De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

Geschiedenis. Opzet les 3 1. Het rare verleden + voorkennis activeren 2. Historische inleving 3. Reconstructie van de historische context 4. Oefenen +

Verwante presentaties


Presentatie over: "Geschiedenis. Opzet les 3 1. Het rare verleden + voorkennis activeren 2. Historische inleving 3. Reconstructie van de historische context 4. Oefenen +"— Transcript van de presentatie:

1 Geschiedenis

2 Opzet les 3 1. Het rare verleden + voorkennis activeren 2. Historische inleving 3. Reconstructie van de historische context 4. Oefenen + bespreken stappenplan

3 Het rare verleden  Lodewijk XIV liet een enorm paleis bouwen nadat hij in de 17 e eeuw koning van Frankrijk was geworden  Dit paleis (Versailles) had bijna 400 kamers en er woonden meer dan bedienden  Kun je verklaren waarom Lodewijk XIV zo’n duur, mooi en groot paleis liet bouwen en niet werd tegengehouden door het volk en de regering?

4 Historische inleving: Lodewijk XIV

5 Historisch inleving: Lodewijk XIV Opdracht  Vorm drie- of viertallen  Bestudeer de bronnen bij de historische persoon  Overleg en geef antwoord op de vragen op de hand-out  De antwoorden worden na afloop klassikaal besproken

6 Reconstructie van de historische context

7 Tijd en locatie  Tijdvak: 6  Naam tijdvak: Tijd van Regenten en Vorsten  Periode: Vroegmoderne Tijd  Tijd:  Schaal: Frankrijk De vier kenmerken van het tijdvak: 1. Het streven van vorsten naar absolute macht 2. De bijzondere plaats in staatkundig opzicht en de bloei in economisch en cultureel opzicht van de Republiek de Verenigde Nederlanden 3. Wereldwijde handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie 4. De wetenschappelijke revolutie

8

9

10

11 Uitleg opdracht reconstructie van de historische context De hele klas wordt in zes groepen verdeeld:  2 groepen  economische context  2 groepen  politieke context  2 groepen  sociaal-culturele context  Docent deelt aan een groepje de juiste hand-out uit  Zoek met je groepje de antwoorden op de voorbeeldvragen en vul dit eventueel aan met meer relevante informatie die je hebt gevonden  Niet alle voorbeeldvragen kun je beantwoorden, maar probeer de context zo volledig mogelijk te maken  Maak gebruik van het tekstboek + de bron die je hebt gekregen bij de historische inleving opdracht  Noteer jullie antwoorden leesbaar op de hand-out!  Na 15 min worden de antwoorden besproken  Lever na de bespreking de hand-out in bij de docent  Uiteindelijk krijgt iedere leerling een hand-out met de historische context

12 Economische context: voorbeeldvragen  Wat voor type samenleving was er (agrarische / agrarisch-urbane / industriële) ?  Hoe ging het economisch (welvaart / crisissen / hongersnoden) ?  Wat voor type economie was er (vrijhandel / bescherming) ?  Was er een geldeconomie?  Waren er fabrieken?  Welke vormen van belasting waren er?  Wie moesten belasting betalen?  Welke economische uitvindingen waren er?  Welke vormen van handel waren er en op welke schaal werd er handel gedreven ?  Welke economische sectoren had je (landbouw / industrie / diensten) ?  Leefden mensen voornamelijk in steden of op het platteland (urbanisatie / suburbanisatie) ?

13 Politieke context: voorbeeldvragen  Was er een overheid?  Wat voor bestuursvorm was er (democratie / dictatuur / monarchie / aristocratie / oligarchie) ?  Welke politieke stromingen had je (liberalisme / socialisme / confessionalisme) ?  Wie had(den) de politieke macht?  Had een land koloniën?  Wie mochten meedoen in het politieke proces?  Was er sprake van centraal gezag?  Was er sprake van militaire/politieke conflicten?  Was er een scheiding van politieke machten (uitvoerend, rechtsprekend en wetgevend) ?  Was er een scheiding tussen kerk en staat?

14 Sociaal-culturele context: voorbeeldvragen  Was er sociale ongelijkheid tussen mensen (rangen / standen / rijkdom / armoede) ?  Welke religies werden toegestaan / onderdrukt?  Was er censuur / vrijheid van meningsuiting?  Welke vrijheden hadden mensen?  Welke rol speelde het geloof?  Was er een multiculturele samenleving?  Waarin geloofden mensen?  Wat was het wereldbeeld van mensen?  Waren er veel wetenschappelijke ontdekkingen?  Was er veel aandacht voor kunst en cultuur?

15 Economische context  Colbert (minister van financiën) gaf het financieel- economische beleid vorm (colbertisme)  Mercantilisme  productiebescherming  buitenlandse producten werden duurder waardoor in eigen land meer eigen producten gekocht werden  Vooral gericht op handel en industrie, niet op landbouw  Zeer veel uitgaven: vooral leger was een kostenpost  Diverse hongersnoden en armoede onder bevolking

16 Politieke context  Absolutisme  alle macht ligt bij de vorst en deze is niet aan wetten gebonden  Voorbeelden zijn regeringen van Lodewijk XIV en Lodewijk XVI  Deze Franse koningen beriepen zich op een droit divin: een "goddelijk recht" om te regeren  Ancien regime = tijd waarin koningen op absolute wijze regeerden in Frankwijk  Sterke centralisatie + censuur

17 Sociaal-culturele context  Veel sociaal-ongelijkheid  standenmaatschappij (geestelijken, adel en derde stand)  Katholicisme centrale godsdienst  Herroepping Edict van Nantes in 1685: protestanten werden vanaf nu vervolgd  veel vluchtten  Veel mensen leefden in armoede (vooral onder de derde stand)

18 Oefenen met het stappenplan 1. Plaats een vraag in een periode/tijdvak 2. Plaats een vraag bij een kenmerkend aspect 3. Schets een ruimtelijke context bij de vraag (waar speelt de vraag zich af?) 4. Schets een politieke context bij de vraag (denk aan de voorbeeldvragen) 5. Schets een economische context bij de vraag (denk aan de voorbeeldvragen) 6. Schets een sociaal-culturele context bij de vraag (denk aan de voorbeeldvragen) 7. Geef ten slotte een goed en volledig antwoord op de vraag! Denk aan je argumentatie!

19 Oefenen: docent doet voor!  Op de Franse kanonnen van Lodewijk XIV stond altijd ‘Ultima Ratio Regum’ (vertaald: het laatste argument van de koning) geschreven.  Leg uit dat het plaatsen van deze uitspraak typerend is voor het absolutisme van Lodewijk XIV

20 Opzet les 4 1. Het rare verleden + voorkennis activeren 2. Historische inleving 3. Reconstructie van de historische context 4. Bespreken huiswerkvraag

21 Het rare verleden  Bekijk het filmpje: https://www.youtube.com/watch?v=mBN8xJ by2b8  De VOC was actief in de 17e eeuw toen het heel erg goed ging met Nederland  Kun je verklaren dat er kritiek kwam op deze uitspraak van Balkenende?

22 Historische inleving: Johan de Witt

23 Opdracht  Vorm drie- of viertallen  Bestudeer de bronnen bij de historische persoon  Overleg en geef antwoord op de vragen op de hand-out  De antwoorden worden na afloop klassikaal besproken

24 Reconstructie van de historische context

25 Tijd en locatie  Tijdvak: 6  Naam: Tijd van Regenten en Vorsten  Periode: Vroegmoderne Tijd  Tijd:  Schaal: de Republiek De vier kenmerken van het tijdvak: 1. Het streven van vorsten naar absolute macht 2. De bijzondere plaats in staatkundig opzicht en de bloei in economisch en cultureel opzicht van de Republiek de Verenigde Nederlanden 3. Wereldwijde handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie 4. De wetenschappelijke revolutie

26

27

28

29 Uitleg opdracht reconstructie van de historische context De hele klas wordt in zes groepen verdeeld:  2 groepen  economische context  2 groepen  politieke context  2 groepen  sociaal-culturele context  Docent deelt aan een groepje de juiste hand-out uit  Zoek met je groepje de antwoorden op de voorbeeldvragen en vul dit eventueel aan met meer relevante informatie die je hebt gevonden  Niet alle voorbeeldvragen kun je beantwoorden, maar probeer de context zo volledig mogelijk te maken  Maak gebruik van het tekstboek + de bron die je hebt gekregen bij de historische inleving opdracht  Noteer jullie antwoorden leesbaar op de hand-out!  Na 15 min worden de antwoorden besproken  Lever na de bespreking de hand-out in bij de docent  Uiteindelijk krijgt iedere leerling een hand-out met de historische context

30 Economische context: voorbeeldvragen  Wat voor type samenleving was er (agrarische / agrarisch-urbane / industriële) ?  Hoe ging het economisch (welvaart / crisissen / hongersnoden) ?  Wat voor type economie was er (vrijhandel / bescherming) ?  Was er een geldeconomie?  Waren er fabrieken?  Welke vormen van belasting waren er?  Wie moesten belasting betalen?  Welke economische uitvindingen waren er?  Welke vormen van handel waren er en op welke schaal werd er handel gedreven ?  Welke economische sectoren had je (landbouw / industrie / diensten) ?  Leefden mensen voornamelijk in steden of op het platteland (urbanisatie / suburbanisatie) ?

31 Politieke context: voorbeeldvragen  Was er een overheid?  Wat voor bestuursvorm was er (democratie / dictatuur / monarchie / aristocratie / oligarchie) ?  Welke politieke stromingen had je (liberalisme / socialisme / confessionalisme) ?  Wie had(den) de politieke macht?  Had een land koloniën?  Wie mochten meedoen in het politieke proces?  Was er sprake van centraal gezag?  Was er sprake van militaire/politieke conflicten?  Was er een scheiding van politieke machten (uitvoerend, rechtsprekend en wetgevend) ?  Was er een scheiding tussen kerk en staat?

32 Sociaal-culturele context: voorbeeldvragen  Was er sociale ongelijkheid tussen mensen (rangen / standen / rijkdom / armoede) ?  Welke religies werden toegestaan / onderdrukt?  Was er censuur / vrijheid van meningsuiting?  Welke vrijheden hadden mensen?  Welke rol speelde het geloof?  Was er een multiculturele samenleving?  Waarin geloofden mensen?  Wat was het wereldbeeld van mensen?  Waren er veel wetenschappelijke ontdekkingen?  Was er veel aandacht voor kunst en cultuur?

33 Economische context  Handelskapitalisme: winst weer investeren in eigen bedrijf  bedrijven groeien!  Oostzeehandel = moedernegotie  basis van alle overzeese activiteiten  Amsterdam = belangrijkste stapelmarkt  1602: VOC  handel met Azië  1621: WIC  handel met Afrika / Amerika + kapen van schepen

34 Economische context

35 Politieke context  Bestuursvorm: republiek (geen koning)  Buitenlands beleid: Staten-Generaal (bv: betalen vloot + leger, diplomatie)  Binnenlands beleid: Staten (Gewestelijk bestuur) + Vroedschappen (Stedelijk bestuur)  Elk gewest een afgevaardigde in Staten- Generaal, maar gewest Holland beslissend door rijkdom

36 Sociaal-culturele context  Religieuze tolerantie: gewetensvrijheid  protestantisme dominant, maar katholisme werd toegestaan  Sterke bloei van de wetenschap (bv uitvindingen)  Sterke bloei van kunst en cultuur (bv schilderkunst, literatuur, muziek)

37 Bespreken huiswerkvraag 1. Plaats een vraag in een periode/tijdvak 2. Plaats een vraag bij een kenmerkend aspect 3. Schets een ruimtelijke context bij de vraag (waar speelt de vraag zich af?) 4. Schets een politieke context bij de vraag (denk aan de voorbeeldvragen) 5. Schets een economische context bij de vraag (denk aan de voorbeeldvragen) 6. Schets een sociaal-culturele context bij de vraag (denk aan de voorbeeldvragen) 7. Geef ten slotte een goed en volledig antwoord op de vraag! Denk aan je argumentatie!

38 Opzet les 5 1. Het rare verleden + voorkennis activeren 2. Historische inleving 3. Reconstructie van de historische context 4. Bespreken huiswerkvraag

39 Het rare verleden  Bekijk het filmpje: https://www.youtube.com/watch?v=5IUwjFE wexI https://www.youtube.com/watch?v=5IUwjFE wexI  New York heette vroeger Nieuw-Amsterdam en was een Nederlandse kolonie. In 1674 werd Nieuw-Amsterdam geruild met de Engelse tegen Surniname. Je ruilt toch geen wereldstad tegen een woeste jungle?  Kun je deze ruil toch verklaren?

40 Historische inleving: Willem Bosman

41 Opdracht  Vorm drie- of viertallen  Bestudeer de bronnen bij de historische persoon  Overleg en geef antwoord op de vragen op de hand-out  De antwoorden worden na afloop klassikaal besproken

42 Reconstructie van de historische context

43 Tijd en locatie  Tijdvak: 6  Naam: Tijd van Regenten en Vorsten  Periode: Vroegmoderne Tijd  Tijd:  Schaal: wereld De vier kenmerken van het tijdvak: 1. Het streven van vorsten naar absolute macht 2. De bijzondere plaats in staatkundig opzicht en de bloei in economisch en cultureel opzicht van de Republiek de Verenigde Nederlanden 3. Wereldwijde handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie 4. De wetenschappelijke revolutie

44

45

46

47 Uitleg opdracht reconstructie van de historische context De hele klas wordt in zes groepen verdeeld:  2 groepen  economische context  2 groepen  politieke context  2 groepen  sociaal-culturele context  Docent deelt aan een groepje de juiste hand-out uit  Zoek met je groepje de antwoorden op de voorbeeldvragen en vul dit eventueel aan met meer relevante informatie die je hebt gevonden  Niet alle voorbeeldvragen kun je beantwoorden, maar probeer de context zo volledig mogelijk te maken  Maak gebruik van het tekstboek + de bron die je hebt gekregen bij de historische inleving opdracht  Noteer jullie antwoorden leesbaar op de hand-out!  Na 15 min worden de antwoorden besproken  Lever na de bespreking de hand-out in bij de docent  Uiteindelijk krijgt iedere leerling een hand-out met de historische context

48 Economische context: voorbeeldvragen  Wat voor type samenleving was er (agrarische / agrarisch-urbane / industriële) ?  Hoe ging het economisch (welvaart / crisissen / hongersnoden) ?  Wat voor type economie was er (vrijhandel / bescherming) ?  Was er een geldeconomie?  Waren er fabrieken?  Welke vormen van belasting waren er?  Wie moesten belasting betalen?  Welke economische uitvindingen waren er?  Welke vormen van handel waren er en op welke schaal werd er handel gedreven ?  Welke economische sectoren had je (landbouw / industrie / diensten) ?  Leefden mensen voornamelijk in steden of op het platteland (urbanisatie / suburbanisatie) ?

49 Politieke context: voorbeeldvragen  Was er een overheid?  Wat voor bestuursvorm was er (democratie / dictatuur / monarchie / aristocratie / oligarchie) ?  Welke politieke stromingen had je (liberalisme / socialisme / confessionalisme) ?  Wie had(den) de politieke macht?  Had een land koloniën?  Wie mochten meedoen in het politieke proces?  Was er sprake van centraal gezag?  Was er sprake van militaire/politieke conflicten?  Was er een scheiding van politieke machten (uitvoerend, rechtsprekend en wetgevend) ?  Was er een scheiding tussen kerk en staat?

50 Sociaal-culturele context: voorbeeldvragen  Was er sociale ongelijkheid tussen mensen (rangen / standen / rijkdom / armoede) ?  Welke religies werden toegestaan / onderdrukt?  Was er censuur / vrijheid van meningsuiting?  Welke vrijheden hadden mensen?  Welke rol speelde het geloof?  Was er een multiculturele samenleving?  Waarin geloofden mensen?  Wat was het wereldbeeld van mensen?  Waren er veel wetenschappelijke ontdekkingen?  Was er veel aandacht voor kunst en cultuur?

51 Economische context  Driehoekshandel (zie volgende dia)  Stichtten van plantages in koloniën  grondstoffen / producten naar moederland  Globalisme  er ontstaan handelscontacten en geldstromen tussen verschillende continenten (wereldeconomie)  Gestimuleerd door organisaties, zoals VOC en WIC  Strijd tussen landen die voor vrijhandel waren en landen die hun eigen handel wilden bevoordelen (protectionisme) zoals Engeland en Frankrijk

52 Driehoekshandel

53 Politieke context  De Republiek: bestuursvorm republiek  Andere landen in West-Europa: absolute monarchieën  Moederlanden besturen koloniën

54 Sociaal-culturele context  Slavernij economisch erg belangrijk en geaccepteerd door velen (ongelijkheid)  Veel Europese landen probeerden andere volken te bekeren tot christendom (missionarissen)

55 Bespreken huiswerkvraag 1. Plaats een vraag in een periode/tijdvak 2. Plaats een vraag bij een kenmerkend aspect 3. Schets een ruimtelijke context bij de vraag (waar speelt de vraag zich af?) 4. Schets een politieke context bij de vraag (denk aan de voorbeeldvragen) 5. Schets een economische context bij de vraag (denk aan de voorbeeldvragen) 6. Schets een sociaal-culturele context bij de vraag (denk aan de voorbeeldvragen) 7. Geef ten slotte een goed en volledig antwoord op de vraag! Denk aan je argumentatie!

56 Opzet les 6 1. Het rare verleden + voorkennis activeren 2. Historische inleving 3. Reconstructie van de historische context 4. Bespreken huiswerkvraag

57 Het rare verleden  Aan het begin van de wetenschappelijke revoultie publiceerde Copernicus zijn boek Over de omwenteling van de hemelse sferen  Hierin beschreef hij dat de aarde niet het middelpunt van het heelal is, maar dat de planeten om de zon draaien. Dit weten wij nu allemaal  Zijn boek werd echter op de lijst met verboden boeken gezet. Kun je dit verklaren?

58 Historische inleving: Antoni van Leeuwenhoek

59 Opdracht  Vorm drie- of viertallen  Bestudeer de bronnen bij de historische persoon  Overleg en geef antwoord op de vragen op de hand-out  De antwoorden worden na afloop klassikaal besproken

60 Reconstructie van de historische context

61 Tijd en locatie  Tijdvak : 6  Naam: Tijd van Regenten en Vorsten  Periode: Vroegmoderne Tijd  Tijd:  Schaal: Europa / De Republiek De vier kenmerken van het tijdvak: 1. Het streven van vorsten naar absolute macht 2. De bijzondere plaats in staatkundig opzicht en de bloei in economisch en cultureel opzicht van de Republiek de Verenigde Nederlanden 3. Wereldwijde handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie 4. De wetenschappelijke revolutie

62

63

64

65 Uitleg opdracht reconstructie van de historische context De hele klas wordt in zes groepen verdeeld:  2 groepen  economische context  2 groepen  politieke context  2 groepen  sociaal-culturele context  Docent deelt aan een groepje de juiste hand-out uit  Zoek met je groepje de antwoorden op de voorbeeldvragen en vul dit eventueel aan met meer relevante informatie die je hebt gevonden  Niet alle voorbeeldvragen kun je beantwoorden, maar probeer de context zo volledig mogelijk te maken  Maak gebruik van het tekstboek + de bron die je hebt gekregen bij de historische inleving opdracht  Noteer jullie antwoorden leesbaar op de hand-out!  Na 15 min worden de antwoorden besproken  Lever na de bespreking de hand-out in bij de docent  Uiteindelijk krijgt iedere leerling een hand-out met de historische context

66 Economische context: voorbeeldvragen  Wat voor type samenleving was er (agrarische / agrarisch-urbane / industriële) ?  Hoe ging het economisch (welvaart / crisissen / hongersnoden) ?  Wat voor type economie was er (vrijhandel / bescherming) ?  Was er een geldeconomie?  Waren er fabrieken?  Welke vormen van belasting waren er?  Wie moesten belasting betalen?  Welke economische uitvindingen waren er?  Welke vormen van handel waren er en op welke schaal werd er handel gedreven ?  Welke economische sectoren had je (landbouw / industrie / diensten) ?  Leefden mensen voornamelijk in steden of op het platteland (urbanisatie / suburbanisatie) ?

67 Politieke context: voorbeeldvragen  Was er een overheid?  Wat voor bestuursvorm was er (democratie / dictatuur / monarchie / aristocratie / oligarchie) ?  Welke politieke stromingen had je (liberalisme / socialisme / confessionalisme) ?  Wie had(den) de politieke macht?  Had een land koloniën?  Wie mochten meedoen in het politieke proces?  Was er sprake van centraal gezag?  Was er sprake van militaire/politieke conflicten?  Was er een scheiding van politieke machten (uitvoerend, rechtsprekend en wetgevend) ?  Was er een scheiding tussen kerk en staat?

68 Sociaal-culturele context: voorbeeldvragen  Was er sociale ongelijkheid tussen mensen (rangen / standen / rijkdom / armoede) ?  Welke religies werden toegestaan / onderdrukt?  Was er censuur / vrijheid van meningsuiting?  Welke vrijheden hadden mensen?  Welke rol speelde het geloof?  Was er een multiculturele samenleving?  Waarin geloofden mensen?  Wat was het wereldbeeld van mensen?  Waren er veel wetenschappelijke ontdekkingen?  Was er veel aandacht voor kunst en cultuur?

69 Economische context  Gouden eeuw: eco ging het heel erg goed met De Republiek  Trok veel immigranten (ook veel hoogopgeleiden)

70 Politieke dimensie

71 Sociaal-culturele context  In Republiek veel tolerantie (gewetensvrijheid)  trok veel immigranten (Portugese joden, hugenoten)  Nieuwe scholen: de Franse school en de Latijnse school  Bloei van de wetenschap, kunst en cultuur  Ontstaan door reformatie en boekdrukkunst

72 Bespreken huiswerkvraag 1. Plaats een vraag in een periode/tijdvak 2. Plaats een vraag bij een kenmerkend aspect 3. Schets een ruimtelijke context bij de vraag (waar speelt de vraag zich af?) 4. Schets een politieke context bij de vraag (denk aan de voorbeeldvragen) 5. Schets een economische context bij de vraag (denk aan de voorbeeldvragen) 6. Schets een sociaal-culturele context bij de vraag (denk aan de voorbeeldvragen) 7. Geef ten slotte een goed en volledig antwoord op de vraag! Denk aan je argumentatie!

73 Opzet les 7 1. Het rare verleden + voorkennis activeren 2. Historische inleving 3. Reconstructie van de historische context 4. Bespreken huiswerkvraag

74 Het rare verleden  In erg veel landen is er een scheiding der machten (wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht.  Dit idee is bedacht door Charles Montesquieu die het in een boekvorm in 1748 publiceerde  Montesquieu zijn boek werd echter in veel Europese landen verboden en hij werd zelfs bedreigd met de dood!  Kun je verklaren waarom iets wat wij tegenwoordig vanzelfsprekend vinden, zoveel weerstand opriep?

75 Historische inleving: Voltaire

76 Opdracht  Vorm drie- of viertallen  Bestudeer de bronnen bij de historische persoon  Overleg en geef antwoord op de vragen op de hand-out  De antwoorden worden na afloop klassikaal besproken

77 Reconstructie van de historische context

78 Tijd en locatie  Tijdvak: 7  Naam: Tijd van Pruiken en Revoluties  Periode: Vroegmoderne Tijd  Tijd:  Schaal: Europa De vier kenmerken van het tijdvak: 1. Rationeel optimisme en ‘verlicht denken’ dat werd toegepast op alle terreinen van de samenleving: godsdienst, politiek, economie en sociale verhoudingen 2. Voortbestaan van het ancien régime met pogingen om het vorstelijk bestuur op eigentijdse verlichte wijze vorm te geven (verlicht absolutisme) 3. Uitbouw van de Europese overheersing, met name in de vorm van plantagekoloniën en de daarmee verbonden trans-Atlantische slavenhandel, en de opkomst van het abolitionisme 4. De democratische revoluties in westerse landen met als gevolg discussies over grondwetten, grondrechten en staatsburgerschap

79

80

81 Uitleg opdracht reconstructie van de historische context De hele klas wordt in zes groepen verdeeld:  2 groepen  economische context  2 groepen  politieke context  2 groepen  sociaal-culturele context  Docent deelt aan een groepje de juiste hand-out uit  Zoek met je groepje de antwoorden op de voorbeeldvragen en vul dit eventueel aan met meer relevante informatie die je hebt gevonden  Niet alle voorbeeldvragen kun je beantwoorden, maar probeer de context zo volledig mogelijk te maken  Maak gebruik van het tekstboek + de bron die je hebt gekregen bij de historische inleving opdracht  Noteer jullie antwoorden leesbaar op de hand-out!  Na 15 min worden de antwoorden besproken  Lever na de bespreking de hand-out in bij de docent  Uiteindelijk krijgt iedere leerling een hand-out met de historische context

82 Economische context: voorbeeldvragen  Wat voor type samenleving was er (agrarische / agrarisch-urbane / industriële) ?  Hoe ging het economisch (welvaart / crisissen / hongersnoden) ?  Wat voor type economie was er (vrijhandel / bescherming) ?  Was er een geldeconomie?  Waren er fabrieken?  Welke vormen van belasting waren er?  Wie moesten belasting betalen?  Welke economische uitvindingen waren er?  Welke vormen van handel waren er en op welke schaal werd er handel gedreven ?  Welke economische sectoren had je (landbouw / industrie / diensten) ?  Leefden mensen voornamelijk in steden of op het platteland (urbanisatie / suburbanisatie) ?

83 Politieke context: voorbeeldvragen  Was er een overheid?  Wat voor bestuursvorm was er (democratie / dictatuur / monarchie / aristocratie / oligarchie) ?  Welke politieke stromingen had je (liberalisme / socialisme / confessionalisme) ?  Wie had(den) de politieke macht?  Had een land koloniën?  Wie mochten meedoen in het politieke proces?  Was er sprake van centraal gezag?  Was er sprake van militaire/politieke conflicten?  Was er een scheiding van politieke machten (uitvoerend, rechtsprekend en wetgevend) ?  Was er een scheiding tussen kerk en staat?

84 Sociaal-culturele context: voorbeeldvragen  Was er sociale ongelijkheid tussen mensen (rangen / standen / rijkdom / armoede) ?  Welke religies werden toegestaan / onderdrukt?  Was er censuur / vrijheid van meningsuiting?  Welke vrijheden hadden mensen?  Welke rol speelde het geloof?  Was er een multiculturele samenleving?  Waarin geloofden mensen?  Wat was het wereldbeeld van mensen?  Waren er veel wetenschappelijke ontdekkingen?  Was er veel aandacht voor kunst en cultuur?

85 Economische context  De Schotse econoom Adam Smith (1723 – 1790) bekritiseerde het mercantilisme en werd daarmee de bekendste pleitbezorger van economische vrijheid  Smith stelde dat arbeidsverdeling (ook tussen landen) het belangrijkste middel is voor productiviteitsverhoging. Om de markt zo groot mogelijk te maken was vrijhandel noodzakelijk  De staat moet zich beperken tot bescherming tegen buitenlandse vijanden, handhaving van de rechtsorde, uitvoeren van publieke werken en opleggen van belastingen

86 Politieke context  De verlichters verwierpen de absolute macht van de vorsten die de vrijheid van het individu inperkte.  Dit betekende overigens niet dat alle verlichters voorstander waren van een democratie. Wel deelden ze de opvatting dat de wetten voor iedereen gelijk moeten zijn. Voorbeelden:  John Locke (1632 – 1704) droeg de opvatting uit dat alle mensen natuurlijke rechten bezaten: rechten die voor ieder mens zouden moeten gelden en die niet geschonden mogen worden door de overheid.  Montesquieu ( ) werkte de opvatting uit dat de vorst niet in zijn eentje over alles beslist. Daarom is een scheiding der machten (Trias Politica) noodzakelijk: uitvoerende, wetgevende en rechtsprekende macht moeten in verschillende handen zijn 

87 Sociaal-culturele context  Geloof: Verlichte denkers vergeleken wereldreligies met elkaar  conclusie christendom niet uniek  bekritiseerden daarom het dogmatische denken binnen christelijke kerk.  BV Voltaire noemde het geloof dogmatisch en nam niet zomaar aan wat de kerk vond, maar zocht naar bewijzen en onderbouwde dat met logische redeneringen  Daarin leek hij op andere geleerden die sinds de wetenschappelijke revolutie door logisch nadenken (rationalisme), en onderzoek via waarneming (empirisme), kennis opdeden  Kant  'Heb de moed je eigen verstand te gebruiken, zonder leiding van iemand anders. Durf te weten'.  Nadruk op opvoeding en scholing  mensen moesten worden opgevoed tot rationele burgers  Belangrijk idee Verlichting is gelijkheid  tegen standensamenleving en tegen slaverij!

88 Bespreken huiswerkvraag 1. Plaats een vraag in een periode/tijdvak 2. Plaats een vraag bij een kenmerkend aspect 3. Schets een ruimtelijke context bij de vraag (waar speelt de vraag zich af?) 4. Schets een politieke context bij de vraag (denk aan de voorbeeldvragen) 5. Schets een economische context bij de vraag (denk aan de voorbeeldvragen) 6. Schets een sociaal-culturele context bij de vraag (denk aan de voorbeeldvragen) 7. Geef ten slotte een goed en volledig antwoord op de vraag! Denk aan je argumentatie!

89 Opzet les 8 1. Het rare verleden + voorkennis activeren 2. Historische inleving 3. Reconstructie van de historische context 4. Bespreken huiswerkvraag

90 Het rare verleden  Catharina de Grote was tsarina van Rusland van 1762 tot 1792  Onder de invloed van de Verliching gaf ze het volk meer politieke macht  Toch trok ze aan het einde van de 18 e eeuw de teugels veel strakker aan. Opstanden werden hard neergeslagen en mensen die protesteerden werden zonder pardon neergeschoten  Kun jij deze verandering in het beleid verklaren?

91 Historische inleving: Frederik de Grote

92 Opdracht  Vorm drie- of viertallen  Bestudeer de bronnen bij de historische persoon  Overleg en geef antwoord op de vragen op de hand-out  De antwoorden worden na afloop klassikaal besproken

93 Reconstructie van de historische context

94 Tijd en locatie  Tijdvak: 7  Naam: Tijd van Pruiken en Revoluties  Periode: Vroegmoderne Tijd  Tijd:  Schaal: Europa De vier kenmerken van het tijdvak: 1. Rationeel optimisme en ‘verlicht denken’ dat werd toegepast op alle terreinen van de samenleving: godsdienst, politiek, economie en sociale verhoudingen 2. Voortbestaan van het ancien régime met pogingen om het vorstelijk bestuur op eigentijdse verlichte wijze vorm te geven (verlicht absolutisme) 3. Uitbouw van de Europese overheersing, met name in de vorm van plantagekoloniën en de daarmee verbonden trans-Atlantische slavenhandel, en de opkomst van het abolitionisme 4. De democratische revoluties in westerse landen met als gevolg discussies over grondwetten, grondrechten en staatsburgerschap

95

96

97 Uitleg opdracht reconstructie van de historische context De hele klas wordt in zes groepen verdeeld:  2 groepen  economische context  2 groepen  politieke context  2 groepen  sociaal-culturele context  Docent deelt aan een groepje de juiste hand-out uit  Zoek met je groepje de antwoorden op de voorbeeldvragen en vul dit eventueel aan met meer relevante informatie die je hebt gevonden  Niet alle voorbeeldvragen kun je beantwoorden, maar probeer de context zo volledig mogelijk te maken  Maak gebruik van het tekstboek + de bron die je hebt gekregen bij de historische inleving opdracht  Noteer jullie antwoorden leesbaar op de hand-out!  Na 15 min worden de antwoorden besproken  Lever na de bespreking de hand-out in bij de docent  Uiteindelijk krijgt iedere leerling een hand-out met de historische context

98 Economische context: voorbeeldvragen  Wat voor type samenleving was er (agrarische / agrarisch-urbane / industriële) ?  Hoe ging het economisch (welvaart / crisissen / hongersnoden) ?  Wat voor type economie was er (vrijhandel / bescherming) ?  Was er een geldeconomie?  Waren er fabrieken?  Welke vormen van belasting waren er?  Wie moesten belasting betalen?  Welke economische uitvindingen waren er?  Welke vormen van handel waren er en op welke schaal werd er handel gedreven ?  Welke economische sectoren had je (landbouw / industrie / diensten) ?  Leefden mensen voornamelijk in steden of op het platteland (urbanisatie / suburbanisatie) ?

99 Politieke context: voorbeeldvragen  Was er een overheid?  Wat voor bestuursvorm was er (democratie / dictatuur / monarchie / aristocratie / oligarchie) ?  Welke politieke stromingen had je (liberalisme / socialisme / confessionalisme) ?  Wie had(den) de politieke macht?  Had een land koloniën?  Wie mochten meedoen in het politieke proces?  Was er sprake van centraal gezag?  Was er sprake van militaire/politieke conflicten?  Was er een scheiding van politieke machten (uitvoerend, rechtsprekend en wetgevend) ?  Was er een scheiding tussen kerk en staat?

100 Sociaal-culturele context: voorbeeldvragen  Was er sociale ongelijkheid tussen mensen (rangen / standen / rijkdom / armoede) ?  Welke religies werden toegestaan / onderdrukt?  Was er censuur / vrijheid van meningsuiting?  Welke vrijheden hadden mensen?  Welke rol speelde het geloof?  Was er een multiculturele samenleving?  Waarin geloofden mensen?  Wat was het wereldbeeld van mensen?  Waren er veel wetenschappelijke ontdekkingen?  Was er veel aandacht voor kunst en cultuur?

101 Economische context  Sommige vorsten nog mercantilistisch  Sommige vorsten streefden naar meer vrijhandel onder invloed van de Verlichting  Vorsten probeerden belastinginning te optimaliseren door middel van ambtenarenapparaat / bureaucratie

102 Politieke context  Het verschijnsel dat vorsten de verlichtingsidealen in de 18 e eeuw in praktijk brachten wordt verlicht absolutisme genoemd  De politiek van deze verlichte vorsten (verlichte despoten) kan worden samengevat in het motto: “alles voor het volk, niets door het volk”  volk had politiek gezien erg weinig te zeggen  Vorsten streefden naar een zo efficiënt mogelijk bestuur en naar de vorming van een moderne staat  BV door een moderne bureaucratie van ambtenaren in te stellen zodat de belastinginning optimaal te organiseren was

103 Sociaal-culturele context  Het bekendste voorbeeld van een vorst die in zijn bestuur verlichte ideeën in praktijk bracht is de vorst van Pruisen, Frederik de Grote ( ).  Hij bevorderde wetenschappelijk onderzoek en paste de verlichtingsideeën toe in het onderwijs, in de gezondheidszorg en in de rechtspraak.

104 Bespreken huiswerkvraag 1. Plaats een vraag in een periode/tijdvak 2. Plaats een vraag bij een kenmerkend aspect 3. Schets een ruimtelijke context bij de vraag (waar speelt de vraag zich af?) 4. Schets een politieke context bij de vraag (denk aan de voorbeeldvragen) 5. Schets een economische context bij de vraag (denk aan de voorbeeldvragen) 6. Schets een sociaal-culturele context bij de vraag (denk aan de voorbeeldvragen) 7. Geef ten slotte een goed en volledig antwoord op de vraag! Denk aan je argumentatie!

105 Opzet les 9 1. Het rare verleden + voorkennis activeren 2. Historische inleving 3. Reconstructie van de historische context 4. Bespreken huiswerkvraag

106 Het rare verleden  Slavernij gaat gepaard met onmenselijke en wrede toestanden. Slaven werden regelmatig gemarteld en doodgeschoten voor niets.  Nederland staat bekend als een vrij en tolerant land. Toch werd in Nederland pas in 1863 de slavernij afgeschat.  Dit terwijl in landen zoals Frankrijk en Engeland de slavernij al veel eerder werd afgeschaft  Kun je verklaren waarom in Nederland zo laat de slavernij werd afgeschaft?

107 Historische inleving: Harriet Beecher Stowe

108 Historisch inleving: Harriet Beecher Stowe Opdracht  Vorm drie- of viertallen  Bestudeer de bronnen bij de historische persoon  Overleg en geef antwoord op de vragen op de hand-out  De antwoorden worden na afloop klassikaal besproken

109 Reconstructie van de historische context

110 Tijd en locatie  Tijdvak: 7  Naam: Tijd van Pruiken en Revoluties  Periode: Vroegmoderne Tijd  Tijd:  Schaal: Wereld De vier kenmerken van het tijdvak: 1. Rationeel optimisme en ‘verlicht denken’ dat werd toegepast op alle terreinen van de samenleving: godsdienst, politiek, economie en sociale verhoudingen 2. Voortbestaan van het ancien régime met pogingen om het vorstelijk bestuur op eigentijdse verlichte wijze vorm te geven (verlicht absolutisme) 3. Uitbouw van de Europese overheersing, met name in de vorm van plantagekoloniën en de daarmee verbonden trans-Atlantische slavenhandel, en de opkomst van het abolitionisme 4. De democratische revoluties in westerse landen met als gevolg discussies over grondwetten, grondrechten en staatsburgerschap

111

112

113

114 Uitleg opdracht reconstructie van de historische context De hele klas wordt in zes groepen verdeeld:  2 groepen  economische context  2 groepen  politieke context  2 groepen  sociaal-culturele context  Docent deelt aan een groepje de juiste hand-out uit  Zoek met je groepje de antwoorden op de voorbeeldvragen en vul dit eventueel aan met meer relevante informatie die je hebt gevonden  Niet alle voorbeeldvragen kun je beantwoorden, maar probeer de context zo volledig mogelijk te maken  Maak gebruik van het tekstboek + de bron die je hebt gekregen bij de historische inleving opdracht  Noteer jullie antwoorden leesbaar op de hand-out!  Na 15 min worden de antwoorden besproken  Lever na de bespreking de hand-out in bij de docent  Uiteindelijk krijgt iedere leerling een hand-out met de historische context

115 Economische context: voorbeeldvragen  Wat voor type samenleving was er (agrarische / agrarisch-urbane / industriële) ?  Hoe ging het economisch (welvaart / crisissen / hongersnoden) ?  Wat voor type economie was er (vrijhandel / bescherming) ?  Was er een geldeconomie?  Waren er fabrieken?  Welke vormen van belasting waren er?  Wie moesten belasting betalen?  Welke economische uitvindingen waren er?  Welke vormen van handel waren er en op welke schaal werd er handel gedreven ?  Welke economische sectoren had je (landbouw / industrie / diensten) ?  Leefden mensen voornamelijk in steden of op het platteland (urbanisatie / suburbanisatie) ?

116 Politieke context: voorbeeldvragen  Was er een overheid?  Wat voor bestuursvorm was er (democratie / dictatuur / monarchie / aristocratie / oligarchie) ?  Welke politieke stromingen had je (liberalisme / socialisme / confessionalisme) ?  Wie had(den) de politieke macht?  Had een land koloniën?  Wie mochten meedoen in het politieke proces?  Was er sprake van centraal gezag?  Was er sprake van militaire/politieke conflicten?  Was er een scheiding van politieke machten (uitvoerend, rechtsprekend en wetgevend) ?  Was er een scheiding tussen kerk en staat?

117 Sociaal-culturele context: voorbeeldvragen  Was er sociale ongelijkheid tussen mensen (rangen / standen / rijkdom / armoede) ?  Welke religies werden toegestaan / onderdrukt?  Was er censuur / vrijheid van meningsuiting?  Welke vrijheden hadden mensen?  Welke rol speelde het geloof?  Was er een multiculturele samenleving?  Waarin geloofden mensen?  Wat was het wereldbeeld van mensen?  Waren er veel wetenschappelijke ontdekkingen?  Was er veel aandacht voor kunst en cultuur?

118 Economische context  in de 16 e eeuw, waren het Portugal en met name Spanje die grote delen van Amerika veroverden en koloniseerden  Deze Amerikaanse kolonies waren het startpunt voor een bloeiende handel tussen Amerika en de Europese moederlanden: goud en zilver (mijnbouw), en de landbouw leverde tabak, katoen, suiker en koffie  oor de verbouw van deze producten werden grote landbouwbedrijven opgericht, plantages genaamd.  De arbeidskracht op deze plantages werd meer en meer geleverd door slaven die door slavenhandelaren uit West-Afrika werden verscheept  In de 17 e eeuw raakten de zilver- en goudmijnen in de Spaanse koloniën uitgeput. Hierdoor ontwikkelden de koloniën in Amerika zich meer en meer tot plantagekoloniën. Andere Europese landen (Engeland, Frankrijk en de Republiek) volgden  Zo ontwikkelde zich in de 17 e en de 18 e eeuw een zeer winstgevende handel over de Atlantische Oceaan: de driehoekshandel  De slavenhandel tussen West-Afrika en Midden-Amerika, noemen we de transatlantische slavenhandel  De Gouden Eeuw was in de Republiek voorgoed voorbij. Economisch ging het minder voor de wind als dat het decennia lang had gedaan. Er ontstonden grote inkomensverschillen tussen de elite en ‘het grauw’. De VOC haalde minder winsten dan dat het gewend was en de werkloosheid steeg.

119 Politieke context  Streven naar zoveel mogelijk koloniën  De Republiek veroverde Brazilië op de Portugezen maar hield deze kolonie niet lang in bezit.  Suriname zou voor de Republiek de belangrijkste plantagekolonie worden  Handelscompagnieën van de Europese landen beconcurreerden elkaar in de slavenhandel.  In de Republiek was het aanvankelijk vooral de West-Indische Compagnie (opgericht 1621) die de slaven vervoerde en verhandelde

120 Sociaal-culturele context  In de Republiek heeft de slavenhandel opmerkelijk genoeg nooit tot veel verontwaardiging geleid  De koopmansgeest won en bracht zelfs dominees ertoe om de slavenhandel te rechtvaardigen vanuit de christelijke leer  Europeanen bewezen Afrikaanse slaven in feite een dienst door ze op te kopen, want op de plantages zouden ze een beter leven leiden dan als slaaf van een Afrikaanse vorst  Internationaal namen de protesten tegen de slavenhandel en de slavernij vanaf het einde van de 18 e eeuw toe  Het protest werd gevoed door de Verlichting (maar ook door christelijke idealen)

121 Bespreken huiswerkvraag 1. Plaats een vraag in een periode/tijdvak 2. Plaats een vraag bij een kenmerkend aspect 3. Schets een ruimtelijke context bij de vraag (waar speelt de vraag zich af?) 4. Schets een politieke context bij de vraag (denk aan de voorbeeldvragen) 5. Schets een economische context bij de vraag (denk aan de voorbeeldvragen) 6. Schets een sociaal-culturele context bij de vraag (denk aan de voorbeeldvragen) 7. Geef ten slotte een goed en volledig antwoord op de vraag! Denk aan je argumentatie!

122 Opzet les Het rare verleden + voorkennis activeren 2. Historische inleving 3. Reconstructie van de historische context 4. Bespreken huiswerkvraag

123 Het rare verleden  Marie Antoinette was de vrouw van de Franse koning Lodewijk XVI.  In 1793 werd ze met een mestkar naar het schavot gebracht waar de Parijse meester- beul Sanson onder luid gejuich haar hoofd eraf hakte. Nadat haar hoofd gevallen was, doopten veel mensen hun mouwen in haar bloed en schreeuwden van vreugde!  Kun jij deze volkswoede en gruwelheden verklaren?

124 Historische inleving: Joan Derk van der Capellen tot den Pol

125 Opdracht  Vorm drie- of viertallen  Bestudeer de bronnen bij de historische persoon  Overleg en geef antwoord op de vragen op de hand-out  De antwoorden worden na afloop klassikaal besproken

126 Reconstructie van de historische context

127 Tijd en locatie  Tijdvak: 7  Naam: Tijd van Pruiken en Revoluties  Periode: Vroegmoderne Tijd  Tijd:  Schaal: Wereld De vier kenmerken van het tijdvak: 1. Rationeel optimisme en ‘verlicht denken’ dat werd toegepast op alle terreinen van de samenleving: godsdienst, politiek, economie en sociale verhoudingen 2. Voortbestaan van het ancien régime met pogingen om het vorstelijk bestuur op eigentijdse verlichte wijze vorm te geven (verlicht absolutisme) 3. Uitbouw van de Europese overheersing, met name in de vorm van plantagekoloniën en de daarmee verbonden trans-Atlantische slavenhandel, en de opkomst van het abolitionisme 4. De democratische revoluties in westerse landen met als gevolg discussies over grondwetten, grondrechten en staatsburgerschap

128

129

130

131

132

133 Uitleg opdracht reconstructie van de historische context De hele klas wordt in zes groepen verdeeld:  2 groepen  economische context  2 groepen  politieke context  2 groepen  sociaal-culturele context  Docent deelt aan een groepje de juiste hand-out uit  Zoek met je groepje de antwoorden op de voorbeeldvragen en vul dit eventueel aan met meer relevante informatie die je hebt gevonden  Niet alle voorbeeldvragen kun je beantwoorden, maar probeer de context zo volledig mogelijk te maken  Maak gebruik van het tekstboek + de bron die je hebt gekregen bij de historische inleving opdracht  Noteer jullie antwoorden leesbaar op de hand-out!  Na 15 min worden de antwoorden besproken  Lever na de bespreking de hand-out in bij de docent  Uiteindelijk krijgt iedere leerling een hand-out met de historische context

134 Economische context: voorbeeldvragen  Wat voor type samenleving was er (agrarische / agrarisch-urbane / industriële) ?  Hoe ging het economisch (welvaart / crisissen / hongersnoden) ?  Wat voor type economie was er (vrijhandel / bescherming) ?  Was er een geldeconomie?  Waren er fabrieken?  Welke vormen van belasting waren er?  Wie moesten belasting betalen?  Welke economische uitvindingen waren er?  Welke vormen van handel waren er en op welke schaal werd er handel gedreven ?  Welke economische sectoren had je (landbouw / industrie / diensten) ?  Leefden mensen voornamelijk in steden of op het platteland (urbanisatie / suburbanisatie) ?

135 Politieke context: voorbeeldvragen  Was er een overheid?  Wat voor bestuursvorm was er (democratie / dictatuur / monarchie / aristocratie / oligarchie) ?  Welke politieke stromingen had je (liberalisme / socialisme / confessionalisme) ?  Wie had(den) de politieke macht?  Had een land koloniën?  Wie mochten meedoen in het politieke proces?  Was er sprake van centraal gezag?  Was er sprake van militaire/politieke conflicten?  Was er een scheiding van politieke machten (uitvoerend, rechtsprekend en wetgevend) ?  Was er een scheiding tussen kerk en staat?

136 Sociaal-culturele context: voorbeeldvragen  Was er sociale ongelijkheid tussen mensen (rangen / standen / rijkdom / armoede) ?  Welke religies werden toegestaan / onderdrukt?  Was er censuur / vrijheid van meningsuiting?  Welke vrijheden hadden mensen?  Welke rol speelde het geloof?  Was er een multiculturele samenleving?  Waarin geloofden mensen?  Wat was het wereldbeeld van mensen?  Waren er veel wetenschappelijke ontdekkingen?  Was er veel aandacht voor kunst en cultuur?

137 Economische context  In de Republiek ging het economisch een stuk minder dan in de Gouden Eeuw  Meer werkeloosheid en armoede  In Frankrijk zag koning Lodewijk XVI zich geconfronteerd met een vrijwel lege schatkist  Boeren in Frankrijk klaagden over de ‘tienden’ (een tiende deel van de oogst) die ze als belasting aan de kerk moesten betalen.  In Frankrijk klaagde het ‘gewone volk’ in de steden k over de hoge prijzen van eerste levensbehoeften, zoals brood

138 Politieke context  De term ‘democratische revolutie’ is een verzamelnaam voor omwentelingen in het bestuur van een land waarbij het volk meer macht krijgt ten koste van de macht van de vorst  Het volk (niet noodzakelijk alle mensen in een land) krijgt grondrechten die worden vastgelegd in een geschreven grondwet, een constitutie  Een democratische revolutie legt het fundament voor een democratische samenleving  Montesquieu’s leer van de scheiding der machten (Trias Politica) werd toegepast  Bekendste zijn: Amerikaanse Revolutie 1776, Franse Revolutie 1789 en Bataafse Revolutie 1795

139 Sociaal-culturele context Meer waarborging grondrechten door invloed Verlichting. BV:  Alle mensen zijn gelijk geschapen  Het recht op leven  Recht op vrijheid en op het nastreven van geluk  VB Verklaring van de Rechten van de Mens en de Burger in Frankrijk in 1789 en de Onafhankelijkheidsverklaring van de VS in 1776

140 Bespreken huiswerkvraag 1. Plaats een vraag in een periode/tijdvak 2. Plaats een vraag bij een kenmerkend aspect 3. Schets een ruimtelijke context bij de vraag (waar speelt de vraag zich af?) 4. Schets een politieke context bij de vraag (denk aan de voorbeeldvragen) 5. Schets een economische context bij de vraag (denk aan de voorbeeldvragen) 6. Schets een sociaal-culturele context bij de vraag (denk aan de voorbeeldvragen) 7. Geef ten slotte een goed en volledig antwoord op de vraag! Denk aan je argumentatie!

141 Opzet les 11: Afsluiting 1. De klas wordt verdeeld in 6 groepen en krijgt de hand-out met de opdracht. 2. Leven aan het einde de ingevulde hand-out in bij de docent! 3. Iedere groep maakt een volledige historische context van tijdvak 6 en van tijdvak Vergelijk daarna de historische contexten van tijdvak 6 en 7 met elkaar: welke belangrijke verschillen en overeenkomsten zijn er? 5. Vergelijk daarna de historische context van tijdvak 6 en 7 met de tijdvakken 3 en 4 (middeleeuwen): welke belangrijke verschillen en overeenkomsten zijn er? 6. Vergelijk daarna de historische context van tijdvak 6 en 7 met het heden: welke belangrijke verschillen en overeenkomsten zijn er? 7. Maak gebruik van je tekstboek, eerdere hand-outs en noteer jullie antwoorden op de hand-out 8. De docent zal na 35 min vragen om jullie antwoorden te presenteren voor de klas Een context bestaat uit (maak ook gebruik van de voorbeeldvragen):  Een tijdsdimensie (wanneer)  Een ruimtelijke dimensie (waar)  Een economische context  Een politieke context  Een sociaal-culturele context


Download ppt "Geschiedenis. Opzet les 3 1. Het rare verleden + voorkennis activeren 2. Historische inleving 3. Reconstructie van de historische context 4. Oefenen +"

Verwante presentaties


Ads door Google