De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

+. Grammar 2.1 - Notes Ik heb een auto.I have got a car. Jij hebt/ u heeft een auto. You have got a car. Hij heeft een auto.He has got a car. Zij heeft.

Verwante presentaties


Presentatie over: "+. Grammar 2.1 - Notes Ik heb een auto.I have got a car. Jij hebt/ u heeft een auto. You have got a car. Hij heeft een auto.He has got a car. Zij heeft."— Transcript van de presentatie:

1 +

2 Grammar Notes Ik heb een auto.I have got a car. Jij hebt/ u heeft een auto. You have got a car. Hij heeft een auto.He has got a car. Zij heeft een auto.She has got a car. Het heeft een auto.It has got a car. Wij hebben een auto.We have got a car. Jullie hebben/ u heeft een auto. You have got a car. Zij hebben een auto.They have got a car. + I have a car. You have a car. He has a car. She has a car. It has a car. We have a car. You have a car. They have a car

3 ?

4 Grammar Notes Heb ik een auto?Have I got a car? Heb jij/ heeft u een auto? Have you got a car? Heeft hij een auto?Has he got a car? Heeft zij een auto?Has she got a car? Heeft het een auto?Has it got a car? Hebben wij een auto? Have we got a car? Hebben jullie/ heeft u een auto? Have you got a car? Hebben zij een auto?Have they got a car? ? Do I have a car? Do you have a car? Does he have a car? Does she have a car? Does it have a car? Do we have a car? Do you have a car? Do they have a car?

5 -

6 Grammar Notes Ik heb geen auto.I haven’t got a car. Jij hebt/ u heeft geen auto. You haven’t got a car. Hij heeft geen auto.He hasn’t got a car. Zij heeft geen auto.She hasn’t got a car. Het heeft geen auto.It hasn’t got a car. Wij hebben geen auto.We haven’t got a car. Jullie hebben/ u heeft geen auto. You haven’t got a car. Zij hebben geen auto.They haven’t got a car. - I don’t have a car. You don’t have a car. He doesn’t have a car. She doesn’t have a car. It doesn’t have a car. We don’t have a car. You don’t have a car. They don’t have a car.

7 Oefenen: Vertaal deze zinnen op beide manieren: Kijk daarna je werk na met de antwoorden op de volgende dia’s Maak vragen met “have/has got” en “do/does” 1.Hebben jullie een auto? (vraag dit op 2 manieren) 2.Heeft hij een huis? (vraag dit op 2 manieren) 3.Hebben zij een boek? (vraag dit op 2 manieren) 4.Heb jij veel vrienden (vraag dit op 2 manieren) 5.Heeft zij veel huiswerk? (vraag dit op 2 manieren) Maak ontkenningen met “haven’t/hasn’t got” en “don’t /doesn’t” 1.Jullie hebben geen auto. (zeg dit op 2 manieren) 2.Hij heeft geen huis. (zeg dit op 2 manieren) 3.Zij hebben geen boek. (zeg dit op 2 manieren) 4.Jij hebt geen vrienden. (zeg dit op 2 manieren) 5.Zij heeft geen huiswerk. (zeg dit op 2 manieren)

8 Hebben jullie een auto? (vraag dit op 2 manieren) Have you got a car? Do you have a car? Heeft hij een huis? (vraag dit op 2 manieren) Has he got a house? Does he have a house? Hebben zij een boek? (vraag dit op 2 manieren) Have they got a book? Do they have a book? Heb jij veel vrienden (vraag dit op 2 manieren) Have you got many friends? Do you have many friends? Heeft zij veel huiswerk? (vraag dit op 2 manieren) Has she got much homework? Does she have much homework?

9 Jullie hebben geen auto. (zeg dit op 2 manieren) You haven’t got a car. You don’t have a car. Hij heeft geen huis. (zeg dit op 2 manieren) He hasn’t got a house. He doesn’t have a house. Zij hebben geen boek. (zeg dit op 2 manieren) They haven’t got a book. They don’t have a book. Jij hebt geen vrienden. (zeg dit op 2 manieren) You haven’t got (any) friends. You don’t have (any) friends. Zij heeft geen huiswerk. (zeg dit op 2 manieren) She hasn’t got (any) homework. She doesn’t have (any) homework.


Download ppt "+. Grammar 2.1 - Notes Ik heb een auto.I have got a car. Jij hebt/ u heeft een auto. You have got a car. Hij heeft een auto.He has got a car. Zij heeft."

Verwante presentaties


Ads door Google