De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

Presentatie titel Rotterdam, 00 januari 2007 Biologie 1: Bacteriën en Schimmels Prokaryoten en Eukaryoten BMLBIO13 VENUS>stud02>Opleiding>BML>Onderwijsprogramma.

Verwante presentaties


Presentatie over: "Presentatie titel Rotterdam, 00 januari 2007 Biologie 1: Bacteriën en Schimmels Prokaryoten en Eukaryoten BMLBIO13 VENUS>stud02>Opleiding>BML>Onderwijsprogramma."— Transcript van de presentatie:

1 Presentatie titel Rotterdam, 00 januari 2007 Biologie 1: Bacteriën en Schimmels Prokaryoten en Eukaryoten BMLBIO13 VENUS>stud02>Opleiding>BML>Onderwijsprogramma > Jaar 1>BIO>Bio13 Rotterdam, September 2013

2 Wat kan je leren? Niveau Leerdoel / thema WetenInzienToepassenTOTAAL 1.Een relatie leggen tussen microscopische celopbouw en cellulaire eigenschappen die worden gebruikt bij determinatie van bacteriën, gisten en filamenteuze schimmels. 15 % 2. Inzien hoe genetische variatie en selectie leiden tot evolutie van soorten en welke relatie dit heeft met de huidige gehanteerde taxonomie 12,5 % 3. Taxonomie en het system van binomiale nomenclatuur van prokaryoten en schimmels kunnen reproduceren 15 % 4. Beschrijven van microscopische analyse technieken voor bacteriën en schimmels 15 % 5. Een relatie leggen tussen metabolisme-typen en laboratorium kweekmethoden van micro-organismen 15 % 6. Bioveiligheid richtlijnen kunnen toepassen15 % 7. Inzicht in het belang van micro-organismen voor de mens op gebied van milieu, voeding, antibiotica en industrie. 12,5 % TOTAAL30 %25 %45 %100%

3 Presentatie titel Rotterdam, 00 januari 2007 Bioveiligheid Rotterdam, augustus 2013

4 Beheersniveau Veilig werken … 2009 Nederlandse Vereniging voor Microbiologie, ISBN

5 Beheersmaatregelen bij werken met bacteriën op een laboratorium (deel2) Maatregelen voor risicoklasse 1: VMT Maatregelen voor risicoklasse 2: VMT met aanvullend : Sluis is enige toegang (géén gebruikte labjassen hier in!) Bioveiligheidscabinet aanwezig Onderdruk in het lab Naden /plinten waterdicht afgewerkt Labjas blijft in lab schoolvariant: labjas bij pauze op kapstok naast de uitgang, na afloop practicum in afgesloten zak mee naar huis en wassen, minimaal 60 ̊ C, best 90 ̊ C. Alleen noodzakelijke spullen mogen het lab op (geen jas, tas) Informatiebronnen o (welke informatie vind je in welke bron?)

6 Informatiebronnen over indeling in risicoklassen en risico’s

7 Even testen hoeveel je al weet...

8 Metabolisme in prokaryoten leerdoelen: Aeroob /anaeroob Heterotroof/ autotroof Chemotroof/ organotroof ‘Ademhaling’/fermentatie

9 Voedings-typen Energiebron Lichtfototroof Anorganische verbinding(en)chemo-lithotroof Organische verbinding(en)chemo-organotroof Koolstof (C) -bron CO 2 autotroof Organische verbindingheterotroof Zuurstof Kan alleen leven met O 2 obligaat aeroob Gaat dood door O 2 obligaat anaeroob Kan zowel met- als zonder O 2 facultatief anaeroob

10 Organisch: Van biologisch (levend) materiaal Ten minste één koolstof- en één waterstof atoom

11 Fermentatie en cellulaire ademhaling

12 Fig Eiwitcomplex Van electron dragers H+H+ H+H+ H+H+ Cyt c Q    VV FADH 2 FAD NAD + NADH (drager van electronen uit voeding) Electronen transport keten 2 H / 2 O 2 H2OH2O ADP + P i H+H+ H+H+ ATP synthase ATP 1

13 Fig Eiwitcomplex Van electron dragers H+H+ H+H+ H+H+ Cyt c Q    VV FADH 2 FAD NAD + NADH (drager van electronen uit voeding) Electronen transport keten 2 H / 2 O 2 H2OH2O ADP + P i H+H+ H+H+ ATP synthase ATP 1 Reductie van een ander molecuul dan zuurstof = anaerobe ademhaling

14 Energie in protonengradiënt drijft bijvoorbeeld transport van moleculen over de membraan en rotatie van flagel HLO BML

15 YouTube: INTERMEMBRANE SPACE Rotor H+H+ Stator Internal rod Cata- lytic knob ADP + P ATP i MITOCHONDRIAL MATRIX

16 Andere organische C-bronnen

17 Metabolisme van schimmels schimmels zijn net als dieren heterotroof uitgescheiden enzymen breken grote complexe moleculen (het substraat) af in kleine verbindingen die vervolgens worden opgenomen schimmels groeien op een grote verscheidenheid aan substraten enzymen substraat kleinere moleculen

18 Schimmels schimmels komen praktisch overal voor; diverse substraten kunnen worden gekoloniseerd

19 Anorganische energie-bronnen HLO BML

20 Samenstelling van kweekmedia leerdoelen: Algemeen/ gedefinieerd medium Principiële samenstelling Ophoping / selectie Structuur en functie van agar in voedingsbodems

21 Media Complex Gistextract, vlees-extract, pepton (eiwit- hydrolysaat) Gedefinieerd medium Vogel-Bonner (zouten en sporelementen) C-bron (glucose) HLO BML

22 Media AlgemeneNutrient bouillon Verrijkings/ophopinggroeivoordeel voor het gewenste microorganisme McConkey Selectiefalleen groei van gewenste microorganisme en afsterving van ongewenste microorganismen antibiotica Identificatie/detectieherkenning van gewenste/interessante microorganisme McConkey HLO BML

23 Selectief/electief medium MacConkey: Galzure zouten Lactose pH indicator

24 Werking van Penicilline en Streptomycine Op welk proces grijpt het aan? Welke organismen zijn er gevoelig voor? Hoe worden organismen resistent?

25 Resistentiemechanismen (algemeen)

26 Disc-Diffusie methode

27 Aangrijpingspunten (targets) bacterie Penicilline Streptomycine

28 Celwand synthese Penicillines: Voorkomen het maken van een nieuwe celwand,

29 Celbouw van Eukaryoten

30 Prokaryoten en Eukaryoten Prokaryoten èn eukaryoten hebben: Selectief plasmamembraan Cytosol DNA Ribosomen 30

31 Verschillen prokaryote cellen en eukaryote cellen Prokaryoten: 1-5 µm Mycoplasma 0,1-1 µm Weinig variatie qua vorm Zeer veel variatie qua stofwisseling DNA in nucleoïed Ribosomen (maar iets anders van structuur dan eukaryoten) Eukaryote cellen: µm DNA in kern In cytosol liggen organellen 31

32 Prokaryote cel / Eukaryote cel 32

33 Opbouw van de cel kern Kernmembraan Nucleolus/nucleoli Kernporiën Kernlamina 33

34 34 Fig. 17-3b-3 (b) Eukaryotic cell TRANSCRIPTION Nuclear envelope DNA Pre-mRNA RNA PROCESSING mRNA TRANSLATION Ribosome Polypeptide

35 Besturing van de cel DNA (informatie opslag in kern/nucleoid) (messenger) RNA (mobilisatie van de informatie/ naar cytoplasma) Eiwitten (zorgen voor kenmerken/activiteit van de cel)

36 Ribosomen Vrije of gebonden ribosomen Complex van RNA en eiwit Eiwitsynthese Plaats/ functie eiwitten

37 Ribosomen Bij de eiwitsynthese zijn altijd meerdere ribosomen tegelijk actief. Polyribosomen Bestemming: cytosol zelf, kern, mitochondrieën, plastiden (chloroplasten).

38 38 Fig Polypeptide Ribosome Amino acids tRNA with amino acid attached tRNA Anticodon Trp Phe Gly Codons 3 5 mRNA

39 Celorganellen

40 Endoplasmatisch reticulum Endoplasmatisch = in het (cyto)plasma Reticulum = netje Dus; netje in het cytoplasma 40

41 ER-gebonden en vrije ribosomen 41

42 De synthese van eiwitten op het ruwe ER. 42

43 Golgi apparaat (-systeem) 43

44 Lysosomen Lysosomen ontstaan uit blaasjes (vesicles) van het Golgisysteem Ze zorgen voor afbraak van allerlei macromoleculen via hydrolyse. Ze hebben een zeer lage pH

45 Mitochondriën Geen onderdeel van endomembraan systeem. Twee membranen Binnenin “soort cytoplasma” met daarin DNA en ribosomen = matrix Functie = ATP synthese cristae

46 Mitochondriën: ATP synthese lijkt op bacteriën ! Maar … is verdeeld over twee compartimenten

47 Cytoskelet Het cytoskelet is een netwerk van draden door de hele cel. Functies: Vorm (behoud) van de cel Organellen op z’n plaats houden Enzymen op hun plaats houden

48 Cytoskelet elementen Microtubuli Microfilamenten (Actine) Intermediaire filamenten 48

49 Beweging in de cel (tijdens mitose bv.) Beweging van de cel Stroming plasma in plantencellen filmpje

50 Microtubuli Functies: Zorgen voor de vorm van de cel Vormen transportbanen in de cel, bv. om blaasjes van het Golgi naar de celmembraan te brengen Helpen de chromosomen naar de polen te trekken tijdens de Mitose en de meiose

51 Bundle of muscle fibers Muscle Single muscle fiber (cell) Nuclei Z lines Plasma membrane Myofibril Sarcomere TEM Thick filaments (myosin) M line Z line Thin filaments (actin) Sarcomere 0.5 µm 51 Fig a

52 Microtubuli in ciliën en flagellen Cilia zijn kleine uitsteeksels van de cel ( 2 – 20 μm). Ze spelen bv. een rol bij het verwijderen van slijm uit de luchtwegen. Per cel is er vaak maar 1 flagel ( μm), die voor de voortbeweging van de cel zorgt (bv. Spermacel)

53 Celmembranen 1915 Membranen zijn opgebouwd uit lipiden en eiwitten 1950 Membranen zichtbaar gemaakt met EM “Fluid Mosaic” model

54 Basisstructuur: fosfolipiden dubbellaag Ieder membraan bevat fosfolipiden, moleculen met een hydrofiele (polaire) kop en hydrofobe (apolaire) staarten. De dubbellaag in een membraan heeft daardoor een hydrofobe binnenkant en twee hydrofiele buitenkanten.

55 Het membraan is vloeibaar. Onverzadigde vetzuren verhogen de vloeibaarheid, verzadigde vetzuren verlagen deze. Cholesterol “buffert”. De fosfolipiden kunnen in het laterale vlak bewegen (10 7 /sec) Heel af en toe verandert een fosfolipide van laag (flip-flop) = 1/maand

56 Selectief permeabel Membranen zijn selectief permeabel (semi- permeabel). Suikers, aminozuren en andere nutriënten moeten de cel in. Afvalstoffen moeten de cel uit. Hoe komen al die polaire en/of geladen stoffen door het hydrofobe deel van het membraan?????? Daar zijn verschillende transportsystemen voor: Passieve diffusie Actieve of gefaciliteerde diffusie (door kanaaleiwitten) Actief transport (door carrier eiwitten) Cotransport Via blaasjes (vesicles) 56

57 Diffusie Diffusie is transport van kleine moleculen of ionen door het membraan dat geen energie kost Een molecuul diffundeert van een omgeving met een hoge concentratie naar een omgeving met een lage concentratie tot er een evenwicht is bereikt. Concentratie gradiënt Passief transport 57

58 Diffusie Vb. van diffusie van watermoleculen door een semi-permeabel membraan. Dit wordt osmose genoemd. 58

59 Toniciteit Isotoon Hypertoon Hypotoon Turgor Plasmolyse Lysis 59

60 Eiwitten bewegen in de fosfolipidelaag Eiwitten bewegen in het membraan maar worden soms in hun beweging beperkt door het cytoskelet of door de extracellulaire matrix. youtub e link!

61 Membraaneiwitten: integraal of perifeer

62 Membraan erythrocyt Ieder membraan (van een cel of organel) heeft een specifiek aantal eiwitten (en specifieke eiwitten), die gekoppeld zijn aan de functie(s) van het membraan. In het membraan van rode bloedcellen zijn 50 verschillende eiwitten gevonden.

63 Functies van membraan eiwitten Transport Enzymen Signaal transductie Cel-cel herkenning Intercellulaire binding Binding aan extracellulaire matrix of cytoskelet.

64 Celbedekkingen Bij dierlijke cellen komt de zg. ECM voor = extracellulaire matrix. Collageen draden, proteoglycaan complex, fibronectine en integrines.

65 Planten cellen (schimmels doen we in een latere les)

66 Celwand Primaire celwand Sec. celwand Middenlamel (pectines) plasmodesm ata De celwand zorgt voor de vorm van de cel, beschermt de cel, voorkomt overmatige wateropname en houdt de plant stevig.

67 Planten celwand plantencelwand o.a.: cellulose hemicellulose pectine

68 Celverbindingen bij planten Plasmodesmata

69 Chloroplasten Geen onderdeel van endomembraan systeem. Drie membranen Binnenin “soort cytoplasma” met daarin DNA en ribosomen = stroma Functie = ATP vorming Thylakoid membranen

70 ATP vorming in chloroplasten

71 Vacuole In plantencellen komen de grote centrale vacuolen voor. Ze ontstaan uit blaasjes afkomstig van het ER en het Golgi-complex. De oplossing in de vacuole wordt celsap genoemd.

72 Vacuole Opslag (reserve) organische verbindingen Bevat veel K + en Cl - - ionen Opslag afvalstoffen Kan kleurpigment bevatten Kan giftige stoffen bevatten Beïnvloedt de grootte van de cel Andere vacuoles zijn: Contractievacuoles in eencelligen voedselvacuoles


Download ppt "Presentatie titel Rotterdam, 00 januari 2007 Biologie 1: Bacteriën en Schimmels Prokaryoten en Eukaryoten BMLBIO13 VENUS>stud02>Opleiding>BML>Onderwijsprogramma."

Verwante presentaties


Ads door Google