De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

Aquatische Ecologie werkcollege 2010 17 multiple choice vragen 2 vraagstukken.

Verwante presentaties


Presentatie over: "Aquatische Ecologie werkcollege 2010 17 multiple choice vragen 2 vraagstukken."— Transcript van de presentatie:

1 Aquatische Ecologie werkcollege multiple choice vragen 2 vraagstukken

2 1. Welke van de volgende uitspraken over de kritische diepte in een waterkolom is/zijn correct ? a.De netto productie van het plankton is gelijk aan nul op de kritische diepte b.De netto fotosynthetische snelheid is gelijk aan nul op de kritische diepte c.Chemosynthese en fotosynthese snelheden zijn gelijk op de kritische diepte d.Alle bovenstaande antwoorden e.Geen van bovenstaande antwoorden

3 2. Dode zones in een rivier a.zijn plaatsen waar enkel heterotrofe activiteit voorkomt b.worden gekenmerkt door een lage retentietijd c.produceren inocula voor het potamoplankton d.zijn geen van bovenstaande

4 3. In een estuarium is de netto beweging van water a.landinwaarts in de diepere waterlagen ter hoogte van de monding en zeewaarts in de bovenste waterlagen ter hoogte van de monding b.landinwaarts in de bovenste waterlagen in de meest landinwaartse zones en zeewaarts in diepere waterlagen ter hoogte van de monding c.landinwaarts in de bovenste waterlagen ter hoogte van de monding en zeewaarts in de bovenste waterlagen in de meest landinwaartse zones d.landinwaarts in diepere waterlagen in de meest landinwaartse zones en zeewaarts in diepere waterlagen ter hoogte van de monding

5 4. Het leven in water. Welke van deze uitspraken is/zijn juist ? a.Sphagnum mos draagt bij tot verzuring van het water door het onttrekken van Ca ionen uit het water en afgifte van protonen. b.De Protoctista zijn het best vertegenwoordigd in mariene milieus, slechts enkele fyla komen enkel in zoetwater voor. c.Benthische filtervoeders komen in rivieren voornamelijk voor in de benedenloop. d.Anadrome vissoorten hebben een goed osmoregulatorisch vermogen.

6 5. Stroomafwaarts van een bron van organische vervuiling in een rivier kunnen volgende veranderingen in het systeem verwacht worden a.een sterke stijging in de concentratie van nitraat, ammonium en fosfaat. b.een proliferatie van algen waardoor het zuurstofgehalte sterk toeneemt. c.een proliferatie van algen die dermate densiteiten bereikt dat door hun respiratie er zuurstoftekorten ontstaan. d.een dominantie van chironomiden in het benthos, gevolgd door een zone gedomineerd door Tubifex.

7 6. Het sediment van de diepzee a.is steeds rijk aan calciumcarbonaat b.is uitsluitend van biogene origine c.kan in samenstelling verschillen naargelang de productiviteit van de bovenliggende waterkolom d.is thv de abyssale vlakten maximaal één km dik

8 7. Zonatie op een rotskust a.wordt uitsluitend bepaald door de getijdenwerking b.is vooral een gevolg van competitie en aanpassing aan tijdelijke uitdroging c.wordt vooral bepaald door predatiedruk

9 8. Het Middellandse zeewater stroomt in de Atlantische oceaan a.langs het oppervlakte, tgv van zijn hoge temperatuur b.op 3000 m diepte, als gevolg van zijn hoge zoutgehalte c.er is geen netto uitstroom vanuit de Middellandse Zee d.op ongeveer 1000 m diepte en reikt tot aan de Canarische Eilanden

10 9. De hoge productiviteit van hydrothermale bronnen in de diepzee is het resultaat van a.de stabiliteit van het milieu waar voedsel gegarandeerd is b.de continue (ononderbroken) en brede verspreiding van hydrothermale bronnen langsheen mid- oceanische ruggen c.de hoge concentraties aan sulfide die een hoge bacteriële productiviteit onderhouden

11 10. Diepzeetroggen worden steeds gekenmerkt door a.een lage input van organisch materiaal b.een hoge biodiversiteit c.de aanwezigheid van een endemische fauna op hoger taxonomisch niveau d.de afwezigheid van krabben

12 11. Walviscarcassen in de diepzee a.zijn vooral aantrekkelijk voor mobiele aasetende vissen b.vertonen een hoge biodiversiteit van gespecialiseerde fauna vooral van kleine crustacea c.worden in verschillende stadia gekoloniseerd met als laatste stadium een bloei van chemo-autotrofe bacteriën

13 12. Wat hoort niet thuis in het rijtje ? Tengevolge El Niño a.stopt de upwelling van nutrientrijk water aan de kusten van Zuid-Amerika en Zuid-Afrika b.treden er verschuivingen in fytoplanktongemeenschappen op c.nemen de populaties van planktivore vissoorten toe d.nemen de densiteiten van garnalen toe

14 13. De zuurstofconcentratie in het hypolimnion van een dimictisch meer hangt in belangrijke mate af van a.de periode van stratifiëring sinds de meest recente volledige circulatie b.de duur van die laatste circulatie c.de fytoplanktonproductie d.ontgassing uit het hypolimnion e.verhouding volumes hypolimnion en fotische zone f.nog een ander belangrijk proces g.twee of meerdere van bovenstaande

15 14. De bodemtemperatuur in grote dimictische meren is vaak iets hoger dan in even diepe maar kleinere dimictische meren, omdat a.er meer diffusie van warmte doorheen de thermocline plaatsvindt b.de stratifiëring later in het voorjaar op gang komt c.zonne-energie dieper in de waterkolom kan doordringen d.wegens frictie langsheen het getilte oppervlak van de thermocline bij ontwikkeling van seiches e.twee of meerdere van bovenstaande

16 15. Ondiepe plassen zijn gevoeliger voor eutrofiëring dan diepe plassen omdat a.meer licht de bodem bereikt b.een groter oppervlak wordt ingenomen door waterplanten c.een groter aandeel van nutriënten in de voedselketen blijft gehouden d.grotere opwoeling de algenconsumptie verlaagt

17 16. Om verscheidene onderstaande redenen vertoont een gestratifieerd meer tijdens de zomer vaak dominantie van cyanobacteria, maar niet omdat a.ze minder appetijtelijk zijn voor dominante grazers b.ze meer efficiënt CO 2 opnemen dan andere algen c.ze geen Si nodig hebben d.veel soorten N uit de atmosfeer kunnen halen e.hun dode cellen sneller afbreken f.twee van bovenstaande

18 17. In een meer gevuld met gelatine heeft het temperatuurprofiel de volgende algemene vorm: a) b)c)d) e) Geen van bovenstaande

19 Aquatische Ecologie werkcollege 2010 Oplossingen

20 1. Welke van de volgende uitspraken over de kritische diepte in een waterkolom is/zijn correct ? a.De netto productie van het plankton is gelijk aan nul op de kritische diepte b.De netto fotosynthetische snelheid is gelijk aan nul op de kritische diepte c.Chemosynthese en fotosynthese snelheden zijn gelijk op de kritische diepte d.Alle bovenstaande antwoorden e.Geen van bovenstaande antwoorden

21 1. Welke van de volgende uitspraken over de kritische diepte in een waterkolom is/zijn correct ? a.De netto productie van het plankton is gelijk aan nul op de kritische diepte b.De netto fotosynthetische snelheid is gelijk aan nul op de kritische diepte c.Chemosynthese en fotosynthese snelheden zijn gelijk op de kritische diepte d.Alle bovenstaande antwoorden e.Geen van bovenstaande antwoorden

22 2. Dode zones in een rivier a.zijn plaatsen waar enkel heterotrofe activiteit voorkomt b.worden gekenmerkt door een lage retentietijd c.produceren inocula voor het potamoplankton d.zijn geen van bovenstaande

23 2. Dode zones in een rivier a.zijn plaatsen waar enkel heterotrofe activiteit voorkomt b.worden gekenmerkt door een lage retentietijd c.produceren inocula voor het potamoplankton d.zijn geen van bovenstaande

24 3. In een estuarium is de netto beweging van water a.landinwaarts in de diepere waterlagen ter hoogte van de monding en zeewaarts in de bovenste waterlagen ter hoogte van de monding b.landinwaarts in de bovenste waterlagen in de meest landinwaartse zones en zeewaarts in diepere waterlagen ter hoogte van de monding c.landinwaarts in de bovenste waterlagen ter hoogte van de monding en zeewaarts in de bovenste waterlagen in de meest landinwaartse zones d.landinwaarts in diepere waterlagen in de meest landinwaartse zones en zeewaarts in diepere waterlagen ter hoogte van de monding

25 3. In een estuarium is de netto beweging van water a.landinwaarts in de diepere waterlagen ter hoogte van de monding en zeewaarts in de bovenste waterlagen ter hoogte van de monding b.landinwaarts in de bovenste waterlagen in de meest landinwaartse zones en zeewaarts in diepere waterlagen ter hoogte van de monding c.landinwaarts in de bovenste waterlagen ter hoogte van de monding en zeewaarts in de bovenste waterlagen in de meest landinwaartse zones d.landinwaarts in diepere waterlagen in de meest landinwaartse zones en zeewaarts in diepere waterlagen ter hoogte van de monding

26 4. Het leven in water. Welke van deze uitspraken is/zijn juist ? a.Sphagnum mos draagt bij tot verzuring van het water door het onttrekken van Ca ionen uit het water en afgifte van protonen. b.De Protoctista zijn het best vertegenwoordigd in mariene milieus, slechts enkele fyla komen enkel in zoetwater voor. c.Benthische filtervoeders komen in rivieren voornamelijk voor in de benedenloop. d.Anadrome vissoorten hebben een goed osmoregulatorisch vermogen.

27 4. Het leven in water. Welke van deze uitspraken is/zijn juist ? a.Sphagnum mos draagt bij tot verzuring van het water door het onttrekken van Ca ionen uit het water en afgifte van protonen b.De Protoctista zijn het best vertegenwoordigd in mariene milieus, slechts enkele fyla komen enkel in zoetwater voor c.Benthische filtervoeders komen in rivieren voornamelijk voor in de benedenloop d.Anadrome vissoorten hebben een goed osmoregulatorisch vermogen

28 5. Stroomafwaarts van een bron van organische vervuiling in een rivier kunnen volgende veranderingen in het systeem verwacht worden a.een sterke stijging in de concentratie van nitraat, ammonium en fosfaat. b.een proliferatie van algen waardoor het zuurstofgehalte sterk toeneemt. c.een proliferatie van algen die dermate densiteiten bereikt dat door hun respiratie er zuurstoftekorten ontstaan. d.een dominantie van chironomiden in het benthos, gevolgd door een zone gedomineerd door Tubifex.

29 5. Stroomafwaarts van een bron van organische vervuiling in een rivier kunnen volgende veranderingen in het systeem verwacht worden a.een sterke stijging in de concentratie van nitraat, ammonium en fosfaat b.Een proliferatie van algen waardoor het zuurstofgehalte sterk toeneemt c.Een proliferatie van algen die dermate densiteiten bereikt dat door hun respiratie er zuurstoftekorten ontstaan d.Een dominantie van chironomiden in het benthos, gevolgd door een zone gedomineerd door Tubifex

30 6. Het sediment van de diepzee a.is steeds rijk aan calciumcarbonaat b.is uitsluitend van biogene origine c.kan in samenstelling verschillen naargelang de productiviteit van de bovenliggende waterkolom d.is thv de abyssale vlakten maximaal één km dik

31 6. Het sediment van de diepzee a.is steeds rijk aan calciumcarbonaat b.is uitsluitend van biogene origine c.kan in samenstelling verschillen naargelang de productiviteit van de bovenliggende waterkolom d.is thv de abyssale vlakten maximaal één km dik

32 7. Zonatie op een rotskust a.wordt uitsluitend bepaald door de getijdenwerking b.is vooral een gevolg van competitie en aanpassing aan tijdelijke uitdroging c.wordt vooral bepaald door predatiedruk

33 7. Zonatie op een rotskust a.wordt uitsluitend bepaald door de getijdenwerking b.is vooral een gevolg van competitie en aanpassing aan tijdelijke uitdroging c.Wordt vooral bepaald door predatiedruk

34 8. Het Middellandse zeewater stroomt in de Atlantische oceaan a.langs het oppervlakte, tgv van zijn hoge temperatuur b.op 3000 m diepte, als gevolg van zijn hoge zoutgehalte c.er is geen netto uitstroom vanuit de Middellandse Zee d.op ongeveer 1000 m diepte en reikt tot aan de Canarische Eilanden

35 8. Het Middellandse zeewater stroomt in de Atlantische oceaan a.langs het oppervlakte, tgv van zijn hoge temperatuur b.op 3000 m diepte, als gevolg van zijn hoge zoutgehalte c.er is geen netto uitstroom vanuit de Middellandse Zee d.op ongeveer 1000 m diepte en reikt tot aan de Canarische Eilanden

36 9. De hoge productiviteit van hydrothermale bronnen in de diepzee is het resultaat van a.de stabiliteit van het milieu waar voedsel gegarandeerd is b.de continue (ononderbroken) en brede verspreiding van hydrothermale bronnen langsheen mid- oceanische ruggen c.de hoge concentraties aan sulfide die een hoge bacteriële productiviteit onderhouden

37 9. De hoge productiviteit van hydrothermale bronnen in de diepzee is het resultaat van a.de stabiliteit van het milieu waar voedsel gegarandeerd is b.de continue (ononderbroken) en brede verspreiding van hydrothermale bronnen langsheen mid- oceanische ruggen c.de hoge concentraties aan sulfide die een hoge bacteriële productiviteit onderhouden

38 10. Diepzeetroggen worden steeds gekenmerkt door a.een lage input van organisch materiaal b.een hoge biodiversiteit c.de aanwezigheid van een endemische fauna op hoger taxonomisch niveau d.de afwezigheid van krabben

39 10. Diepzeetroggen worden steeds gekenmerkt door a.een lage input van organisch materiaal b.een hoge biodiversiteit c.de aanwezigheid van een endemische fauna op hoger taxonomisch niveau d.de afwezigheid van krabben

40 11. Walviscarcassen in de diepzee a.zijn vooral aantrekkelijk voor mobiele aasetende vissen b.vertonen een hoge biodiversiteit van gespecialiseerde fauna vooral van kleine crustacea c.worden in verschillende stadia gekoloniseerd met als laatste stadium een bloei van chemo-autotrofe bacteriën

41 11. Walviscarcassen in de diepzee a.zijn vooral aantrekkelijk voor mobiele aasetende vissen b.vertonen een hoge biodiversiteit van gespecialiseerde fauna vooral van kleine crustacea c.worden in verschillende stadia gekoloniseerd met als laatste stadium een bloei van chemo- autotrofe bacteriën

42 12. Wat hoort niet thuis in het rijtje ? Tengevolge El Niño a.stopt de upwelling van nutrientrijk water aan de kusten van Zuid-Amerika en Zuid-Afrika b.treden er verschuivingen in fytoplanktongemeenschappen op c.nemen de populaties van planktivore vissoorten toe d.nemen de densiteiten van garnalen toe

43 12. Wat hoort niet thuis in het rijtje ? Tengevolge El Niño a.stopt de upwelling van nutrientrijk water aan de kusten van Zuid-Amerika en Zuid-Afrika b.treden er verschuivingen in fytoplanktongemeenschappen op c.nemen de populaties van planktivore vissoorten toe d.nemen de densiteiten van garnalen toe

44 13. De zuurstofconcentratie in het hypolimnion van een dimictisch meer hangt in belangrijke mate af van a.de periode van stratifiëring sinds de meest recente volledige circulatie b.de duur van die laatste circulatie c.de phytoplanktonproductie d.ontgassing uit het hypolimnion e.verhouding volumes hypolimnion en fotische zone f.nog een ander belangrijk proces g.twee of meerdere van bovenstaande

45 13. De zuurstofconcentratie in het hypolimnion van een dimictisch meer hangt in belangrijke mate af van a.de periode van stratifiëring sinds de meest recente volledige circulatie b.de duur van die laatste circulatie c.de phytoplanktonproductie d.ontgassing uit het hypolimnion e.verhouding volumes hypolimnion en fotische zone f.nog een ander belangrijk proces g.twee of meerdere van bovenstaande

46 14. De bodemtemperatuur in grote dimictische meren is vaak iets hoger dan in even diepe maar kleinere dimictische meren, omdat a.er meer diffusie van warmte doorheen de thermocline plaatsvindt b.de stratifiëring later in het voorjaar op gang komt c.zonne-energie dieper in de waterkolom kan doordringen d.wegens frictie langsheen het getilte oppervlak van de thermocline bij ontwikkeling van seiches e.twee of meerdere van bovenstaande

47 14. De bodemtemperatuur in grote dimictische meren is vaak iets hoger dan in even diepe maar kleinere dimictische meren, omdat a.er meer diffusie van warmte doorheen de thermocline plaatsvindt b.de stratifiëring later in het voorjaar op gang komt c.zonne-energie dieper in de waterkolom kan doordringen d.wegens frictie langsheen het getilte oppervlak van de thermocline bij ontwikkeling van seiches e.twee of meerdere van bovenstaande

48 15. Ondiepe plassen zijn gevoeliger voor eutrofiëring dan diepe plassen omdat a.meer licht de bodem bereikt b.een groter oppervlak wordt ingenomen door waterplanten c.een groter aandeel van nutriënten in de voedselketen blijft gehouden d.grotere opwoeling de algenconsumptie verlaagt

49 15. Ondiepe plassen zijn gevoeliger voor eutrofiëring dan diepe plassen omdat a.meer licht de bodem bereikt b.een groter oppervlak wordt ingenomen door waterplanten c.een groter aandeel van nutriënten in de voedselketen blijft gehouden d.grotere opwoeling de algenconsumptie verlaagt

50 16. Om verscheidene onderstaande redenen vertoont een gestratifieerd meer tijdens de zomer vaak dominantie van cyanobacteria, maar niet omdat a.ze minder appetijtelijk zijn voor dominante grazers b.ze efficiënter CO 2 opnemen dan andere algen c.ze geen Si nodig hebben d.veel soorten N uit de atmosfeer kunnen halen e.hun dode cellen sneller afbreken f.twee van bovenstaande

51 16. Om verscheidene onderstaande redenen vertoont een gestratifieerd meer tijdens de zomer vaak dominantie van cyanobacteria, maar niet omdat a.ze minder appetijtelijk zijn voor dominante grazers b.ze efficiënter CO 2 opnemen dan andere algen c.ze geen Si nodig hebben d.veel soorten N uit de atmosfeer kunnen halen e.hun dode cellen sneller afbreken f.twee van bovenstaande

52 17. In een meer gevuld met gelatine heeft het temperatuurprofiel de volgende algemene vorm: a) b)c)d) e) Geen van bovenstaande

53 17. In een meer gevuld met gelatine heeft het temperatuurprofiel de volgende algemene vorm: a) b)c)d) e) Geen van bovenstaande

54 Vraagstuk Stel je wil een experiment opzetten ivm de invloed van grootte- selectieve vispredatie op de levenscyclus-strategie van zooplankton. Je moet er dus voor zorgen dat er wel enig effect van die predatie merkbaar is, maar dat de zooplanktonpopulatie niet meteen wordt opgegeten maar zich in stand kan houden; daarvoor moet een min of meer natuurlijke predatie-intensiteit van ~10% van het zooplankton per dag worden nagestreefd. Als je daarbij ook gebruik maakt van een typisch natuurlijke zooplankton-densiteit van 100 ind./liter, hoeveel vissen van a) 4 cm of b) 10 cm lichaamslengte kan je maximaal toevoegen aan 1) een mesocosm van 1 m 3 of 2) de vijver in de Plantentuin (ongeveer 50x20x1 m) zodat de zooplanktonpopulatie het minstens één generatie (tien dagen) uithoudt ? Het aantal zooplankters N dat een zooplanktivore vis met lichaamslengte L dagelijks eet is N = 100*L 3

55 Vraagstuk oplossing De mesocosm van 1 m 3 bevat zooplankters, waarvan er maximaal per dag mogen worden opgegeten. Een visje van 4 cm eet 100*4 3 = 6400 zooplankters per dag, een vis van 10 cm eet er 100*10 3 = per dag. De vijver van de Plantentuin (1000 m 3 ) bevat zooplankters, waarvan er per dag mogen worden opgegeten. De vijver heeft dus een draagkracht voor ~1560 ‘stekelbaarsjes’, of 100 ‘rietvoornen’. Merk op dat de ‘natuurlijke’ predatie-intensiteit, maw de intensiteit die de vis-zooplankton relatie stabiel houdt, sterk afhankelijk is van de verhouding tussen reproduktie en mortaliteit van het zooplankton. Een realistische berekening vergt dus op zijn minst het opstellen van een levenstabel.

56 Voorbeeld van een open examenvraag Cyclonische druksystemen veroorzaken lokale upwellingzones in de oceaan. Hoe ontstaat deze upwelling? Welke factoren zijn bepalend voor de mate waarin planktonische gemeenschappen en benthische gemeenschappen hierop reageren?


Download ppt "Aquatische Ecologie werkcollege 2010 17 multiple choice vragen 2 vraagstukken."

Verwante presentaties


Ads door Google