De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

Mariken van Nieumeghen 4 vwo. Politieke achtergronden Nederland bestond nog niet als staatkundige eenheid. Karel de Grote (768-814). Kruistochten tegen.

Verwante presentaties


Presentatie over: "Mariken van Nieumeghen 4 vwo. Politieke achtergronden Nederland bestond nog niet als staatkundige eenheid. Karel de Grote (768-814). Kruistochten tegen."— Transcript van de presentatie:

1 Mariken van Nieumeghen 4 vwo

2 Politieke achtergronden Nederland bestond nog niet als staatkundige eenheid. Karel de Grote ( ). Kruistochten tegen de islam. Later (na 843) vielen Limburg, Brabant en Holland onder het Duitse keizerrijk. Vlaanderen viel onder Frankrijk. Honderdjarige oorlog tussen Frankrijk en Engeland.

3 Sociaal-economische achtergronden Adalbero, bisschop van Laon: – ‘Op aarde zijn er sommigen die bidden, sommigen die strijden en sommigen die werken: deze drie vormen een eenheid en verdragen het niet van elkaar te worden gescheiden.’ Standentheorie: geestelijkheid, adel en ridders, boeren en vissers. Vanaf 12 e /13 e eeuw: burgers in de stad  ambachtslieden

4 Sociaal-economische achtergronden Feodale stelsel/leenstelsel: – Een vorst beloonde zijn onderdanen door ze stukken land in bruikleen te geven (= feodum). Voorwaarden: – Vazal/leenman moest vorst/leenheer trouw en gehoorzaamheid beloven. » Hommage/hulde doen: geknield met gevouwen handen de leenheer trouw beloven. – Verplicht tot ‘consilium et auxilium’: met raad en daad bijstaan. – Invloed literatuur: Trouw zijn – aan God, leenheer of geliefde – is een belangrijk motief. – Voorbeeld: fragment Heinric van Veldeken, Laagland- informatieboek p. 90.

5 Sociaal-economische achtergronden Andere aspecten van de middeleeuwse maatschappij die zijn terug te zien in de literatuur: – Niet het individuele, maar het collectief heeft prioriteit: Origineel zijn hoeft niet, de dichter moet juist technieken en stijlfiguren gebruiken die het publiek herkent. Veel werken zijn anoniem. – Eercultuur: de norm voor het gedrag ligt niet in het individuele geweten, maar in het aanzien dat men van anderen ontvangt. (Het behouden van) eer is een ander belangrijk motief. – Voorbeeld: ‘Een oudt liedeken’, Laagland- informatieboek p

6 Culturele achtergronden Symboliek: – Achter de reële, zichtbare en tastbare werkelijkheid vermoedde de middeleeuwer een diepere, niet waar te nemen werkelijkheid = het Hogere. Christelijk geloof erg belangrijk, dus veel symbolen verwijzen naar iets religieus. – Memento mori: gedenk de stervenden. – Voorbeeld: schilderij ‘Huwelijk van het echtpaar Arnolfini’ (1434), Laagland- informatieboek p. 95.

7 Culturele achtergronden Kaars: – Jezus (goddelijke aanwezigheid huwelijk). Man in donkere kleding: – Wilskracht en autoriteit. Vrouw in groen, blauw en wit: – Hoop, trouw en zuiverheid. Vasthouden hand: – Verbondenheid. Hondje: – Trouw Appels: – Liefde. Bed: – Liefdesdaad. Uitgetrokken schoenen: – Geweide grond/plechtigheid. Spiegel toont de schilder en nog een figuur = getuigen huwelijk.

8 Culturele achtergronden Middeleeuwse opvattingen over kunst: – Een werk is geen doel op zichzelf – originaliteit is onbelangrijk -, maar het gaat om de les die erin zit. – Boeken werden niet gedrukt, maar met de hand geschreven. Kopiisten schreven teksten over en maakten fouten of veranderden die bewust  tekstverandering. – Werken werden voorgedragen: Rijm. Herhaling. Sprongsgewijs vertellen. – Mecenaat: literatuur werd in opdracht gemaakt. Mecenas: opdrachtgever. – Geen vrije en onafhankelijke auteurs.

9 Soorten middeleeuwse literatuur Drie soorten: – Literatuur aan het hof = ridderromans. – Geestelijke letterkunde. -- Literatuur in de stad. -Voorbeeld: Mariken van Nieumeghen

10 Literatuur aan het hof Vorsten onderhielden een luxueus hofleven. – Men moest zich hoofs gedragen = ideaal gedrag. Onhoofs = lomp, boers, slecht, lelijk. – Doel: anderen niet nodeloos kwetsen of prikkelen. Regels voor kleding, tafelmanieren, conversatie, wijze van vechten, geliefde beminnen et cetera  zelfbeheersing. In de literatuur werden de hoofse normen en waarden gepropageerd.

11 Literatuur aan het hof Aan het hof werd geluisterd naar: – Hoofse minnelyriek (zie eerdere voorbeeld Heinric van Veldeken). – Ridderromans. Functies: – Vermaak. – Identificatiemogelijkheden voor ridders voor gewenst en ongewenst gedrag. – Lessen over de normen en waarden van de feodaliteit, het ridderschap en het hofleven. Twee soorten: – Karelepiek. – Arthurepiek.

12 Karelepiek Over Karel de Grote. Gaat terug op het Franse chanson de geste: liederen over heldendaden. Pretenderen waar te zijn, maar epische concentratie: alle historische gebeurtenissen uit de middeleeuwen worden in deze romans aan Karel de Grote toegeschreven. Onderwerpen: – Spanningen feodale systeem: Karel en Elegast. – Kruistochten.

13 Arthurepiek Oorspronkelijk geschreven door Chrétien de Troyes. Het hof van koning Arthur is de ideale hoofse wereld. Niet waar, maar juist sprookjesachtig. Zijn ridders Lanceloet, Walewein en Perceval gaan op queeste = zoektocht en moeten laten zien dat zij de ideale, hoofse ridder zijn. Haagse Lancelotcompilatie: beroemd handschrift met Arthur- verhalen, onder andere ‘Lanceloet en het hert met de witte voet’.

14 Geestelijke letterkunde Schrijvers en opdrachtgevers: abten, monniken, priesters en religieuzen. Onderwerp: christendom. Doel: oproepen tot christelijker leven en uitdragen van ware geloof. Bijzonder genre: Marialegende, geschreven ter ere van Maria. – Voorbeeld: Beatrijs.

15 Opkomst van de stad Eind 12 e eeuw nieuwe stand: Burgers/ambachtslieden. Stad wordt steeds belangrijker  handel met geld. Macht adel verzwakt, macht kooplieden wordt groter  loskomen van feodale systeem Opkomen burgermoraal: hard werken, goede handelsgeest, investeren en zelfstandigheid. Armoede neemt toe in de steden. Anonimiteit.

16 Literatuur in de stad Schrijvers en opdrachtgevers: patriciaat, rederijkers. Onderwerp: vaak burgermoraal en -ideologie. Doel: navolgen van hoofse cultuur, maar juist ook onderscheiden daarvan. Voorbeeld: Van den vos Reynaerde.

17 (Wereldlijk) toneel in de stad Abele spelen: – Ernstig (niet komisch) karakter – Voorname personages – Toon is verheven, voornaam, hoofs – Voorbeeld: Lanceloet van Denemarken Sotternie -- Kort toneelstuk -- Humoristisch -- personages uit lagere kringen -- Toon nogal grof

18 De rederijkers Late middeleeuwen (vanaf 15 e eeuw). Genootschappen die gedichten en toneelstukken schrijven. Literatuur geen kunst maar ambachtelijke vaardigheid en technisch vakmanschap. Voorbeeld: De Mariken van Nieumeghen

19 Opdracht 2 en zelftoets 1)Val West-Romeinse rijk – regering Karel de Grote – kruistochten – Nederlanden bij Bourgondische huis. 2)Geestelijkheid, adel en ridders, boeren en vissers. 3)Licht = Jezus, hondje = trouw. 4)Feodaliteit = systeem waarbij een leenheer een stuk land in bruikleen geeft aan een leenman. Hulde doen = ritueel waarbij de leenman geknield zijn leenheer trouw belooft. Minnelyriek = liederen waarin de hoofse liefde centraal staat. Natureingang = beschrijving van een jaargetijde of van de natuur waarmee een dichter zijn gedicht/lied begint. Symboliek = alledaagse verschijnselen zijn een teken van iets hogers. Mecenaat = systeem waarbij kunstenaar werken voor een opdrachtgever. Kopiist = iemand die boeken overschreef. Jongleur = voordrachtskunstenaar.

20 Opdracht 2 en zelftoets 5) Waar. Niet waar: door het aanzien dat men van anderen krijgt. Niet waar: het collectief is belangrijk. Waar. Niet waar: juist beleren. Niet waar: voor luisteraars.

21 Opdracht 5 en zelftoets 1)Hoofsheid: gepropageerde gedragswijze aan het hof met als doel wrijvingen tussen personen te voorkomen. Zelfbeheersing is belangrijk. 2)Door grootspraak kan een eventuele andere minnaar gekwetst worden. 3)Hoofsheid verdeelde de wereld in hoofs en onhoofs, waardoor er onderscheid werd gemaakt tussen hoofse/goede mensen en onhoofse/slechte/boerse mensen. 4)Hoofse minnelyriek en ridderromans. 5)Ferguut, Roman van Walewein, Lanceloet en het hert met de witte voet.

22 Opdracht 5 en zelftoets 6) Karel-romans benadrukten de echtheid, Arthur- romans zijn juist sprookjesachtig. 7) Waar. Waar, maar wel vervormd. Niet waar, want Karel-roman. Niet waar: oorspronkelijk Nederlands. Niet waar: hoofsheid hoorde vooral bij Arthur- romans. Waar. Niet waar: dat is Chrétien de Troyes.

23 Opdracht 8 en zelftoets 1)Reguliere geestelijkheid: leeft op basis van kloosterregels in een klooster. Seculiere geestelijkheid: verzorgt de zielzorg op kastelen, in dorpen en steden. 2) Benedictijnen, cisterciënzers, dominicanen, franciscanen. 3) Armoede, kuisheid en gehoorzaamheid. 4) Oproepen tot een christelijker leven en het geloof uitdragen. 5) Maria verheerlijken.

24 Opdracht 8 en zelftoets 6) Abele spelen: vier wereldlijke (dus geen godsdienstige) en ernstige (dus geen komische) toneelstukken. 7) Niet waar: komen niet voor. Waar. Niet waar: juist belangrijk. Niet waar: hebben daarin geen rol. Waar: carnaval. 8) Patriciaat = stedelijke elite (rijke burgers en in de stad wonende adel). Adaptie = in stedelijke kringen worden elementen uit de hoofse cultuur aangepast aan de stedelijke normen en waarden. Annexatie = de hoofse cultuur wed door de elite in de stad nagevolgd. Rederijkers = verenigingen in de laat-middeleeuwse stad waarvan de leden in verenigingsverband literatuur beoefenden.

25 Mariken van Nieumeghen 16 e eeuw Mariken op de markt in NijmegenMoenen bij de Sint- Stevenskerk in Nijmegen

26 Tijdens het lezen Let tijdens het lezen op de volgende punten: – Personages: – Opbouw: chronologisch of niet? – Tijd? – Vertelde tijd? – Plaats? – Perspectief? – Motieven? – Thema? -- Welke twee mirakels gebeuren er?

27 Belangrijke achtergronden Hekserij De stad Herbergen Rederijkers Historische werkelijkheid In 1465 wordt de hertog van Gelre door zijn zoon gevangen gezet. Het Witte Vrouwenklooster in Maastricht was een bestaand historisch gebouw, dat pas begin 19e eeuw werd gesloopt en waarvan nog restanten te zien zijn in het huidige Theater aan het Vrijthof.

28 Antwoorden Thema? De moraal van het verhaal is dat hoe erg een mens ook zondigt, hij altijd vergiffenis kan krijgen, mits de persoon een biecht aflegt. Motieven: – Verleiding, Moenen verleidt Mariken met kennis. – Zonde, verkeren (seks) met de duivel werd gezien als de grootste zonde. De zelfmoord van de tante is ook een grote zonde. – Vergeving, volgens het geloof in de middeleeuwen gingen de mensen naar de hel als hun zonden niet vergeven zouden worden. Vergeving kon verkregen worden door bijvoorbeeld boete te doen of via hulp van heiligen. Mariken moet metalen ringen dragen totdat God haar haar zonden vergeven zal. – Getallensymboliek: 7: 7 jaar met de duivel verkeren, de 7 kunsten 3: Mariken en Gijsbracht vragen drie kerkelijken om haar te vergeven, pas de 3 e, de paus, durft het aan. Mariken krijgt 3 ringen die ze moet dragen als boetedoening.

29 Antwoorden Opbouw? – Chronologisch: Het begint als Gijsbrecht zijn nichtje vraagt naar Nijmegen te gaan en eindigt als Mariken overlijdt. Tijd? Eind v/d middeleeuwen. Arnold van Gelre wordt in 1565 gevangen genomen. Hekserij speelt een belangrijke rol en uit Marikens interesse naar de 7 kunsten kun je opmaken dat het verhaal rond de overgang naar de Renaissance speelt. Vertelde tijd? Mariken verkeert 7 jaar met de duivel, daarna doet ze in ieder geval 24 jaar boete (zolang haar oom leeft) in het klooster en vervolgens leeft ze nog 2 jaar na de vergeving van haar zonden. De verteltijd 1147 versregels. Plaats? De plek waar Mariken met haar oom woont, 5 km van Nijmegen, Nijmegen, Den Bosch, Antwerpen, Keulen, Rome en Maastricht. Perspectief? – Alwetend: De tussenstukken in proza hebben een alwetend perspectief. De rest van de tekst is in dialoogvorm en heeft dus geen perspectief. Mirakels? -- Mariken overleeft de val op de straatstenen, nadat Moenen haar van zeer hoog in de lucht naar beneden heeft geworpen. Normaal gezien zou ze te pletter gestort zijn. – De ijzeren ringen komen, met hulp van een engel, op miraculeuze wijze los van haar hals en armen.

30 Antwoorden Personages: – Mariken: Zij is een mooi, jong en braaf meisje, dat wordt opgevoed door haar oom Gijsbrecht. Ze bidt altijd veel tot Maria. Ze roept God of de duivel aan, omdat ze tot op het bot is vernederd door haar tante en ze nergens heen kan. Moenen kan haar niet omkopen met geld of juwelen, maar wel met kennis. Ze leert de 7 kunsten. Ze moet hier echter wel God (kruisteken) voor opgeven. Dat doet ze zonder problemen, maar haar naam opgeven, die naar Maria verwijst, dat doet ze niet graag. Ze mag de M houden en daar gaat ze mee akkoord. Ze leeft 7 jaar in zonde met de duivel en weet heel goed dat hij de duivel is, ze kan echter geen weerstand bieden aan de dingen die hij haar biedt. Bovendien realiseert ze zich dat haar zonden te groot zijn om ooit nog vergeven te worden. Bij het zien van het wagenspel in Nijmegen realiseert ze zich dat het wellicht nog niet te laat is voor haar en ze breekt met Moenen. Vanaf dat moment leeft ze vroom en doet ze zeer streng boete. Uiteindelijk worden haar zonden haar vergeven, na haar dood gaat ze dus toch naar de hemel.

31 Antwoorden Personages: – Moenen Een duivel, zijn doel is om zoveel mogelijk zielen naar de hel te sturen. Hij heeft slechts 1 oog, als duivels een menselijke vorm aannemen, moet er altijd een lichamelijke afwijking zijn. ( Heel keurig, al mis ik een van mijn ogen: dat is er, zo lijkt het uitgezworen, ons te vervolmaken door tovernarij, Een gebrek is er altijd wel bij, aan het hoofd of aan handen of voeten. str. 160 t/m 165) Hoewel hij heel machtig is en veel voor elkaar kan krijgen, is hij ondergeschikt aan God. (‘ Als het niet wordt verziekt door God de Heer, zijn er binnen het jaar duizend zielen verlakt. Maar zodra God het wil, ben ik uitgekakt.’ str. 587 t/m 590) Hij is bang voor Maria en wil daarom niet dat Mariken haar naam blijft dragen (‘Maria, dat klinkt zo onaangenaam, een zekere Maria geeft ons zo veel ellende, dat wij die naam haten, ik en mijn bende.’ str. 275t/m 277 )

32 Antwoorden Personages: – Oom Gijsbrecht: Vrome priester Zorgt voor Mariken, dochter van zijn overleden zus. Hij is bezorgt als Mariken niet terugkomt en gaat haar zoeken. Omdat hij altijd voor haar blijft bidden, heeft Moenen minder macht over Mariken dan hij zou willen. Uiteindelijk zorgt hij ervoor dat Moenen verdwijnt door te bidden.

33 Antwoorden Personages – Tante: Valse en leugenachtige vrouw, lijkt ‘meer op een gek of een razende duivelin dan op een christenmens. p. 9)’ Op de dag dat Mariken bij haar om onderdak komt vragen, heeft zij te horen gekregen dat ze partij heeft gekozen voor de verkeerde hertog. Door haar beschuldigingen raakt Mariken zo wanhopig dat ze God of de duivel aanroept. Ze pleegt zelfmoord, een grote zonde en zal dus geen berouw meer kunnen tonen. Ze wordt meegenomen naar de hel.


Download ppt "Mariken van Nieumeghen 4 vwo. Politieke achtergronden Nederland bestond nog niet als staatkundige eenheid. Karel de Grote (768-814). Kruistochten tegen."

Verwante presentaties


Ads door Google