De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

Taalontwikkelingsstoornissen en voorlopers van dyslexie Jan de Jong Universiteit Utrecht, UiL/OTS.

Verwante presentaties


Presentatie over: "Taalontwikkelingsstoornissen en voorlopers van dyslexie Jan de Jong Universiteit Utrecht, UiL/OTS."— Transcript van de presentatie:

1

2 Taalontwikkelingsstoornissen en voorlopers van dyslexie Jan de Jong Universiteit Utrecht, UiL/OTS

3 Taalontwikkelingsstoornissen en dyslexie - anekdotisch  “Taalstoornissen, is dat hetzelfde als dyslexie?”  Lees- en taalproblemen worden soms aan dezelfde instanties voorgelegd  Blijkbaar wordt er snel een verband tussen beide gelegd

4 Taalstoornissen en dyslexie in het onderwijs Taalgestoorde kinderen gaan naar de logopedist en soms naar het ESM-onderwijs of ze worden ambulant begeleid vanuit een ESM-school Dyslectische kinderen gaan naar het regulier onderwijs en krijgen remedial teaching of dyslexietherapie De route van taalgestoorde en dyslectische kinderen is dus niet dezelfde

5 Specific Language Impairment (SLI) - een definitie (lees: ESM)  Een taalachterstand, zonder dat sprake is van een gehoorstoornis, een lage (non- verbale) intelligentie, of een neurologische beschadiging. (Leonard, 1998)  Er is ‘ogenschijnlijk geen oorzaak’ (Bishop, 1997) ‘zonder’: uitsluitingsdefinitie (discrepantie)

6 SLI: mate van voorkomen  Rond 7% (Leonard, 1998) – het percentage is echter sterk afhankelijk van de definitie  Bishop en Edmundson (1987): SLI-kinderen werden onderzocht met 4 jaar en met 5;6. Na anderhalf jaar viel de stoornis bij 44% niet meer op. SLI lijkt dus soms van voorbijgaande aard!  Maar: Scarborough en Dobrich (1990) spreken van een schijnbaar herstel. Verschillen met normale kinderen treden opnieuw op wanneer nieuwe eisen aan hun taalvaardigheid worden gesteld (lezen!).

7 Dyslexie - een definitie (ook wel genoemd: Specific Reading Disability) World Federation of Neurology (1970): Dyslexie is een stoornis die tot uiting komt door een probleem met het leren lezen, ook al is het onderricht van voldoende kwaliteit, is de intelligentie voldoende en zijn de socio-culturele omstandigheden adequaat. ~5% van de Nederlandse bevolking (afhankelijk van de definitie van dyslexie) ‘ook al’: ook hier een uitsluitingsdefinitie

8 Dyslexie - een definitie die het verband met taal legt Catts & Kamhi (1991, 1999): Dyslexie is een taalontwikkelingsstoornis waarvan de kenmerkende eigenschap is een probleem met fonologische verwerking (…) de moeilijkheden omvatten het opslaan, tevoorschijn halen en gebruiken van fonologische codes (lees: klankvormen) in het geheugen en daarnaast tekorten in het fonologisch bewustzijn en de spraakproductie Insluitingsdefinitie! Accent op fonologie!!

9 SLI en dyslexie: er bestaat overlap tussen de twee groepen  Veel kinderen met taalproblemen krijgen later leesproblemen (schattingen liggen tussen 40 en 50 %)  Veel kinderen met leesproblemen hebben taalproblemen (gehad) (volgens Leonard, 1998, vormen ze zelfs de meerderheid) Er is sprake van genetische aanleg Oververtegenwoordiging van jongetjes

10 Overlap tussen de diagnoses SLI en dyslexie  Scarborough (1990, 1991) vond dat kinderen die zij op basis van een dyslectische familiehistorie selecteerde ook voldeden aan de criteria voor SLI. Als je, omgekeerd, uitging van syntactische maten vóór de schoolleeftijd, voorspelde je in 75% correct dat er later leesproblemen zouden ontstaan.  Mc Arthur et al. (2000): van twee onderzochte groepen kinderen (SLI en leesproblemen) paste de helft ook binnen de definities van de andere groep.

11 Overeenkomsten tussen SLI en dyslexie: op welke taalaspecten?  Bij directe vergelijking van kinderen met SLI en dyslectische kinderen bleek dat beide groepen problemen hebben met:  fonologisch bewustzijn (knippen, plakken)  nazeggen van woorden en zinnen  spraakperceptie  beoordeling van de grammaticaliteit van zinnen  rapid naming  mental imagery (Kamhi & Catts, 1986; Kamhi et al., 1988)

12 Conclusie uit het voorgaande Er is overlap tussen de twee groepen: kinderen met dyslexie en taalgestoorde kinderen Leesstoornissen hebben, zo is gebleken, voorlopers in het begrijpen/waarnemen en produceren van mondelinge taal

13 Er is meer dan fonologie Er wordt in verband met lezen al snel gewezen naar de fonologie, maar dat is voorbarig. De Amerikaanse onderzoekster Scarborough (1990) zegt daarover: “We weten dat fonologie maar ook syntaxis iets met lezen te maken kan hebben. Klankvorming en zinsbouw vragen beide dat je abstracte elementen (symbolen) moet organiseren in structuren van een hogere orde (woorden worden zinnen, klanken worden woorden) en daarbij speelt volgorde een rol. Al zulke processen kunnen de bron van leesproblemen zijn, niet één ervan is op voorhand uit te sluiten.”

14 Een conclusie Dyslexie wordt steeds vaker gezien als een taalprobleem, met voorlopers in de ontwikkeling van gesproken taal. Bij voorlopers werd dikwijls uitsluitend gedacht aan fonologisch bewustzijn, maar gaandeweg komen nu ook andere aspecten van de taal in beeld. Auteurs als Scarborough en Bishop hebben daarvoor de agenda opgesteld: je moet breder kijken.

15 Onze werkhypothese dyslexie en SLI komen in symptomen overeen er is overlap tussen de populaties vanuit dyslexie geredeneerd: dyslexie heeft voorlopers in het begrijpen/waarnemen en produceren van gesproken taal

16 Hoe kun je onderzoek doen naar dyslexie voordat het kind leest? Studies van kinderen die een verhoogd risico hebben om dyslexie te krijgen 40 – 60% van de kinderen met dyslectische ouders krijgt later leesproblemen (Grigorenko, 2001; de kans is groter als beide ouders dyslectisch zijn) De proefpersonen kunnen dus geselecteerd worden op grond van de dyslexie van de ouder(s)

17 Maar bedenk wel: Niet alle kinderen met een dyslectische ouder worden dyslectisch. Als je kinderen selecteert die een dyslectische ouder hebben, is er ook een grote kans dat ze niet dyslectisch zijn. Bij onderzoek naar ‘voorlopers’ is de verwachting dan ook niet dat alle kinderen achterlopen bij de controlegroep. De veronderstelling is echter wel dat ze als groep verschillen van kinderen zonder genetisch risico.

18 Het onderzoek in Utrecht; het onderzoeksteam Elise de Bree (productie fonologie) Ellen Gerrits, Petra van Alphen (klankperceptie) Jan de Jong (productie morfosyntaxis) Frank Wijnen (projectleider) Carien Wilsenach (grammaticaal begrip)

19 Het onderzoek in Utrecht Twee cohorten: Een babygroep (18 maanden bij aanvang van het onderzoek; wordt gevolgd tot 3 jaar). 70 ‘risicokinderen’; 40 controlekinderen Een peutergroep (3 jaar bij aanvang van het onderzoek; wordt gevolgd tot 4;6 jaar). 70 ‘risicokinderen’; 40 controlekinderen; 30 taalgestoorde kinderen

20 Het onderscheiden van spraakklanken (peuters) Op een auditieve-discriminatietaak (peer – beer; sok – rok) maakten de risicokinderen meer fouten dan de controlekinderen, maar minder dan taalgestoorde kinderen. Er waren geen klanken die in het bijzonder moeilijk waren voor een van de groepen in het onderzoek

21 Categoriseren van spraakklanken

22 Het gaat hier om het kiezen voor een klank: hoor je pop of kop (medeklinker); zak of zaak (klinker)? De klanken liggen op een continuum: ze kunnen meer of minder op een van de twee keuzeklanken lijken – het kind moet kiezen, categoriseren.

23 Categoriseren van spraakklanken popkop

24 Categoriseren van spraakklanken: conclusie Kinderen met een dyslexierisico nemen minder waar ‘in categorieen’ dan controlekinderen. Dat geldt echter alleen voor medeklinkers en ze komen daarin overeen met taalgestoorde kinderen. Jonge risicokinderen geven in deze taak blijk van subtiele tekorten in het waarnemen van spraak. Daarin lijken ze op taalgestoorde kinderen en op oudere kinderen met dyslexie.

25 Gevoeligheid voor grammaticale contrasten (babies) Stimulusmateriaal: 8 natuurlijke passages: hulpwerkwoord heeft met verderop in de zin een deelwoord (ge-) 8 onnatuurlijke passages: hulpwerkwoord kan met verderop in de zin een deelwoord (ge-) (Santelman & Jusczyk onderzochten bij normale babies van 15 en 18 maanden hetzelfde voor het Engels: is …. –ing tegenover can…-ing; kinderen van 15 maanden toonden nog geen onderscheid, kinderen van 18 maanden wel)

26 Methode: Preferential listening task Video camera Speaker  Green light Red light

27 Preferential listening task

28 Gevoeligheid voor grammaticale contrasten In de trainingsfase: 4 gesproken passages (2 natuurlijk, 2 onnatuurlijk). Een van elk soort stimulus aan elke kant van de baby. In de testfase: 12 passages (6 natuurlijk, 6 onnatuurlijk) in willekeurige verdeling over de twee geluidsbronnen. ‘Kijktijd’ wordt gemeten.

29 Gevoeligheid voor grammaticale contrasten: voorkeur

30 Gevoeligheid voor grammaticale contrasten: groepsvergelijking

31 Gevoeligheid voor grammaticale contrasten: conclusie Controlekinderen toonden – al voordat ze zelf zulke grammaticale onderscheidingen maken - een significante voorkeur voor de natuurlijke passages; ze zijn dus gevoelig voor de afhankelijkheidsrelatie tussen hulpwerkwoord en deelwoord. De groep risicokinderen toonde geen gevoeligheid voor deze relatie. Ze kunnen niet goed onderscheiden tussen de twee stimulustypen.

32 Het produceren van grammaticale morfemen (peuters) Taak: aanvulzinnen Deze beer loopt en deze beer… (doelvorm: vervoegd werkwoord in de derde persoon) Dit is een stoel en dit zijn twee… (doelvorm: meervoud van het zelfstandig naamwoord)

33 Productie van grammaticale morfemen (naamwoordverbuiging) Dit is één beer …… en dit zijn twee…

34 Productie van grammaticale morfemen (werkwoordvervoeging) Deze beer loopt … … en deze beer…

35 Productie van grammaticale morfemen: foutenpatronen infinitiefvorm in plaats van persoonsvorm (vallen voor valt): stamvorm in plaats van vervoegd werkwoord (val voor valt): enkelvoud in plaats van meervoud van zelfstandig naamwoord (beer voor beren)

36 Productie van grammaticale morfemen: conclusie Kinderen met een aanleg voor dyslexie lopen groepsgewijs achter bij kinderen uit de controlegroep. Ze maken dikwijls dezelfde fouten als taalgestoorde kinderen. Dat geldt zowel voor het verbuigen van naamwoorden als het vervoegen van werkwoorden.

37 Klankproductie (peuters) Onderzoeksobjecten: Ontwikkeling van de lettergreep Ontwikkeling van clusters (medeklinker – medeklinker) Het voorkomen van fonologische processen Het voorkomen van truncatie (d.I. het vereenvoudigen van de lettergreepstructuur )

38 Klankproductie Methoden: Boekje lezen Plaatjes benoemen Nonsenswoord imiteren Nonsenswoorden maken het mogelijk de lexicale kennis uit te schakelen Biedt bij voorbeeld een goede mogelijkheid om te onderzoeken of het kind truncatie toepast

39 Klankproductie pokími kimi? pimi? konijn nijn? kijn?

40 Verwerken en produceren van nonsenswoorden Inkomende spraak moet door het kind worden verwerkt en gereproduceerd. Nonsenswoorden (zoals fooneewijsootaam, joeseewoup) maken het daarbij mogelijk naar klanken te kijken zonder dat het kind z’n woordenschat gebruikt. Bovendien kun je nonsenswoorden net zo lang maken als nodig is voor de taak – tot bij voorbeeld vijf lettergrepen. Als het kind alleen de lange woorden moeilijk vindt, kan het geheugen een rol spelen.

41 Verwerken en produceren van nonsenswoorden

42 Nazeggen cijfers Kinderen met taalstoornissen en met dyslexie hebben een beperkt korte- termijngeheugen voor klanken. Nazeggen van cijfers is een goed instrument om deze vaardigheid te meten. Hoeveel cijfers kan het kind nazeggen?

43 Nazeggen cijfers: resultaten

44

45 Algemene conclusie Kinderen met een verhoogd risico voor dyslexie hebben een taalachterstand (productie): klankstructuren grammatica (verbuigingen/vervoegingen) hebben een probleem met taalwaarneming: categoriseren van spraakklanken herkennen van grammaticale patronen De aanname dat kinderen met dyslexie voorafgaand aan het lezen slechts beperkte problemen hebben (met name in het fonologisch bewustzijn) blijkt niet te kloppen. Ze hebben problemen op meer gebieden.

46 Een overweging Er is een bron voor diagnostische overlap: dyslexie-experts kijken minder zorgvuldig naar mondelinge taal dan naar lezen en taal-experts kijken naar taal voordat er lezen is. Misschien hangt het ook wel eens af van de achtergrond van de diagnosticus, hoe de stoornis van een kind komt te heten.

47 Wat betekenen de resultaten? Als de uitval van risicokinderen op taalmaten goed omschreven kan worden, is vroege signalering mogelijk. Er bestaat een groep kinderen die op grond van het bestaan van dyslexie in hun familie een verhoogde kans op problemen in de mondelinge taal lijkt te hebben.

48 Utrecht institute of Linguistics OTS Trans 10, 3512 JK Utrecht


Download ppt "Taalontwikkelingsstoornissen en voorlopers van dyslexie Jan de Jong Universiteit Utrecht, UiL/OTS."

Verwante presentaties


Ads door Google