De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

Koningstijd 753-509 Republiek 509-27 Keizertijd27-476 Vroegeperiode, Koningstijd, Republiek 1000-27 Keizertijd27-284 Late Oudheid284-565.

Verwante presentaties


Presentatie over: "Koningstijd 753-509 Republiek 509-27 Keizertijd27-476 Vroegeperiode, Koningstijd, Republiek 1000-27 Keizertijd27-284 Late Oudheid284-565."— Transcript van de presentatie:

1

2 Koningstijd Republiek Keizertijd Vroegeperiode, Koningstijd, Republiek Keizertijd Late Oudheid

3

4

5

6 753 vChr legendarische stichting van Rome; Romulus en Remus Ong 600 v.Chr.  Rome een stad; een forum/marktplein, een continue bebouwing en stenen tempels. (Synoikisme) Voorheen meer een conglomeraat van dorpen op de Palatijn en andere heuvels aan de Tiber gelegen. De gunstige ligging belangrijk: - Kruispunt van belangrijke wegen tussen Griekse steden in Campanië (Napels) en Etrurië (ten noorden van Latium) - Belangrijke vaarroute landinwaarts; Tiber en aan kust. - Aan de Via Salaria De bevolking : mengeling van Latijnen, Etrusken en Sabijnen. Door het toenemen van voornamelijk de Etruskische invloed – en mogelijk ook Griekse (via Etrurië) – groeide Rome en werd het één van de grootste steden in Italië.

7 De Etrusken  belangrijk voor ontwikkeling van Rome. Etrusken leefden in stadstaten, in een los federatief verband. De steden waren de culturele en bestuurlijke centra. Duidelijk stedelijke cultuur. Hun welvaart gegroeid mn door hoge kwaliteit van ambachtelijke producten; metaalbewerking en de ceramiek. Etruksen uit Italië zelf, of Klein-Azië. Vermoedelijk vormden zij een bovenlaag, die een autochtone Italische bevolking overheerste. Etrusken uit Klein-Azië; - Hielden er praktijken op na die ook in Mesopotamië en Klein-Azië voorkwamen, (Bijv: auspicia) - Etruskisch als taal doet denken aan talen uit Klein-Azië. In ieder geval niet Indo-Europees, wat vrijwel alle andere talen in Italië wel waren.

8

9 Quaestor: Toezicht op de schatkist en overige financiele aangelegenheden Aedile: Onderhoud publieke gebouwen en organisatie van festivals Volkstribuun: Veto-recht, voorzitterschap van het concilium plebis. Praetor: Rechtspraak, vice-consuls Consul: Hoogste magistraat; bevelvoering legers, handhaving openbare orde, algemeen bestuur

10 Comitia curiata  voorgezeten door de koning/consul/praetor/pontifex maximus. 30 curiae (bundeling gentes, familia) Servius Tullius ( ), verdeelt de burgers in vijf vermogensklassen/ Censusklassen.Basis voor leger & nieuwe volksvergadering : Comitia centuriata. 1& 2 samen meerderheid aan stemmen! 1) Aristocraten; 2) Rijkste burgers, patriciërs en plebejers (Equites); 3) Gezeten boerenstand, als zwaargewapende infanterie; 4) Kleine boeren/ambachtslieden, als lichtgewapenden; 5) Bezitloze burgers, proletarii, buiten het leger.

11 Consul 2 (imperium) Comitia Centuriata veto Pontifex Maximus Rex Sacrorum Senaat Consul 1 (imperium) 2 Quaestores AdviesOndersteunen Kiest Kiest Kiest

12 Comitia centuriata  voorgezeten door Koning/Consul  kiest: consules/praetores/censores. De comitia centuriata verdrong geleidelijk aan de comitia curiata, hoewel deze laatste nog wel bleef bestaan. In 494 v.Chr. werd een nieuwe volksvergadering erkend, naast de Comitia Centuriata: Concilium Plebis  geleid door tribuni plebis (gekozen voor één jaar) en aediles als soort anti-magistraten van consuls. De tribuni plebis in 494 vChr erkend als officiële magistraten; recht van veto. Alleen plebejers konden deelnemen aan deze vergadering. Patriciërs waren uitgesloten.

13 Vanaf 287 v.Chr.  Lex Hortensia: het Concilium Plebis als officiële volksvergadering erkend. Besluiten, de zgn. Plebiscita kregen kracht van wet (lex) voor het gehele Romeinse volk zonder fiat van de Senaat achteraf. Vanaf dat jaar konden de patriciërs ook meevergaderen met het Concilium Plebis. Het heette dan comitia tributa. Beiden obv woondistrict/tribus Comitia tributa: onder leiding van een consul. Taak: wetgeving, hof van hoger beroep in de rechtspraak (voor 287 vChr centuriata), verkiezing lagere magistraten, zoals volkstribunen, aedielen en quaestoren. In de derde eeuw v. Chr. verdringt deze vergadering de centuriata. NB. voorzitter is een consul, een praetor of een patricische aedilis.

14 Comitia tributa 2 Consuls (imperium) Quaestoren Senaat Comitia Centuriata Advies Concilium Plebis Praetoren (imperium) 4 Aedielen 10 Volkstribune n 2 Censoren Voorzitterschap Kiezen Aanvullen Vervanging

15 Comitia curiata olv koning,consul of praetor. Taak: puur ceremonieel. Comitia centuriata: Opvolger van curiata. Taak:Verkiezen hoge magistraten (consuls, praetoren en censoren) oorlogsverklaring, bekrachtiging van vredesverdragen. NB. voorzitter is een magistraat met imperium, dwz. consul of praetor of een patricische aedilis. Concilium plebis: Informele vergadering van de plebejers voorgezeten door 10 volkstribunen. Aanv opkomen voor belangen van het plebs tegenover de patriciërs. Taak: Verkiezing van de tribuni plebis en de aediles plebis. Na 287 vChr: alle overige zaken. Comitia tributa: voorzitter is consul, een praetor of patricische aedilis. Taak: Idem & hof van hoger beroep in de rechtspraak (voor 287 centuriata), verkiezing lagere magistraten, zoals, aedilen en quaestoren. In de derde eeuw v. Chr. verdringt deze vergadering de centuriata.

16 Let op! Dit schema geldt tot 129 v. Chr. Daarna waren de equites en de senatoren twee aparte standen.

17 Eerste Punische Oorlog ( ) Tweede Punische Oorlog ( ) Derde Punische Oorlog ( )

18 Rome en Carthago schieten Messina te hulp Langdurge, intensieve oorlog Rome underdog, zeker op zee Rome besluit een vloot te bouwen en verslaat de Carthagers op zee (!) 241: Romeinse overwinning. Sicilië eerste provincie.

19

20 Oorzaak: onenigheid over de hegemonie over Saguntum in Iberia (Spanje) Tocht van Hannibal. In grote overwinningen op de Romeinen (Slag bij Cannae 216) Rome weet stand te houden "Vincere scis, Hannibal; victoria uti nescis." (Livy 22.51)

21

22

23 P. Cornelius Scipio verdrijft Carthagers uit Spanje ( ) Daarna steekt hij over naar Noord-Afrika, richting Carthago Carthago roept Hannibal terug Slag bij Zama (202) 201: Carthago capituleert Rome dominant in de Middelandse Zee (Mare Nostrum)

24 “..ceterum censeo, Carthaginem esse delendam..” Marcus Porcius Cato ( v.Chr.)

25 Carthago in conflict met Numidië In strijd met het vredesverdrag met Rome Carthago verwoest

26

27 Korte termijn: Invoer oorlogsbuit en slaven  rijkdom Overheersing van Italië en het Middellandse Zeegebied

28 Lange termijn: Een geregelde toevoer van graan over zee vanuit Sicilië en Noord Afrika.  Als gevolg daarvan een uitbreiding van de stedelijke bevolking, met name van Rome. Ontstaan en ontwikkeling van villae / latifundiae. Rijken rijker: krijgsbuit, slaven, staatsland (ager publicus) in bezit. Kleine boeren trekken naar de steden, of als daglonersproletariaat op de grote villae. Langdurige krijgsdienst  Verwaarlozing van de grond van kleine boeren.

29 Kleine boeren migreren naar Po-vlakte, naar Spanje, of Gallië  romanisering (?) van deze rijksdelen. Groei stads- en plattelandsproletariaat, aantal vrije boeren neemt af Sociale structuren worden ingewikkelder: senatoren, ridders, lokale elite, kooplieden, herenboeren, vrije kleine boeren, pachters, proletariërs, slaven, en vrijgelatenen. Grotere sociale mobiliteit. Toename aantal slaven. Rekrutering van semi-professionele legers  succesvolle en lucratieve veldtochten.

30 1) Ontstaan Latifundia (commercieel agrarisch bedrijf) & slaven economie. 2) Kleine boeren in ‘t nauw in 3 de en 2 de eeuw vChr.= bev groei neemt af, (ttv oorlog)! Te weinig mili rekruten; kracht van het Romeinse leger in gevaar P.O. II: : - Rijkdom voor elite - veel boeren gedood - Italisch land verwoest - land ingepikt door elite -ook ager publicus - slaven influx(als buit)

31 Lange termijn gevolgen van expansie leidt tot grote problemen Ontwikkeling lastig te traceren; hiaat in bronnen Optreden van de Gracchen ( ) Homogeniteit binnen de elite ten einde. Senatoren vs equites, populares vs optimates

32 Centrale kwestie: Italische Kwestie, acuut na het optreden van de Gracchen Moeten alle inwoners van Italica het volledige Romeinse burgerrecht krijgen? Rome wint in militaire zin, maar wil haar Italische bondgenoten niet vervreemdden Alle Italische inwoners krijgen burgerrecht (en kunnen nu dus ook dienen in het Romeinse leger)

33 Gaius Julius Caesar Gnaeus Pompeius Magnus Marcus Licinius Crassus

34 Gericht tegen de optimaten Met steun van het leger zélf de zaken regelen (dus buiten de senaat om) Karakter: langdurige alliantie Maar de rijzende ster van Caesar stemt Pompeius tot nadenken Burgeroorlog; Caesar wint ‘Dictator voor het leven’ moet hij met de dood bekopen (44 v.Chr.)

35

36 Marcus Aemilius Lepidus Gaius Julius Caesar Octavianus Marcus Antonius

37 Aanhangers Caesar. Wreken van de dood van Caesar Formele macht: dictatoriale volmachten via de volksvergadering Karakter: tijdelijke alliantie Radicaal: Liquidatie politieke tegenstanders Octavianus vs. Marcus Antonius en Cleopatra

38 Gaius Julius Caesar Octavianus, aka Augustus (27 v.Chr.)


Download ppt "Koningstijd 753-509 Republiek 509-27 Keizertijd27-476 Vroegeperiode, Koningstijd, Republiek 1000-27 Keizertijd27-284 Late Oudheid284-565."

Verwante presentaties


Ads door Google