De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

AFP 5 Onderwijsbijeenkomst 10; Autismespectrumstoornis

Verwante presentaties


Presentatie over: "AFP 5 Onderwijsbijeenkomst 10; Autismespectrumstoornis"— Transcript van de presentatie:

1 AFP 5 Onderwijsbijeenkomst 10; Autismespectrumstoornis
Marloes van den Broek juni, 2018 Fontys Hogeschool Mens en Gezondheid

2 Leerdoelen De student:
kan de veranderingen in de DSM 5 ten opzichte van de DSM-IV aangeven. kan de beperkingen in de sociale communicatie en interactie en het repetitief gedrag en specifieke interesses benoemen. heeft zicht op het ontstaan en behandelen autisme (leer theoretische, cognitieve en biologische verklarings- en behandelingsmodellen) kan de begrippen centrale coherentie, executieve functies en Theory of mind uitleggen.

3 DSM IV en V Wat zijn de verschillen in de DSM IV en DSM V ten aanzien van het autismespectrum?

4 Autismespectrumstoornissen
Klassiek autisme PDD-NOS Asperger In DSM-5 ontbreken de ASS-subtypen, omdat is gebleken dat het onderscheid tussen de DSM-IV-classificaties klassiek autisme, syndroom van Asperger en PDD-NOS niet betrouwbaar kan worden vastgesteld en omdat deze ook geen voorspellende waarde hebben voor de langetermijnprognose. De classificatiecriteria van ASS zijn bovendien teruggebracht van gedragssymptomen in drie verschillende domeinen (beperkingen in de sociale interactie, een gestoorde communicatie, en zich herhalende stereotiepe patronen van gedrag, belangstelling en activiteiten) naar twee domeinen: 1) tekorten in de sociale communicatie en interactie en 2) beperkte, repetitieve patronen van gedrag, interesses of activiteiten. Hoewel er nog maar 1 diagnose ASS is, geeft de DSM-5 wel de mogelijkheid om de aanzienlijk individuele verschillen binnen het spectrum te beschrijven. Dit gebeurt door verschillen in ernst aan te geven op basis van de ondersteuning die iemand nodig heeft: Ernstniveau 1: ondersteuning vereist  symptomen brengen merkbare beperkingen met zich mee, die echter met goede ondersteuning grotendeels kunnen worden ondervangen. Ernstniveau 2: substantiële ondersteuning vereist  beperkingen blijven duidelijk zichtbaar, ook al is er sprake van ondersteuning. Ernstniveau 3: zeer substantiële ondersteuning vereist  autisme is zo ernstig dat het functioneren op alle levensgebieden ernstig beperkt is en er langdurige en intensieve begeleiding en/of behandeling nodig is. NB. In tegenstelling tot DSM-IV is het bij DSM-5 ook mogelijk om een ‘dubbeldiagnose’ te stellen; bijv autisme icm ADHD. NB2. De DSM-5 criteria zijn strenger dan die van DSM-IV; er moet aan meer criteria worden voldaan. NB3. ASS is in principe een ontwikkelingsstoornis. Toch kan het zo zijn dat symptomen pas gaan opvallen als de sociale eisen toenemen en de beperkte capaciteit wordt overschreden.  diagnose mag dan nog gesteld worden. Autismespectrumstoornissen

5 DSM; AUTISMESPECTRUMSTOORNIS pervasieve ontwikkelstoornis
DSM IV 3 domeinen: Beperkingen in sociale interactie Beperkingen in communicatie Stereotiepe patronen van gedrag DSM V 2 domeinen Beperkingen in de sociale communicatie en interactie Repetitief gedrag en specifieke interesses Terug naar 2 domeinen. Toegevoegd bij repetitief gedrag is hypo- of hyper gevoeligheid voor zintuiglijke prikkels. Verschillen op basis van ernst en mate van ondersteuning.

6

7 De regels van Matthijs Welke aspecten van autisme herken je vanuit je zelfstudie? Welke verpleegkundige vaardigheden zijn belangrijk als je iemand met ASS begeleidt? Beschik jij over die vaardigheden? Eerste 11/12 minuten – Orde in Chaos inconsequent, letterlijk nemen Hoogbegaafd Controle over alles wat je niet begrijpt. Eigen wereld. Controleverlies wanneer de controle weggaat bv. uitzetting huis De regels van Matthijs

8 Oorzaken De verbindingen tussen de hersengebieden zijn hetzelfde, maar het verwerken van de informatie lijkt meer tijd te kosten Genetica (niet een gen, maar meerdere genen)

9 Verklaringsmodellen Theory of mind Centrale coherentie
Executieve functies Contextblindheid Centrale coherentie Vermogen om anderen te begrijpen Onderscheid tussen doen alsof en realiteit Rekening houden met gedachtes en emoties van anderen Ontwikkelen van taal om hierover te kunnen communiceren Theory of mind Hogere controlefuncties van de hersenen die nodig zijn om: acties te plannen problemen doelgericht op te lossen Executieve functies

10 Sally and Ann TOM (Baron-Cohen, Leslie & Frith, 1985)

11 Kenmerken autismespectrumstoornis
Beperkingen in de sociale communicatie en interactie Expressieve communicatie (het uiten) Ongepaste lichaamstaal, gezichtsuitdrukkingen, gebaren Vermijden oogcontact Receptieve communicatie (het begrijpen) Letterlijk nemen van uitdrukkingen/beeldspraak Ironie, humor, sarcasme worden niet herkend Bepaalde uitspraken niet begrijpen De spraak Niet of vertraagd spreken Abnormale toon Herhalen van woorden of zinnen Fragmentarisch denken Afzonderlijk waarnemen, geen verbanden kunnen leggen Sociale contacten Moeite met het leggen van sociale contacten Gebrek aan interesse in anderen of het delen van interesse Weerstand tegen aanraking Aan bod moeten onderstaande beperkingen komen; Expressieve communicatie (het uiten) : onder andere het gebruiken van ongepaste lichaamstaal, gezichtsuitdrukkingen of gebaren en het vermijden van oogcontact. De receptieve communicatie (het begrijpen) : letterlijk nemen van uitdrukkingen/beeldspraak. Ironie, humor en sarcasme worden niet herkent, bepaalde uitspraken niet begrijpen.  zwakke centrale coherentie De spraak: niet, of vertraagd spreken, abnormale toon, herhalen van woorden of zinnen (echolalie). Fragmentarisch denken: wel afzonderlijke onderdelen waarnemen maar geen verbanden kunnen leggen (waarnemingen komen als puzzelstukjes binnen, veel moeite om de gehele puzzel te zien)  zwakke centrale coherentie Moeite met het leggen van sociale contacten: geen behoefte aan contact of moeite om contact te leggen. Starten/volhouden van een gesprek. Gebrek aan interesse: in andere mensen of in het delen van interesses. Weerstand tegen aanraking

12 Kenmerken autismespectrumstoornis (vervolg)
Repetitief gedrag en specifieke interesses Beweging Onhandigheid, abnormale houding, vreemd manieren van bewegen, herhaalde bewegingen (handen klappen, slingeren) Obsessieve gehechtheid Voorwerpen, onderwerpen, symbolen Routines Sterke structuur in dagprogramma Kleine verandering – grote stress Het draaien van objecten Bewegende onderdelen van speelgoed wasmachine Repetitief gedrag en specifieke interesses Beweging: onhandigheid, abnormale houding of vreemde manieren van bewegen, maar ook. Herhaalde bewegingen van het lichaam (met de handen klappen, slingeren, ronddraaien). Obsessieve gehechtheid: aan voorwerpen en onderwerpen en symbolen (sleutels, treinen, kaarten, sportstatistieken etc.). Een sterke behoefte aan routines: sterke structuur in het dagprogramma. Een kleine verandering hierin kan grote stress veroorzaken. Gefascineerd door het draaien van objecten: zoals bewegende onderdelen van speelgoed, wasmachine.

13 We gaan samen kijken naar het videofragment van Cees.
Videofragment Cees We gaan samen kijken naar het videofragment van Cees. Opdracht: Beschrijf de symptomen die je ziet bij Cees Koppel de symptomen aan de twee criteria uit de DSM: Beperkingen in de sociale communicatie en interactie. Repetitief gedrag en specifieke interesses Sociale communicatie en interactie: - Wederkerigheid: niet reageren op een vraag - Moeilijke sociale contacten - Bijzondere spraak - Uitspraken niet altijd correct Repetief gedrag en specifieke interesses: - Vaste routines en rituelen - Specifieke interesse in treinen Wanneer controle weggaat in chaotisch prikkels in het hoofd dan geagiteerd.

14 Subtypen volgens DSM IV
Klassiek autisme Kwalitatieve beperking interactie Kwalitatieve beperking in verbale en non-verbale communicatie Beperkte, zich herhalende stereotiepe patronen van gedrag, belangstelling en activiteiten waarbij sprake is van een stoornis in de verbeelding Classificatie: Vóór derde levensjaar achterstand of van een abnormaal functioneren op bovenstaande criteria Vaak laag IQ op verstandelijke beperking, maar hoeft niet zo te zijn. - sommige gevallen geen gesproken taal - Reageren vaak nauwelijks op ouders of andere personen als baby of peuter Sybtypen Lorna wing: de afzijdige groep, de passieve groep, de actieve maar bizarre groep.

15 Subtypen volgens DSM IV
SYNDROOM VAN ASPERGER Goed praten en leren Moeite taal te begrijpen Weinig invoelbaar Meer fantasie Grotere behoefte aan vriendschap en relaties Problemen sociale interactie Gemiddeld tot bovengemiddeld intelligent Voorbeeld: Ivo

16 Subtypen volgens DSM IV
PDD-NOS (Pervasive Developmental Disorder Not Otherwise Specified) Voldoen niet aan de criteria voor pervasieve ontwikkelingsstoornis, schizofrenie, schizo-typische persoonlijkheid- of ontwijkende persoonlijkheidsstoornis Voldoen niet aan criteria autistische stoornis omdat Het zich op latere leeftijd voordoet Te weinig symptomen bevat PDD-NOS = RESTCATEGORIE

17 Subtypen volgens Lorna Wing
De afzijdige groep (aloof) De passieve groep (passive) De actieve maar bizarre groep (active but odd)

18 Verstandelijke beperking en autisme
Begin vanaf Jeroen Jeroen + stukje jas aan en naar buiten! Het ABC-model De operante leertheorie gaat er vanuit dat je gedrag het beste kunt beïnvloeden door ofwel de stimulus (de oorzaak) aan te pakken ofwel de consequentie of beloning aan te passen. Het ABC-model is een model waarin je het probleemgedrag objectief analyseert. Dit doe je door onderscheid te maken tussen wat er vooraf gaat aan het gedrag, het feitelijke gedrag dat je kunt zien en welke gevolgen dit heeft. Door het probleemgedrag op deze manier te ontwarren, krijg je maximaal inzicht in de verandermogelijkheden. Je weet immers wat het gedrag veroorzaakt, op wat voor manier en hoe vaak het voorkomt en welke beloningen/consequenties er aan het gedrag verbonden zijn waardoor het in stand blijft. A: Antecedenten - Wat gaat er aan het gedrag vooraf? Waardoor wordt het uitgelokt? B: Behaviour - Om welk gedrag gaat het? C: Consequenties - Wat zijn de gevolgen van het gedrag? Zijn er versterkers voor het gedrag te zien? Wat is de functie ervan? Aanpak op basis van het ABC-model Voor veel probleemgedrag zal dit model afdoende zijn. Als een kind elke keer boos wordt (B) wanneer je zegt te willen vertrekken, kan het helpen om te zien dat het kind in zijn of haar eigen spel is verdiept (A) en daar ruw uit wordt gehaald wanneer je wil gaan. Een kind voorbereiden op het aanstaande vertrek is dan helpend. Als een kind de les steeds verstoort door grapjes te maken (B) waar de rest van de klas hard om moet lachen (C), dan volstaat vaak een gesprek met de klas om niet langer als benzine voor de motor van het 'lastige' kind te fungeren. Of als een kind steeds aandacht blijft vragen op momenten dat je eigenlijk ergens anders mee bezig bent (B), en dit in standhoudt door hem of haar steeds te corrigeren (C) (en zo toch de hele tijd, weliswaar negatief, met het kind bezig bent!). Door je eigen reactie op het gedrag van het kind te veranderen, haal je de beloning weg, waardoor het negatieve gedrag ook zal verminderen.

19 Competenties hulpverlener
Afstand nemen, eigen gezichtspunt loslaten om de wereld vanuit de ogen van persoon met ASS te bekijken Kijken naar de ander in relatie tot zichzelf (mogelijkheden, kwetsbaarheden) Betrokkenheid en distantie Structurerend vermogen Ethisch bewustzijn (agressie, begrenzen, structureren) Empowerment en zelfmanagement Distantie: weinig gebruik van wederkerigheid. Nodig om dit te zien en te begrijpen.

20 Begeleiding en behandeling
Gezinsbegeleiding Psycho-educatie Sociale vaardigheidstraining Medicatie gericht ondersteuning of verminderen gedragsproblemen CGT Psychotherapie Vaktherapieën Neurofeedback Mindfulness EMDR

21 Evaluatie

22 Literatuurlijst Baron-Cohen, S., Leslie, A.M., & Frith, U. (1985). Does the autistic child have a ‘theory of mind’? Cognition, 21 (1, 37-46) Clijsen, M., Garenfeld, W., Kuipers, G., van Loenen E., & van Piere, M. (2016). Leerboek psychiatrie voor verpleegkundigen (3e druk). Houten: Bohn Stafleu Van Loghum. Nevid, Jeffrey S. Rathus, Spencer A. & Green, B. (2012). Psychiatrie in de verpleegkunde (8e druk). Amsterdam: Pearson Education Benelux.


Download ppt "AFP 5 Onderwijsbijeenkomst 10; Autismespectrumstoornis"

Verwante presentaties


Ads door Google