De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

Betrekkelijk vnw. = Relative Pronoun. Het betrekkelijk vnw. verwijst naar [heeft betrekking op] het woord dat ervoor staat. The man who stole your purse,

Verwante presentaties


Presentatie over: "Betrekkelijk vnw. = Relative Pronoun. Het betrekkelijk vnw. verwijst naar [heeft betrekking op] het woord dat ervoor staat. The man who stole your purse,"— Transcript van de presentatie:

1 Betrekkelijk vnw. = Relative Pronoun

2 Het betrekkelijk vnw. verwijst naar [heeft betrekking op] het woord dat ervoor staat. The man who stole your purse, was caught This is the dog whose lease broke. He bought the table which/that I painted. Betrekkelijke vmw zijn: who(m), which, that, whose Je kunt ze niet ‘at random’ gebruiken!!

3 Personen who that whom (na voorzetsel) whose (bezit) The man who/that stole your purse, was caught. Bij personen gebruik je meestal who/that

4 Personen who that whom (na voorzetsel) whose (bezit) The boy about whom he wrote this book… Na een voorzetsel (about, from, etc) moet je bij personen altijd whom gebruiken

5 Personen who that whom (na voorzetsel) whose (bezit) The boy whose dvd I borrowed, did not want me to copy it. Bij ‘bezit’ moet je whose gebruiken : (The boy whose = de jongen van wie/wiens)

6 Dieren & Dingen which that whose (bezit) He bought the table which/that I painted. Bij dingen gebruik je meestal which of that.

7 Dieren & Dingen which that whose (bezit) He bought the table whose leg was broken. Bij ‘bezit’ gebruik je ‘whose’ (dat deed je bij personen en bezit ook!)

8 Hele zin which I copied his dvd, which he did not like. Alleen ‘which’ kan slaan op een hele zin die ervoor staat.

9 Personen who that whom (na voorzetsel) whose (bezit) Dieren & Dingen which that whose (bezit) Hele zin which Waarom gebruik je hier who/which/that? The man who stole your purse,was caught He bought the table which/that I painted She used my pen, which I don’t like!

10 Vergelijk de onderstaande zinnen eens: My father, who is an old man, should not go skating. Fathers who are old, should not go skating. De bovenste zin is nogal speciaal: Je hebt ‘who is an old man’ niet nodig om te weten welke vader bedoeld wordt; dat stukje geeft alleen wat extra informatie over die vader (hij is oud). De komma geeft dat ook aan: je leest de tussenzin apart en ‘lager’.

11 In 1 van de 2 zinnen mag je who vervangen door that. Welke? My father, who is an old man, should not go skating. Fathers who are old, should not go skating. Fathers that are old, should not go skating.

12 My father, who is an old man, should not go skating. This church, which was built in 1200, was renovated last year. My dog Toby, which I bought at a kennel, is an alsatian. Na een komma moet je altijd ‘wh…’ gebruiken. (Dus who/which, niet that) (dat geldt in alle gevallen: mensen, dieren, dingen)

13 Na: any/only/all/-thing/overtreffende tr. moet je that [en niet who/which] gebruiken All that you need is love. (waarom niet which?) The only horses that he likes are brown. He can give you any present that he wants to give you. We must make notes about anything that we read. This is the biggest mistake that I ever made

14 Als who/which/that niet onderwerp zijn van de bijzin, kun je ze ook weglaten Wat is het onderwerp van de [onderstreepte] bijzin? He bought the table which/that I painted.

15 Als who/which/that niet onderwerp zijn van de bijzin, kun je ze ook weglaten Wat is het onderwerp van de [onderstreepte] bijzin? He bought the table which/that I painted.

16 Als who/which/that niet onderwerp zijn van de bijzin, kun je ze ook weglaten Wat is het onderwerp van de [onderstreepte] bijzin? The man who/that stole your purse, was caught.

17 Als who/which/that niet onderwerp zijn van de bijzin, kun je ze ook weglaten Wat is het onderwerp van de [onderstreepte] bijzin? The man who/that stole your purse, was caught. Je kunt who/that niet weglaten!! [want dan laat je het onderwerp weg!]

18 Als who/which/that niet onderwerp zijn van de bijzin, kun je ze ook weglaten Wat is het onderwerp van de [onderstreepte] bijzin? All that you need is love.

19 Als who/which/that niet onderwerp zijn van de bijzin, kun je ze ook weglaten Wat is het onderwerp van de [onderstreepte] bijzin? All that you need is love.

20 Als who/which/that niet onderwerp zijn van de bijzin, kun je ze ook weglaten Wat is het onderwerp van de [onderstreepte] bijzin? The only horses that he likes are brown.

21 Als who/which/that niet onderwerp zijn van de bijzin, kun je ze ook weglaten Wat is het onderwerp van de [onderstreepte] bijzin? The only horses that he likes are brown.

22 Als who/which/that niet onderwerp zijn van de bijzin, kun je ze ook weglaten Wat is het onderwerp van de [onderstreepte] bijzin? He can give you any present that he wants to give you.

23 Als who/which/that niet onderwerp zijn van de bijzin, kun je ze ook weglaten Wat is het onderwerp van de [onderstreepte] bijzin? He can give you any present that he wants to give you.

24 Als who/which/that niet onderwerp zijn van de bijzin, kun je ze ook weglaten Wat is het onderwerp van de [onderstreepte] bijzin? We must make notes about anything that we read.

25 Als who/which/that niet onderwerp zijn van de bijzin, kun je ze ook weglaten Wat is het onderwerp van de [onderstreepte] bijzin? We must make notes about anything that we read.

26 Als who/which/that niet onderwerp zijn van de bijzin, kun je ze ook weglaten Wat is het onderwerp van de [onderstreepte] bijzin? This is the cop who gave me a ticket. This is the cop who gave me a ticket.

27 Als who/which/that niet onderwerp zijn van de bijzin, kun je ze ook weglaten Wat is het onderwerp van de [onderstreepte] bijzin? This is the cop who gave me a ticket. This is the cop who gave me a ticket. who is het onderwerp: kun je niet weglaten [want dan laat je het onderwerp weg!] ©BtB

28 Geef alle mogelijkheden: 1.My friend James, works at the ministery of education, has studied law. 2.The person.... gave me this information was quite friendly. 3.He is the boy..... we were talking about. 4.My brother Kevin,.... is a bookkeeper, married last week. 5.The whale,..... is the largest mammal, is threatened with extinction. 6.The coat.....I bought last year, is still in fashion. 7.Mrs Peterson,.....you saw here last week, has three daughters. 8.They love their dog,......is ten years old now. 9.Would you recognize the boy did it?

29 10.Charles Dickens,......is famous for his novels, was also a great performer. 11.That is the woman.....he was speaking to. 12.The letter,......arrived this morning, was addressed to Bill. 13.The letter......arrived this morning [dus niet die van gisteren] was addressed to Bill. 14.That man is a tyrant of we are all afraid. 15.The only thing he wants is fight, I don't like at all.

30 16.The boy, I had seen a few times before in the morning train, did not want to talk with me. 17.The boy I had helped with his work gave me a present at the end of term. 18.The woman......husband gave me the information was more friendly. 19.The person from I had got the information was very kind. 20.My father, I have not seen for a long time, is a famous film star. ©BtB


Download ppt "Betrekkelijk vnw. = Relative Pronoun. Het betrekkelijk vnw. verwijst naar [heeft betrekking op] het woord dat ervoor staat. The man who stole your purse,"

Verwante presentaties


Ads door Google