De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

Zondag 16 maart 2008 Thema:‘BrandendeHarten’. De steen, dien door de tempelbouwers Veracht’lijk was een plaats ontzegd, Is, tot verbazing der beschouwers,

Verwante presentaties


Presentatie over: "Zondag 16 maart 2008 Thema:‘BrandendeHarten’. De steen, dien door de tempelbouwers Veracht’lijk was een plaats ontzegd, Is, tot verbazing der beschouwers,"— Transcript van de presentatie:

1 Zondag 16 maart 2008 Thema:‘BrandendeHarten’

2 De steen, dien door de tempelbouwers Veracht’lijk was een plaats ontzegd, Is, tot verbazing der beschouwers, Van God ten hoofd des hoeks gelegd. Dit werk is door Gods alvermogen, Door ‘s HEEREN hand alleen geschied; Het is een wonder in onz’ ogen; Wij zien het, maar doorgronden ‘t niet. Gezegend zij de grote Koning, Die tot ons komt in ‘s HEEREN naam; Wij zeeg’nen u uit ‘s HEEREN woning; Wij zegenen u al te zaâm. Laat ieder ‘s HEEREN goedheid loven, Want goed is d’ Oppermajesteit; Zijn goedheid gaat het al te boven; Zijn goedheid duurt in eeuwigheid.

3 Schriftlezing: Lukas 24 : En zie, twee van hen gingen op denzelfden dag naar een vlek, dat zestig stadiën van Jeruzalem was, welks naam was Emmaüs; 14 En zij spraken samen onder elkander van al deze dingen, die er gebeurd waren. 15 En het geschiedde, terwijl zij samen spraken, en elkander ondervraagden, dat Jezus Zelf bij hen kwam, en met hen ging. 16 En hun ogen werden gehouden, dat zij Hem niet kenden. 17 En Hij zeide tot hen: Wat redenen zijn dit, die gij, wandelende, onder elkander verhandelt, en waarom ziet gij droevig? 18 En de een, wiens naam was Kleopas, antwoordende, zeide tot Hem:Zijt Gij alleen een vreemdeling te Jeruzalem, en weet niet de dingen, die deze dagen daarin geschied zijn? 19 En Hij zeide tot hen: Welke? En zij zeiden tot Hem: De dingen aangaande Jezus den Nazarener, Welke een Profeet was, krachtig in werken en woorden, voor God en al het volk. 20 En hoe onze overpriesters en oversten Denzelven overgeleverd hebben tot het oordeel des doods, en Hem gekruisigd hebben.

4 21 En wij hoopten, dat Hij was Degene, Die Israël verlossen zou. Doch ook, benevens dit alles, is het heden de derde dag, van dat deze dingen geschied zijn. 22 Maar ook sommige vrouwen uit ons hebben ons ontsteld, die vroeg in den morgenstond aan het graf geweest zijn; 23 En Zijn lichaam niet vindende, kwamen zij en zeiden, dat zij ook een gezicht van engelen gezien hadden, die zeggen, dat Hij leeft. 24 En sommigen dergenen, die met ons zijn, gingen heen tot het graf, en bevonden het alzo, gelijk ook de vrouwen gezegd hadden; maar Hem zagen zij niet. 25 En Hij zeide tot hen: O onverstandigen en tragen van hart, om te geloven al hetgeen de profeten gesproken hebben! 26 Moest de Christus niet deze dingen lijden, en alzo in Zijn heerlijkheid ingaan? 27 En begonnen hebbende van Mozes en van al de profeten, legde Hij hun uit, in al de Schriften, hetgeen van Hem geschreven was.

5 28 En zij kwamen nabij het vlek, daar zij naar toegingen; en Hij hield Zich, alsof Hij verder gaan zou. 29 En zij dwongen Hem, zeggende: Blijf met ons; want het is bij den avond, en de dag is gedaald. En Hij ging in, om met hen te blijven. 30 En het geschiedde, als Hij met hen aanzat, nam Hij het brood, en zegende het, en als Hij het gebroken had, gaf Hij het hun. 31 En hun ogen werden geopend, en zij kenden Hem; en Hij kwam weg uit hun gezicht. 32 En zij zeiden tot elkander: Was ons hart niet brandende in ons, als Hij tot ons sprak op den weg, en als Hij ons de Schriften opende? 33 En zij, opstaande ter zelfder ure, keerden weder naar Jeruzalem, en vonden de elven samenvergaderd, en die met hen waren; 34 Welke zeiden: De Heere is waarlijk opgestaan, en is van Simon gezien. 35 En zij vertelden, hetgeen op den weg geschied was, en hoe Hij hun bekend was geworden in het breken des broods.

6 Lam Gods, dat zo onschuldig, zo moedig en geduldig, aan ‘t schand’lijk kruishout lijdt. Verdienden niet mijn zonden, die striemen en die wonden? Ja ‘k weet, dat Gij onschuldig zijt! Niet U, maar ik moest sterven, en ‘s Vaders liefde derven, in eindeloze pijn. Toch sloeg Gij Uwe ogen, in Godd’lijk mededogen, en wilde mijn Verlosser zijn.

7 Dat ik U dankbaar nader, o Midd’laar bij den Vader. Wat is Uw liefde groot! Gij wilde mij hergeven, het eeuwig, hemels leven, en stierf daartoe die wrede dood. O Godslam, nooit volprezen, leer mij de zonde vrezen, waarvoor U stierf aan ‘t kruis. Geef mij toch Uwe vrede, deel Uw genade mede, en leid mij eens in ‘t Vaderhuis.

8 PaasactiviteitPaasactiviteit PaasappèlPaasappèl JV reisJV reis Contributie JVContributie JV Kaart voor dhr. en mevr. BregmanKaart voor dhr. en mevr. Bregman

9 ‘Brandende harten’ Lukas 24 :

10 Ik wacht nog vaak in de avondstond, mijn stoel voor ’t venster neergezet, op Hem, die eens mijn woning vond, en die ik aan de eigen tred onmiddellijk herkennen zou. Hij at met mij het avondbrood en toen Hij ’t zegenend breken wou zag ik de tekenen van Zijn dood. Veel hebben wij gesproken saâm en al mijn twijfel was verstomd,. Nu zit ik ’s avonds vaak voor ’t raam en wacht of Hij nog eenmaal komt.

11 Mijn God, Gij hebt Uw wond’ren groot gemaakt Wie is ‘t, die ‘t onbepaald getal Van Uw gedachten melden zal? Wat geest zo vlug, wat tong zo welbespraakt? Geen slachtvee, geen altaren, Vol spijs ten offer, waren Het voorwerp van Uw lust; Gij hebt Mij, naar Uw woord, Mijn oren doorgeboord, En ‘t lichaam toegerust

12 Koffie!!!

13 Leer mij, o Heer’, Uw lijden recht betrachten, in deze zee verzinken mijn gedachten. O liefde die om zondaars te bevrijden, zo zwaar wou lijden. ‘k Zie U, God Zelf, in eeuwigheid geprezen, tot in de dood als mens gehoorzaam wezen, in onze plaats gemarteld en geslagen, de zonde dragen. Daar G’ U voor mij hebt in de dood gegeven, hoe zou ik naar mijn eigen wil nog leven? Zou ik aan U, voor zulk een bitter lijden, mijn hart niet wijden!?

14 Waarom waren het herders Die hun kudde en veld Verlieten toen de boodschap In Bethlehem werd verteld? Omdat er een Lam En een Herder kwam. Waarom waren het visschers Die van schip en net Werden weggeroepen Bij ’t meer van Genesareth? Omdat Hij een Vis En een Visscher is. Weet jij waarom de krijgsknecht Bloem en blad afrukt En een kroon van stelen Op ’t droevig voorhoofd drukt? O Roos zonder doorn Uit doornen geboren! Ach, dat Hem de vijand Kende met een kus, En dat Hij Zijn vrienden Vreemd bleef tot Emmaüs? Ach, waren dat wij niet? Ach, ik niet? ach, jij niet?

15 Mijn, God, Mijn God, waarom verlaat Gij Mij, En redt Mij niet, terwijl Ik zwoeg en strij’, En brullend klaag in d’ angsten, die Ik lij’, Dus fel geslagen? ‘t Zij Ik, Mijn God, bij dag moog’ bitter klagen, Gij antwoordt niet; ‘t zij Ik des nachts moog’ kermen, Ik heb geen rust, ook vind Ik geen ontfermen, In Mijn verdriet

16 Ik mocht een blik slaan in Gethsémané, Mijn Meester nam mij op een steenworp afstand mee, Toen Hij geperst werd als een druif, tot bloed, Dat tot verzoening van de zonden vloeien moet. Ik zag Hem na, toe Hij daar als een worm In doodsnood kroop. Maar toen een helse storm Hem tegenkwam, Hij tot Zijn Vader riep, Was ik verslapt, ik waakte niet, maar sliep. Hoewel Hij driemaal dringend vroeg te waken Om biddend de verzoeker te weerstaan, Kon ik niet uit de strik van zelfzucht raken. Pas toen Hij sprak: ‘Slaap voort … komt laat ons gaan’, Ontwaakte ik en zag mijn schande in ’t verzaken, Maar ook het wonder, dat Hij in mijn plaats wou staan.

17 ‘t Is middernacht en in den hof Buigt tot de dood bedroefd in ‘t stof De Levensvorst in Zijn gebeên doorworstelt Hij Zijn strijd alleen ‘t Is middernacht, maar hoe Hij lijdt Zijn jong’ren slapen hij dien strijd En derven afgemat in rouw De aanblik op des Meesters trouw

18 ‘t Is middernacht, maar Jezus waakt en ‘t zielelijden dat Hij smaakt Bant uit Zijn hart de bede niet: “Mijn Vader, dat Uw wil geschied” ‘t Is middernacht en ‘t Vaderhart verstaat en sterkt de Man van smart Die ‘t enig lijden dat Hij torst Ten eind doorstrijdt als Levensvorst

19 Zij was op Golgotha gaan staan en kon de zin maar niet doorgronden, Zij had de spijkers horen slaan, die haar Kind Jezus wreed doorwondden. Hij zag haar zo met deernis aan, en ook de vrouwen die daar stonden. Zij was op Golgotha gaan staan en kon de zin maar niet doorgronden. Had Hij aan ’t godlijk recht voldaan? Verloor Hij ’t leven voor haar zonden? Een zwaard was door haar ziel gegaan, wat Simeon al vroeg verkondde. Zij was op Golgotha gaan staan.

20 Wees met Mij, dochters, niet begaan, maar wil om eigen zonden wenen. Met minder kon God niet volstaan, er was geen Losser dan die Ene, Een moorder sprak Hem smekend aan: “Wil mij, o Koning, gunst verlenen.” Wees met Mij, dochters, niet begaan, maar wil om eigen zonden wenen. Hij zag de hemel opengaan bij ’t wrede breken van zijn benen… Dan zullen wij eerst recht verstaan waarom het zonlicht was verdwenen. Wees met Mij, dochters, niet begaan.

21 O hoofd bedekt met wonden Belaân met smart en hoon O hoofd ten spot ombonden Met ene doornenkroon Eertijds gekroond met stralen Van meer dan aardsen gloed Waarlangs nu drupp’len dalen ‘k Breng zeeg’nend U mijn groet Van al den last dier plagen Met goddelijk geduld 0, Heer’ door U gedragen Heb ik, heb ik de schuld Och, zie, hoe ‘k voor Uw ogen Hier als een zondaar sta En schenk vol mededogen M’ een blik van Uw genâ Als ‘k eens van d’ aarde schelde Och, wijk dan niet van mij! Als ik den doodsnik beide Och, sta dan aan mijn zij! En wordt mijn strijd het bangste Laat dan in angst en pijn Uw doorgeworsteld’ angste Mij tot vertroosting zijn!

22 Dit is de donkerste van alle nachten. Nooit is een nacht zo zwaar, zo zwart geweest. Nu triomferen alle hellemachten, nu juicht de satan, en nu lacht het Beest. De zaterdag duurt lang voor wie geloven. De engelen wachten roerloos voor de troon. Maar alle lichten schijnen uit te doven, de dood heerst in het graf van Davids Zoon. De nieuwe dag wordt moeitevol geboren in nevel, die hem als een floers omgeeft. Maar onweerstaanbaar komt de morgen gloren, God zendt Zijn dienaars uit, want zie: Hij leeft!

23 Op die heuvel daarginds, stond een ruwhouten kruis, het symbool van vervloeking en schuld. Maar dat kruis is voor ons, toch het kostbaarst kleinood, daar Gods wet aan dat hout werd vervuld. Refrein: ‘k Klem mij daarom aan Golgotha’s kruis, tot de Heer’ komt en met Hem het loon, als die grote dag aanbreekt en Hij ons dat kruis, dan verwisselt voor d’eeuwigheidskroon.

24 O, dat ruwhouten kruis, door de wereld gesmaad, heeft een wond’re bekoring en macht. Want Gods Zoon liet Zijn troon, Hij droeg smaadheid en hoon, om de vreugd die dat kruis voor ons bracht. Van dat ruwhouten kruis, met het bloed van Gods Zoon, straalt een licht dat door niets wordt gedoofd. Vol van schoonheid en pracht, vol van reddende kracht, voor een ieder die in Hem gelooft.

25 Bach: “wir danken dir, Herr Jesu Christ, das du fur uns gestorben bist”“wir danken dir, Herr Jesu Christ, das du fur uns gestorben bist” “Christ lag in todesbanden”“Christ lag in todesbanden” “Heut triumphieret Gottes sohn”“Heut triumphieret Gottes sohn” “Herzlich tut mich verlangen”“Herzlich tut mich verlangen”

26 Hij was het graf al uitgegaan Vóór ik zijn dood bezoeken kon. Een zwarte leegte in de zon Gaapt de spelonk mij aan. O wàt ik hoopte in mijn verdriet, Hij kwam mijn ongeduld nog vóór. Maar dien ik door den dood verloor Vind ik ook levend niet.

27 De olijven met den lichten wind Verzil’ vren in de zonneschijn, Waar ’t hart niets dan zijn oude pijn Langs alle paden vindt. Maar om de donkre nauwe bocht Wappert een oogwenk zijn gewaad. Mij blindt de glans van zijn gelaat. Hij had mij lang gezocht.

28 Daar juicht een toon, daar klinkt een stem, die galmt door heel Jeruzalem Een heerlijk morgenlicht breekt aan, de Zoon van God is opgestaan. Geen graf hield Davids Zoon omkneld, Hij overwon, die sterke Held! Hij steeg uit ‘t graf door eigen kracht, want Hij is God, bekleed met macht.

29 Nu jaagt de dood geen angst meer aan, want alles, alles is voldaan, die in ‘t geloof op Jezus ziet, die vreest voor dood en helle niet. Want nu de Heer’ is opgestaan, nu vangt het nieuwe leven aan. Een leven door Zijn dood bereid, een leven in Zijn heerlijkheid.

30 Midden in de dood Zijn wij in het leven, Want Eén breekt het brood Om met ons te leven Dood is in ons bloed, Dood voor onze ogen, Maar Hij geeft ons moed, Dat wij leven mogen Met de dood in ’t bloed Dat wij uit de dood Opstaan om te leven, Etend van het brood Dat Hij heeft gegeven Midden in de dood. Lamp voor onze voet, Licht voor onze ogen, Geef ons levensmoed Met de dood voor ogen, Met de dood in ’t bloed. Jezus, uit de dood Opgestaan tot leven, Wees voor ons het brood, Dat wij in U leven Midden in de dood. Wees voor ons de wijn, Dat wij van U drinken. Wees voor ons de pijn, Dat wij in U zinken, Dat wij in U zijn.

31 Eens was ik een vreemd’ling voor God en mijn hart, ik kende geen schuld en gevoelde geen smart, Ik vroeg niet: Mijn ziele doorziet gij uw lot? Hoe zult gij rechtvaardig verschijnen voor God? Al sprak daar een stem door de heilige blaan, van ‘t Lam met de zonden der wereld belaan, ik zocht bij de kruispaal geen veilige wijk, ‘k stond blind en van ver in mijzelve zo rijk. Ik deed als Jeruzalems dochters weleer; ik weend’om de pijn van mijn lijdende Heer’ en dacht er niet aan dat ik zelf door mijn schuld, Zijn kroon had gevlochten, Zijn beker gevuld. Maar toen mij Gods Geest aan mijzelf had ontdekt, toen werd in mijn ziele de vreze gewekt, toen voeld’ ik wat eisen Gods heiligheid deed, daar werd al mijn deugd een wegwerpelijk kleed.

32 Toen vluchtt’ ik tot Jezus, Hij heeft mij gered! Hij heeft mij verlost van het vonnis der wet. Mijn heil en mijn vreed’ en mijn leven werd Hij; ik boog m’ en geloofd en mijn God sprak mij vrij. Nu ken ik die waarheid zo diep als gewis, dat Christus alleen mijn gerechtigheid is. Nu heerst er geen dood, nu verwin ik het graf, nu neemt mij geen satan de ze-gekroon af. Nu reis ik getroost onder ‘t heiligend kruis Naar ‘t erfgoed hierboven, naar ‘t Vaderlijk huis Mijn Jezus geleidt mij door d’ aardse woestijn “Gestorven voor mij”, zal mijn zwanenzang zijn.

33

34 U zij de glorie, opgestane Heer U zij de victorie, nu en immer meer. Uit een blinkend stromen daalde d' engel af, heeft de steen genomen van 't verwonnen graf U zij de glorie, opgestane Heer. U zij de victorie, nu en immer meer. Zie Hem verschijnen Jezus, onze Heer, Hij brengt al de zijnen in Zijn armen weer. Weest dan volk des Heeren, blijde en welgezind en zegt telkenkere: "Christus overwint". U zij de glorie, opgestane Heer. U zij de victorie, nu en immer meer.

35 Zou ik nog vrezen, nu Hij eeuwig leeft, Die mij heeft genezen, Die mij vrede geeft. In Zijn goddelijk wezen is mijn glorie groot, niets heb ik te vrezen in leven en dood U zij de glorie, opgestane Heer. U zij de victorie, nu en immer meer.

36 Namens het bestuur van de jeugdverenigingen wensen we je Gezegende Paasdagen


Download ppt "Zondag 16 maart 2008 Thema:‘BrandendeHarten’. De steen, dien door de tempelbouwers Veracht’lijk was een plaats ontzegd, Is, tot verbazing der beschouwers,"

Verwante presentaties


Ads door Google