De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

11-2-2016 | 1 ›Jacob Dijkstra ›ICS / Rijksuniversiteit Groningen Emergente Maatschappelijke Verschijnselen Docentendag Maatschappijleer 2016.

Verwante presentaties


Presentatie over: "11-2-2016 | 1 ›Jacob Dijkstra ›ICS / Rijksuniversiteit Groningen Emergente Maatschappelijke Verschijnselen Docentendag Maatschappijleer 2016."— Transcript van de presentatie:

1 | 1 ›Jacob Dijkstra ›ICS / Rijksuniversiteit Groningen Emergente Maatschappelijke Verschijnselen Docentendag Maatschappijleer 2016

2 | 2 Overzicht: ›Sociale verschijnselen en social mechanismen ›Cases Geografische spreiding van werkloosheid Opkomst en ondergang van het ghetto Frustratie en anomie ›Actualiteit en sociale mechanismen ›Instituties en sociale mechanismen: groepsbeslissingen

3 Sociale Mechanismen (1) ›Methodologisch individualisme en sociale mechanismen: Coleman (1990) Macro: Micro: | 3 Sociale toestand 1 Effecten op individu Gedrag van individu Sociale toestand 2 situationeel actie-formatie actie-transformatie

4 Sociale Mechanismen (2) ›We vinden een sociologische verklaring pas compleet als alle stappen van de Coleman boat doorlopen worden ›De uitkomst op macroniveau (sociale toestand 2) is geen ‘eenvoudige optelling’ van individuele gedragingen | 4 Onbedoelde neveneffecten en ‘emergent properties’ staan centraal in de sociologie Het welzijn van individuen wordt dikwijls meer bepaald door emergent properties dan door hun eigen doelgerichte handelen

5 Sociale Mechanismen (3) ›De oorzaak op macroniveau (i.e., ‘sociale toestand 1’) bestaat dikwijls uit gedrag van anderen: hoe kunnen we de invloed van het gedrag van anderen op het gedrag van het ‘focale individu’ analyseren?  DBO framework (Hedström 2002) ›Individueel gedrag wordt gestuurd door: Desires Beliefs Opportunities | 5 ‘motiveren’ gedrag maken gedrag mogelijk Rationele keuze theorie past hierin, maar DBO framework omvat ook andere actietheorieën

6 Sociale Mechanismen (4) ›Een actor handelt pas als D, B én O aanwezig zijn ›DBO-verklaringen van gedrag kunnen we ‘begrijpen’ ›DBO: actie-formatie mechanisme ›Gedrag van anderen beïnvloedt de focale actor via D, B en / of O: situationeel mechanisme | 6

7 Case 1: werkloosheid ›Geografische spreiding werkloosheid in Stockholm (Hedström en Aberg, 2002) Desire-mediated: normatieve druk om te gaan werken is lager als meer anderen werkloos zijn en leuke dagbesteding is makkelijker Belief-mediated: als meer ‘peers’ werkloos zijn gelooft individu niet dat ‘mensen als ik’ een baan kunnen vinden Opportunity-mediated: veel werklozen in sociale netwerk vermindert informatiestroom uit en door ‘weak ties’ (Granovetter 1974) | 7 Situationeel: D-, B en O-mediated invloed van anderen Actie-formatie: individu doet minder om baan te vinden Actie-transformatie: individu heeft kleinere kans op baan en draagt bij aan hogere werkloosheid én clustering ervan Ergo: (lokale) werkloosheid leidt tot (lokale) werkloosheid

8 Case 2: Het ghetto (1) ›Een emergent property van steden  Urban Poverty Paradox (Glaeser): Hoe succesvoller een stad is in het verbeteren van de levensomstandigheden van haar armen, hoe méér armen er wonen: het is een goede plek om arm te zijn | 8

9 Case 2: Het ghetto (2) ›Volgens Glaeser is stedelijke armoede dikwijls een teken van kracht (sociale welvaart) en niet van zwakte, mits: de stad een ‘roltrapfunctie’ heeft: de armen van vandaag moeten de middenklasse van morgen zijn  steden bevorderen dan sociale mobiliteit ›Het gaat mis wanneer stedelijke armen geïsoleerd zijn (zie Amerikaanse ghetto’s) | 9

10 Case 2: Het ghetto (3) ›Wat trekt armen aan, waarom gaan ze naar de stad? Stedelijke ‘dichtheid en diversiteit’ maken het functioneren van diverse markten mogelijk, met name arbeidsmarkten: grote variëteit aan werkgevers  ‘ups and downs of the marketplace’ zijn goed op te vangen Stedelijke ‘dichtheid en diversiteit’ maken individuele specialisatie mogelijk  grotere innovativiteit en productiviteit | 10 Er treedt een zichzelf versterkend proces op: Grotere dichtheid en diversiteit trekt mensen aan, hetgeen de dichtheid en diversiteit doet toenemen, waardoor nog meer mensen naar de stad trekken  Externaliteiten en emergent properties!

11 Case 2: Het ghetto (4) ›Toevloed van armen leidt dikwijls tot het ontstaan van sloppenwijken, maar: (Glaeser) stedelijke armoede moet vergeleken worden met plattelandsarmoede, niet met stedelijke rijkdom ›(Glaeser) Stedelijke armoede is er in twee soorten: 1)Uitzichtloze, stagnerende armoede, en 2)Armoede die de eerste trede is op een stijgende ladder  sociale relaties tussen ‘rijk en arm’ | 11 Sociaal kapitaal als gemeenschapskenmerk (externaliteit)

12 Case 2: Het ghetto (5) ›Als arme gemeenschappen ‘disonnected’ raken verkeert de tweede vorm van armoede in de eerste ›Een (heel) korte schets van de geschiedenis van het Afro-Amerikaanse (AA) ghetto  een geschiedenis vol externaliteiten en emergent properties | 12

13 Case 2: Het ghetto (6) ›Vanaf het begin van de 20 e eeuw komen er steeds meer AA naar de steden in de noordelijke staten ›Daar stuitten ze op (toenemend) racisme, discriminatoire maatregelen en sociale uitsluiting (ontstaan ghetto)  paradoxaal, gezien de reputatie van het noorden aangaande het slavenvraagstuk ›Robert K. Merton: hoe kunnen we de opkomst van ‘anti-black racism’ in de noordelijke staten van de VS na WWI verklaren? | 13 Theorie van Merton: Self-fulfilling prophecy  Situaties waarin het feit dat een groep mensen gelooft dat X waar is en vervolgens handelt naar dit geloof X waarmaakt Standaardvoorbeeld: bank run

14 Case 2: Het ghetto (7) ›Robert K. Merton: hoe kunnen we de opkomst van ‘anti-black racism’ in de noordelijke staten van de VS na WWI verklaren? | 14 The VS na WWI: (i)Toename migratie van AAs van South naar North vanwege economische tegenwind en racisme Aanvankelijke overtuigingen van witte noordelingen: (ii) AAs zijn ‘free-riders’ en hebben geen vakbondsdiscipline  Uitsluiting AA van vakbondslidmaatschap Consequenties voor AAs (iii) Geen werk in ‘unionized industries’  Acceptatie van lage lonen en werken als stakingsbreker

15 Case 2: Het ghetto (8) ›Dergelijke processen leidden tot het ontstaan van het ghetto  de burgerrechtenbeweging brak de muren van het ghetto langzaam af (1964/1968), maar desegregatie maakte effecten van segregatie erger! ›Negatieve externaliteiten van desegregatie: Goedgeschoolde, talentvolle, ondernemende, initiatiefrijke AAs vertrekken uit het ghetto | 15 Gevolgen voor achterblijvers in ghetto: 1.Minder lokale leiders  minder goede belangenbehartiging 2.Minder ‘role models’ voor ghettojeugd 3.Minder lokale diversiteit  minder lokale mogelijkheden 4.Minder sociale relaties met ‘buitenwereld’  Sociaal kapitaal van zwarte gemeenschap neemt af Roltrapfunctie vervalt: stangerende armoede

16 Case 3: Frustratie en anomie (1) ›Klassieke sociologen als Durkheim, Tocqueville, Stouffer, Merton hadden oog voor emergentie ›Korte schets Anomietheorie van Durkheim: De maatschappij kent belangrijke normen die verwachtingen, doelen, aspiraties en ambities van individuen reguleren Deze normen bepalen voor verschillende categorieën individuen welke doelen zij ‘mogen’ nastreven  hoewel ze beperkend werken, zorgen ze voor tevredenheid met het leven Als deze normen ‘losser’ worden, streven meer mensen hoge doelen na, waardoor er ook meer mensen teleurgesteld raken | 16 Paradox: Toename van kansen voor iedereen leidt tot toename in maatschappelijke frustratie doordat er nu veel meer ‘verliezers’ zijn: mensen die meedoen maar niet winnen

17 Case 3: Frustratie en anomie (2) ›Simpele formalisering: Stel, er is een loterij met k winnaars Bij n deelnemers, is de kans voor ieder individu om te winnen k/n (aangenomen dat n > k) Winst levert B op, deelname kost I, met B > I ›Verwachte waarde van deelname is B(k/n) – I ›Aantal deelnemers is hoogste waarde van n waarvoor geldt dat verwachte waarde niet negatief is: B(k/n) – I = 0 (vereenvoudiging) | 17

18 Case 3: Frustratie en anomie (3) ›B(k/n) – I = 0  k/n = I/B  n = k(B/I) ›Het aantal deelnemers is dus k(B/I) (we nemen aan dat dit een heel getal is) ›Aantal verliezers is k(B/I) – k = k(B/I – 1) ›Uit B > I, volgt B/I > 1  het aantal ‘verliezers’ (mensen die wél deelnemen maar niet winner) stijgt als het aantal winnaars toeneemt  paradox verklaard ›Voorbeeld: The American Soldier (piloten en militaire politie; Stouffer) | 18

19 Case 3: Frustratie en anomie (4) ›De (klassiek) sociologische theorieën maken een andere aanname op microniveau dan economische theorieën doen: individuen die wél meedoen maar nìet winnen voelen méér frustratie dan mensen die helemaal niet meedoen | 19 Economie gaat uit van ‘random ends’  doelen liggen buiten de theorie Sociologie probeert doelen inhoudelijk te verklaren, bijvoorbeeld aan de hand van normen Vaak is er in het publieke debat wel aandacht voor situationele mechanismen, maar nauwelijks voor actie- transformatiemechanismen

20 Actualiteit en Sociale Mechanismen (1) ›Gebrekkige belastingmoraal: Situationeel: Als niemand belasting betaalt, waarom zou ik het dan doen?  ik wil het niet (desires) en ik geloof dat het geen zin heeft (beliefs) Actie-formatie: ik ontduik de belasting Actie-transformatie: de overheid is voor inkomsten nauwelijks afhankelijk van de bevolking, maar van buitenlandse leningen  slechte prestaties, corruptie, geen ‘responsiveness’ | 20

21 Actualiteit en Sociale Mechanismen (2) ›Radicalisering en rekrutering voor de jihad: Situationeel: moslimjongeren in sociaal- economisch zwakke positie, matig geïntegreerde ouders, sociale uitsluiting en discriminatie  effecten op desires en beliefs Actie-formatie: radicalisering middel om (alternatieve) sociale doelen te bereiken Actie-transformatie: ontstaan van nieuwe gemeenschappen van radicale jongeren en jihadi | 21

22 Conclusies ›Maatschappelijke verschijnselen zijn dikwijls onbedoelde uitkomsten van interacties tussen individuele keuzes: niemand heeft ze ‘gewild’ ›Het welzijn van individuen wordt sterk bepaald door dergelijke emergent properties ›Bij het zoeken naar verklaringen voor maatschappelijke verschijnselen moeten emergent properties niet vergeten worden: actie-transformatie | 22

23 Onbedoelde effecten instituties: Groepsbeslissingen (1) ›Stel, een groep individuen moet een beslissing nemen die gevolgen heeft voor alle groepsleden ›Bij het nemen van de beslissing worden regels gehanteerd ›Die regels, zo zullen we zien, bepalen heel sterk de uitkomst van de beslissing | 23

24 Onbedoelde effecten instituties: Groepsbeslissingen (2) ›Groepsleden zullen verschillen in hun voorkeuren met betrekking tot verschillende toestanden (bijvoorbeeld verschillende verzorgingsstaatregimes). ›Hoe gaan we nu van deze heterogene individuele voorkeuren naar groepsbeslissingen?  regels ›Laten we eens 2 voorbeelden analyseren | 24

25 Onbedoelde effecten instituties: Groepsbeslissingen (3) ›Er zijn steeds 3 alternatieven: 1, 2 en 3 ›De voorkeuren van een groepslid geven we aan met ‘>’ b.v.: 2 > 3 > 1 ›Er zijn steeds 15 groepsleden, die verschillen in voorkeuren ›We kiezen voor 2 verschillende groepen het beste alternatief | 25

26 Opdracht 1a ›Kiezersprofiel Groep 1: 6 kiezers met 1 > 2 > 3 5 kiezers met 2 > 3 > 1 4 kiezers met 3 > 1 > 2 ›Kiezersprofiel Groep 2: 6 kiezers met 1 > 2 > 3 5 kiezers met 2 > 3 > 1 4 kiezers met 3 > 2 > | 26 1.Kies voor beide groepen het ‘beste alternatief’ en geef redenen voor je keuze. 2.Waarin verschillen de groepen en waarom zou dat wel of geen invloed op de keuze moeten hebben? 3.Hebben de verschillen tussen de groepen invloed op de groepswelvaart?

27 Opdracht 1b ›Kiezersprofiel Groep 1: 6 kiezers met 1 > 2 > 3 5 kiezers met 2 > 3 > 1 4 kiezers met 3 > 1 > 2 ›Kiezersprofiel Groep 2: 6 kiezers met 1 > 2 > 3 5 kiezers met 2 > 3 > 1 4 kiezers met 3 > 2 > | 27 1.Laat iedere kiezer stemmen op haar favoriete alternatief en maak een rangorde: ‘plurality voting’ 2.Breng alle alternatieven paarsgewijs tegen elkaar in stemming: a > b 1.1 tegen 2: 2.2 tegen 3: 3.1 tegen 3:

28 Opdracht 1: bespreking ›Kiezersprofiel Groep 1: 6 kiezers met 1 > 2 > 3 5 kiezers met 2 > 3 > 1 4 kiezers met 3 > 1 > 2 ›Kiezersprofiel Groep 2: 6 kiezers met 1 > 2 > 3 5 kiezers met 2 > 3 > 1 4 kiezers met 3 > 2 > | 28 Groep 1: Allemaal PE Plurality: 1 > 2 > 3 Paarsgewijs: 1 > 2, 2 > 3 en 3 > 1 Groep 2: Allemaal PE Plurality: 1 > 2 > 3 Paarsgewijs: 2 > 1, 2 > 3 en 3 > 1 In Groep 1 is er een cyclus bij paarsgewijs stemmen! ‘Voting paradox’ van Arrow In Groep 2 verliest de plurality winnaar iedere paarsgewijze vergelijking!

29 Groepsbeslissingen (3): Algemeen resultaat ›We kunnen voor 1)een willekeurige rangorde van alternatieven én 2)willekeurige paarsgewijze vergelijkingen altijd een kiezersprofiel verzinnen, zodanig dat 1) de uitkomst is van ‘plurality voting’ en 2) de uitkomst is van paarsgewijs stemmen | 29 Tussen de uitkomsten van ‘plurality voting’ en paarsgewijs stemmen bestaat dus geen enkele noodzakelijke relatie!

30 Groepsbeslissingen (4): Agenda’s ›Dikwijls worden groepsbesluitvormingsprocessen geordend door een agenda: volgorde waarin alternatieven tegen elkaar in stemming worden gebracht. ›Bijvoorbeeld, de agenda (2, 3, 1) betekent dat eerst alternatieven 2 en 3 tegen elkaar in stemming worden gebracht, waarna de winnaar hiervan tegen alternatief 1 in stemming wordt gebracht | 30

31 Opdracht 2 ›Kiezersprofiel Groep 1: 6 kiezers met 1 > 2 > 3 5 kiezers met 2 > 3 > 1 4 kiezers met 3 > 1 > 2 ›Bepaal de winnaar aan de hand van de volgende 2 agenda’s: Agenda 1: (1, 2, 3) Agenda 2: (3, 1, 2) | 31 Agenda 1: (1, 2, 3) 1 tegen 2  1 1 tegen 3  3 Winnaar is 3! Agenda 2: (3, 1, 2) 3 tegen 1  3 3 tegen 2  2 Winnaar is 2! Als er een cyclus bij het paarsgewijs stemmen is bepaalt de agenda de winnaar!

32 Groepsbeslissingen (5): Condorcet winnaar ›Kiezersprofiel Groep 2: 6 kiezers met 1 > 2 > 3 5 kiezers met 2 > 3 > 1 4 kiezers met 3 > 2 > 1 ›Paarsgewijs stemmen: 2 > 1, 2 > 3, 3 > 1 ›Alternatief 2 is een Condorcet winnaar (Cw) ›Een Cw wint op iedere agenda | 32

33 Groepsbeslissingen (6): Borda-telling ›Regel bij n alternatieven: beste alternatief krijgt n punten tweede alternatief krijgt n-1 punten, etc. slechtste alternatief krijgt 1 punt ›Pas deze regel toe op de voorkeuren van ieder groepslid ›Tel voor ieder alternatief de punten op over alle groepsleden ›Bepaal de rangorde door het alternatief met de meeste punten op 1 te zetten, enz | 33

34 Opdracht 3 ›Kiezersprofiel Groep 3: 6 kiezers met 1 > 3 > 2 5 kiezers met 2 > 3 > 1 4 kiezers met 3 > 2 > 1 ›Bepaal voor Groep 3 de rangorde op basis van (1) ‘plurality voting’ en (2) de Borda-telling | 34

35 Opdracht 3: bespreking ›Kiezersprofiel Groep 3: 6 kiezers met 1 > 3 > 2 5 kiezers met 2 > 3 > 1 4 kiezers met 3 > 2 > 1 ›Plurality voting rangorde: 1 > 2 > 3 ›Borda-telling: Alternatief 1: 27 punten Alternatief 2: 29 punten  3 > 2 > 1 Alternatief 3: 34 punten | 35 Borda-telling leidt tot omgekeerde rangorde vergeleken met plurality voting! Condorcet loser wint nooit Borda-telling, maar Cw wint niet altijd!

36 Arrow’s Impossibility Theorem (1) ›Social Welfare Function (SWF) zet individuele voorkeuren om in groepsbeslissing (≈ beslisregel) ›SWF moet … … volledig zijn: er wordt altijd een keuze gemaakt … asymmetrisch zijn: als a>b dan niet(b>a) … transitief zijn: als (a>b) èn (b>c), dan (a>c) ›Een groep D individuen is beslissend als de SWF stelt dat a>b als de leden van D allemaal vinden dat a>b | 36

37 Arrow’s Impossibility Theorem (2) ›Stel, G en G’ zijn twee mogelijke voorkeursprofielen van een samenleving ›Stel dat van alle individuen in de samenleving de preferentievolgorde tussen a en b hetzelfde is onder G en G’ ›Dan moet de SWF onder G en G’ ook dezelfde keuze voorschrijven tussen a en b ›  Onafhankelijkheid van irrelevante alternatieven | 37

38 Arrow’s Impossibility Theorem (3) ›Social Welfare Function (SWF) zet individuele voorkeuren om in groepsbeslissing (≈ beslisregel) ›Eisen aan SWF: 1.Geordend: volledig, asymmetrisch en transitief 2.Pareto: de groep van alle individuen is belissend 3.Onafhankelijk van irrelevante alternatieven 4.Non-dictatorschap: Geen enkel individu is beslissend | 38 Arrow’s Impossibiliy Theorem: Er bestaat géén SWF die aan deze vier eisen tegelijk voldoet!

39 Groepsbeslissingen (7): Conclusie ›De regels die we hanteren om individuele voorkeuren om te zetten in een groepsbeslissing beïnvloeden over het algemeen zeer sterk de uitkomst. ›Wat is nu ‘het beste’ voor de groep? Wat is de ‘soevereine volkswil’? ›Plausibele desiderata van de SWF blijken tegenstrijdig ›We zien hoe moeilijk het is iets te zeggen over ‘sociale welvaart’ op groepsniveau | 39

40 Toegift: strategisch stemmen ›Kiezersprofiel Groep 3: 6 kiezers met 1 > 3 > 2 5 kiezers met 2 > 3 > 1 4 kiezers met 3 > 2 > 1 ›Plurality voting: 1 > 2 > 3 ›Hoe ‘blij’ is de groep met de plurality-uitkomst? ›Hoe zou de groep van 5 kiezers ‘beter’ kunnen stemmen? ›Wat is dan de uitkomst? ›Gaat de groep er hierdoor op vooruit? ›Zie je nog een andere mogelijkheid voor ‘strategisch stemmen’? | 40

41 Conclusies ›Maatschappelijke verschijnselen zijn dikwijls onbedoelde uitkomsten van interacties tussen individuele keuzes: niemand heeft ze ‘gewild’ ›Het welzijn van individuen wordt sterk bepaald door dergelijke emergent properties ›Bij het zoeken naar verklaringen voor veranderingen in maatschappelijke verschijnselen moeten emergent properties niet vergeten worden: geen reductionisme | 41


Download ppt "11-2-2016 | 1 ›Jacob Dijkstra ›ICS / Rijksuniversiteit Groningen Emergente Maatschappelijke Verschijnselen Docentendag Maatschappijleer 2016."

Verwante presentaties


Ads door Google