De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

Wat doe je graag/niet graag?

Verwante presentaties


Presentatie over: "Wat doe je graag/niet graag?"— Transcript van de presentatie:

1 Wat doe je graag/niet graag?

2 koken poetsen kuisen strijken wassen stofzuigen het huishouden

3 koken (1) (2) (3) 1 persoon Kook jij graag? Ja, ik kook graag.
(1) (2) (3) Kook jij graag? Ja, ik kook graag. Neen, ik kook niet graag. kookT graag. kookT niet graag.  Hij Zij

4 koken (1) (2) (3) 2, 3, 4 personen Koken jullie graag?
(1) (2) (3) Koken jullie graag? Ja, wij koken graag. Neen, wij koken niet graag. Zij koken graag. Zij koken niet graag.

5 wassen (1) (2) (3) 1 persoon Was jij graag? Ja, ik was graag.
(1) (2) (3) Was jij graag? Ja, ik was graag. Neen, ik was niet graag. wasT graag. wasT niet graag.  Hij Zij

6 wassen (1) (2) (3) 2, 3, 4 personen Wassen jullie graag?
(1) (2) (3) Wassen jullie graag? Ja, wij wassen graag. Neen, wij wassen niet graag. Zij wassen graag. Zij wassen niet graag.

7 strijken (1) (2) (3) 1 persoon Strijk jij graag? Ja, ik strijk graag.
(1) (2) (3) Strijk jij graag? Ja, ik strijk graag. Neen, ik strijk niet graag. strijkT graag. strijkT niet graag.  Hij Zij

8 strijken (1) (2) (3) 2, 3, 4 personen Strijken jullie graag?
(1) (2) (3) Strijken jullie graag? Ja, wij strijken graag. Neen, wij strijken niet graag. Zij strijken graag. Zij strijken niet graag.

9 poetsen of kuisen (1) (2) (3) 1 persoon Poets jij graag?
(1) (2) (3) Poets jij graag? Ja, ik poets graag. Neen, ik poets niet graag. poetsT graag. poetsT niet graag.  Hij Zij

10 poetsen of kuisen (1) (2) (3) 1 persoon Kuis jij graag?
(1) (2) (3) Kuis jij graag? Ja, ik kuis graag. Neen, ik kuis niet graag. kuisT graag. kuisT niet graag.  Hij Zij

11 poetsen of kuisen (1) (2) (3) 2, 3, 4 personen Poetsen jullie graag?
(1) (2) (3) Poetsen jullie graag? Ja, wij poetsen graag. Neen, wij poetsen niet graag. Zij poetsen graag. Zij poetsen niet graag.

12 poetsen of kuisen (1) (2) (3) 2, 3, 4 personen Kuisen jullie graag?
(1) (2) (3) Kuisen jullie graag? Ja, wij kuisen graag. Neen, wij kuisen niet graag. Zij kuisen graag. Zij kuisen niet graag.

13 stofzuigen (1) (2) (3) 1 persoon Stofzuig jij graag?
(1) (2) (3) Stofzuig jij graag? Ja, ik stofzuig graag. Neen, ik stofzuig niet graag. stofzuigT graag. stofzuigT niet graag.  Hij Zij

14 stofzuigen (1) (2) (3) 2, 3, 4 personen Stofzuigen jullie graag?
(1) (2) (3) Stofzuigen jullie graag? Ja, wij stofzuigen graag. Neen, wij stofzuigen niet graag. Zij stofzuigen graag. Zij stofzuigen niet graag.

15 koken poetsen strijken wassen stofzuigen
kuisen het huishouden

16 lopen zwemmen voetballen tennissen fietsen sport wandelen

17 lopen (1) (2) (3) 1 persoon Loop jij graag? Ja, ik loop graag.
(1) (2) (3) Loop jij graag? Ja, ik loop graag. Neen, ik loop niet graag. loopT graag. loopT niet graag.  Hij Zij

18 lopen (1) (2) (3) 2, 3, 4 personen Lopen jullie graag?
(1) (2) (3) Lopen jullie graag? Ja, wij lopen graag. Neen, wij lopen niet graag. Zij lopen graag. Zij lopen niet graag.

19 zwemmen (1) (2) (3) 1 persoon Zwem jij graag? Ja, ik zwem graag.
(1) (2) (3) Zwem jij graag? Ja, ik zwem graag. Neen, ik zwem niet graag. zwemT graag. zwemT niet graag.  Hij Zij

20 zwemmen (1) (2) (3) 2, 3, 4 personen Zwemmen jullie graag?
(1) (2) (3) Zwemmen jullie graag? Ja, wij zwemmen graag. Neen, wij zwemmen niet graag. Zij zwemmen graag. Zij zwemmen niet graag.

21 fietsen (1) (2) (3) 1 persoon Fiets jij graag? Ja, ik fiets graag.
(1) (2) (3) Fiets jij graag? Ja, ik fiets graag. Neen, ik fiets niet graag. fietsT graag. fietsT niet graag.  Hij Zij

22 fietsen (1) (2) (3) 2, 3, 4 personen Fietsen jullie graag?
(1) (2) (3) Fietsen jullie graag? Ja, wij fietsen graag. Neen, wij fietsen niet graag. Zij fietsen graag. Zij fietsen niet graag.

23 voetballen (1) (2) (3) 1 persoon Voetbal jij graag?
(1) (2) (3) Voetbal jij graag? Ja, ik voetbal graag. Neen, ik voetbal niet graag. voetbalT graag. voetbalT niet graag.  Hij Zij

24 voetballen (1) (2) (3) 2, 3, 4 personen Voetballen jullie graag?
(1) (2) (3) Voetballen jullie graag? Ja, wij voetballen graag. Neen, wij voetballen niet graag. Zij voetballen graag. Zij voetballen niet graag.

25 tennissen (1) (2) (3) 1 persoon Tennis jij graag? Ja, ik tennis graag.
(1) (2) (3) Tennis jij graag? Ja, ik tennis graag. Neen, ik tennis niet graag. tennisT graag. tennisT niet graag.  Hij Zij

26 tennissen (1) (2) (3) 2, 3, 4 personen Tennissen jullie graag?
(1) (2) (3) Tennissen jullie graag? Ja, wij tennissen graag. Neen, wij tennissen niet graag. Zij tennissen graag. Zij tennissen niet graag.

27 wandelen (1) (2) (3) 1 persoon Wandel jij graag? Ja, ik wandel graag.
(1) (2) (3) Wandel jij graag? Ja, ik wandel graag. Neen, ik wandel niet graag. wandelT graag. wandelT niet graag.  Hij Zij

28 wandelen (1) (2) (3) 2, 3, 4 personen Wandelen jullie graag?
(1) (2) (3) Wandelen jullie graag? Ja, wij wandelen graag. Neen, wij wandelen niet graag. Zij wandelen graag. Zij wandelen niet graag.

29 lopen zwemmen voetballen tennissen fietsen
sport wandelen

30 koken poetsen strijken wassen stofzuigen
kuisen lopen zwemmen voetballen tennissen fietsen

31 gaan (waar?) uitgaan dansen op restaurant naar de cinema op café

32 dansen (1) (2) (3) 1 persoon Dans jij graag? Ja, ik dans graag.
(1) (2) (3) Dans jij graag? Ja, ik dans graag. Neen, ik dans niet graag. dansT graag. dansT niet graag.  Hij Zij

33 dansen (1) (2) (3) 2, 3, 4 personen Dansen jullie graag?
(1) (2) (3) Dansen jullie graag? Ja, wij dansen graag. Neen, wij dansen niet graag. Zij dansen graag. Zij dansen niet graag.

34 gaan (waar?) (1) (2) (3)  op café 1 persoon Ga jij graag op café?
(1) (2) (3) Ga jij graag op café? Ja, ik ga graag op café. Neen, ik ga niet graag op café. gaaT graag op café. gaaT niet graag op café.  Hij Zij

35 gaan (waar?) (1) (2) (3) Gaan jullie graag op café?  op café
2, 3, 4 personen (1) (2) (3) Gaan jullie graag op café? Ja, wij gaan graag op café. Neen, wij gaan niet graag op café.  Zij gaan graag op café. Zij gaan niet graag op café.

36 gaan (waar?) (1) (2) (3) Ga jij graag op restaurant?  op restaurant
1 persoon (1) (2) (3) Ga jij graag op restaurant? Ja, ik ga graag op restaurant. Neen, ik ga niet graag op restaurant. gaaT graag op restaurant. gaaT niet graag op restaurant.  Hij Zij

37 gaan (waar?) (1) (2) (3) Gaan jullie graag op restaurant?
2, 3, 4 personen (1) (2) (3) Gaan jullie graag op restaurant? Ja, wij gaan graag op restaurant. Neen, wij gaan niet graag op restaurant.  Zij gaan graag op restaurant. Zij gaan niet graag op restaurant.

38 gaan (waar?) (1) (2) (3) Ga jij graag naar de cinema  naar de cinema
1 persoon (1) (2) (3) Ga jij graag naar de cinema Ja, ik ga graag naar de cinema. Neen, ik ga niet graag naar de cinema. gaaT graag naar de cinema gaaT niet graag naar de cinema  Hij Zij

39 gaan (waar?) (1) (2) (3) Gaan jullie graag naar de cinema?
2, 3, 4 personen (1) (2) (3) Gaan jullie graag naar de cinema? Ja, wij gaan graag naar de cinema. Neen, wij gaan niet graag naar de cinema.  Zij gaan graag naar de cinema. Zij gaan niet graag naar de cinema.

40 gaan (waar?) uitgaan dansen op restaurant naar de cinema op café

41 ontspanning winkelen wandelen kijken naar tv luisteren naar muziek
lezen de krant ontspanning

42 winkelen (1) (2) (3) 1 persoon Winkel jij graag? Ja, ik winkel graag.
(1) (2) (3) Winkel jij graag? Ja, ik winkel graag. Neen, ik winkel niet graag. winkelT graag. winkelT niet graag.  Hij Zij

43 winkelen (1) (2) (3) 2, 3, 4 personen Winkelen jullie graag?
(1) (2) (3) Winkelen jullie graag? Ja, wij winkelen graag. Neen, wij winkelen niet graag. Zij winkelen graag. Zij winkelen niet graag.

44 luisteren (naar wat?) (1) (2) (3) Luister jij graag naar muziek.
 naar de radio 1 persoon (1) (2) (3) Luister jij graag naar muziek. Ja, ik luister graag naar muziek. Neen, ik luister niet graag naar muziek. luisterT graag naar muziek. luisterT niet graag naar muziek.  Hij Zij

45 luisteren (naar wat?) (1) (2) (3) Luisteren jullie graag naar muziek?
 naar de radio 2, 3, 4 personen (1) (2) (3) Luisteren jullie graag naar muziek? Ja, wij luisteren graag naar muziek. Neen, wij luisteren niet graag naar muziek.  Zij luisteren graag naar muziek. Zij luisteren niet graag naar muziek.

46 kijken (naar wat?) (1) (2) (3)  naar tv 1 persoon
(1) (2) (3) Kijk jij graag naar tv. Ja, ik kijk graag naar tv. Neen, ik kijk niet graag naar tv. kijkT graag naar tv. kijkT niet graag naar tv.  Hij Zij

47 kijken (naar wat?) (1) (2) (3) Kijken jullie graag naar tv?  naar tv
2, 3, 4 personen (1) (2) (3) Kijken jullie graag naar tv? Ja, wij kijken graag naar tv. Neen, wij kijken niet graag naar tv.  Zij kijken graag naar tv. Zij kijken niet graag naar tv.

48 lezen (wat?) (1) (2) (3) Lees jij graag de krant.
 de krant, een boek, een magazine… 1 persoon (1) (2) (3) Lees jij graag de krant. Ja, ik lees graag de krant. Neen, ik lees niet graag de krant. leesT graag de krant. leesT niet graag de krant.  Hij Zij

49 lezen (wat?) (1) (2) (3) Lezen jullie graag de krant?
 de krant, een boek, een magazine… 2, 3, 4 personen (1) (2) (3) Lezen jullie graag de krant? Ja, wij lezen graag de krant. Neen, wij lezen niet graag de krant.  Zij lezen graag de krant. Zij lezen niet graag de krant.

50 wandelen (1) (2) (3) 1 persoon Wandel jij graag? Ja, ik wandel graag.
(1) (2) (3) Wandel jij graag? Ja, ik wandel graag. Neen, ik wandel niet graag. wandelT graag. wandelT niet graag.  Hij Zij

51 wandelen (1) (2) (3) 2, 3, 4 personen Wandelen jullie graag?
(1) (2) (3) Wandelen jullie graag? Ja, wij wandelen graag. Neen, wij wandelen niet graag. Zij wandelen graag. Zij wandelen niet graag.

52 ontspanning winkelen wandelen kijken luisteren lezen
tv naar muziek de krant ontspanning

53 gaan (waar?) dansen op café op restaurant naar de cinema winkelen wandelen kijken luisteren lezen naar tv naar muziek de krant

54 Wat doe je graag/niet graag?
En jij? Wat doe je graag/niet graag?


Download ppt "Wat doe je graag/niet graag?"

Verwante presentaties


Ads door Google