De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

Het ontstaan van soorten. “NOTHING IN BIOLOGY MAKES SENSE EXCEPT IN THE LIGHT OF EVOLUTION.” (DOBZHANSKY 1973)

Verwante presentaties


Presentatie over: "Het ontstaan van soorten. “NOTHING IN BIOLOGY MAKES SENSE EXCEPT IN THE LIGHT OF EVOLUTION.” (DOBZHANSKY 1973)"— Transcript van de presentatie:

1 Het ontstaan van soorten

2 “NOTHING IN BIOLOGY MAKES SENSE EXCEPT IN THE LIGHT OF EVOLUTION.” (DOBZHANSKY 1973)

3 Generatio spontea Ontkracht door Pasteur (1860) Creationisme Intelligent design Vervorming van de evolutietheorie Uitleg van de bijbel Neodarwinistisch evolutietheorie Genotype Fenotype Isolatie

4 USA 2008: Van eigen bodem: De ApologeetVan eigen bodem: De Apologeet (vanaf 24:50)

5 De evolutietheorie van Lamarck Dierkundigen Van eenvoudig naar ingewikkeld Gevolg van behoeften Verandering lag in de erfelijkheid

6 Charles R. Darwin Publicatie van “On the Origin of Species” 1859 “Strijd om te bestaan” Mbv. Malthus. Survival of the fittest Natuurlijke selectie Sexuele selectie

7 Een soort Veel nakomelingen Niet allemaal even geschikt voor de omgeving (het milieu). Voorbeeld met natuurlijke selectie, waarbij de roofvogel selecteert.

8 Peper en zout vlinder Ontstaan ijsberen Begrippen: Overleving van sterkste? Natuurlijke selectie? DARWIN

9 Darwinvinken Verandering van milieu per eiland

10 Mutaties Genetische drift Natuurlijke selectie Sexuele selectie

11 Mendel (publicatie 1866) Tijdgenoot van Darwin Herontdekking begin 1900 Eclipse van Darwinisme (tot 1940) Darwins model van erfelijkheid niet toereikend (eigenschappen met selectief voordeel vermengen zich, kunnen niet blijven bestaan) Maar ‘biometrici’ onderzochten kleine verschillen tussen individuen en overerving daarvan (statistische analyse van populaties)

12 Synthese: Neo-Darwinisme (ca 1930): Natuurlijke selectie is mogelijk op basis van Mendelse genetica

13 …..zorgt niet voor “uitmenging” van eigenschappen, maar variatie kan behouden blijven……..  Hardy-Weinberg-principe

14 Gen: functionele eenheid van erfelijkheid Locus: plaats in DNA waar gen ligt. Allelen: alternatieve vorm van een gen Genotype: de twee allelen die een individu op een locus heeft Fixed allel: Als alle individuen in een populatie homozygoot zijn voor een bepaald allel: Het allel is vastgelegd (fixed) in die populatie en heeft een frequentie van 1 (=100%).

15 Manier om populatie te karakteriseren Vanuit `gen-centrisch’ gezichtspunt is de verandering van allelfrequenties het fundamentele evolutionaire proces: Evolutie is wijziging van allefrequenties in een populatie.

16 Populaties evolueren, individuen niet Stel: predator heeft voorkeur voor donkere slakjes, dan zal de populatie slakjes in de loop der tijd steeds lichter worden Individuele slakken veranderen niet van kleur

17 Ieder allel heeft een frequentie waarin het voorkomt in een populatie Bij een gen met 2 allelen: Bv. Bloemkleur: allelen R (rood) en r (wit) Ieder individu is of RR, of Rr of rr Frequentie van R en r in een populatie liggen tussen de 0 en 100%, ofwel tussen de 0 en 1

18 Populatie planten met 500 individuen 320 rood (RR), 160 roze (Rr), 20 wit (rr) Hoeveel kopieën van het gen voor bloemkleur zijn aanwezig in deze populatie? Hoeveel allelen R zijn er aanwezig? Hoeveel allelen r zijn er aanwezig? Wat is de frequentie van R? Wat is de frequentie van r?

19 Populatie planten met 500 individuen 320 rood (RR), 160 roze (Rr), 20 wit (rr) Hoeveel kopieën van het gen voor bloemkleur zijn aanwezig in deze populatie? (2x320) + (2x160) + (2x20) = 1000 Hoeveel allelen R zijn er aanwezig? (2x320) + (1x160) = 800 Hoeveel allelen r zijn er aanwezig? (1x160) + (2x20) = 200 Wat is de frequentie van R? 800/1000 = 0,8 Wat is de frequentie van r? 200/1000 = 0,2

20 Kruising RR x rr F1: 100% Rr, ofwel 100% roze bloemen Onderling kruisen F2: ? 25% rood (RR), 50% roze (Rr), 25% wit (rr) Frequentie R en r in F2? R = 0,5 en r = 0,5 F3: ?

21 Voorgaande geldt alleen als: Paren (bestuiven) random gebeurt Geen natuurlijke selectie optreedt (bv wanneer grazers voorkeur hebben voor witte bloemen of insect liever rode bloemen bestuift) Populatie zeer groot is

22 Vaak lastig om te bepalen Compleet dominante genen  Geen zichtbaar fenotypisch effect Stel 500 individuen in een populatie 450 rood (RR óf Rr), 50 wit (rr) Op te lossen mbv Hardy-Weinberg theorema

23 Genenpool verandert niet van generatie op generatie als er geen evolutie optreedt voor die eigenschap Frequenties van de allelen blijven van generatie op generatie gelijk  Verhouding waarin RR, Rr en rr voorkomen is te berekenen.

24 Ons bloemenvoorbeeld: 500 individuen, 320 rood, 160 roze, 20 wit Allelfrequenties worden aangegeven met p en q (p meestal dominant, q recessief) p = 0,8; q = 0,2 p + q = 1 Dat geldt altijd. M.a.w: kans op een pollenkorrel of eicel R = 0,8 Kans op een pollenkorrel of eicel r = 0,2

25 Wat is de frequentie binnen de populatie van het aantal rode, roze en witte bloemen? Hardy-Weinberg: p= 0,8 en q= 0,2 Frequentie homozygoot dominant (RR) = p 2 = 0,64 Frequentie heterozygoten (Rr óf rR) = 2pq = 0,32 Frequentie homozygoot recessief (rr) = q 2 = 0,04 p 2 + 2pq + q 2 = 0,64 + 0,32 + 0,04 = 1 (p+q) x (p+q)= p 2 + 2pq + q 2

26 Terug naar voorbeeld van compleet dominant allel: 450 rood (RR of Rr), 50 wit (rr) Hoeveel individuen? 500 Hoeveel bloemkleur allelen? 1000 p Weet je niet, maar hoe groot is q 2 ? q 2 = 50/500 (of 2x50/1000)= 0,1  q = 0,32 Hoe groot is p? p + q = 1  p = 1 – q = 1 – 0,32 = 0,68 Hoeveel bloemen zijn homozygoot dominant? p 2 = 0,46  aantal bloemen: 0,46 * 500 = 230

27 500 individuen Hoeveel (homozygoot dominant) rode bloemen verwacht je op grond van HW? p 2 = 0,56  0,56 * 500 = 281 Hoeveel roze en witte? 188 roze 31 witte Maar stel nu dat de waargenomen aantallen zijn: Rood: 300 Roze: 190 Wit: 10 Populatie verkeerd NIET in HW-evenwicht. Wat is hier aan de hand? Selectief voordeel rode bloemen? Selectief nadeel witte bloemen?

28 Om vast te stellen of in een populatie een HW-evenwicht heerst is het soms nodig statistische toetsing toe te passen. Kleine toevalsafwijkingen zullen immers altijd optreden, maar wanneer is een afwijking groot genoeg om te kunnen concluderen dat de populatie niet in HW- evenwicht verkeert? Hier kan een toets (bijv. χ²-toets) uitsluitsel geven

29 Hardy-Weinberg evenwicht alleen bij: Zeer grote populatie Geen gene flow (genen moeten binnen de populatie blijven) Geen mutaties Kruisingen zijn random (mannetjes en vrouwtjes hebben geen voorkeur voor bepaalde types) Geen natuurlijke selectie Geldt dus niet als er evolutie plaats vindt! (als de populatie evolueert)

30 30 … een karikatuur, een benadering … een ruwe representatie van de natuur … nuttig!! Gasmoleculen als elastische bolletjes Atomen als miniatuur planetenstelsel DNA als gedraaide ladder Volmaakte vacuüms Wrijvingsloze katrollen Lotka-Volterra- model predatie

31 1: baby’s in de VS wordt geboren met PKU, deze zijn homozygoot recessief Stel populatie Amerikanen voldoet aan HW evenwicht Hoeveel procent van de Amerikanen zijn drager (= heterozygoot) van deze ziekte?

32 Is de frequentie van de dragers p 2, 2pq of q 2 ? 2pq Hoe groot is q 2 ? En dus hoe groot is q? q 2 = 1/ = 0,0001  q = 0,01 Hoe groot is p? p = 1 – 0,01 = 0,99 Wat is de frequentie van de dragers van PKU? 2pq = 0,0198 (ofwel 2% is drager)

33 Voorbeeld: A is volledig dominant allel. Als aa een lagere fitness heeft dan AA, zal de allelfrequentie van A toenemen. Waarom kan logisch gezien a niet helemaal worden geëlimineerd?

34 Onderzoeksmethoden om fitness in te schatten: 1. Op basis van verandering in allelfrequenties tussen generaties (volgende voorbeeld)* 2. Merken en terugvangen binnen één generatie (dus de volgens HW verwachte terugvangst in verhouding tot geobserveerde terugvangst). *Klopt niet: voorbeeld gaat uit van overleving bínnen één generatie

35 Genotype AAAaaa Generatie 100 Bereikt adulte stadium Fitness (w) 1,0 ? Selectiecoëffi-ciënt (s) 00?

36 Genotype AAAaaa Generatie 100 Bereikt adulte stadium Fitness (w) 1,0 0,8 Selectiecoëffi-ciënt (s) 000,2

37 GenotypeFrequentie vóór selectie Frequentie na selectie Na selectie (in symbolen) AAp2p2 1. p 2 w. p 2 Aa aa

38 GenotypeFrequentie vóór selectie Frequentie na selectie Na selectie (in symbolen) AAp2p2 1. p 2 w. p 2 Aa2pq1. 2pqw. 2pq aa???

39 GenotypeFrequentie vóór selectie Frequentie na selectie Na selectie (in symbolen) AAp2p2 1. p 2 w. p 2 Aa2pq1. 2pqw. 2pq aaq2q2 0,8. q 2 w. q 2 = (1-s). q 2

40 AA: 1. p 2 Aa: 1. 2pqaa: (1- s) q 2 Som: p 2 + 2pq + (1- s) q 2 Ofwel: p 2 + 2pq + [ q 2 – sq 2 ] Ofwel: [ p 2 + 2pq + q 2 ] – sq 2 Ofwel: de som van de nieuwe relatieve frequenties is 1 – sq 2 … in plaats van 1 De som van relatieve frequenties moet echter 1 zijn. Dat bereik je door de nieuwe genotypen- frequenties te delen door 1 – sq 2

41 roodgeelblauwsom Absoluut Relatief0,20,50,31,0 Tien blauwe verloren Absoluut

42 roodgeelblauwsom Abs Rel.???1,0 Om de nieuwe relatieve frequenties te krijgen, deel je de absolute aantallen knikkers door de nieuwe som (= 90 in plaats van 100).

43 roodgeelblauwsom Abs Rel.20 / 90 = 0, / 90 = 0, / 90 = 0,222 1,0 Om de nieuwe relatieve frequenties te krijgen, deel je de absolute aantallen knikkers door de nieuwe som (= 90 in plaats van 100).

44 Per 2-tal bedenk je een mogelijke drastische milieu verandering. Hoe zal de mens daarop reageren?

45 Fossielen Ontstaan van fossielen Sedimenten Koolstofdatering Halfwaardetijd Anologe organen

46 Rudimentaire organen Heupbeen en dijbeen walvis /python Mitose/meiose + bouw van DNA

47 Experiment van Miller Anorganisch naar organisch Endosymbiosethorie Endo = Binnen Symbiose =samenleven

48 Verbranding van organisme (Mitochondrië) Cytochroom C Aminozuurvolgorde, verantwoordelijk voor het verbandingsapsect. Grote overeenkomst bij alle planten en dieren


Download ppt "Het ontstaan van soorten. “NOTHING IN BIOLOGY MAKES SENSE EXCEPT IN THE LIGHT OF EVOLUTION.” (DOBZHANSKY 1973)"

Verwante presentaties


Ads door Google