De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

Week 2: Passend onderwijs voor kinderen met een pathologie Docent: Irina Nojoredjo Opvoedrelaties onder spanning A.

Verwante presentaties


Presentatie over: "Week 2: Passend onderwijs voor kinderen met een pathologie Docent: Irina Nojoredjo Opvoedrelaties onder spanning A."— Transcript van de presentatie:

1 Week 2: Passend onderwijs voor kinderen met een pathologie Docent: Irina Nojoredjo Opvoedrelaties onder spanning A

2 Leerdoelen van deze week De student weet wat passend onderwijs is. De student weet welke psychopathologie kan voorkomen bij kinderen binnen het kader passend onderwijs en wat deze stoornissen inhouden. De student kan het pedagogisch handelen van professionele opvoeders (leerkrachten) onderbouwen. De student kan aangeven wat (professionele) opvoeders binnen het passend onderwijs nodig hebben aan begeleiding door een pedagoog. HOE WILLEN JULLIE DIT BEREIKEN?

3 Passend onderwijs =beter dan speciaal onderwijs? content/uploads/2014/03/Blogboekje-Eerste-ervaringen- passend-onderwijs.pdf

4 Zindelijkheidsproblemen

5 Stoornis of niet? Eerst moeten lichamelijke oorzaken worden uitgesloten. Diagnose enuresis en encropresis: Enuresis (vanaf 5 jaar) Alleen ’s nachts (bedplassen / enuresis nocturna) Alleen overdag (broekplassen / enuresis diurna) Zowel overdag als ’s nachts Primair – nooit zindelijk geweest Secundair – ooit zindelijk geweest Encopresis (vanaf 4 jaar) Met obstipatie en overloop incontinentie Zonder obstipatie en overloop incontinentie Primair – nooit zindelijk geweest Secundair – ooit zindelijk geweest

6 Stoornissen in zindelijkheid: de vragen Bij het vaststellen van het bestaan (en de ernst) van een stoornis in zindelijkheid zijn 5 vragen van belang: Tijdstip: overdag, ’s nachts of allebei? Primair of secundair? ‘Opzettelijk’ of per ongeluk? Voor ontlasting, voor urine, of beide? Staat de stoornis op zichzelf of is deze het gevolg dan wel onderdeel van grotere problematiek?

7 Misverstanden Bedplassen wordt niet veroorzaakt door nachtmerries. Bedplassen komt voor in alle slaapstadia, in lichte en diepe slaap.

8 Vraag Welke van onderstaande uitspraken is juist? a) Een doorsnee kind wordt eerst overdag zindelijk voor urine en ontlasting – en daarna ’s nachts. b) Een doorsnee kind wordt eerst ’s nachts zindelijk voor urine en ontlasting – en daarna overdag. c) Een doorsnee kind wordt eerst ’s nachts zindelijk voor ontlasting. ’s Nachts zindelijk voor urine is het laatste wat het leert.

9 Vraag Bij welke groep kinderen komt encopresis vaker voor? a) Bij kinderen met ADHD b) Bij kinderen met ASS c) Bij kinderen met enuresis

10 Vraag Wat is een goede manier om bij een kind het bedplassen af te leren? a) Voor het slapen gaan veel laten drinken en het kind ’s nachts een paar keer goed wakker maken om het te laten plassen. b) Voor het slapen gaan weinig laten drinken en als de ouders zelf naar bed gaan het kind nog even laten plassen. c) In de slaapkamer een lampje laten branden zodat het kind zelf naar de wc kan gaan als het wakker wordt.

11 Taal- en leerstoornissen

12 Taal en geletterdheid Taalverwerving gaat automatisch, leren lezen is echt een training. Iedereen over de hele wereld leert spelenderwijs spreken. Leren spreken kent een sensitieve periode (grofweg vanaf geboorte tot ca 10 jaar). Leren schrijven vergt een training. Niet iedereen kan het. Leren schrijven kent geen sensitieve periode.

13 Ontwikkeling van geletterdheid Gebaseerd op training: meestal een schoolse vaardigheid Eerst technisch lezen Alfabet, letter-klankcombinaties leren. Vervolgens begrijpend lezen Kunnen navertellen wat je gelezen hebt. Kan gestimuleerd worden Voorlezen vanaf heel jonge leeftijd werkt gunstig Actieve rol van het kind (vragen stellen en laten vertellen) werkt beter. Taalachterstand op basisschool hangt vaak samen met weinig te zijn voorgelezen.

14 Ontwikkeling van rekenen Veel minder over bekend dan over ontwikkeling van taal Eerst ontstaat gevoel voor verhoudingen en volgorde (telraam). Pas daarna leert het kind cijfers. Waarschijnlijk geen sensitieve periode.

15 Taal- en spraakstoornissen Een taalstoornis kent net als gewone taal een passieve en een actieve kant: expressieve taalstoornis receptieve taalstoornis (wordt als ernstiger gezien) Elk aspect van taalverwerving en spraak kan een stoornis oplopen Aspecten: woordenschat, hardop praten, vloeiend praten. Stoornissen: slecht articuleren, stotteren, extreem zacht praten, enz.

16 Leerstoornissen Er zijn twee bekende leerstoornissen: Dyslexie (lezen & spellen) Dyscalculie (rekenen) - chinese manier van hoofdrekenenchinese manier Drie criteria: Achterstand op het betreffende gebied, maar niet bij andere schoolse vaardigheden. Normale intelligentie. Grote discrepantie tussen verwachtingen op basis van IQ en de daadwerkelijke prestatie. Let op: leervermogen is niet afwezig maar vertraagd.

17 Preventie en hulpverlening Zo vroeg mogelijke vaststelling en uitsluiten van andere oorzaken (gehoorstoornis). Hoe vroeger de behandeling begint hoe groter de kans op een gunstig resultaat. Achterstand in taal of leren kan voorkomen worden door preventieprogramma’s tijdens de voor- of vroegschoolse periode. Specifieke taal- of spraakstoornissen worden door een logopedist behandeld. Specifieke leerstoornissen worden door een remedial teacher behandeld. Behandeling bij specifieke stoornissen is zinvol, maar de stoornis verdwijnt niet.

18 Vraag Welke ontwikkeling kent (bij normaal verloop) een sensitieve periode? a) De ontwikkeling van lezen. b) De ontwikkeling van rekenen. c) De ontwikkeling van spraak en taal.

19 Vraag Welke combinatie van stoornissen komt erg vaak voor? a) ADHD en dyslexie b) Dyslexie en stotteren c) Selectief mutisme en spraakstoornissen

20 ADHD

21 Kenmerken ADHD Symptomen zijn te verdelen in twee clusters: Aandacht er niet bij kunnen houden Hyperactief en impulsief gedrag. Let op: het gedrag moet vaker vertoond worden dan door leeftijdgenoten (dus niet vergelijken met volwassenen). Naast de symptomen zijn er 3 criteria: De symptomen zijn voor het 12e jaar aanwezig. Het gedrag moet in meerdere contexten vertoond worden. Er moet sprake zijn van een beperking in de ontwikkeling.

22 Aandachtstekort Aandachtstekort betreft vooral minder goed functionerende executieve functies en geringere zelfcontrole. Oudere kinderen met ADHD klagen over chaos in hun hoofd. Lage concentratie, raakt dingen kwijt, makkelijk afleidbaar, enz.

23 Hyperactiviteit en impulsiviteit Onrustig Veel praten Ongeduldig Eerst doen, dan denken Afraffelen

24 ADHD-symptomen zijn aan leeftijd gerelateerd Vanaf 12 jaar afname van hyperactiviteit (wordt hyperactiviteit in het hoofd: chaos). Nog iets later afname van impulsiviteit. Aandachtsproblemen blijven bestaan. Problematiek is verweven met (niet) volbrengen van ontwikkelingsopgaven. Kinderen: schoolse vaardigheden Adolescenten: gedrag in verkeer en experimenteren met drugs Volwassenen: relaties, arbeid en geldzaken

25 Vraag Van welke andere psychische stoornis is ADD (ADHD van het onoplettende type) moeilijk te onderscheiden? a) ASS b) Bipolaire stoornis c) Gedragsstoornis

26 Risicofactoren van ADHD Oorzaak Vooral erfelijk Prematuriteit Roken en drinken tijdens zwangerschap Moeilijk temperament Wisselwerking tussen omgeving en aanleg is essentieel Bijvoorbeeld: erfelijke aanleg + roken tijdens de zwangerschap. Bijvoorbeeld: erfelijke aanleg voor ADHD + opgroeien in een chaotisch gezin waar weinig structuur is.

27 ADHD en Evidence Based werken Effect van hulpverlening aan kinderen met ADHD is relatief vaak onderzocht. 3 interventies lijken bewezen effectief: Psycho-educatie Gedragstherapie (bij kind, kan ook bij ouders en leerkrachten) Medicatie Brede programma’s (op meerdere gebieden verschillende interventies: multisystemisch en multimodaal) blijken vaak doeltreffend (niet altijd).

28 Gedragstherapie en cognitieve gedragstherapie Werken beide erg goed, maar bij ernstige ADHD minder goed dan medicatie. Gedragstherapie: instrueren van ouders en leerkrachten hoe ze moeten reageren. Operant conditioneren, belonen van goed gedrag, structureren van de omgeving. Cognitieve gedragstherapie: bijvoorbeeld sociale vaardigheden aanleren, ontspanning, tot tien tellen enz.

29 Vraag Een stelling: Ritalin is een stimulerend middel, dus iemand met ADHD kan er verslaafd aan raken. Klopt dit voor mensen met ADHD? a) Nee, Ritalin werkt niet verslavend. b) Alleen bij veelvuldig gebruik kan Ritalin verslavend werken. c) Ritalin zelf is niet verslavend, maar bij veelvuldig gebruik kan de kans op andere verslavingen wel toenemen.

30 angststoornissen

31 Ontwikkeling van angst (1) Alleen goed te begrijpen als we de ontwikkeling van het kind als uitgangspunt nemen. Voorbeelden: Emotionele ontwikkeling Als er sociale emoties ontstaan (schaamte) ontstaan er ook sociale angsten. Cognitieve ontwikkeling Hoe meer het kind leert te begrijpen, des te minder angst. Ontwikkeling van de taal Woordjes kunnen geven aan iets dan eng is, maakt het minder eng. Lichamelijke ontwikkeling Wegkruipen of weglopen van iets dat eng is. Daarom meer angst bij kinderen met lichamelijke beperking.

32 Ontwikkeling van angst (2) Als het kind ouder wordt gaat de mate van angst meestal verminderen. Omdat het kind de wereld beter begrijpt. Oorzaken van angst worden ook anders. En 12-jarige is niet meer bang voor monsters. Kind leert steeds beter omgaan met angstverwekkende situaties of gedachten. Coping-mechanismen: bijv. afleidingsmanoeuvres of ontspanningsoefeningen waardoor je minder piekert.

33 Criteria van angststoornissen Gewone angst is normaal en functioneel: bevordert overlevingskans Elke angststoornis kent haar rijtje symptomen. Alle stoornissen komen voor bij kinderen en volwassenen … … op de separatieangststoornis en selectief mutisme na. Naast het rijtje symptomen is een essentieel criterium dat de angst significant lijden veroorzaakt bij het kind … en zijn ontwikkeling belemmert. Meestal belemmert angst het schoolse functioneren.

34 Vuistregels Het thema bij angststoornissen die vroeg ontstaan (specifieke fobie en separatieangststoornis) is vaak (verlies van) geborgenheid en veiligheid. Het thema bij angststoornissen die later ontstaan (sociale fobie) is vaak angst over eigen optreden en evaluaties van anderen. Inhoud en vorm van angststoornissen veranderen met de leeftijd.

35 Behandeling van angststoornissen Voor oudere kinderen is een behandeling gebaseerd op cognitieve gedragstherapie verreweg het succesvolst. Belangrijk onderdeel is dat kinderen leren hun emoties te benoemen en onderscheid maken tussen gedachten, gevoel en gedrag. Het betrekken van ouders bij de behandeling van een kind vergroot het succes significant. Maar er zijn uitzonderingen: als de ouders zelf heel angstig zijn, blijven zij een negatief model dat het kind belemmert om minder angstig te worden.

36 Vraag Wat voor soort emotie is angst? a) Angst is een basisemotie. b) Angst is een sociale emotie. c) Angst is een lichaamsgebonden emotie.

37 Vraag Bij het ontstaan van welke angststoornis spelen leerervaringen een grote rol? a) Obsessief-compulsieve stoornis b) Separatieangststoornis c) Specifieke fobie

38 Vraag Welke hulpverleningsmethode is de aangewezen aanpak bij jonge kinderen met angstproblemen? a) Cognitieve therapie b) Gedragstherapie c) Gezinstherapie

39 Belangrijke begrippen (Sipman) H9: behaviorisme H10: cognitieve leertheorie H11: humanistische psychologie H12: interactietheorie

40 Volgende les Nabespreking passend onderwijs: zindelijkheid, taal/leerstoornis, ADHD, angststoornis Video residentiële instelling: kind met hechtingsstoornis en kind met agressieve gedragsstoornis Waar is nog meer behoefte aan?


Download ppt "Week 2: Passend onderwijs voor kinderen met een pathologie Docent: Irina Nojoredjo Opvoedrelaties onder spanning A."

Verwante presentaties


Ads door Google