De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

FILOSOFIE VAN DE 20 e EEUW: INTELLECTUELE HELDEN & CRUCIALE KWESTIES.

Verwante presentaties


Presentatie over: "FILOSOFIE VAN DE 20 e EEUW: INTELLECTUELE HELDEN & CRUCIALE KWESTIES."— Transcript van de presentatie:

1 FILOSOFIE VAN DE 20 e EEUW: INTELLECTUELE HELDEN & CRUCIALE KWESTIES

2 COLLEGES I.In de schaduw van de Verlichting. II.Sporen zoeken. III.Pragmatisme en solidariteit. IV.Tragedies en emoties. V.Het publiek gebruik van de rede. VI.Religie in de 21ste eeuw.

3 II. SPOREN ZOEKEN

4 1.DECONSTRUCTIVISME Hoe moet de wereld gelezen worden? 2.HOREN EN ZIEN Waarom moet er verschil worden gemaakt? 3.RECHTVAARDIGHEID EN VERGIFFENIS Wie wil aan het onvoorwaardelijke voorwaarden stellen?

5 1. DECONSTRUCTIVISME

6 EIGENNAMEN EN METAFOREN  Ludwig Wittgenstein ( ) > wijst erop dat woorden op zeer uiteenlopende manieren gebruikt kunnen worden en hun betekenis afhankelijk is van hun contextspecifiek gebruik.  Eigennamen > woorden die naar een object lijkten te verwijzen (bijvoorbeeld een plaats, zoals het woord Auschwitz) zonder dat de betekenis ervan duidelijk vast te pinnen is.  Metaforen > in de letterlijke zin van het woord zijn ze niet waar, maar ze hebben wel betekenis (voorbeeld: René is een varken).

7 FILTERS EN BRUGGEN  Een metafoor vervult twee functies: 1.Filterfunctie: sommige zaken worden door de metafoor op de voorgrond geplaatst en andere op de achtergrond. 2.Brugfunctie: een metafoor verbindt vaak op een subtiele wijze ‘zijn’ en ‘behoren’.  Dode metaforen > begrippen met een letterlijke betekenis.  Kunnen ze weer tot leven worden gewekt?  Of deugt de veronderstelling dat ze dood kunnen gaan niet?

8 JACQUES DERRIDA ( ) Korte biografie  15 juli 1930: geboren in El-Bia (Algerije).  1942: als Jood moest hij de school verlaten.  : École Normale Superiéure.  1967: een ‘annus mirabilis’ vanwege de publicatie van drie invloedrijke boeken.  : hoogleraar geschiedenis van de filosofie aan de École Normale Superiéure.  Promotie in de filosofie.  1982: een van de oprichters van het Collège Internationale de Philosophie.  1983: directeur aan de École des Hautes Études en Sciences Sociales.  Vanaf de jaren zeventig van de vorige eeuw: diverse gasthoogleraarschappen aan Amerikaanse universiteiten.  8 oktober 2004: dood.

9 BELANGRIJKE WERKEN  De la grammatologie (1967).  La Voix et le phénomène (1967).  L’écriture et la différence (1967).  Marges – de la philosophie (1972).  Glas (1974).  La Carte postale. De Socrate à Freud et au-delà (1980).  Limited Inc (1990).  Sauf le nom (1993).  Les spectres de Marx (1993).  Force de loi. Le ‘Fondement mystique de l’autorité (1994).  Cosmopolites de tous les pays, encore un effort! (1997).  De l’hospitalité (1997).  Philosophy in a time of terror. Diaglogues with Jürgen Habermas and Jacques Derrida (2003).  Rogues (2003).

10 STIJL VAN FILOSOFEREN  Derrida stelt een onderwerp dikwijls indirect aan de orde of vermengt genres.  Zijn stijl is eerder evocatief dan argumentatief en meer circulair dan lineair.  Voorbeelden van een ongewoonlijke stijl: - Glas > een tekst bestaande uit twee kolommen (over Hegel en Genet) en een wisselende typografie. - La Carte postale > begint met liefdesbrieven zonder geadresseerde(n).  Derrida speelt met de taal om haar meerduidigheid te tonen.

11 TOTALISEREND TAALGEBRUIK  Derrida keert zich tegen een totaliserend taalgebruik dat de gelaagdheid van het geschreven en gesproken woord (impliciet) ontkent.  Deconstructivisme > een manier om teksten, instituties, etc. te kritiseren.  Doel: tonen dat alternatieven mogelijk en wenselijk zijn.  Motief: rechtvaardigheid en het voorkomen van geweld.

12 NIETS BUITEN DE TEKST  Een van de beroemdste uitspraken van Derrida luidt: “Er is niets buiten de tekst” (Il n’y pas de hors-texte).  Teksten zijn in de breedste zin van het woord betekenisvolle gehelen; Derrida beschouwt ook schilderijen, gebouwen en instituties als teksten, d.w.z. betekenisvolle gehelen.  De betekenis is niet inherent aan een tekst, maar het resultaat van het lezen van die tekst.  Wie een tekst opnieuw leest, plaats die in een andere context > in feite is er niets buiten de context.  Derrida vraagt aandacht voor het genereren van nieuwe betekenissen door teksten in andere contexten te plaatsen.  Disseminatie (dissémination: uitzaaiing, verspreiding, verstrooiing) > het proces waarbij door het lezen van een tekst voortdurend nieuwe betekenissen worden gegenereerd.

13 DECONSTRUCTIE  Met het begrip deconstructie (déconstruction) geeft Derrida aan wat hij in de omgang met teksten doet.  Een drietal met elkaar samenhangende aspecten van een deconstructie: 1. Methode als object. 2. Demontage als praktijk. 3. Bevrijding als oogmerk.

14 METHODE ALS OBJECT  Deconstructie is geen methode, temeer ze ook van (wetenschappelijke) methoden een object maakt dat bekritiseerd moet worden.  In tegenstelling tot een methode bestaat een deconstructie niet uit een stappenplan en formele regels die voorschrijven hoe in alle gevallen onderzoek moet worden gedaan.  De heersende methoden van onderzoek vertonen juist allerlei blinde vlekken die een deconstructie in het vizier wil krijgen.  Maar een deconstructie is niet ‘against method’ (Paul Feyerabend).  Een deconstructie wil de aporieën van een tekst aan het licht brengen, dat wil zeggen zijn onoplosbare tegenstrijdigheden.

15 DEMONTAGE ALS PRAKTIJK  Een deconstructie is een soort demontage, dat wil zeggen het uit elkaar halen van de onderdelen van een tekst (zoals bij de ontmanteling van een auto).  Zo’n deconstructie is noch restauratief, noch destructief.  Het is niet de bedoeling dat de onderdelen in de oorspronkelijke staat weer worden samengesteld.  Bovendien is het niet de bedoeling om de onderdelen te vernietigen of uit te wissen.  De bedoeling van de demontage is het teweeg brengen van transformaties zodat duidelijk wordt welke andere interpretatiemogelijkheden in een tekst besloten liggen.

16 BEVRIJDING ALS OOGMERK  De deconstructie van een tekst moet het banen en bewandelen van nieuwe wegen mogelijk maken.  Voor Derrida heeft een deconstructie ontegenzeggelijk een emancipatorisch doel.  Door te wijzen op de onbeslisbaarheid (indécidable) van een bepaalde kwestie, kan een deconstructie het denken bevrijden van allerlei starheden.  Het denken bevrijden (libérer) van de metafysica is een belangrijk oogmerk van een deconstructie.

17 KRITIEK OP DE METAFYSICA  De metafysica vormt ook bij Derrida het object van kritiek.  Tegelijkertijd wijst hij erop dat het moeilijk is om te ontkomen aan de metafysica.  De filosofische activiteit bestaat in deze in het kritiseren van binaire opposities die zich kenmerken door duidelijke hiërarchieën.  Vandaar de aandacht voor wat anders of marginaal is.

18 MARGES  Teksten zijn bijzondere betekenisdragers.  Door aandacht te vragen voor de marges van teksten, opent Derrida de mogelijkheid om ze opnieuw te lezen.  Teksten vormen geen gesloten eenheid > zij zijn geschreven in de marge van andere teksten (> de geschiedenis van de filosofie als een reeks voetnoten bij Plato).  Derrida stelt de grenzen van teksten (waar houden ze op) ter discussie.  Wat bevindt zich nog binnen de tekst? En wat valt erbuiten? Wat is de betekenis van de marge?

19 2.HOREN EN ZIEN

20 HET GESCHREVEN EN HET GESPROKEN WOORD  De grondleggers van het Christendom (Jezus) en de filosofie (Socrates) hebben een ding gemeen: ze hebben nooit een letter op papier gezet.  De Westerse cultuur kenmerkt zich door een hiërarchische verhouding tussen het geschreven en gesproken woord.  Het gesproken woord > zuiver en authentiek.  Terwijl het gesproken woord direct verwijst naar mentale ervaringen, verwijst het geschreven woord op een indirecte wijze naar deze ervaringen.  De symbolen die deel uitmaken van het schrift zijn parasitair ten opzichte van de symbolen die gebezigd worden bij het spreken.

21 FONOCENTRISME EN LOGOCENTRISME  Derrida beoogt een deconstructie van de metafysica, die zich kenmerkt door een overwaardering van het gesproken woord.  Fonocentrisme > het denken dat de stem (phoné) centraal stelt.  Logocentrisme > het centraal stellen van de rede (het denken dat het denken tot object van het denken maakt).  Rousseau > ondermijnt het logocentrisme door het gevoel meer waarde toe te kennen dan de rede.  Het logocentrisme veronderstelt een fonocentrisme.

22 IDENTITEIT EN VERSCHIL  Logocentrisme en phonocentrisme kenmerken zich door irreflexiviteit ten aanzien van het vastleggen van identiteit, en doen daarmee geen recht aan verschillen.  Het verschil tussen différance en différence kan men niet horen.  Alleen via het geschreven woord kan verschil worden gemaakt tussen différance en différence.  Om recht te doen aan de ambiguïteit die inherent is aan het gesproken woord, moet daarom volgens Derrida het geschreven woord worden geanalyseerd.

23 TRACEREN  Sporen > tekens die aanwezig zijn, maar tegelijkertijd verwijzen naar iets dat afwezig is.  Derrida: “Het (zuivere) spoor is de différance”.  De wereld bestaat uit tal van contexten met verwijzingsrelaties waarmee verschil wordt gemaakt.  Het deconstructivisme traceert de relaties tussen tekens die aanwezig zijn en tekens die afwezig zijn.  Het volgen van een spoor komt nooit tot een einde, omdat steeds nieuwe betekenisrelaties kunnen worden gevonden.  Die ene zuivere oorsprong van het nu aanwezige teken is onvindbaar > verzet tegen de metafysica van de (onmiddellijke) aanwezigheid.

24 MOMENTEN  Fonocentrisme en logocentrisme > het vastpinnen van de tijd op een moment.  Tijdsopvatting > opeenvolging van momenten.  Een moment is echter tegelijkertijd een zijnde en een niet- zijnde > het heden ingeklemd tussen het verleden en de toekomst.  Het heden staat niet op zichzelf.  Derrida wijst op onderhuidse afhankelijkheden > zaken die verschillen verwijzen naar elkaar.  Zo stuit men op aporieën.  De poging om een antwoord te vinden op de vraag ‘Waarom houd ik van iemand?’, leidt ook tot een aporie (onverzoenlijke antwoorden).

25 APORIE VAN DE LIEFDE Centrale vraagVan wie houd ik? Waarvan houd ik? AntwoordIk houd van je omdat jij jij bent. Ik houd van je vanwege al je kwaliteiten FocusDe uniciteit van een persoon Bijzondere aspecten van een persoon TaalEigennaamPredicaat

26 3. RECHTVAARDIGHEID EN VERGIFFENIS

27 COSMOPOLITISME  Vanaf het begin van de jaren negentig is Derrida zich in zijn geschriften meer dan voorheen gaan bemoeien met politieke kwesties.  Hij verdedigt een eigenzinnig cosmopolitisme.  Enerzijds stelt hij dat een cosmopolitische houding ten aanzien van allerlei vraagstukken (armoede, vluchtelingen, etc.) op grond van rechtvaardigheidsoverwegingen geboden is.  Anderzijds wijst hij erop dat ‘we’ nog niet kosmopoliet genoeg zijn, omdat er nog altijd allerlei grenzen zijn die moeten worden geopend.  Volgens Derrida is een Messiaanse openheid voor de toekomst geboden.

28 MESSIANISME  Messianisme > verhalen over de komst van een held (de Messias) die rechtvaardigheid brengt.  Het messianisme impliceert openheid voor absolute verrassingen en het totaal andere.  Centrale vraag: komt de Messias daadwerkelijk?  Politieke vertaling: een rechtvaardige wereld is er nog niet.

29 IDEE VAN RECHTVAARDIGHEID  Voor Derrida is het onderscheid tussen recht (droit) en rechtvaardigheid (justice) van groot belang.  De idee van rechtvaardigheid (idée de justice) kan niet tot de vele concrete vormen van recht worden herleid.  In tegenstelling tot juridische regels (wetten) kunnen morele regels (normen) niet worden gefixeerd.  De idee van rechtvaardigheid is in het geding bij de onvermijdelijke toepassing van algemeen geldende wetten op bijzondere gevallen.  Hoe kan hierbij recht worden gedaan?  De niet-deconstrueerbare rechtvaardigheid verlangt naar de deconstructie van het gewelddadige karakter van de wet.  Het is onvermijdelijk dat de politiek bij de vertaling van de onvoorwaardelijke idee van rechtvaardigheid uit praktische overwegingen voorwaarden stelt.

30 VREEMDELINGENHAAT  Als kind werd Derrida geconfronteerd met antisemitisme.  Deze ervaring was een van de redenen waarom hij zich interesseerde voor vreemdelingenhaat.  Het verband tussen vreemdelingenhaat en deconstructivisme > het hypostaseren van de identiteit van een volk of natie door xenofoben zou het object van een deconstructie kunnen vormen.  Een deconstructie schept ruimte voor de niet- identiteit, laat zien dat een volk of natie nooit met zichzelf samenvalt (c.q. altijd een gedifferentieerd geheel vormt).

31 GASTVRIJHEID  Het hypostaseren van de identiteit van een volk of natie staat de gastvrijheid tegenover vreemdelingen vaak in de weg.  Derrida vindt dat alleen sprake kan zijn van gastvrijheid wanneer vreemdelingen in hun absoluut onherleidbaar anderszijn worden erkend.  Twee onlosmakelijk met elkaar verbonden vormen van gastvrijheid: 1. Gastvrijheid van visitatie > de zuivere vorm van gastvrijheid: onvoorwaardelijk wordt onderdak geboden aan de gast die onaangekondigd aan de deur klopt. 2.Gastvrijheid van invitatie > de onzuivere vorm van gastvrijheid: onderdak wordt geboden onder strikte voorwaarden, omdat de gastheer baas in eigen huis wil blijven.  Derrida beseft dat de concrete problemen die immigratie met zich meebrengt zorgen voor een spanningsboog tussen beide vormen van gastvrijheid.  Werkelijke gastvrijheid moet nog worden gerealiseerd.

32 WAARHEIDS- EN VERZOENINGSCOMMISSIES  In Zuid-Afrika en Zuid-Amerika zijn diverse waarheids- en verzoeningscommissies in het leven geroepen.  Een veel bediscussieerde vraag is of het vertellen van de waarheid de verzoening in de weg staat.  Derrida heeft zich tegen deze achtergrond bezig gehouden met het vraagstuk van vergiffenis.  Kan de staat slachtoffers oproepen om vergiffenis te schenken?

33 VERGIFFENIS  Derrida maakt een onderscheid tussen twee vormen van vergiffenis: 1.Onvoorwaardelijke vergiffenis > de zuivere vorm die niet het resultaat is van onderhandelingen, dat wil zeggen geven en nemen. 2.Voorwaardelijke vergiffenis > de onzuivere vorm die het resultaat is van een proces waarbij de daders de slachtoffers iets bieden in ruil voor verzoening, etc.  Zonder de idee van onvoorwaardelijke vergiffenis zou elke poging tot verzoening gedoemd zijn te mislukken.  Beide vormen van verzoening zijn onverenigbaar en toch onlosmakelijk met elkaar verbonden.  De onvoorwaardelijke vergiffenis duidt op iets dat onmogelijk is: vergeven wat niet te vergeven valt.  Omdat de slachtoffers het onmogelijke mogelijk moeten maken (vergeven), kan de staat de vergiffenis niet aan hen opdragen > dat zou tot nieuw onrecht leiden.  Het vraagstuk van de onvoorwaardelijkheid en zuiverheid duikt hier op.


Download ppt "FILOSOFIE VAN DE 20 e EEUW: INTELLECTUELE HELDEN & CRUCIALE KWESTIES."

Verwante presentaties


Ads door Google