De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

1 Wat is maatschappijleer (h1) & Politiek (h3). §1: Wat leer je bij maatschappijleer Wat is een maatschappelijk probleem? Veel mensen hebben er mee te.

Verwante presentaties


Presentatie over: "1 Wat is maatschappijleer (h1) & Politiek (h3). §1: Wat leer je bij maatschappijleer Wat is een maatschappelijk probleem? Veel mensen hebben er mee te."— Transcript van de presentatie:

1 1 Wat is maatschappijleer (h1) & Politiek (h3)

2 §1: Wat leer je bij maatschappijleer Wat is een maatschappelijk probleem? Veel mensen hebben er mee te maken Er zijn verschillende meningen over De overheid bemoeit zich er mee De massamedia hebben er mee te maken

3 3 §1 Wat leer je bij maatschappijleer? Wat is een goede mening? 1: je moet feiten weten 2: verschillende kanten belichten 3: goede argumenten hebben (waarom vind je iets?)

4 4 §1 Wat leer je bij maatschappijleer? Als je een mening geeft zonder dat je weet wat er precies gebeurd is, spreek je van: VOOROORDELEN

5 5 §2: Kernbegrippen Normen en waarden: Normen: gedragsregels; regels hoe iemand zich moet gedragen Waarden: principes die iemand belangrijk vindt in het leven (vaak 1 woord) Geschreven regels: wetten Ongeschreven regels/gedragsregels/fatsoensnormen

6 6 §2: Kernbegrippen Tegengestelde normen en waarden: Gezelligheid Geweld Geen ruzie maken Vechten is leuk Norm Waarde Norm Waarde Rustig met drank Dronken worden moet Veiligheid Uit je dak gaan

7 7 §2: Kernbegrippen GEBIED:NORM:WAARDE Werk: School: Gezin: Sportclub: Winkel: Verkeer:

8 8 §2: Kernbegrippen Belangen; Het voordeel dat je ergens bij hebt Gemeenschappelijke belangen: Zowel jij als de politie wil veiligheid bij het uitgaan. Tegengestelde belangen: Horeca wil veel drank verkopen, de politie wil geen dronken mensen op straat

9 Wat is macht? -Het vermogen om iemand anders je wil op te leggen -Het vermogen om het gedrag van anderen te sturen. -De mate waarin invloed wordt uitgeoefend door een persoon of organisatie op een andere persoon of organisatie -Het vermogen om het gedrag van anderen te beïnvloeden §2: Kernbegrippen

10 Machtsmiddelen: Om macht te kunnen hebben, bestaan er machtmiddelen. 1.Functie/beroep (politie als hij een bekeuring geeft) 2.Kennis/vaardigheden (dokter weet welke medicijnen je nodig hebt) 3.Aanzien (de paus vraagt gelovigen iets wel of niet te doen 4.Overtuigingskracht (politici zijn vaak getraind om mensen te overtuigen) 5.Geld (de overheid beslist wat ze doen met die miljarden euro’s die ze hebben 6.Aantal (de klas weigert massaal een proefwerk te maken) 7.Geweld (een rechter veroordeeld de moordenaar tot levenslang) §2: Kernbegrippen

11 §3: uitgaansgeweld Is een maatschappelijk probleem UITGAAN:BELANG: Uitgaande jongerenPlezier maken, veiligheid Horeca ondernemersHoge omzet, goede naam, geen vechtpartijen, etc PolitieOrde, rust, veiligheid, weinig dronke mensen BurgemeesterStad goede naam houden, niet negatief in het nieuws Buurtbewoners:Geen overlast, strenge politie

12 12 §3: uitgaansgeweld Oorzaken uitgaansgeweld Verschillen vroeger en nu

13 13 §3: uitgaansgeweld VroegerNuGevolg: Lang werken 50 uurKort werken 38 uurVaker uit gaan  drukker  Meer ruzie Minder vrije tijdMeer vrije tijd werkt + werkenMeer geld om uit te gaan  drukker  ruzie Weinig €Meer € Strikter, minder vrijLosser en vrijerMinder respect voor elkaar  vaker wapens mee  ruzie Veel normen en waarden Verminderde normen en waarden Minder drankMeer en jonger drank Meer agressie  meer ruzie

14 14 §3: uitgaansgeweld Oplossingen Wie doet er wat? Overheid ik wij

15 15 §3: uitgaansgeweld Oplossingen: overheid -Wetten verbieden geweld ed -Geen alcohol onder de 16 - oppakken van mensen als ze vechten - Lik op stuk beleid -Camera’s ophangen -Mensen fouilleren -Spotjes van postbus 51

16 16 §3: uitgaansgeweld Oplossingen: overheid Spotjes van postbus 51 huislijk zinloos geweld Alchol en jongeren typisch postbus 51

17 17 §3: uitgaansgeweld Oplossingen: “wij” -Kijken naar je eigen normen en waarde -Aandacht spenderen aan zinloos geweld -Eigenaren disco’s beter opletten dat jongeren niet straalbezopen -Drugsgebruik tegenhouden

18 18 §3: uitgaansgeweld Oplossingen: “ik” -Afspraken maken met vrienden -“samen uit, samen thuis” -Rustig blijven als je wordt gepest - …..

19 H3: Politiek

20 §1: Wat is politiek Politiek: het maken van keuzes zodat een land, een provincie of een gemeente kan worden bestuurd Politici: mensen die van besluiten nemen hun beroep hebben gemaakt Ambtenaren: mensen die in dienst zijn van het Rijk, de provincie of de gemeente Overheid: alle politici en ambtenaren samen (Prinsjesdag: troonrede, miljoenennota, derde dinsdag van september)

21 §1: Wat is politiek Belasting: geld wat de overheid gebruikt om alle taken uit te voeren. (ong. € per jaar) Overschot: Bezuinigen: Afbetalen belastingen omhoog Staatsschulduitgaven omlaag

22 §1: Wat is politiek? Directe democratie: Burgers kunnen rechtstreeks meepraten en beslissen. Alleen bij weinig inwoners Soms via referendum: volksstemming Indirecte democratie: via een volksvertegenwoordiging. burgers stemmen op vertegenwoordigers die hun belangen behartigen in de politieke besluitvorming. Deze hebben de meeste landen in de wereld

23 §1: Wat is politiek? Wat kan je zelf doen: Een politieke partij: (lid worden, oprichten) 1.Heeft ideeën over alle belangrijkste beleidsterreinen (programma) 2.Stelt kandidaten bij verkiezingen 3.Ze komen op voor het algemeen belang Een pressiegroep: 1.Heeft ideeën over enkele belangrijke beleidsterreinen 2.Stelt zich NIET verkiesbaar 3.Probeert de politiek te beïnvloeden

24 §2: Op wie ga jij stemmen? Links: Gelijkheid/ gelijkwaardigheid Actieve overheid/ grote rol voor de staat. komen op voor mensen met een zwakke positie in de samenleving Partijen met progressieve uitgangspunten. Meestal richting socialisme Rechts: Vrijheid Passieve overheid/ beperkte rol voor de staat economische vrijheid partijen met conservatieve uitgangspunten Meestal richting liberaal Midden: Naastenliefde (elkaar helpen) hechten veel waarde aan het gezin beperkte rol voor de staat conservatieve uitgangspunten Christelijke normen en waarden Midden

25 Passief kiesrecht: -Gekozen kunnen worden als lid van de Tweede Kamer en de andere volksvertegen- woordigende lichamen: verkiesbaar stellen Actief kiesrecht: -Nederlanders van 18 jaar en ouder met Nederlands paspoort hebben het recht om te stemmen §2: Op wie ga jij stemmen?

26 Eens per 4 jaar stemmen voor Deze politieke organen: -Tweede kamer -Provinciale Staten -Gemeenteraad Eens per 5 jaar stemmen voor: -Europees Parlement

27 Lijsttrekker: de hoogst geplaatste persoon op de kandidatenlijst van een politieke partij bij verkiezingen. De belangrijkste persoon van de partij in de verkiezingsstrijd. Zwevende kiezers: Groep kiezers die bij verkiezingen niet steeds op dezelfde politieke partij stemt. §2: Op wie ga jij stemmen?

28 Nooit eens: - nooit een partij met meer dan de helft van de stemmen uit Nederland - dus moeten ze samenwerken - hebben wel een andere mening: Compromissen: afspraken waarbij alle partijen een beetje toegeven. §2: Op wie ga jij stemmen?

29 Partijen in de 2 e kamer op volgorde van aantal zetels: §2: Op wie ga jij stemmen?

30 Partijen in de 2 e kamer: links §2: Op wie ga jij stemmen? -Meest links. Komt op voor belangen arme mensen. Goede uitkeringen! Rijken meer belasting betalen. Goedkope gezondheidszorg. -Komt op voor milieu. Ongelijkheid tussen mensen tegengaan. Gratis kinderopvang/ meer vrouwen werken. Schone energie gebruiken. Kraamverlof voor vaders. Geen koningshuis meer. -Komt op voor belangen van dieren. Rechten van het dier opnemen in grondwet. Dierenmishandeling streng straffen. Einde aan dierproeven. Verbod gebruik dieren in reclame/films -Overheid zorgt vooral voorvoldoende werkgelegenheid. - Door ziekte, handicap of ouderdom niet werken: overheid geeft uitkering! Tot 27 jaar werk/leerplicht. Geld aan bedrijven voor langdurig werklozen. Discriminatie bij bedrijf = boete!

31 Partijen in de 2 e kamer: Midden §2: Op wie ga jij stemmen? -Protestants/christelijk. Hulp aan vluchtelingen in ons land. Geen abortus en euthanasie. God beslist. Zuinig zijn op de aarde (is van god), kinderbijslag aan gezin met kinderen. Alcohol en drugsgebruik streng aanpakken. -Democratie vernieuwen. Meer macht voor burgers. Meer geld voor onderwijs. Soepel ontslagrecht. Kiezen burgemeester en minister president. Gevangenisstraf = taakstraf. Meer eu. -Christelijke partij. Mensen moeten voor elkaar zorgen. In noodgevallen helpt de overheid. Overheid niet bemoeien met opvoeding kinderen. Maatschappelijke stage jongeren verplicht. Altijd hulp geven aan ontwikkelingslanden.

32 Partijen in de 2 e kamer: Rechts §2: Op wie ga jij stemmen? -Vrijheid belangrijkst! Meer wegen aanleggen ivm files, werkgevers vrijheid geven (zoals makkelijk ontslaan). Meer geld voor politie. -Gereformeerde partij. Regeren volgens de bijbel. Mensen beschermen, verder niet mee bemoeien. Abortus en euthanasie en homohuwelijk verboden. Moord = doodstraf. -Harde uitspraken over Islam. Mensen zelf verantwoordelijke voor hun gedrag, iedereen aanpassen aan regels van dit land. Ook ander geloof/cultuur. Zo niet: Hoge straf. Na 3 geweldsmisdrijven: levenslang. Weinig immigranten toelaten.

33 Opgave 10. pagina 51 Nr:EENSONEENS

34 Christen-democratie: -Zit tussen links en rechts in -Naastenliefde -hechten veel waarde aan het gezin en Christelijke normen en waarden  -Geloof -Bijbel schrijft voor hoe de mens zich dient te gedragen §3: politieke stromingen

35 Liberalen: - Vrijheid als het ideaal -Economische vrijheid -Persoonlijke vrijheid - De ontwikkeling van het individu staat voorop. - Het individu is verantwoordelijk voor het inrichten van zijn leven. -Overheidsbemoeienis moet hierbij minimaal zijn. §3: politieke stromingen Politiek midden

36 Socialisme / Sociaal- democratie -Gelijkheid / solidariteit de belangrijkste waarden -de staat moet het verschil in economische macht, dus arm en rijk, voorkomen. -voor een eerlijke samenleving met gelijke kansen -Veel overheidsbemoeienis om sociale en maatschappelijke problemen op te lossen -sterke antipathie voor een (te) vrije markt. §3: politieke stromingen Politiek midden

37 Niet alle partijen horen bij een stroming. -D66: liberaal én sociale uitgangspunten -PVV: is rechts, maar wil net als SP goede ouderenzorg. -CU en SGP: beide chrisen-democratisch maar SGP veel rechtser (en strenger). -Partij voor de Dieren: heeft maar 1 onderwerp = one-issue-partij §3: politieke stromingen

38 Progressief: -is een politieke stroming gebaseerd op progressie -Vooruitgang, toenemend, vooruitgaand, zich uitbreidend -Hoort meestal bij de links/sociaal-democratische denkwijze Conservatief: -is een politieke stroming die zich grondvest op de traditie. -Latijnse conservare, dat "in ongeschonden toestand bewaren" betekent. -Weinig verandering, het oude in takt willen houden -Hoort meestal bij de rechtse/liberale en Christen=democratische visie §3: politieke stromingen

39

40 Fascisme: -Heeft zeer nationalistische en autoritaire beginselen. -Keert zich tegen vrijheid, gelijkheid en tolerantie -Voelen bedreigd door maatschappelijke veranderingen en ‘vreemde groepen’ -Verering eigen natie en volk -Agressieve rassenleer §3: politieke stromingen Communisme: -een extreme vorm van socialisme -Gelijkheid staat centraal -productiefactoren beheerd door de staat. -Particuliere eigendom is niet toegestaan.

41 Communisme LiberalismeSocialisme RechtsLinks Fascisme Christendemocratie Politiek midden

42 Grondwet: Wet waarin de belangrijkste rechten en plichten van alle inwoners in een land zijn vastgelegd. alle andere wetten zijn hierop gebaseerd. Wat staat er o.a. in de grondwet: 1.Algemeen kiesrecht 2.Regelmatige verkiezingen 3.Vrijheid van meningsuiting 4.Vrijheid van vereniging en vergadering 5.Machtenscheiding (triaspolitica) 6.Persvrijheid 7.Recht om politieke partij op te richten 8.Recht op gelijke behandeling 9.Recht om niet zomaar door de politie te worden opgepakt. §4: De grondwet

43 Rechten: 1.Algemeen kiesrecht 2.Recht om politieke partij op te richten 3.Recht op gelijke behandeling 4.Recht om niet zomaar door de politie te worden opgepakt. Plichten: 1.Plicht om belasting te betalen 2.Plicht om naar school te gaan. Leerplicht 3.Plicht om je id bij te hebben §4: De grondwet

44 Rechtsstaat: een land waarin bewoners en overheid rechten hebben en waar deze rechten zijn vastgelegd in wetten. Triaspolitica (machtenscheiding) Door deze taakverdeling voorkomen we machtsmisbruik. Hierdoor heeft dus nooit één groep alle macht. Wetgevendmacht: Uitvoerendemacht: Rechterlijkemacht: §4: de gondwet 1e en 2e kamer beslissen over de wetsvoorstellen ministers (en ambtenaren zoals de politie) voeren de wet uit de rechters oordelen in specifieke situaties of er volgens de wet is gehandeld.

45 §5: Wie bestuurt Nederland? Tweede Kamer Eerste Kamer parlement Staten-Generaal Kabinet Koningin Volksvertegenw oordiging Ministers Staatssecretarissen Regering Ministerraad Premier Ministeries Ong. 15 Direct gekozen Indirect gekozen

46 Kabinet StaatssecretarissenKoninginMinisters RegeringMinisterraad Premier: leider kabinet (minister president) Ministeries: gespecialiseerde beleidsterreinen Ong. 11 §5: Wie bestuurt Nederland?

47 Tweede KamerEerste Kamer Parlement (ookwel: Staten-Generaal of Volksvertegenwoordiging) Direct gekozenIndirect gekozen §5: Wie bestuurt Nederland?

48

49 Ministers: maken de wetten. Iedere minister houdt zich bezig met een deel van onze samenleving. –Bvb: Landbouw,Veiligheid,Milieu,Economie,… -Staatssecretarissen: soort onderminister. Verantwoordelijk voor deel van takenpakket minister. -Minister president/ premier: leider van het kabinet. Samen: het kabinet.

50

51

52 §5: Wie bestuurt Nederland? De (nieuwe) regering noteert de belangrijkste plannen voor komende 4 jaar in een regeerakkoord. Ook de compromissen.

53 Wat doet de koningin? -Zet handtekening onder alle wetten -Leest de troonrede voor -Overlegt met de minister president -Vertegenwoordigt ons land in het buitenland -Helpt ná de verkiezingen met het vormen van de nieuwe regering §5: Wie bestuurt Nederland?

54 Parlement: Tweede kamer: 150 leden + Eerste kamer: 75 leden §6: Het parlement Parlement: 1 e & 2 e Kamer Vraagt toestemming voor plannen aan Controleert de regering. Regering: Kroon + Ministers

55 Kiesdeler - Aantal geldig uitgebrachte stemmen 150 zetels -Voorbeeld: geldig uitgebrachte stemmen dan is de kiesdeler: /150 = stemmen voor 1 zetel nodig. §6: Het parlement 1 zetel

56 Wat doet het Parlement -Controleren van de regering/ministers -Wetgeving Aantal rechten van kamerleden: -Vragenrecht = eens per week vragen stellen aan ministers -Interpellatie = vragen in een spoeddebat -Amendement = bij meerderheid veranderingen aanbrengen in wetsvoorstellen -Initiatief = wetsontwerp indienen -Moties = bijvoorbeeld een motie van wantrouwen aannemen -Begrotingsrecht (goedkeuren) §6: Het parlement

57 Coalitieregering: Regering die uit meerdere partijen bestaat. Regeringspartijen: Heeft leden In het parlement én in de regering (de meerderheid zelfs) Oppositiepartijen: Heeft leden in het parlement Let op regering + stelt dingen voor §6: het parlement

58 Huidige regeringspartijen: Huidige oppositiepartijen: §6: het parlement

59 59 Van wetsontwerp naar wet: 1.Regering maakt wetsontwerp  2.Zendt ontwerp naar Tweede Kamer fractiespecialisten bekijken het, kunnen punten wijzigen, stellen vragen aan de minister: debateren. Daarna geeft voltallige Tweede Kamer het oordeel over het wetsontwerp  3.Meerderheid Tweede Kamer voor  gaat naar Eerste kamer Mag géén wijzigingen meer aannemen, bekijkt het nog eens goed, zegt: “ja” of “nee” (bijna altijd; “ja”) 4. Betreffende minister + koningin zetten handtekening onder de wet 5. Wet komt in de Staatscourant §6: Het Parlement

60

61 DictatuurDemocratie - Cuba (Fidel Castro)- Nederland - 1 persoon/groep/familie/partij - Volksvertegenwoordiging militairen aan de macht - Tegenovergestelde van democratie - Grondwet geldt niet- Grondwet met basisrechten - Fraude bij verkiezingen- Geheime/vrije verkiezingen - Geen gelijke rechten - Gelijke rechten voor iedereen - Burgers onderdrukt- Burgers recht op vrijheid - Censuur- Persvrijheid - Niet je mening uiten- Vrijheid van meningsuiting - Manipulatie/indoctrinatie - Indirecte democratie - Onderdrukking onderdanen- burgers - Nooit een rechtsstaat- rechtsstaat - Rechters niet onafhankelijk- trias politica - Heerst veel angst- leven in vrijheid §7: Landen zonder democratie

62 -Bij dictatuur GEEN volksvertegenwoordiging: de gekozen politici, die namens ons beslissingen nemen en stemmen over wetsvoorstellen -WEL Censuur: controle op informatie door de overheid (Bijvoorbeeld in een dictatuur niets negatiefs over het land schrijven. Dan wordt het niet in de krant gezet én je hebt kans om opgepakt te worden.) -Dus Geen Persvrijheid: de massamedia is onafhankelijk. Ze hoeven niet te schrijven wat de overheid wil, dus de overheid mag niet vertellen wat ze wel of niet mogen schrijven. -Veel Manipulatie: met opzet feiten weglaten of veranderen -En Indoctrinatie: voortdurend opdringen van bepaalde meningen (met behulp van zeer intensieve psychologische middeltjes) §7: Landen zonder democratie

63 Gemeente: 4 jaar stemmen  gemeenteraad Taken liggen dichter bij huis -Bestemmingsplannen -Verkeer -Openbaar vervoer -Woonerven -Sport en onderwijsvoorzieningen -Horeca vergunningen §8: politiek in de buurt

64 Het college van B&W: -College van Burgemeester en Wethouders. -Voert het beleid uit. -Worden benoemd door de gemeenteraad. Gemeenteraad: -neemt besluiten -controleert het college van B&W. -Wordt gekozen door de bevolking. De burgemeester: -is voorzitter van de gemeenteraad en College van B&W. -Wordt benoemd door de regering. §8: politiek in de buurt

65 Burgemeester Gemeenteraad (9 tot 45 leden) Wethouders (2-9) College van B en W Benoemd door regering Dagelijks bestuur: Benoemd door GR Géén lid GR Gekozen door de bevolking §10: politiek in de buurt

66 EU: Europese Unie -Eigen munteenheid (€) -Zorgt voor vrede -Meer concurrentie in europa -Vooral ecnomische belang -Eens per 5 jaar gekozen §9: politiek ver weg

67 EU: Europese Unie: nadelen -De Nederlandse regering kan niet alles zelf beslissen -NEderlandse burger hebben minder invloed op besluiten van de EU (dan van onze nationale regering) §9: politiek ver weg

68 Er zijn drie instellingen die samen het bestuur van de Europese Unie vormen: Europese Commissie Europees Parlement Raad van Ministers §9: politiek ver weg

69 Europese Commissie: - het 'dagelijks bestuur‘ - initiatief tot voorstellen voor wetgeving en maatregelen op Europees niveau - zorgt voor uitvoering van de wetten §9: politiek ver weg

70 Het Europees Parlement -Eens per 5 jaar gekozen -Zorgt ervoor dat wetten democratisch tot stand komen. -Adviseert of beslist over de wetsvoorstellen. -Beslist over de toetreding van nieuwe landen. -Controle over de Europese Commissie. §11: politiek ver weg

71 Raad van Ministers -de ministers van de afzonderlijke lidstaten nemen de uiteindelijke beslissing over de wetgeving in de Unie. -Overleggen met regeringsleiders (euro-top) -Luisteren naar voorstellen van de Commissie en het advies van het Europees Parlement. §11: politiek ver weg

72 Leden van de EU: §9: politiek ver weg

73

74 Verenigde Naties (VN) -Bijna alle landen van de wereld zijn er lid van -Doel: komende generaties behoeden voor oorlog -Door internationale vrede en veiligheid te handhaven -Samen werken bij natuurrampen, oorlog, hongersnood en armoed -Respect bevorderen van mensenrechten vlag VN: §9: politiek ver weg

75 Bestuur van de Verenigde Naties (VN) Er zijn zes bestuursorganen die de werkzaamheden van de organisatie aansturen: 1.de Algemene Vergadering 2. de Economische en Sociale Raad 3.het Internationaal Gerechtshof 4.het Secretariaat 5.de Trustschapsraad (tegenwoordig inactief) 6.De Veiligheidsraad §9: politiek ver weg

76 Taken: -Van september tot december bespreken ze de problemen in de wereld -Soms komt er een resolutie. Dat is een soort niet bindende wetgeving -Ze kunnen voorstellen om een land te boycotten -En ze kunnen militairen sturen naar een gebied (zoals de Nederlandse Blauwhelmen) §9: politiek ver weg

77 Succes! Heb je een 8 of hoger? Dan krijg je iets lekkers van mij….


Download ppt "1 Wat is maatschappijleer (h1) & Politiek (h3). §1: Wat leer je bij maatschappijleer Wat is een maatschappelijk probleem? Veel mensen hebben er mee te."

Verwante presentaties


Ads door Google