De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

18 e en begin 19 e eeuwse esthetica Van klassiek naar Romantiek.

Verwante presentaties


Presentatie over: "18 e en begin 19 e eeuwse esthetica Van klassiek naar Romantiek."— Transcript van de presentatie:

1 18 e en begin 19 e eeuwse esthetica Van klassiek naar Romantiek

2 18 e eeuw Rationaliteit Filosofie Nadenken over politiek, natuur en recht Maar ook over kunst Wat is kunst eigenlijk? Van rationeel (18 e eeuw) naar emotioneel (19 e eeuw)

3 Esthetica Vier benaderingswijzen – Mimetische standpunt, representatie van de werkelijkheid Idealistische mimese, afbeelding van het ideale Naturalistische mimese, zichtbare werkelijkheid – Expressionistische standpunt, geest van de kunstenaar – Formalistische standpunt, werkimmanente kwaliteiten – Kantiaanse standpunt, relatie kunstwerk / toeschouwer

4 Esthetica Wat is schoonheid – Van de natuur? – Van kunst? Wat is een esthetische ervaring? Waarop is een esthetisch oordeel gebaseerd? Wat is subliem?

5 Denkers Earl of Shaftesbury Francis Hutcheson David Hume Edmund Burke Immanuel Kant Friedrich von Schelling Georg Hegel Arthur Schopenhauer

6 Anthony Ashley Cooper 3rd Earl of Shaftesbury (1671–1713)

7 Shaftesbury Schoonheid – Ligt niet in de mensen, maar in de objecten, zoals die door God bedacht zijn – Harmonie, proportie of orde – Drie hiërarchieën: Fysieke dingen, zoals kunstvoorwerpen Menselijke geest, zoals intelligentie Soevereine schoonheid, die ligt bij God

8 Shaftesbury Esthetisch oordeel – Staat los van eigenbelang – Onduidelijk: esthetisch oordeel emotioneel of rationeel? – Begint instinctmatig, maar vergt training om de smaak te ontwikkelen

9 Shaftesbury Deugdzaamheid = schoonheid  beide positieve reactie Deugdzaamheid = morele schoonheid  moreel persoon maakt de wereld beter Koppeling tussen het goede en het schone  beide komen van God

10 Francis Hutcheson ( )

11 Hutcheson Inquiry concerning Beauty, Order, Harmony and Design (1725) – Zintuig voor schoonheid, harmonie en proportie Zintuig werkt als een reflex Intern zintuig – Op zoek naar universele waarheden – Schoonheid en moraal

12 David Hume ( )

13 Hume Of the standard of taste (1757) – Schoonheid is geen eigenschap van objecten – Schoonheid vindt zijn basis in de mens – Iedereen heeft een esthetisch oordeel, maar deze zijn niet eenstemmig – Esthetisch oordeel komt na contemplatie  verschil tussen schoonheidservaring en oordeel over schoonheid

14 Hume Kunst kent een rangorde Wat is de maatstaf? Kwaliteiten van objecten roepen gevoelens op Iemand met smaak is gevoelig Over smaak valt niet te twisten, maar we doen dat wel

15 Hume Noodzakelijk om tot een oordeel te komen – Gezond functionerend apparaat of orgaan van de smaak – Delicaat en verfijnd onderscheidingsvermogen – Oefening – Onbevooroordeeld zijn – Kunnen vergelijken

16 Hume Alle aspecten van de schoonheid beschouwen – Een volledig beeld van de compositie – Weten wat het doel van het werk is – Inhoudelijk geen raadsels opleveren

17 Edmund Burke ( )

18 Burke A philosophical enquiry into the origin of our ideas of the sublime and beautiful (1757) – Het leven bestaat uit arbeid, plichten en gezag – Schoonheid zorgt voor genoegens in het leven – Schoonheid is onderdeel van smaak, net als conversatie, kleding, woninginrichting, interesse in filosofie

19 Burke Schoonheid – Is aangenaam – Ontspanning – Welbehagen – Gaat makkelijk over in frivoliteit – Zoet in de mond, aangenaam om te voelen, geruststellend

20 Burke Sublieme – Is niet de overtreffende trap van schoonheid – Is onaangenaam – Zorgt voor pijn – Zoeken we steeds op, hoe onaangenaam ook – Zorgt voor intens genot – Overweldigend – Heeft niets met deugdzaamheid te maken – Delightful horror

21 Burke Ervaringen van schoonheid en het sublieme zijn – Twee verschillende dingen – Berusten niet op willekeurige associaties – Geen kwestie van persoonlijke smaak

22 Burke Als het sublieme niet goed hoeft te zijn… Moet het schone dan wel goed zijn? Nee, het schone en het goede worden losgekoppeld

23 Immanuel Kant ( )

24 Kant Kritik der Urteilskraft (1790) – Esthetisch oordeel Belangeloos welbehagen: interesseloses Wohlgefallen Maakt aanspraak op algemeenheid Doelmatigheid zonder doel Exemplarische noodzakelijkheid

25 Kant Belangeloos welbehagen – Geen persoonlijke voorkeur – Nutteloosheid van kunst  een nuttig ding is geen kunst

26 Kant Aanspraak op algemeenheid – Subjectieve ervaring – Iedereen moet het er mee eens zijn: subjectieve algemeenheid – ‘Dit is een mooi kunstwerk’

27 Kant Doelmatigheid zonder doel – Wat is het doel van kunst? – Esthetische ervaring – Nou en?

28 Kant Exemplarische noodzakelijkheid – Er zijn geen vaste regels voor kunst – Ieder kunstwerk moet apart beoordeeld worden

29 Kant Overeenkomsten schoonheid en sublieme – Het bevalt vanwege zichzelf – Reflecterend oordeel – Verbeeldingskracht + ratio – Individuele oordelen maken aanspraak op algemeen geldigheid

30 Kant Schone Begrensd Onbepaald verstandsbegrip (mooi, goed, aangenaam) Welbehagen Lijkt doelmatig Begrip lijkt mogelijk Je kunt er kennis over hebben Sublieme Onbegrensd Onbepaald redebegrip (God, vrijheid, onsterfelijk) Bewondering Volstrekt ondoelmatig Onbegrip Pure verbeeldingskracht

31 Friedrich von Schelling ( )

32 Schelling System des transzendentalen Idealismus (1800) – Het absolute is niet te beschrijven – Objectief + subjectief = absoluut – Esthetische ervaring = ervaring van het absolute

33 Schelling Kunstwerk – Absolute identiteit van geest en natuur – Natuur: onbewust voortgebracht – Geest: bewust voortgebracht – Geen scheiding tussen werkelijke en ideële wereld – Kunst overtreft de werkelijkheid

34 Georg Wilhelm Friedrich Hegel ( )

35 Hegel Ästhetik (1835) – Schoonheid van de natuur doet niet ter zake – Kunst is visie, geen imitatie – Kunst gaat op zoek naar universele waarheden – Kunst staat op gelijke voet met religie en filosofie

36 Hegel Natuur is noodzakelijk om van kunst te genieten – Kunst bestaat uit zintuiglijke waarnemingen Kunstenaar moet hoger grijpen – Gedachte is hoger dan de zinnelijke wereld

37 Hegel Voor het eerst is er sprake van dat het sublieme niet uitsluitend tot de natuur gerekend wordt.

38 Arthur Schopenhauer ( )

39 Schopenhauer Die Welt als Wille und Vorstellung (1819) – De mens is niet vrij – Alles staat met elkaar in verband – De wereld wordt geregeerd door de wil – Pessimistische visie

40 Schopenhauer Het leven kent geen vrije wil Dat wij er zijn, hebben wij niet zelf gewild  het is gewoon gebeurd Alles gebeurt gewoon!

41 Schopenhauer Esthetische ervaring – Zorgt voor ontsnapping aan de wil – Lijkt op staat van nirwana – Vooral muziek

42 Schopenhauer Voor het eerst expliciete koppeling sublieme en kunst – Sublieme kunst  opheffing van de wil – Opheffing van de wil  ontsnapping aan levensdriften – Ontsnapping aan levensdriften  eenwording met de wereld – Eenwording met de wereld  subliem gevoel

43 Gevolgen voor de kunst Kunst moet subliem zijn i.p.v. laten zien – Kunstenaar als genie i.p.v. als vakman – Originaliteit i.p.v. navolging – Vrijheid i.p.v. regels – Emotioneel i.p.v. rationeel – Fantasie i.p.v. klassiek

44 Henri Fuseli, De nachtmerrie (1781)

45 Jacques-Louis David, Napoleon (1800)

46 Théodore Géricault, De garde-officier (1812)

47 Francisco Goya, 3 mei 1808 (1814)

48 Théodore Géricault, Het vlot van de Medusa (1819)

49 John Constable, De kathedraal van Salisbury (1829)

50 Eugène Delacroix, Vrijheid leidt het volk (1830)

51 Joseph Turner, slavenhandelaren gooien dode en stervende slaven overboord (Het slavenschip) (1840)

52 That’s all folks!


Download ppt "18 e en begin 19 e eeuwse esthetica Van klassiek naar Romantiek."

Verwante presentaties


Ads door Google