De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

Welkom in deze ochtenddienst. In deze dienst gaat Ds. H. de Bruijne voor.

Verwante presentaties


Presentatie over: "Welkom in deze ochtenddienst. In deze dienst gaat Ds. H. de Bruijne voor."— Transcript van de presentatie:

1 Welkom in deze ochtenddienst. In deze dienst gaat Ds. H. de Bruijne voor.

2 Orde van de dienst - 1 Welkom en mededelingen Gezang 476:1, 2 en 3 Stil gebed Votum en groet Psalm 95:1, 2 en 3 Wet Psalm 95:4 en 5

3 Orde van de dienst - 2 Gebed Schriflezing Richteren 1 en 2:1-5 Psalm 78: 19 en 20 Preek Psalm 60: 1, 2 en 4

4 Orde van de dienst - 3 Gebeden Collecte Gezang 476:4 en 5 Zegen ‘Amen’ door gemeente

5 Gezang 476:1, 2 en 3 Eeuwig Woord, U willen wij bezingen, God uit God en Licht uit Licht; Wijsheid, vóór de aanvang aller dingen spelend voor Gods aangezicht; engel Gods uit Isrels oude dagen, Zoon van 's Vaders eeuwig welbehagen, dienaar van Gods hoog bevel, kind der maagd, Immanuël!

6 Gezang 476:1, 2 en 3 Lam van God, in eeuwigheid te prijzen, die voor 's werelds zonden boet, uw gekruisigd vlees is waarlijk spijze, waarlijk drank uw heilig bloed. Uit een duister, vreeslijk boven mate riept Gij tot Hem die U had verlaten, maar uw stem breekt door de nacht: Vader, wereld, 't is volbracht.

7 Gezang 476:1, 2 en 3 Meester, Heer, uw graf kon U niet houden: heerlijk zijt Gij opgestaan. Die U als verrezene aanschouwden baden U verwonderd aan. Op de berg hebt Gij bevel gegeven, en van de aarde zegenend verheven zondt Gij op het Pinksterfeest als in storm en vuur uw Geest.

8 Stil gebed, votum en groet

9 Psalm 95: 1, 2 en 3 Steekt nu voor God de loftrompet, Hem die ons in de vrijheid zet. Komt voor zijn aanschijn met verblijden. Brengt Hem de dank van al wat leeft, Hem, die ons heil gegrondvest heeft. Viert Hem, de koning der getijden.

10 Psalm 95: 1, 2 en 3 Groot God is Hij, Hij strijdt vooraan, de goden zijn Hem onderdaan; de hoge bergen houdt Hij staande. Het hart der aard' is in zijn hand. Hij riep de zee, Hij schiep het land. Hij is het, die de weg ons baande.

11 Psalm 95: 1, 2 en 3 Komt, werpen wij ons voor den HEER die ons gemaakt heeft biddend neer, wij, die het volk zijn van zijn weide. Want onze God, Hij gaat ons voor, Hij trekt met ons de diepte door. Zijn hand zal ons als schapen leiden.

12 Lezing van de wet

13 Psalm 95: 4 en 5 Nog heden, hoort zijn stem die zweert: Laat niet uw hart zich onbekeerd verharden, als in Mozes' dagen. Toen hebben tegen Mij getwist, mijn goedheid achtloos uitgewist uw vaadren die mijn werken zagen.

14 Psalm 95: 4 en 5 Ik heb reeds lang aan dit geslacht met toorn en tegenzin gedacht: dit volk, het luistert naar geen rede. Hun wegen hebben zich verward; wie dwalen blijft, ver van mijn hart, zal nimmer komen tot mijn vrede.

15 Gebed

16 Schriftlezing (Uit de Nieuwe Bijbelvertaling) Richteren 1 en 2:1-5

17 1 Na de dood van Jozua raadpleegden de Israëlieten de HEER: ‘Wie van ons moet als eerste de strijd aanbinden met de Kanaänieten?’ 2 De HEER antwoordde: ‘Juda moet als eerste oprukken; hun geef ik het land in handen.’ 3 Toen zeiden de Judeeërs tegen de stam Simeon, hun broeders: ‘Trek met ons op naar het grondgebied dat ons door het lot is toegewezen en bind samen met ons Richteren 1 en 2:1-5

18 de strijd aan tegen de Kanaänieten. Daarna zullen wij op onze beurt met u meegaan naar het grondgebied dat u door het lot is toegewezen.’ Hierop ging Simeon met hen mee. 4 Juda rukte op, en de HEER leverde de Kanaänieten en Perizzieten aan hen uit; bij Bezek versloegen ze er tienduizend. 5 Ze kwamen daar tegenover Adonibezek te staan, bonden de strijd met hem aan Richteren 1 en 2:1-5

19 en versloegen de Kanaänieten en Perizzieten. 6 Adonibezek sloeg op de vlucht, maar na een achtervolging kregen ze hem te pakken en hakten hem zijn duimen en zijn grote tenen af. 7 Adonibezek verklaarde: ‘Ik heb aan mijn hof wel zeventig koningen van wie ik de duimen en grote tenen heb afgehakt en die zich in leven houden met de kruimels onder mijn tafel. Richteren 1 en 2:1-5

20 Hij werd naar Jeruzalem gebracht, en daar is hij gestorven. 8 De Judeeërs deden een aanval op Jeruzalem en veroverden de stad. Ze doodden alle inwoners en lieten de stad in vlammen opgaan. 9 Toen trokken ze verder om de strijd aan te binden tegen de Kanaänieten die in het bergland woonden, in de Negev en in het heuvelland. Richteren 1 en 2:1-5

21 10 Eerst vielen ze de Kanaänieten in Hebron aan, dat toen nog Kirjat-Arba heette. Daar versloegen ze Sesai, Achiman en Talmai. 11 Vervolgens trokken ze op tegen Debir, dat toen nog Kirjat- Sefer heette. 12 Kaleb beloofde: ‘Wie Kirjat-Sefer verovert zal ik mijn dochter Achsa tot vrouw geven.’ 13 Otniël, een zoon van Kalebs jongere broer Kenaz, veroverde de stad Richteren 1 en 2:1-5

22 en kreeg Achsa tot vrouw. 14 Bij haar aankomst spoorde Achsa hem aan om aan haar vader een stuk vruchtbaar land te vragen. Toen ze van haar ezel was afgestegen, vroeg Kaleb haar wat ze verlangde. 15 ‘Geef me toch een geschenk waar ik wat aan heb,’ antwoordde ze. ‘U hebt me dit dorre stuk land gegeven, geef me dan ook bronnen.’ Richteren 1 en 2:1-5

23 Hierop gaf Kaleb haar zowel de hoog- als de laaggelegen bronnen. 16 Vanuit de Palmstad waren met de Judeeërs ook de Kenieten, stamgenoten van de schoonvader van Mozes, naar de woestijn van Juda opgetrokken. Zij vestigden zich te midden van de bewoners van het gebied rond Arad. Richteren 1 en 2:1-5

24 17 Samen met de stam Simeon versloegen de Judeeërs vervolgens de Kanaänieten in Sefat en vernietigden de stad. Sindsdien heet die stad Chorma. 18 Ook veroverden de Judeeërs het hele gebied van Gaza, het hele gebied van Askelon en het hele gebied van Ekron. 19 Met de hulp van de HEER maakte Juda zich meester van het bergland, Richteren 1 en 2:1-5

25 maar het lukte niet om de bewoners van de laagvlakte te verdrijven, want die beschikten over ijzeren strijdwagens. 20 Hebron werd, overeenkomstig de woorden van Mozes, toegewezen aan Kaleb, die de drie zonen van Enak uit de stad verdreef. 21 Maar de Jebusieten in Jeruzalem werden door de stam Benjamin niet verdreven; zij wonen er tot op de dag van vandaag samen met de Benjaminieten. Richteren 1 en 2:1-5

26 22 Ook de nakomelingen van Jozef rukten op, naar Betel, en de HEER stond hen bij. 23 Ze stuurden verkenners naar Betel, dat vroeger Luz heette. 24 Toen de verkenners een man uit de stad zagen komen, zeiden ze tegen hem: ‘Als u ons wijst hoe we in de stad kunnen komen, zullen wij u goed behandelen.’ 25 De man wees hun hoe ze de stad konden binnenkomen. Ze doodden alle inwoners, Richteren 1 en 2:1-5

27 maar lieten de man met heel zijn familie in leven. 26 Hij trok naar het land van de Hethieten. Daar bouwde hij een stad die hij Luz noemde, en die zo heet tot op de dag van vandaag. 27 De stam Manasse heeft zich niet meester gemaakt van Bet-San en Taänach en de omliggende dorpen. Ze verdreven ook de inwoners van Dor, Richteren 1 en 2:1-5

28 Jibleam en Megiddo en de omliggende dorpen niet; in dit gebied handhaafden de Kanaänieten zich. 28 Toen de Israëlieten sterker werden, legden ze de Kanaänieten herendienst op, maar ze verdreven hen niet. 29 De stam Efraïm heeft de inwoners van Gezer niet verdreven; de Kanaänieten daar bleven in hun midden wonen. 30 De stam Zebulon heeft de inwoners van Kitron en Nahalol niet verdreven; Richteren 1 en 2:1-5

29 de Kanaänieten bleven in hun midden wonen en werden gedwongen tot herendienst. 31 De stam Aser heeft de inwoners van Akko en Sidon niet verdreven en Achlab, Achzib, Chelba, Afek en Rechob niet veroverd; 32 de Aserieten vestigden zich te midden van de Kanaänieten die er woonden en verdreven hen niet. 33 De stam Naftali heeft de inwoners van Bet-Semes en Bet-Anat Richteren 1 en 2:1-5

30 niet verdreven; ze vestigden zich te midden van de Kanaänieten die er woonden en dwongen hen tot herendienst. 34 De stam Dan werd door de Amorieten teruggedrongen tot in het bergland en kreeg geen kans naar de laagvlakte af te dalen. 35 De Amorieten handhaafden zich in Har-Cheres, Ajjalon en Saälbim, maar toen de nakomelingen van Jozef sterker werden, Richteren 1 en 2:1-5

31 dwongen zij hen tot herendienst. 36 Het gebied van de Amorieten reikte tot aan de Schorpioenenpas, tot aan Sela en verder. 2:1 Er kwam een engel van de HEER uit Gilgal naar Bochim. Daar zei hij: ‘Ik heb jullie uit Egypte geleid naar het land dat ik jullie voorouders onder ede had beloofd. Ik heb gezegd dat ik mijn verbond met jullie nooit zou verbreken. Richteren 1 en 2:1-5

32 2 Maar jullie mochten geen verdragen sluiten met de inwoners van dit land en hun altaren moesten jullie afbreken. Maar jullie hebben niet geluisterd naar wat ik heb gezegd. Hoe hebben jullie dat kunnen doen? 3 Daarom heb ik besloten dat ik de inwoners van dit land niet voor jullie zal verdrijven. Richteren 1 en 2:1-5

33 Zij zullen jullie in hun netten verstrikken en hun goden zullen jullie ondergang worden.’ 4 Toen de engel van de HEER deze woorden tot de Israëlieten had gesproken, barstte het volk in gejammer uit. 5 Ze noemden die plaats Bochim en brachten er offers aan de HEER. Richteren 1 en 2:1-5

34

35 Psalm 78: 19 en 20 Zij gingen voort, beveiligd door zijn vrede, God liet hen in zijn heilig land intreden, rondom de berg die Hij zich had verworven. Hij heeft zijn volk dat zolang heeft gezworven, een erfdeel toegemeten in een land, aan 't heidendom onteigend door zijn hand.

36 Psalm 78: 19 en 20 Opstandig tegen God, die uit den hoge de mensen roept als kindren voor zijn ogen, verlieten zij het spoor van hun bestemming als rukten zij zich los uit een omklemming; als een vroegtijdig afgeschoten pijl, ontrouw als steeds, verwierpen zij hun heil.

37 De kinderen gaan naar de bijbelklas. Het onderwerp is: ‘David en Batseba’ (2 Sam. 11:1-27)

38 Preek

39 O God, die ons verstoten had, die niet meer hoorde als men bad, uw gramschap deed ons ondergaan; herstel ons, hoor ons weder aan. Gij hebt, o Heer, ons land gekloofd, Gij hebt het van zijn kracht beroofd. Genees zijn dodelijke wonde, want het gaat wankelend te gronde. Psalm 60: 1, 2 en 4

40 De les was hard die Gij ons gaaft, met zware wijn hebt G'ons gelaafd. Maar nu hebt Gij uw trouwe knecht gehard voor het verwacht gevecht. Hem die aldus ten strijde vaart, zal, onder uw banier geschaard, de overwinning zijn beschoren. O God, wil ons gebed verhoren! Psalm 60: 1, 2 en 4

41 Wie voert mij met een vaste hand tot in het hart van 's vijands land? O God, die ons verstoten had, trek met ons uit, wijs ons het pad, want mensenhulp is ijdelheid. Nu God ons bijstaat in de strijd is elke heldendaad te wagen. De vijand wordt door Hem verslagen. Psalm 60: 1, 2 en 4

42 Gebed

43 Nadat de kinderen terug zijn, zal er gecollecteerd worden voor: 1.Red een kind 2.Kerk

44 Mensenzoon tussen de kandelaren, Wortel Davids, Morgenster, blijf uw kerk vergaderen, bewaren, roep haar van nabij en ver. Laat de luchters branden van uw klaarheid, maak uw kerk tot pijler van uw waarheid, schuilplaats in de wildernis, huis waarin uw vrede is. Gezang 476: 4 en 5

45 Levensvorst, U loven de geslachten, en tot uw verborgen tijd blijft de bruid uw wederkomst verwachten, 't einde van haar bange strijd. Houd haar waakzaam; doe haar, 't hoofd geheven, uit die hoge heilsverwachting leven, tot zij op de jongste dag, met U triumferen mag. Gezang 476: 4 en 5

46 Zegen

47 Vanmiddag is er om 17:00 een gezamenlijke dienst met de NGK in de Jeruzalemkerk. Allen hartelijk welkom.


Download ppt "Welkom in deze ochtenddienst. In deze dienst gaat Ds. H. de Bruijne voor."

Verwante presentaties


Ads door Google