk verlies van recht op uitkering Bron: VDAB:

51 RVA opvolging De opvolgingsprocedure van RVA RVA, 2009

52 Omvang van transmissie door VDAB
1 229 / 6472 transmissies = 18,9% ( )/6742 = 9,9% moeilijk bereikbaren Bron: Van Hemel, L. en Darquenne, R. (2009), Een andere kijk op hardnekkige jeugdwerkloosheid: Aanbevelingen en succesfactoren bij de inschakeling van laaggeschoolde jongeren, Koning Boudewijnstichting. [eigen bewerking] Formule voor 8% ‘moeilijk bereikbaren’: (1 229 – (1229*0,561)) / 6472

53 Jongeren over activering
“De VDAB ik ga daar niet meer heen als die uitnodigingen sturen. Ge denkt dat die psychologie ofzo hebben gestudeerd maar nee die kunnen alleen met Word en Excel werken.” “Anders zouden er veel zijn die niks doen. Dan zou iedereen stempelen of een leefloon aanvragen.” “De RVA en de VDAB, ze zeggen iedereen is gelijk voor de wet. Maar ze houden geen rekening met alleenstaande moeders. Ge krijgt direct een schorsing in plaats van eerst een verwittiging te geven.” “Ik moest sollicitatietraining volgen, maar ik kan solliciteren. Ik heb dat tegen die mevrouw uitgelegd, maar ik moest dat volgen. (…) Ik vind dat ze toch meer rekening moeten houden met u. Bron: Van Hemel, L. en Darquenne, R. (2009), Een andere kijk op hardnekkige jeugdwerkloosheid: Aanbevelingen en succesfactoren bij de inschakeling van laaggeschoolde jongeren, Koning Boudewijnstichting.

54 Pro’s van activering d.m.v. sanctionering
Tegenover rechten staan plichten Graag ‘een schop onder de kont’ In België is sanctionering geen cowboy-verhaal VDAB levert veel inspanningen van VDAB Ook na transmissie naar RVA kan jongeren rekenen op ondersteuning VDAB Jongeren geven aan dat ze wel ‘een schop onder de kont’ kunnen gebruiken In België is sanctionering geen cowboy-verhaal: jongeren hebben niet alleen plichten, maar ook rechten! Er worden inspanningen geleverd om jongeren tijdig een traject op maat aan te leveren. Inspanningen van VDAB om jongeren uit kansengroepen meer tijd/kansen te geven; bijv. activeringsconsulenten: nemen contact op met allochtone jongeren die niet ingaan op een uitnodiging Ook na transmissie naar RVA kan jongeren rekenen op ondersteuning VDAB Jongeren en werk: een introductie Bron: Van Hemel, L. en Darquenne, R. (2009), Een andere kijk op hardnekkige jeugdwerkloosheid: Aanbevelingen en succesfactoren bij de inschakeling van laaggeschoolde jongeren, Koning Boudewijnstichting. [eigen aanvullingen]

55 Bedenkingen m.b.t. activering d.m.v. sanctionering
Voldoende info mbt rechten en plichten? Onterechte culpabilisering Niet zinvol voor meest kwestbare jongeren voor wie werk (tijdelijk) geen optie is Wat is ‘actief’ zijn? Ook vrijwilligerswerk, huismoeder? Jongeren schrijven zich niet altijd terug in bij VDAB VDAB wordt gezien als ‘schorsingsmachine’ en ‘opjager’ ipv dienstverlener Voldoende info mbt rechten en plichten? Jongeren blijken uit de lucht te vallen. Gevaar voor culpabilisering: reden voor werkloosheid wordt eenzijdig bij werkzoekende gelegd? Zijn er wel jobs op ieders maat? Stellen werkgevers niet teveel eisen? Moeten ook zij geactiveerd worden? Misschien een push voor jongeren die weinig gemotiveerd zijn om te werken of op de informele markt werken, maar niet voor meest kwestbare jongeren voor wie werk (tijdelijk) geen optie is omwille van één of meerdere ernstige problemen Sanctionering kan maar op voorwaarde dat VDAB ook passend aanbod heeft voor deze moeilijk bemiddelbare jongeren Wat is ‘actief’ zijn? Ook vrijwilligerswerk, huismoeder? Jongeren schrijven zich niet altijd terug in bij VDAB VDAB krijgt imago van ‘schorsingsmachine’ en ‘opjager’: schrikt jongeren (onterecht?) af wat een goede relatie al op voorhand bemoeilijkt Bron: Van Hemel, L. en Darquenne, R. (2009), Een andere kijk op hardnekkige jeugdwerkloosheid: Aanbevelingen en succesfactoren bij de inschakeling van laaggeschoolde jongeren, Koning Boudewijnstichting. [eigen aanvullingen]

56 3.2. Beleidsrespons 3 Andere maatregelen

57 Andere maatregelen Financiële stimulansen voor werkgevers
Startbanen en doelgroepvermindering (fed.) Activa start (laaggeschoolden) (fed.) Maatregelen voor alle werkzoekenden -> kluwen van maatregelen Stage, alternerend leren en werken, IBO… (Vlaams) Maatregelen voor specifieke doelgroepen Sociale economie (Vlaams/fed) Diversiteitsplannen (Vlaams) Tegemoetkomingen personen met een handicap (fed)

58 4. Twee aandachtsgroepen
Moeilijk bemiddelbare en moeilijk bereikbare jongeren

59 Twee aandachtsgroepen die wijzen op de limieten van activering
Moeilijk bemiddelbaren Moeilijk bereikbaren Merk op: overlappen elkaar deels Moeilijk bemiddelbaren: nood aan aangepast aanbod voor jongeren die meer tijd, begeleiding, oriëntatie nodig hebben; aandacht voor andere problematieken: MMPP, taal, mobiliteit, arbeidshandicap -> aanpassing trajectmodel JWP, maar voldoende? Moeilijk bereikbaren: kunnen/willen jongeren de weg niet vinden of is het aanbod onaangepast aan hun noden (weinig tijd, weinig aandacht vr randvoorwaarden, te moeilijke communicatie, gebrek aan zelfvertrouwen, gebrek aan zelfkennis)? -> ‘find bind mind’; experimenten non-respons

60 4.1. Moeilijk bemiddelbare jongeren

61 Moeilijk bemiddelbare jongeren bij VDAB-Antwerpen 2008
Totaal N=3119 % Type 1: geen hindernissen 483 15,49 Type 2: enkel AM-gerelateerde hindernissen 1 567 50,24 Type 3: AM-gerelateerde en andere hindernissen 1 069 34,27 Om een beeld te vormen van de omvang en de samenstelling van de groep werkzoekende jongeren: vaststellingen op basis van onderzoek ‘Restgroep Antwerpen’ We onderzochten de groep van werkzoekenden in Antwerpen die: <1jaar werkzoekend zijn zonder enige werkervaring >1 jaar werkzoekend zijn (al dan niet met werkervaring) We vinden 3 types (zie tabel). Opvallend: 1/3 heeft niet alleen AM-, maar ook niet-AM hindernissen Arbeidsmarktgerelateerde hindernissen: tekort aan ervaring, opleiding en motivatie en onvoldoende kennis Nederlands Niet-arbeidsmarktgerelateerde hindernissen: drempels in het persoonlijke en zorg- of welzijnsdomein:sociale redenen, mobiliteit, medische en psychische redenen en fysieke kenmerken oa zorgtaak, werkloosheidsval, kansarmoede, mobiliteitsprobleem, ongunstige leeftijd, ongeletterdheid, psychische problemen,… De 3119 jongeren zijn: <1jaar werkzoekend zonder enige werkervaring, of >1 jaar werkzoekend (al dan niet met werkervaring) Bron: Struyven, Heylen & Van Hemel, 2010, De (nog) niet bemiddelbaren: een verloren groep op de Antwerpse arbeidsmarkt?, Leuven: HIVA

62 De moeilijk bemiddelbare jongeren bij VDAB-Antwerpen, 2008
Totaal N % Werkloosheidsredenen Beroepskennis en attesten 1 836 58,87 Werkzoekgedrag 1 384 44,37 Externe factoren 1 091 34,98 Sociale redenen 470 15,07 Kennis Nederlands 434 13,91 Medische redenen 212 6,80 Psychische redenen 172 5,51 Randvoorwaarden Mobiliteit 450 14,43 Zorgtaak 109 3,49 Fysieke kenmerken 74 2,37 Geletterdheid 57 1,83 Kansarmoede 42 1,35 Leeftijd 36 1,15 Werkloosheidsval 0,00 3 119 100,00 Bron: Struyven, Heylen & Van Hemel, 2010, De (nog) niet bemiddelbaren: een verloren groep op de Antwerpse arbeidsmarkt?, Leuven: HIVA

63 4.2. Moeilijk bereikbare jongeren

64 De moeilijk bereikbaren
Populatie WZ jongeren (<25 jaar) in Vlaanderen in 2009 (N=45 344) WZ jongeren (<25 jaar) in de experimenten sinds hun start t.e.m. december 2009 (N=270) Gender (%mannen) 57,5 % 71,9 % Opleidingsniveau (% laag – midden – hoog) 51 – 35,7 – 13,3 % 85,2 – 14,4 – 0,37 % Afkomst (% allochtoon) 20,2 % 49,3 % Werkloosheidsduur (% < 1 jaar – 1 tot 2 jaar - > 2 jaar) 80,2 – 14,1 – 5,7 % 43 – 34 – 23 % Arbeidshandicap (% met) 9,3 % 17,8 % Bron: Van Parys, L. en Struyven, L. (2010), Ongepaste vragen of een ongepast antwoord, Eindrapport evaluatieonderzoek ‘Experimenten moeilijk bereikbaren in het kader van het Jeugdwerkplan’ , Leuven: HIVA-K.U.Leuven. Bron: Van Parys, L. en Struyven, L. (2010), Ongepaste vragen of een ongepast antwoord, Eindrapport evaluatieonderzoek ‘Experimenten moeilijk bereikbaren in het kader van het Jeugdwerkplan’ , Leuven: HIVA-K.U.Leuven.

65 De moeilijk bereikbare jongeren (Van Parys, 2010)
Arbeidsmarktobstakels: 44% heeft geen realistsch jobdoelwit (oordeel TB) ¾ niet in staat zelfst. vacatures te zoeken (oordeel TB) ¾ niet in staat zelfst. te solliciteren (oordeel TB) 11% beperkte tot geen kennis Nederlands 78% geen rijbewijs WEL: >70% heeft een vorm van werkervaring Bron: Van Parys, L. en Struyven, L. (2010), Ongepaste vragen of een ongepast antwoord, Eindrapport evaluatieonderzoek ‘Experimenten moeilijk bereikbaren in het kader van het Jeugdwerkplan’ , Leuven: HIVA-K.U.Leuven.

66 De moeilijk bereikbare jongeren (Van Parys, 2010)
Verklaring moeilijke bereikbaarheid: 2 afstemmingsproblemen tussen VDAB-aanbod en de jongeren: Aanbod onvoldoende laagdrempelig (taal, vereiste vaardigheden, afspraken) Aanbod niet gericht op niet-werkgerelateerde obstakels Jongeren voelen (nog) geen nood aan VDAB Jongeren lopen verloren in dienst- en hulpverlening Relevantie slide: ook opleidingsverstrekkers kunnen geconfronteerd worden met dit probleem: hoe kan aanbod van Cevora meer bereikbaar worden gemaakt voor jongeren. We zien een belangrijk aandachtspunt: afstemming aanbod op noden en wensen van jongeren Bron: Van Parys, L. en Struyven, L. (2010), Ongepaste vragen of een ongepast antwoord, Eindrapport evaluatieonderzoek ‘Experimenten moeilijk bereikbaren in het kader van het Jeugdwerkplan’ , Leuven: HIVA-K.U.Leuven.

67 De moeilijk bereikbare jongeren (Van Parys, 2010)
½ vond job, maar helft ervan kon job niet verlengen of behouden: Werkgever: attitude geleverde productiviteit en kwaliteit conjunctureel Jongeren: niet-werkgerelateerde problemen jobinhoud en verloning problemen met collega’s Bron: Van Parys, L. en Struyven, L. (2010), Ongepaste vragen of een ongepast antwoord, Eindrapport evaluatieonderzoek ‘Experimenten moeilijk bereikbaren in het kader van het Jeugdwerkplan’ , Leuven: HIVA-K.U.Leuven.

68 De moeilijk bereikbaren (Van Parys, 2010)
1/3 vatte opleiding aan, maar heel wat onder hen hebben moeilijkheden om een opleiding af te werken: Job > opleiding Opleiding niet in overeenstemming met verwachtingen Faalangst, moeilijk leren Niet-werkgerelateerde problemen Weinig doorzettingsvermogen Korte termijn denken De jongeren vonden een job en gaven daar de voorkeur aan. De jongeren stelden vast dat het toch niet is wat ze verwacht hadden. De jongeren blijken faalangst te hebben en/of moeilijkheden om de leerstof te verwerken. Mogelijk heeft dit ook gevolgen voor hun attitude en motivatie. De jongeren dagen niet op omwille van niet-werkgerelateerde problemen (o.a. financieel, familiaal/relationeel, justitieel, medisch). De begeleiders menen dat sommige jongeren net te snel opgeven en dus wat meer doorzettingsvermogen aan de dag zouden mogen leggen. Het korte termijn denken van jongeren zou dit bemoeilijken. Eén jongere zette de opleiding stop omdat hij zijn uitkering zou verliezen. Bron: Van Parys, L. en Struyven, L. (2010), Ongepaste vragen of een ongepast antwoord, Eindrapport evaluatieonderzoek ‘Experimenten moeilijk bereikbaren in het kader van het Jeugdwerkplan’ , Leuven: HIVA-K.U.Leuven.

69 Samenvatting

70 Samenvatting Intrede arbeidsmarkt: Jeugdwerkloosheid: Beleid:
Abrupt en eerder laat Zoekkanaal ≠ vindkanaal Gevonden job: tertiair, tijdelijk en voltijds Over algemeen tevreden Mismatch probleem – problematisch? Jeugdwerkloosheid: Vlaanderen < Ned, Denemarken, Ierland; > Brussel, Wallonië Jongeren >> ouderen Specifieke groepen extra kwetsbaar: laaggeschoolden, allochtonen, jongeren met handicap, bep. Opleidingen, zonder rijbewijs/auto, zorgtaak conjunctuur!: last in first out Beleid: Belang Europa Sluitende aanpak + controle zoekgedrag + andere maatregelen

71 Uitdagingen voor Vlaanderen
Link onderwijs-arbeidsmarkt: Terugdringen ongekwalificeerde uitstroom Kansen voor laaggeschoolde jongeren: werkervaring, opleiding, stage, …? Aantrekkelijkere combinatie leren-werken? Afstemming onderwijs op noden en wensen arbeidsmarkt (let wel: zonder algemeen vormende taak van onderwijs in gevaar te brengen!) Aandacht voor moeilijkheden specifieke groepen jongeren De competentieagenda Wat met de wachtuitkering? Wat met flexicurity? (voorlopig nog federaal)

72 Bijlagen Rechten en plichten werkzoekende Bronnen

73 Rechten van de werkzoekende
Recht op arbeid Wie werk zoekt, heeft recht op een job en een eerlijke kans op de arbeidsmarkt. Iedereen die bij ons aanklopt, helpen wij zo snel en efficiënt mogelijk. Het is onze plicht om elke werkzoekende optimaal bij te staan bij het vinden van een geschikte job. Bovendien zorgen wij ervoor dat alles wettelijk in orde is. Recht op opleiding Hoe beter je bent opgeleid, hoe groter je kans om snel een job te vinden. Bij VDAB kan je een keuze maken uit een ruim opleidingsaanbod, aangepast aan je behoeften en de eisen van het bedrijfsleven. Met een opleiding van VDAB blijf je bij en verhoog je je kansen op de arbeidsmarkt. Recht op begeleiding Zodra je bent ingeschreven, kan je genieten van onze uitgebreide dienstverlening. Als je dat wenst, begeleidt je VDAB-consulent je actief. Samen stippel je dan een stappenplan uit op maat, de kortste weg naar een passende job. Onze consulenten houden niet alleen rekening met je mogelijkheden, maar ook met je wensen. Recht op service Ben je niet tevreden over een dienst van VDAB? Aarzel niet om te bellen naar het gratis nummer (elke werkdag van 8 tot 20 uur). Onze medewerkers zoeken samen met jou naar een oplossing. De servicelijn is er om VDAB nog klantvriendelijker te maken en de dienstverlening te verbeteren. Recht op gelijke kansen Man of vrouw, blank of zwart, arm of rijk, jong of oud, Belg of buitenlander, gelovig of niet: VDAB is er voor iedereen. Personen met een handicap krijgen specifieke ondersteuning indien zij hierom verzoeken. Recht op informatie Zodra je bent ingeschreven als werkzoekende bij VDAB, krijg je de nodige informatie over je rechten, plichten en mogelijkheden. Recht op privacy Als je je inschrijft bij VDAB moet je bepaalde gegevens ingeven die opgenomen worden in ons ‘Arbeidsmarkt-Informatie-Systeem’. Om je zo goed mogelijk te helpen bij je zoektocht naar werk, is het belangrijk dat niet alleen wij, maar ook onze partners de werkwinkel, zoals OCMW, PWA (Plaatselijk Werkgelegenheidsagentschap) en ATB (Arbeidstrajectbegeleiding) jouw gegevens kunnen inkijken. Heb je liever niet dat onze partners je gegevens kunnen inkijken? Geen probleem. Je kan dit op elk moment laten weten op het nummer of aan je VDAB-consulent. Deze beslissing kan je nadien nog wijzigen. Bron:

74 Plichten van de werkzoekende
Schrijf je in Heb je net je studies beëindigd en zit je zonder werk? Of ben je je job kwijtgeraakt en wil je een werkloosheidsuitkering aanvragen? Dan is het belangrijk om je zo snel mogelijk in te schrijven bij VDAB. Als je je inschrijft kan je bovendien gebruik maken van een uitgebreide dienstverlening. Vervolledig je gegevens Het is erg belangrijk dat je de juiste gegevens ingeeft als je je inschrijft. En dat je ook nauwgezet je kennis, vaardigheden en wensen vermeldt. Anders loop je kans dat VDAB vacatures naar je doorstuurt die niet aansluiten bij je profiel. Wijzigt er iets in je situatie: ander telefoonnummer, een job gevonden ...? Pas je gegeven aan. Je kan dit zelf doen via 'Dossiermanager' in Mijn VDAB of je kan de wijzigingen telefonisch doorgeven op het gratis nummer (elke werkdag van 8 tot 20 uur). Ga in op uitnodigingen Als VDAB je uitnodigt voor een gesprek, voor een job of voor een opleiding, ben je verplicht om op deze uitnodiging te reageren. Kan je omwille van dringende zaken niet ingaan op de uitnodiging? Meld dit aan je VDAB-consulent. Indien mogelijk kan je de afspraak verplaatsen. Reageer je niet of is VDAB van oordeel dat de reden die je opgaf ongeldig is? Dan moet VDAB hier de RVA van op de hoogte brengen. Ben je jonger dan 25 en ben je 2 maanden nadat je je inschreef als werkzoekende nog werkloos? Dan zal VDAB je uitnodigen voor een eerste gesprek. VDAB onderneemt namelijk extra acties om jongeren aan werk te helpen. Ben je al 15 of 21 maanden werkloos? Dan moet je ingaan op controle van de RVA. Je zal door de RVA opgeroepen worden voor een evaluatiegesprek. Doel: nagaan of je voldoende inspanningen levert om werk te vinden. Deze controle kadert in de zogenaamde 'activering van het zoekgedrag naar werk'. Werk op een positieve manier mee VDAB gaat voor jou op zoek naar een gepaste job. Je wordt ingelicht als wij menen die voor jou gevonden te hebben. Belangrijk is dat je reageert en ingaat op het aanbod. Zoek actief naar werk Tot slot is het natuurlijk ook je plicht om actief naar werk te blijven zoeken. Deze site biedt je alvast heel wat mogelijkheden: in de jobdatabank op zoek gaan naar geschikte vacatures, je cv publiceren in de sollicitantenbank zodat werkgevers hem kunnen bekijken, via Mail op Maat op de hoogte blijven van het jobaanbod op je maat … Bron:

75 Bronnen Beleid Internationaal: OECD (www.oecd.org), ILO (www.ilo.org)
Europees: Europese Werkgelegenheidsstrategie: richtsnoeren 17 tem 24 (http://ec.europa.eu/social/main.jsp?catId=101&langId=en ) Nationaal: ; Regionaal: ; Lokaal: OECD: Organisation for Economic Cooperation and Development (OESO in het Nederlands: Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling) ILO: International Labour Organization (IAO in het Nederlands: Internationale Arbeidsorganisatie)

76 Bronnen Statistische info
Internationaal: Eurostat (ec.europa.eu/eurostat ), OECD (www.oecd.org), ILO (www.ilo.org) Federaal: (klik door nr Arbeidsmarktportaal) Vlaams: Overheid: (beleid en Kwartaalbericht Conjunctuur & Arbeidsmarkt , Vlaamse arbeidsrekening); aps.vlaanderen.be Steunpunt Werk en Sociale Economie (WSE): cijfers en wetenschappelijk tijdschift Over.werk; VDAB: HIVA-publicaties: Belangrijke concepten De activiteitsgraad geeft het aantal arbeidskrachten (werkenden en werklozen), m.a.w. de beroepsbevolking, in procenten van de bevolking tussen 15 en 64 jaar. (indien niemand niet-beroepsactief is, zou de activiteitsgraad 100% bedragen; niet-beroepsactieven zijn bijv. studenten, huismoeders of personen met een handicap die hen verhinderd te werken) De werkzaamheidsgraad (of tewerkstellingsgraad) geeft het aantal personen met een betrekking (werkenden) in procenten van de bevolking tussen 15 en 64 jaar. (dus indien alle leden van de beroepsbevolking aan het werk zijn (=VRAAG), zal de activiteitsgraad = werkgelegenheidsgraad, als er mensen werkloos zijn dan is werkgelegenheidsgraad < activiteitsgraad) De werkgelegenheidsgraad geeft het aantal arbeidsplaatsen (=AANBOD, zowel loondienst als zelfstandigen) in procenten van de bevolking tussen 15 en 64 jaar. De werkloosheidsgraad geeft het aantal werklozen in procenten van de arbeidskrachten (werkenden en werklozen in de zin van het IAB). Merk op: het Nationaal Instituut voor de Statistiek maakt niet altijd een onderscheid tussen werkzaamheid en werkgelegenheid. Werkgelegenheid moet vaak worden begrepen als werkzaamheid. Kijk steeds de definities na die bij de statistieken worden gegeven. Arbeidskrachten = beroepsbevolking: werkenden + werklozen (of: mensen op beroepsactieve leeftijd – mensen op beroepsactieve leeftijd die niet actief zijn) Werkloosheid (definitie van de Internationale Arbeidsorganisatie en dus niet de administratieve): Tot de werklozen in de zin van het IAB (actieve bevolking zonder betrekking) behoren alle personen boven de leeftijd van 15 jaar, die gedurende de referentieperiode: ⇒ “zonder werk” waren, d.w.z. geen werkende in loondienst of zelfstandige waren zoals hierboven bepaald; ⇒ “direct beschikbaar” waren voor werk in loondienst of als zelfstandige; voor de EAK betekent dit beschikbaar om een tijdens de referentieperiode gevonden betrekking op te nemen binnen de twee weken; ⇒ “werk zochten”, d.w.z. in een recente periode specifieke stappen hadden ondernomen om werk in loondienst of als zelfstandige te zoeken (voor de EAK worden alleen de methodes opgenomen die tijdens de vier weken vóór de enquête werden gebruikt; personen die werk gevonden hadden (vóór of tijdens de referentieweek) dat hoogstens drie maanden later begint, worden gerangschikt onder de IAB-werklozen, ongeacht de ondernomen stappen tijdens de afgelopen vier weken. Niet actief: “De “inactieve bevolking” omvat alle personen die niet economisch actief waren in bovenvermelde zin, inclusief diegene jonger dan 15 jaar, namelijk: personen die zich uitsluitend met het huishouden bezig houden (vrouw of man aan de haard), die als vrijwilliger werken (bijvoorbeeld voor een humanitaire instelling), studenten en gepensioneerden (voor zover ze niet de minste vergoede activiteit uitoefenen). Deze definitie komt overeen met de optiek van de Nationale Rekeningen die onbezoldigde arbeid, thuis of elders, niet opnemen in de berekening van het Bruto Nationaal Product en is gericht op de coherentie van economische statistieken (nationale rekeningen) en sociale statistieken (arbeidsrekeningen).” Beroepsactieve leeftijd: jaar, maar soms ook of 25-64; steeds opletten dus bij het vergelijken van cijfers!!! (Bron: )

77 Bronnen Website bib: http://opac.libis.be Wetenschappelijke literatuur
Tijdschriften: Over.werk (WSE), Belgisch Tijdschrift voor Sociale Zekerheid, (Journal of European Social Policy, Socio-economic review): Databanken met tijdschriften: Website bib:

78 Nog vragen? Liesbeth Van Parys Wetenschappelijk medewerker HIVA


Download ppt "Jongeren en werk in een snapshot"

Verwante presentaties


Ads door Google