De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

FILOSOFIE VAN DE 19e EEUW: INTELLECTUELE HELDEN & CRUCIALE KWESTIES.

Verwante presentaties


Presentatie over: "FILOSOFIE VAN DE 19e EEUW: INTELLECTUELE HELDEN & CRUCIALE KWESTIES."— Transcript van de presentatie:

1 FILOSOFIE VAN DE 19e EEUW: INTELLECTUELE HELDEN & CRUCIALE KWESTIES

2 COLLEGES I.Zijn en worden. II.De onweerstaanbaarheid van de wil. III.De kunst van het verleiden. IV.Kapitalisme en vervreemding. V.De strijd voor vrijheid. VI.Nihilisme en vitalisme.

3 III. DE KUNST VAN HET VERLEIDEN

4 1.EEN LOOPJE MET ZICHZELF NEMEN Is er in de geschiedenis plaats voor het individu? 2.WAARHEID EN AUTHENTICITEIT Hoe te leven? 3.VOORBIJ HET FUNDAMENTALISME Wat zou de revitalisering van het christendom kunnen betekenen?

5 1. EEN LOOPJE MET ZICHZELF NEMEN

6 SØREN KIERKEGAARD Korte biografie:  Geboren: 5 mei 1813 in Kopenhagen.  : studeert theologie, filosofie en literatuurwetenschappen aan de universiteit van Kopenhagen.  1834: dood van zijn moeder.  1837: ontmoet Regine Olsen.  1838: dood van zijn vader.  1840: verloving met Regine Olsen.  1841: einde verloving met Regine Olsen.  1841: promoveert.  1841: volgt colleges bij Schellling in Berlijn.  1846: satire over Kierkegaard in The Corsair.  1847: Regine Olsen trouwt Fritz Schlegel.  1854: dood van zijn vriend bisschop Mynster.  Gestorven: 11 november 1855 in Kopenhagen.

7 BELANGRIJKE PUBLICATIES  Om Begrebet Ironie med stadigt Hensyn til Sokrates [Over het begrip ironie met constante verwijzing naar Socrates] (1841).  Enter-eler [Of/Of] (1843/1949).  Frygt og Baeven [Vrees en beven] (1843).  Philosophishe Smuler [Filosofische Kruimels] (1844).  Begrebet Angest [Het begrip angst] (1944)  Stadier paa Livets Vei [Stadia op de levensweg] (1945).  Sygdommen til Døden [De ziekte ten dode] (1849).  Indølveli I Christendom [Oefening in het Christendom] (1855).

8 VERSCHILLENDE MASKERS  Kierkegaard schreef onder meer dan 15 pseudoniemen > hij heeft zelfs enkele keren zijn eigen werk onder een andere naam aangevallen.  Reden > om niet de indruk te wekken dat hij pretendeert een coherent en goed doortimmerd filosofisch systeem van gedachten te construeren en te tonen hoe ambivalent het leven van een individu is.  Zijn teksten zijn zeer verschillend, zowel qua inhoud als qua stijl.  Inhoud > filosofisch essay, literaire recensies, psychologische verhandelingen, religieuze pamfletten, etc.  Stijl: polemiek, ironie, satire, parodie, etc.

9 WAARHEID EN IRONIE  Kierkegaard werd zeer geïnspireerd door Socrates, wiens ironie het irreflexief voor waar aannemen van allerlei zaken ondermijnde.  Socrates > ironie als een middel om de waarheid te achterhalen.  Vormen van ironie: 1. Overdrijving en daaraan gekoppeld de ‘understatement’. 2. Herhaling. 3. Het tegenovergestelde zeggen van wat men meent.

10 NIETS SPREEKT VANZELF  Volgens Kierkegaard belichaamde Socrates de ironie.  Socrates plaatste constant vraagtekens bij dat wat als vanzelfsprekend werd aangenomen.  Voor de ironicus is het bestaan als zodanig ironisch > nadruk op de contingentie van het leven.  Zie ook het werk van de Amerikaanse filosoof Richard Rorty.  De filosofie van Hegel vormt onder meer het object van Kierkegaards ironie.

11 VOORBIJ HEGEL  Hegel > het individu geeft uidrukking aan zijn tijdperk, en dan vooral de stand van de ontwikkeling van de geest.  Een tijdperk is enkel een deel van een logische ontwikkeling in de geschiedenis.  Via verschillende stadia wordt het individu in zekere zin geïnstrumentaliseerd voor het realiseren van de absolute idee.  Kierkegaard > het individu is niet het slachtoffer van dit historische proces, want het heeft de mogelijkheid om het te transcenderen.

12 PARADOXEN  Het systeemdenken à la Hegel doet geen recth aan dat wat een individu tot individu, dat wil zeggen de individualiteit.  De individualiteit kenmerkt zich door paradoxen > zaken die weliswaar niet zonder elkaar kunnen, maar desalniettemin op gespannen voet met elkaar staan.  Voorbeelden: individu en maatschappij, vrijheid en plicht, lichaam en geest, etc.  De mens is een vat vol niet of nauwelijks op te lossen tegenstrijdigheden.

13 VADER VAN HET EXISTENTIALISME  De nadruk waarmee Kierkegaard focust op het bestaan van het individu met zijn paradoxen, maakt van hem een van de ‘founding fathers’ van het existentialisme.  Ex-sistere > het zijnde dat buiten zichzelf kan gaan, met andere woorden: een loopje met zichzelf kan nemen.  Hegel kon met zijn filosofie niet dat bieden waar Kierkegaard naar zocht: “een waarheid die voor mij waar is, te achterhalen volgens welk idee ik kan leven en sterven.”  Het individu van Hegel kan alleen uitdrukking geven aan zijn tijd, maar ze niet transcenderen.  Volgens Kierkegaard lost Hegel het concrete bestaan van het individu op in abstracties.

14 EXPERIMENTEREN, OBSERVEREN EN REFLECTEREN  De kennis die Kierkegaard over het individu vergaart, is het resultaat van experimenten, observaties en reflecties.  Het object van Kierkegaard is de medemens die op de proef wordt gesteld om zijn of haar gedrag vervolgens genadeloos te observeren en daarover wederom te reflecteren.  De kunstmatigheid die deze methode in de omgang met anderen impliceert, maakt de observator eenzaam, omdat de spontaniteit van de alledaagse omgang vervluchtigt.

15 VERLEIDING  Voor het welslagen van het experiment is het af en toe van belang dat de proefpersonen verleid worden.  Kierkegaard zegt het zo: “Wie zich op de juiste manier met psychologie en psychologische observatie heeft beziggehouden, heeft zich een algemeen menselijke buigzaamheid verworven, die hem in staat stelt om direct z’n voorbeeld te vinden; al heeft dit niet de autoriteit van de feitelijkheid, toch heeft het een ander gezag. De psychologische observator dient leniger te zijn dan een koorddanser om zich bij de mensen naar binnen te bukken en hun posities over te nemen; zijn zwijgzaamheid dient in het vertrouwelijke ogenblik verleidelijk te zijn en weldadig, zodat het verborgene er behagen in kan scheppen om in deze kunstmatig teweeg gebrachte onbemerktheid en stilte naar buiten te glippen en wat met zichzelf te praten; evenzeer dient hij ook een dichterlijke oorspronkelijkheid in z’n ziel te hebben om uit datgene wat is, het totale en regelmatige te formeren.”

16 DECISIONISME  In het alledaagse leven moet het individu voortdurend keuzes maken.  Bij het maken van zwaarwegende keuzes (voor of tegen een bepaalde levensstijl: zus of zo te leven) ontdekt het individu zijn vrijheid.  Volgens Kierkegaard zijn er geen criteria voor het maken van keuzes.  Decisionisme > er zijn geen criteria voor het maken van de keuzes die een individu moet maken.  Iemand die criteria formuleert voor het maken van keuzes heeft zelf voor deze criteria gekozen, etc.  Probleem: op grond waarvan kunnen esthetische en ethische oordelen worden geveld?

17 2. WAARHEID EN AUTHENTICITEIT

18 WARE KENNIS  Kierkegaard stelt “Subjectiviteit is de waarheid.”  Hiermee wil hij zeggen dat iets voor het individu pas echt waar is wanneer dat individu zich de waarheid heeft eigen gemaakt, zich heeft toegeëigend.  In dat geval heeft de onzekerheid die altijd aan de objectieve kennis blijft kleven een plaats gekregen.  Kierkegaard omschrijft waarheid als volgt: “de objectieve onzekerheid, vastgehouden in de meest hartstochtelijke toe-eigening van de innerlijkheid, is de waarheid, de hoogste waarheid die er is voor een existerende.”

19 AUTHENTICITEIT  Wat betreft het geloof vindt Kierkegaard dat de eeuwige waarheid van het Christendom ook door het individu toegeëigend moet worden > het eeuwige (oneindig) krijgt zodoende een plek in het tijdelijke (eindige).  Het gaat er volgens Kierkegaard om de waarheid met heel het hart te accepteren, dat wil zeggen te verinnerlijken.  Dat is een kwestie van authenticiteit.  Authentiek leven betekent vooral het serieus nemen van de individuele ervaringen, met name een emotie als angst.

20 VREES EN ANGST  Kierkegaard maakt, net als veel andere denkers, een onderscheid tussen vrees en angst.  In tegenstelling tot de angst kenmerkt de vrees zich door een duidelijk object (bijvoorbeeld een gevaarlijk dier) of een specifieke situatie (zich in een lift bevinden).  Vrees > het object of de situatie waarop de emotie betrekking heeft staat iemand helder voor ogen.  Angst > het object of de situatie waarop de emotie betrekking heeft is geenszins te vatten.

21 VRIJHEID  Angst heeft betrekking op de relatie van het individu tot zichzelf.  Zo kan het individu zich verhouden tot de mogelijkheden die zouden kunnen worden gerealiseerd.  In de verhouding tot het eigen veld van mogelijkheden toont zich de vrijheid van het individu.  Angst is als het ware de ervaring van vrijheid.  Voor Kierkegaard is vrijheid niet de eenvoudige keuzevrijheid, zoals alledaagse keuzes die men moet maken: spinazie of spruitjes, bier of wijn, etc.  Vrijheid is een toestand waar het individu bereid is te kiezen voor deze of gene levensstijl.  In tegenstelling tot de alledaagse keuzes, is de keuze voor een bepaalde levensstijl angstwekkend, omdat er geen handvaten voor zijn.  Aangezien er geen criteria zijn om te bepalen wat een betere levensstijl is, moet het individu in alle eenzaamheid een sprong maken.

22 HET EEN OF HET ANDER  Kierkegaard relateert het vraagstuk van het maken van keuzes in zijn hoofdwerk Of/Of (Enten-eller) aan het kiezen tussen twee levensstijlen: 1. Een esthetische levensstijl. 2. Een ethische levensstijl.  In andere werken presenteert Kierkegaard in feite nog een derde mogelijkheid: de Christelijke levensstijl.  Deze levensstijlen zijn ideaaltypische constructies, omdat in de werkelijkheid allerlei mengvormen voorkomen.  De eventuele overgang van een esthetische naar een ethische levensstijl berust op een sprong.  Hij onderzoekt beide levensstijlen om het gewicht van het maken van keuzes duidelijk te maken.

23 EEN ESTHETISCHE LEVENSSTIJL  De esthetische levensstijl wordt gekarakteriseerd door een verfijnd en romantisch hedonisme.  De handelingen van het individu zijn vrijblijvend en louter gericht op lichamelijk of geestelijk genot.  Vanwege de egocentrische zoektocht naar genot, is degene die er een esthetische levensstijl op nahoudt niet in staat om goed met anderen te communiceren.  De vijanden van deze levensstijl > pijn (geen genot) en verveling (na het genot).  Het kost heel wat verleidingskunst om het genot te bevredigen.

24 LIJDEN EN VERLEIDEN  Het beroemdste deel van Kierkegaards ‘Of/Of’ heet ‘Het dagboek van een verleider’.  Daarin wordt in feite het type van de Don Juan opgevoerd als een manier hoe vorm gegeven kan worden aan een esthetische levensstijl.  Don Juan > een meester in het verleiden wiens liefde ophoudt zodra het object ervan is veroverd.  Iemand die als Don Juan de kunst van het verleiden verstaat, vertrouwt niet de natuurlijke loop der dingen en helpt de natuur een handje door andere mensen via intriges, slijmen, blikken, gespeelde passie en valse beloftes te manipuleren.  Het lijden dat verbonden is met het verleiden wordt zo verwoord: “Ik wil geen afscheid van haar nemen. Ik walg van vrouwentranen en vrouwensmeekbeden; ze veranderen alles en ze veranderen toch niets. Ik heb haar liefgehad, maar van nu af kan ze mijn ziel niet meer bezighouden.”

25 VERTWIJFELING  Het eindeloos zoeken naar nieuwe mogelijkheden voor genot, kan iemand tot wanhoop drijven; hij of zij kan zelfs vertwijfelen.  Vertwijfeling is volgens Kierkegaard het bewustzijn dat het genot niet eeuwig duurt ook al is dat het ideaal en zou dat de onrust die eigen is aan het leven misschien wel wegnemen.  In de vertwijfeling wordt iemand met een esthetische levensstijl bewust van zichzelf.

26 EEN ETHISCHE LEVENSSTIJL  De ethische levensstijl verrijkt het leven van een individu, hetgeen Kierkegaard illustreert aan de hand van het huwelijk: “Het huwelijk geeft de mens pas zijn positieve vrijheid, omdat deze verhouding zich kan uitbreiden over het gehele leven, zowel over het kleinste als over het grootste…het maakt hem vrij van mensen juist omdat het hem bindt aan een mens.”  In tegenstelling tot iemand met een esthetische levensstijl is iemand met een ethische levensstijl communicatief ingesteld, dat wil zeggen dat hij of zij daadwerkelijk open staat voor de ander.  De verplichtingen die het individu bij de ethische levensstijl aangaat zijn gericht op collectief gedeelde normen en waarden.  Daarbij vormt het geweten het verbindingsstuk tussen individu en maatschappij.

27 BEROUW  Omdat de paradox van individu en maatschappij niet kan worden opgeheven, worstelt het individu met berouw.  Waar iemand met een esthetische levensstijl vertwijfelt daar toont iemand met een ethische levensstijl berouw.  Aan de rouw ligt het bewustzijn ten grondslag dat de plicht niet optimaal kan worden vervuld.  Berouw is net als de vertwijfeling niet incidenteel (tijdelijk) maar existentieel (absoluut) van aard.

28 DRIE FASEN  Kierkegaard onderscheidt op grond van zijn reflecties drie stadia die iemand op zijn levensweg (Stadier paa Livets Vei) kan doorlopen: 1.Het esthetische stadium > genieten van het leven zonder veel verantwoordelijkheid te dragen. 2.Het ethische stadium > keuzes maken op grond van de verantwoordelijkheid die wordt genomen om zich te houden aan bepaalde principes. 3.Het religieuze stadium > accepteren dat er een keuze voor god moet worden gemaakt.  Het begrip stadium is enigszins misleiden, omdat het niet gaat om afgesloten fasen in iemands leven > iemand kan kiezen voor een stadium en erop terugkomen.

29 3.VOORBIJ HET FUNDAMENTALISME

30 HET RELIGIEUZE STADIUM  Het religieuze stadium wordt door Kierkegaard Christelijk ingevuld.  De echte gelovige verhoudt zich in absolute zin tot het absolute > niets anders dan zijn innerlijke overtuiging (dus niet het uiterlijk vertoon van de kerken) maakt dat het individu zich geheel overgeeft aan God.  ‘Hij of zij gaat er helemaal voor’, zou tegenwoordig worden gezegd.  Door het contact met het oneindige – geboden door god – kan een individu verzoend worden met het leven (en zijn droefenis over alles wat er is overwinnen).

31 CHRISTENDOM  Hegel > het Christendom is een fase in de religieuze en morele ontwikkeling van de mensheid.  Kierkegaard > het Christendom is iets waarvoor een individu kiest > het accepteren of verwerpen van het woord van God.  Dit veronderstelt het maken van een sprong en past niet bij de door Hegel veronderstelde continuïteit.  Religie wordt een kwestie van authenticiteit > gelooft het individu waarachtig in God?

32 VERRAAD  Een centrale vraag in het werk van Kierkegaard: wat betekent het om een waar Christen te zijn?  Het geloof kan niet afhankelijk zijn van de rationele criteria > geen ‘Vernunftreligion’.  De ultieme keuze voor God kan niet gebaseerd zijn op criteria.  De kerk verraadt het Christendom, omdat ze van dit al geen rekenschap geeft.  Het ware geloof heeft niets te maken met de uiterlijkheden van het instituut kerk.

33 GOD ALS LEERMEESTER  De waarheid is niet in de mens, maar moet tot hem worden gebracht door een leermeester.  God is de ultieme leermeester.  Derhalve is hij naar voren getreden via zijn zoon – Jezus – die de waarheid aan de mens openbaarde.  Een waar Christen zijn betekent dat een individu zich onderwerpt aan de autoriteit die aan hem of haar is geopenbaard in de Bijbel.

34 RELIGIEUZE TRANSCENDENTIE  Kierkegaard stelt tegenover de immanentie van de esthetische en ethische levensstijl de transcendentie van de religieuze levensstijl.  Religie transcendeert niet alleen de jacht op genot, maar ook de normen en normen die in een maatschappij bindende kracht hebben.  Het laatste maakt Kierkegaard duidelijk aan de hand van de onbegrijpelijke vraag van God om ethische conventies naast zich neer te leggen en voor hem te kiezen.  Voorbeeld: in de bijbel staat dat Abraham op Gods bevel zijn zoon Isaac dient te offeren.  De gehoorzaamheid ten opzichte van God transcendeert de collectief gedeelde normen en waarden in een maatschappij.

35 AANBEVOLEN LITERATUUR 1. Kierkegaard: Of/Of (1843) [vertaling uit het Deens]. 2. Kierkegaard: Het begrip angst (1844) [vertaling uit het Deens]. 3. Roland Barthes: Uit de taal van een verliefde [vertaling uit het Frans].


Download ppt "FILOSOFIE VAN DE 19e EEUW: INTELLECTUELE HELDEN & CRUCIALE KWESTIES."

Verwante presentaties


Ads door Google