De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

Elektriciteit. lading Lading Symbool: qEenheid: Coulomb (C) Een voorwerp is geladen als het een overschot of tekort aan vrije elektronen heeft.

Verwante presentaties


Presentatie over: "Elektriciteit. lading Lading Symbool: qEenheid: Coulomb (C) Een voorwerp is geladen als het een overschot of tekort aan vrije elektronen heeft."— Transcript van de presentatie:

1 Elektriciteit

2

3 lading Lading Symbool: qEenheid: Coulomb (C) Een voorwerp is geladen als het een overschot of tekort aan vrije elektronen heeft

4 het atoom Het atoom is neutraal, doordat er evenwicht in lading is De atoomkern is positief en bestaat uit protonen en neutronen De protonen zijn positieve ladinkjes De neutronen hebben geen lading (zijn neutraal) De elektronen zijn negatief ladinkjes

5 negatief en negatief Gelijke ladingen stoten elkaar af

6 positief en negatief Tegengestelde ladingen trekken elkaar aan

7 positief en positief Gelijke ladingen stoten elkaar af

8 lading overbrengen De ballon en de trui zijn neutraal in het begin Door wrijving worden elektronen van de trui naar de ballon gezet De ballon heeft nu meer negatieve lading dan positieve lading op zich en is daarom negatief geladen De trui heeft nu meer positieve lading dan negatieve lading op zich en is daarom positief geladen Tegengestelde ladingen trekken elkaar aan, daarom kan een ballon aan je trui “plakken”

9 Coulomb In werkelijkheid worden héél veel elektronen tegelijk overgebracht Om die getallen wat kleiner te maken is de eenheid Coulomb handig Ongeveer elektronen bij elkaar zijn 1 Coulomb

10 serie en parallel Eén stroomkring, dus zonder vertakkingen Meerdere stroomkringen, dus met vertakkingen

11 stroomsterkte Stroomsterkte Symbool: IEenheid: Ampère (A) Het aantal Coulomb dat per seconde een punt passeert

12 stroomsterkte De elektrische stroom gaat van de pluspool (+) naar de minpool (-) Elektronen gaan van de minpool (-) naar de pluspool (+)

13 stroomsterkte We vertragen de stroomsterkte om te kunnen zien wat er in de draad aan de hand is 2 1 3

14 stroomsterkte Stroomsterkte zegt iets over het aantal elektronen dat een punt passeert Er zijn 13 elektronen langsgekomen in deze korte tijd Gelukkig was dit erg vertraagd, anders konden we het tellen niet bijhouden. Stroomsterkte is daarom niet in elektronen per seconde, maar Coulomb per seconde

15 stroomsterkte meten een stroommeter/ampèremeter Stroommeter wordt in serie gezet Hij “telt” het aantal Coulomb dat per seconde langskomt A

16 stroomsterkte: serie A + - Stel dat 1 Coulomb per seconde voorbijkomt, dan geeft de meter 1 A aan. Maar ook hier zou je 1 A meten. Er zijn geen vertakkingen, dus is de stroomsterkte overal evenveel Maar ook hier 1 A.

17 stroomsterkte: parallel + - Maar ook hier is de stroomsterkte 2 Ampère Hier is de stroomsterkte verdeeld over 2 takken. Omdat deze lampjes hetzelfde zijn, wordt de stroomsterkte precies verdeeld: 1 Ampère Hier loopt dus 1 Ampère Hier zijn wel vertakkingen. De hoofdstroom is evenveel als alle deelstromen bij elkaar opgeteld. Stel dat 2 Coulomb per seconde voorbijkomt, dan geeft de meter 2 A aan. Hier loopt dus 1 Ampère A A + -

18 oefenen met stroomsterkte Door welk lampje is de stroomsterkte het grootste? + - Klik hier voor het antwoord Hier wordt de stroomsterkte verdeeld Hier wordt de stroomsterkte NIET verdeeld

19 oefenen met stroomsterkte Stel: I 1 = 150 mA I 2 = 50 mA Wat is I 3 dan? Klik hier voor het antwoord Geg:I 1 = 150 mA I 2 = 50 mA Gevr:I 3 = ? Opl: I 3 = I 1 – I 2 = 100 mA

20 spanning Spanning Symbool: UEenheid: Volt (V) De hoeveelheid energie in Joule die een Coulomb krijgt of afgeeft

21 spanning meten een spanningsmeter/voltmeter Spanningsmeter wordt parallel gezet Hij “kijkt” naar het verschil tussen de energie die een Coulomb “bij zich had en bij zich heeft” V

22 VV spanning: serie Er zijn geen vertakkingen, dus wordt de spanning verdeeld over de componenten. Als de lampjes gelijk zijn, wordt de spanning gelijk verdeeld, zodat 2 Joule per Coulomb overblijft. Hier heeft hij de rest afgegeven, zodat 0 Joule per Coulomb overblijft. De voltmeters geven dus allebei 2 Volt aan (als de lampjes gelijk zijn). De linker voltmeter geeft aan: 2 – 0 = 2 V De rechter voltmeter geeft aan: 4 – 2 = 2 V Hier heeft elke Coulomb weer 4 Joule en is de kring rond. Als de batterij 4 Volt levert, dan heeft elke Coulomb hier 4 Joule.

23 V spanning: parallel De voltmeter geeft aan: 4 – 0 = 4 V Hier heeft elke Coulomb weer 4 Joule en is de kring rond. Iedere Coulomb heeft hier 0 Joule. Hier zijn wel vertakkingen. Welke vertakking de Coulombs ook doorlopen, ze komen maar 1 lampje tegen, hier geven ze alle energie aan af. De spanning over de vertakkingen is gelijk. Als hij over het bovenste lampje zou staan, zou hij ook aangeven: 4 – 0 = 4 V Als de batterij 4 Volt levert, dan heeft elke Coulomb hier 4 Joule.

24 oefenen met spanning Over welk lampje is de spanning het grootste? + - Klik hier voor het antwoord Hier wordt de spanning verdeeld Hier wordt de spanning NIET verdeeld

25 oefenen met spanning + - Klik hier voor het antwoord Stel: U 2 = 3 V U 3 = 4 V Wat is U 1 dan? Geg:U 2 = 3 V U 3 = 4 V Gevr:U 1 = ? Opl: U 1 = U 3 – U 2 = 1 V 12 3

26 spanning in huis In huis zijn de stopcontacten parallel. Zo kan overal de spanning gelijk zijn. Namelijk: U net = 230 V

27 parallel over lampje 2 Stel dat je de stroomsterkte door lampje 1 wilt weten en de spanning over lampje 2. Hoe doe je dat? in serie met lampje 1 meten in serieschakelingen + - VA

28 parallel over lampje 3 Stel dat je de stroomsterkte door lampje 1 wilt weten en de spanning over lampje 3. Hoe doe je dat? in serie met lampje 1 meten in parallelschakelingen V + - A

29 serie in formules U tot = U 1 + U 2 + … (De energie wordt verdeeld over de componenten in serie) I tot = I 1 = I 2 = … (De stroom wordt niet gesplitst!)

30 parallel in formules U tot = U 1 = U 2 = … (Het aantal Coulombs worden verdeeld, niet de energie die ze meedragen!) I tot = I 1 + I 2 + … (deelstromen optellen)

31 vermogen Vermogen Symbool: PEenheid: Watt (W) De hoeveelheid energie die per seconde wordt omgezet

32 + - 0 vermogen 4 Joule per Coulomb Coulomb per seconde Per seconde krijgt het lampje: 4 x 3 = 12 Joule Het vermogen is hier de hoeveelheid energie die het lampje per seconde omzet 4 0 4

33 vermogen bepalen + - V A Stel dat je wilt weten hoeveel energie het linker lampje omzet per seconde, hoe doe je dat? Dan moet je het vermogen weten, dus ook de spanning en de stroomsterkte. Geg: I = 100 mA = 0,100 A U = 1,0 V Gevr:P = ? Opl: P = U ∙ I = 0,100 ∙ 1,0 = 0,10 W VB: I = 100 mA VB: U = 1,0 V Stel dat alle lampjes hetzelfde zijn, dan krijgen ze in deze situatie evenveel energie per seconde. In totaal krijgen de lampjes dan: 3 x 0,10 = 0,30 W Dat is wat de batterij levert.

34 Stel dat een kacheltje op elektriciteit aangesloten wordt op het stopcontact. Er blijkt een stroom te lopen van 13 A. Bereken het vermogen van het kacheltje. oefenen met vermogen Geg:I = 13 A U = 230 V (stopcontact) Gevr:P = ? Opl:P = U ∙ I = 230 ∙ 13 = 2990 W = 3,0 ∙10 3 W = 3,0 kW Klik hier voor het antwoord

35 eenheden van vermogen De eenheden die gebruikt kunnen worden voor vermogen zijn: • Joule per seconde J/s • Watt W • kilowatt kW Let op: niet de kilowattuur (kWh)

36 energie Elektrische energie Symbool: EEenheid: Joule (J) De hoeveelheid energie die een apparaat verbruikt

37 eenheden van energie De eenheden die gebruikt kunnen worden voor energie zijn: • Joule J • kilowattuur kWh Let op: niet de kilowatt (kW) Joulekilowattuur x 3,6∙10 6 : 3,6∙10 6

38 weerstand Weerstand Symbool: REenheid: Ohm (Ω) De tegenwerking die de vrije elektronen ondervinden als ze ergens doorheen stromen

39 weerstand Bij een grote doorgang is de moeite (weerstand) voor de schapen klein. Ze kunnen allemaal tegelijk door de opening in het hek, dus de stroomsterkte is groot.

40 weerstand Bij een kleine opening moeten de schapen na elkaar door de opening in het hek. Doordat er meer moeite (weerstand) voor de schapen is, wordt de stroomsterkte minder.

41 weerstand en temperatuur Voor veel stoffen geldt dat de weerstand groter wordt als de temperatuur toeneemt Constantaan is speciaal gemaakt zodat het een constante weerstand heeft Ohmse weerstandjes zijn gemaakt van opgerold constantaandraad (R = constant)

42 weerstand (niet constantaan!) Bij een lage temperatuur trillen moleculen en atomen langzaam. De weg door het materiaal is “niet zo lastig”. Bij lage temperatuur

43 weerstand (niet constantaan!) Bij een hoge temperatuur trillen moleculen en atomen sneller. Al dat getril maakt het de elektronen moeilijker om door het materiaal te stromen. Bij hoge temperatuur

44 weerstand van een lampje I (A) U (V) Hoe meer spanning… … hoe groter de stroomsterkte… … hoe meer wrijving… … hoe warmer de gloeidraad… … hoe groter de weerstand. De lijn buigt dus af.

45 weerstand van constantaan I (A) U (V) De weerstand is constant. De lijn is dus een schuine rechte lijn door de oorsprong. Spanning en stroomsterkte zijn recht evenredig. Welke grafiek gaat over de grootste weerstand? Klik hier voor het antwoord De groene grafiek gaat over de grootste weerstand. Voor deze lijn geldt dat de spanning gedeeld door de stroomsterkte groter is dan de rode.

46 weerstand bepalen + - V A Stel dat je wilt weten wat de weerstand van het linker lampje is, hoe doe je dat? Dan moet je dus ook de spanning en de stroomsterkte weten. VB: I = 200 mA VB: U = 2,5 V

47 Stel dat een kacheltje op elektriciteit aangesloten wordt op het stopcontact. Er blijkt een stroom te lopen van 13 A. Bereken de weerstand van het kacheltje. oefenen met weerstand • Klik hier voor het antwoord

48 kortsluiting + - De weerstand in de draad is veel kleiner dan de lampjes, zonder weerstand kan de stroomsterkte erg groot worden. Bij een grote stroomsterkte wordt de wrijving erg groot en ontstaat er veel warmte waardoor brand ontstaat.

49 + - overbelasting Elke keer dat er een stroomkring parallel aan de rest bijkomt, wordt de hoofdstroom groter. Op een gegeven moment wordt daar ook te veel warmte geproduceerd, waardoor weer brand kan ontstaan.

50 zekeringen Als de stroomsterkte te groot wordt, komt er meer wrijving en smelt het draadje door de hitte, zodat de stroomkring onderbroken wordt. In het midden loopt een draadje, dat je door het glas kan zien. Er zijn verschillende soorten zekeringen. Op de afbeelding staat een zekering voor in een apparaat. Deze werkt zodra kortsluiting ontstaat.

51 stoppen Stoppen werken bij kortsluiting en overbelasting. Een stop “slaat door” bij een te grote stroomsterkte. Hij smelt en verbreekt hij de hoofdstroom van een groep. Een stop is een andere naam voor zekering. In de meterkast zitten meestal de witte stoppen zoals op de afbeelding.

52 grootheden en eenheden GrootheidSymboolEenheidSymbool LadingqCoulombC Tijdtsecondes StroomsterkteIAmpèreA SpanningUVoltV VermogenPWattW EnergieEJouleJ WeerstandROhmΩ

53 GrootheidFormuleEenheidSymbool LadingCoulombC StroomsterkteCoulomb per seconde1 C/s = 1A SpanningJoule per Coulomb1 J/C = 1V VermogenJoule per seconde1 J/s = 1W EnergieJouleJ WeerstandOhmΩ basisformules


Download ppt "Elektriciteit. lading Lading Symbool: qEenheid: Coulomb (C) Een voorwerp is geladen als het een overschot of tekort aan vrije elektronen heeft."

Verwante presentaties


Ads door Google