De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

Valpreventie Stuyck Kim Referentiepersoon Valpreventie.

Verwante presentaties


Presentatie over: "Valpreventie Stuyck Kim Referentiepersoon Valpreventie."— Transcript van de presentatie:

1 Valpreventie Stuyck Kim Referentiepersoon Valpreventie

2 Informatie over valproblematiek
Incidentie 1 op 3 65-plussers valt min. 1x/jaar Valrisico stijgt met de leeftijd: 75-plussers → 32-42% 10 tot 31% van de ouderen valt twee of meerdere keren per jaar Mensen met een spierziekte vallen 10x meer 95% van de valpartijen gebeurt bij dagelijkse activiteiten 70% van de valincidenten gebeurt in en rond de woonst (Allen, 2010; Baldwin, 1996; Masud, 2001; Milisen, 2004; NVKG richtlijn, 2004; Tideiksaar, 1989; Tinetti, 2003) Studies over alleenstaande ouderen tonen aan dat +/- 1 op de drie thuiswonende 65-plussers minimum 1x per jaar valt. Dit valrisico stijgt met de leeftijd. Hoe ouder men wordt, hoe groter het risico op vallen. Deze percentages liggen waarschijnlijk nog hoger, want slechts 1 vijfde van de valincidenten wordt aan de huisarts gemeld. Men onderschat vaak de ernst van een val. Soms wordt een val, of frequent vallen bewust verzwegen uit angst hun zelfstandigheid te verliezen. Eerlijk uitkomen voor een valpartij of regelmatig vallen zorgt voor ongerustheid in de omgeving, wat evt kan resulteren in meer controle of zelfs opname… De meeste valincidenten gebeuren tijdens gewone dagelijkse activiteiten en in de eigen omgeving.

3 Informatie over valproblematiek
Fysieke gevolgen Geen letsel: +/- 55% Klein letsel: +/- 30% van de valincidenten Vbn: verstuiking, snijwonde, weefselbeschadiging Ernstig letsel: 10-15% Vbn: heupfracturen (1-2%), andere fracturen (3-5%), letsels van weke delen en hoofdtrauma (5%) (Masud, 2001; Milisen, 2004; NVKG richtlijn, 2004; Tinetti, 2003) +/- de helft van de vallers heeft geen letsel. 1/3de van de vallers heeft een klein letsel zoals blauwe plekken, een schaafwonde,… Onder ernstige letsels worden o.a. de fracturen en de hoofdtrauma’s bedoeld. Zelfs als een val geen lichamelijk letsel veroorzaakte, blijkt dat personen die lang blijven liggen bij een val, de mortaliteit hoger ligt dan bij personen die onmiddellijk kunnen rechtstaan of geholpen worden.

4 Informatie over valproblematiek
Psychosociale gevolgen Valangst (zowel bij vallers als niet-vallers): 20 tot 85% Geassocieerd vermijden van activiteiten: 15-55% → verminderde mobiliteit → sociale isolatie → depressie → verhoogd valrisico (AGS, 2010; Milisen, 2004; Tinetti, 2003; Zijlstra, 2007; Zijlstra 2009) Afhankelijk van o.a. de leeftijd is 20 tot 85% van de mensen bang om te vallen, ongeacht of er een val in het verleden is geweest of niet. Valangst is een soort ‘verlamming’ om bepaalde activiteiten nog te doen, maar er fysiek nog wel toe in staat zijn. Een deel van de mensen met valangst vermijdt activiteiten, wat kan leiden tot: verminderde mobiliteit, sociale isolatie, depressie -> dit ten gevolge van het verlies aan zelfvertrouwen en het verlies aan zelfstandigheid. en een verhoogd valrisico. Dit kan leiden tot een vicieuze cirkel in negatieve zin. Het is heel belangrijk om uit deze cirkel te blijven. Men moet actief blijven, maar ook zijn eigen mogelijkheden en beperkingen kunnen inschatten.

5 Informatie over valproblematiek
Toegenomen kans op overlijden Onvrijwillig letsel = 5de doodsoorzaak bij 75-plussers Valincidenten belangrijkste oorzaak van onvrijwillig letsel Gevolgen van heupfractuur 20% immobiel Slechts 14-21% herwint volledige ADL-zelfstandigheid 25-33% sterft binnen het jaar toegenomen sterfterisico blijft behouden tot 10 à 15 jaar na de heupfractuur (AGS, 2010; Haentjens, 2010; Kannus, 2005; Masud, 2001; Tinetti, 2003) Vnl ouderen, 65+ers die gevallen zijn, hebben een toegenomen kans op overlijden.

6 Informatie over valproblematiek
Economische gevolgen Valgeschiedenis (al dan niet met letsels) ~ 2-3 keer meer kans voor opname in rusthuis, RVT, woonzorgcentrum Ziekenhuisopname t.g.v. vallen is 6x hoger vanaf 65 jaar 44% van de kosten t.g.v. ongevallen bij ouderen is te wijten aan valincidenten Heupfracturen vormen hiervan de grootste kost Slechts 19% van de kosten veroorzaakt door auto ongevallen Heupfractuurpatiënten: bijkomende kost van € € in het jaar volgend op de fractuur in vergelijking met patiënten zonder heupfractuur 50% hospitalisatiekosten 50% andere kosten 31% verblijf in verpleeghuis 31% verblijf in revalidatiecentrum 16% heropname in het ziekenhuis 14% kinesitherapeutische thuisbehandelingen (Dejaeger, 2008; Englander, 1996; Haentjens, 2001, 2005; Masud, 2001; Meerding, 2006; Seematter-Bagnaud, 2006)

7 Valpreventie A. Case finding Verhoogd valrisico:
Na een acuut valincident (= reden voor bezoek huisarts) OF 2 of meerdere keren gevallen tijdens het afgelopen jaar loop- en/of evenwichtsproblemen (klinisch oordeel, eventueel te objectiveren met Timed Up & Go Test) 1 keer gevallen in afgelopen jaar EN loop- en/of evenwichtsproblemen (klinisch oordeel, eventueel te objectiveren met Timed Up & Go Test) (AGS, 2010; Baldwin, 1993; Ganz, 2007; NICE guideline 2004; NVKG richtlijn 2004; Tideiksaar, 1989; Tinetti, 2010)

8 Valpreventie A. Case finding
Aandachtspunten bij het bevragen van de valgeschiedenis Screenende vragen “Bent u gevallen in het afgelopen jaar?” “Hoe vaak?” Valincident = een onverwachte gebeurtenis waarbij men op de grond, vloer of lager gelegen niveau terecht komt (Ganz, 2007; Lamb, 2005; Zecevic, 2006)

9 Valpreventie A. Case finding
Timed Up & Go test: objectiveren van loop en/of evenwichtsproblemen Test is positief indien ≥ 14 seconden OF Ongelijkmatig/onevenwichtig gangpatroon Omwille van cognitieve of fysieke redenen niet in staat de test uit te voeren (Large, 2006 ; Podsiadlo, 1991)

10 Valpreventie B. Multifactoriële evaluatie (ME) Valanamnese
Evaluatie van 7 valrisicofactoren Bijkomend onderzoek bij aanwijzingen voor volgende pathologieën Cardiale (bv. sick sinus syndroom) Neurologische (bv. ziekte van Parkinson, CVA) Orthopedische (bv. gonartrose, spinaal kanaal stenose) Naast de 7 risicofactoren zijn er nog andere risicofactoren. Als uit de algemene anamnese, antecedenten of klinisch onderzoek blijkt dat er aanwijzingen zijn voor cardiale , neurologische of orthoêdische pathologieën, dient de huisarts naast de evaluatie van de risicofactoren een bijkomend onderzoek te verrichten.

11 Valpreventie B. ME: valanamnese Prodromen Activiteit Oorzaak/gevolg
“Heeft u het voelen aankomen?” Activiteit “Wat was u aan het doen?” Oorzaak/gevolg “Bent u bewusteloos geweest?” Locatie “Waar bent u gevallen?” Tijdstip “Op welk tijdstip bent u gevallen?” Gevolgen “Heeft u letsels opgelopen t.g.v. het vallen?” Een valanamnese geeft meer inzicht in de… die gerelateerd zijn aan de valincidenten die men heeft meegemaakt. Wat was u aan het doen -> onveilig gedrag? Bent u zelf kunnen rechtkomen? ->interventie PAS of leren rechtkomen na een val. Waar bent u gevallen? ->is deze locatie veilig?

12 Valpreventie B. ME: Evenwicht, spierkracht, en mobiliteit
Evaluatie van het evenwicht Four test balance scale (Gardner, 2001; Rossiter-Fornoff, 1995) Functional reach test (Duncan, 1992) Evaluatie van de spierkracht Timed chair-stand test (Guralnik, 1995) Test handknijpkracht (Bautmans, 2009; Bautmans, 2005; Desrosiers, 1995a; Desrosiers, 1995b; Merkies, 2000) Evaluatie van de mobiliteit Timed Up & Go test (Large, 2006 ; Podsiadlo, 1991)

13 Valpreventie B. ME: Medicatie
Aantal geneesmiddelen (voor en niet voorgeschreven) ≥ 4 geneesmiddelen = polyfarmacie Risicovolle medicatie Sedativa, vnl. benzodiazepines Antidepressiva, vnl. de tricyclische antidepressiva en de SSRI’s Antipsychotica, vnl. de klassieke antipsychotica Anti-epileptica Antihypertensiva Diuretica Digoxine Type IA antiaritmica (AGS, 2010; Arfken, 2001; Ensrud, 2002; Hartikainen, 2007; Leipzig, 1999a&b; Tinetti, 2003; Tinetti, 2008; Woolcott, 2009) Vaak worden meerdere geneesmiddelen ingenomen. Hierdoor kan een onderlinge interactie ontstaan die een verhoogd risico op vallen met zich mee brengt. Bovendien hebben bepaalde geneesmiddelen een grotere impact op het valrisico en kunnen ze gezien worden als risicovolle geneesmiddelen. Tenslotte kan de werking en de klaring van geneesmiddelen gewijzigd zijn, onder meer door nierfalen, leverfalen, veranderde lichaamsconstitutieen een gewijzigd albuminegehalte in het bloed. Het is dus belangrijk om het medicatieschema en het medicatiegebruik kritisch te evalueren in het kader van verantwoord gebruik.

14 Valpreventie B. ME: Medicatie Correct gebruik van geneesmiddelen
Tijdstip, dosis, hulmiddelen zoals weekplanner, …

15 Valpreventie B. ME: orthostatische hypotensie
Screenende vragen naar symptomen: “Heeft u soms last van duizeligheid/draaierigheid?” “Heeft u dit bij het rechtstaan uit bed, stoel of zetel, bij het bukken?” Klinische vaststelling Orthostatische hypotensie: bloeddrukdaling van liggende naar staande houding, onmiddellijk of na 3 minuten: Systolisch: ≥ 20 mmHg OF Diastolisch: ≥ 10 mmHg OF Systolische bloeddruk daalt tot ≤ 90mmHg Test Posturaal orthostatisch tachycardie syndroom: polsslagstijging van liggende naar staande houding, onmiddellijk of na 5 minuten: Excessieve stijging (≥ 30 slagen/min.) Hartritme ≥ 120 slagen/min. Falen van respons hartritme is suggestief voor autonoom falen, hartslag reducerende medicatie, of chonotrope incompetentie (Gupta, 2007; Irvin, 2004; Ooi, 1997; Parry, 2010; Robertson, 1996; Rushing, 2005; The consensus committee of the AAS and the AAN, 1996) Personen die last hebben van duizeligheid of draaierigheid, of bij wie de bloeddruk te veel daalt bij het rechtkomen of na het eten, lopen een verhoogd risico op een valincident. Evaluatie van deze risicofactor gebeurt bij voorkeur door een verpleegkundige of een arts. Waarschijnlijk is een deel van de onverklaarde valincidenten het gevolg van een syncope. Dat vraagt dan verder onderzoek.

16 Valpreventie B. ME: zicht Screenende vragen
“Heeft u moeilijkheden bij het lezen, autorijden of tv kijken?” “Is uw laatste bezoek aan de oogarts langer dan een jaar geleden?” Evalueer of men last heeft bij het gebruik van bifocale of multifocale brilglazen Evaluatie gezichtsscherpte: lineaire E-test (Lord, 2001, 2006) Visusproblemen hebben een negatief effect op de posturale controle. Verschillende problemen met het zicht, zoals een verminderde diepteperceptie en contrastgevoeligheid, houden een verhoogd valrisico in. Het zicht kan in eerste instantie geëvalueerd worden aan de hand van een aantal screenende vragen of de lineaire E-test.

17 Valpreventie B. ME: voeten en schoeisel Voetproblemen
Eeltknobbels, standsafwijkingen zoals platvoet of holvoet, teenafwijkingen, ingegroeide nagels, blaren, zweren, amputatie van tenen, drukpunten, open wonden of diabetes met vermoeden van aantasting diepe gevoeligheid Risicohoudend schoeisel Onvast (bv. teenslippers of crocs) Open aan de achterkant (bv. pantoffels, teenslippers) Hoge hak (hoger dan 2,5 cm) Te gladde zool of antislipzool die te veel hecht aan de vloer Punt te smal (bv. klassieke herenschoen) Te dikke en zachte middenzool of geen zool (bv. crocs, sommige sportschoenen) Geen schoenen (op blote voeten of (antislip)kousen) (Borgions, 2008; Burns, 2002; Chari, 2009; Horgan, 2009; Menant, 2008; Menz,1999; Menz, 2006; NVKG richtlijn 2004; Robbins, 1994; Tencer, 2004; Tinetti, 1988)

18 B. ME: omgeving en gedrag
Valpreventie B. ME: omgeving en gedrag Klinische indruk Hulpmiddel BOEBS-checklist (Feldman, 2008; Johnson, 2001; Lord, 2006; Stalenhoef, 1998)

19 Valpreventie B. ME: omgeving en gedrag


Download ppt "Valpreventie Stuyck Kim Referentiepersoon Valpreventie."

Verwante presentaties


Ads door Google