De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

De presentatie wordt gedownload. Even geduld aub

Leesvaardig Examentraining. Tekstopbouw Een tekst bestaat uit drie delen: 1.Inleiding (meestal de eerste alinea) 2.Kern (middenstuk) 3.Slot (meestal de.

Verwante presentaties


Presentatie over: "Leesvaardig Examentraining. Tekstopbouw Een tekst bestaat uit drie delen: 1.Inleiding (meestal de eerste alinea) 2.Kern (middenstuk) 3.Slot (meestal de."— Transcript van de presentatie:

1 Leesvaardig Examentraining

2 Tekstopbouw Een tekst bestaat uit drie delen: 1.Inleiding (meestal de eerste alinea) 2.Kern (middenstuk) 3.Slot (meestal de laatste alinea)

3 Inleiding Een inleiding kan bestaan uit: Een kort grappig verhaal Een deskundige voorstellen Een samenvatting geven De aanleiding voor het schrijven van de tekst noemen Een korte geschiedenis van het onderwerp schetsen Een opvallend standpunt innemen Enkele belangrijke uitspraken over de tekst doen Aangeven wat het probleem of het onderwerp is dat wordt besproken

4 Slot Een slot kan bestaan uit: Het belangrijkste in de tekst samenvatten Een conclusie trekken Een advies geven Een nieuw gezichtspunt naar voren brengen Een voorspelling doen Een oproep aan de lezer doen Een waarschuwing geven

5 Citeren Als je volgens de opdracht iets moet citeren, betekent dat een stuk letterlijk uit de tekst overnemen. Als het om een lange zin gaat, mag je de eerste twee en de laatste twee woorden opschrijven. Ertussen zet je puntjes of t/m. Daar achter zet je de regelnummer(s). Bv: “Uit deze …… weerstand ontwikkelen” regel 20 – 22 of “Uit deze t/m weertand” regel Een geciteerd stuk uit de tekst noemen we een citaat.

6 Tekstdoelen Schrijvers kunnen verschillende bedoelingen met hun tekst hebben. De volgende tekstdoelen zijn mogelijk: Informeren Overtuigen (denken) Mening geven Tot handelen aansporen (je moet iets doen) Gevoelens tot uitdrukking brengen Adviseren Waarschuwen Amuseren

7 Deelonderwerpen Het middenstuk van een tekst beschrijft het onderwerp. Dit middenstuk is verdeeld in alinea’s. Het onderwerp van een tekst bestaat uit verschillende deelonderwerpen. In deelonderwerpen komen verschillende kanten van het onderwerp aan bod. In elke nieuwe alinea kan een nieuw deelonderwerp worden beschreven, maar het komt vaker voor dat verschillende alinea’s samen over een deelonderwerp gaan. Dan horen twee of drie alinea’s bij elkaar

8 Deelonderwerpen (vervolg) Bijvoorbeeld: het onderwerp van de tekst is doping in de sport. Het middenstuk kan dan zo zijn opgebouw: 1. De oorzaken van sportdoping - al 2 t/m 4 2. De soorten sportdoping - al 5 t/m 6 3. De gevolgen van doping - al 6 t/m 10 Boven elk deelonderwerp kun je een soort titel zetten. Dit noemen we een KOPJE

9 Hoofdgedachte De hoofdgedachte is van een tekst is het belangrijkste van het middenstuk (kern). De hoofdgedachte kun je samenvatten in één zin. Je moet bij het vaststellen van de hoofdgedachte goed nagaan of deze voor de hele tekst geldt. Vraag je zelf af: waar gaat het middenstuk over Alle deelonderwerpen (kopjes) vormen samen de hoofdgedachte Bij examenteksten hoef je nooit zelf een hoofdgedachte te bedenken. Je moet kiezen uit een aantal mogelijkheden. Meestal bevatten de foute antwoorden de hoofdgedachte van een deel van de tekst en niet van de hele tekst.

10 Publiek Een tekst is voor een bepaald publiek bestemd. Uit het onderwerp van de tekst kun je vaak afleiden voor wie de tekst bestemd is. Voorbeelden: Een tekst over rollators is voor ouderen Een tekst over discotheken is voor mensen tussen de 18 en 40 jaar Een tekst over de middelbare school is voor jongeren tussen de 12 en 18 jaar

11 Alineaverbanden Het middenstuk van een tekst bestaat uit alinea’s. Die alinea’s hebben vaak verband met elkaar. De belangrijkste alinea verbanden zijn: Tegenstelling: wat in de ene alinea staat vormt een tegenstelling met de andere Opsomming: twee of meer alinea’s vormen een opsomming, b.v. eerst een voorbeeld noemen en in de volgende alinea nog één Oorzaak: een alinea noemt een oorzaak van wat er in een vorige alinea is verteld Gevolg: een alinea noemt een gevolg van wat er in de vorige alinea is beschreven Voorbeeld: een alinea noemt een voorbeeld bij wat er in een vorige alinea is beschreven

12 Alineaverbanden (vervolg) Uitleg: een alinea geeft een uitleg bij een vorige alinea Uitwerking: een alinea werkt verder uit (gaat er verder op door) Reden: een alinea noemt een reden bij het gestelde in de vorige alinea Argument: een alinea noemt een argument bij het gestelde in de vorige alinea Conclusie: een alinea noemt een conclusie bij wat er eerder is verteld Samenvatting: een alinea geeft een samenvatting van wat eerder is beschreven

13 Signaalwoorden bij alineaverbanden Tegenstelling: maar, echter, integendeel, enerzijds… anderzijds Opsomming: en, ook bovendien, verder, nog, daarnaast, ten eerste, ten tweede Oorzaak: daardoor, zodat, waardoor, dat komt door Gevolg: het gevolg is, dat leidt ertoe dat, hierdoor Voorbeeld: bijvoorbeeld, zo

14 Signaalwoorden bij alineaverbanden (vervolg) Uitleg: met andere woorden, dat zit zo in elkaar Uitwerking: als we dat nader bekijken, verder Reden: omdat, want, dus, daarom, de reden is Argument: een argument hier voor is, de reden is, omdat, want Conclusie: dus, concluderend, alles overziend, alles op een rijtje gezet Samenvatting: kortom, samenvattend

15 Feit, mening en argument In teksten kunnen feiten en meningen voorkomen. 1.Feiten zijn zaken die controleerbaar zijn en los staan van een persoonlijke mening over iets. 2.Meningen geven aan wat iemand van iets vindt. Soms zijn meningen vermomd als feiten. Als iemand schrijft “Die cd is prachtig”, lijkt dit een feit, maar het is een mening, want anderen kunnen die cd niet prachtig vinden.

16 Feit, mening en argument (vervolg) In teksten kunnen meningen op verschillende manieren gebruikt worden: 1.De schrijver geeft alleen zijn eigen mening 2.De schrijver beschrijft de mening van anderen 3.De schrijver geeft zijn eigen mening en die van anderen Als iemand een mening over iets heeft, kan hij uitleggen waarom hij er zo over denkt. Hij geeft een reden. Een ander woord voor reden is argument.

17 Beeld en opmaak Een afbeelding (illustratie) bij een tekst kan verschillende functies hebben. De belangrijkste zijn: 1.De afbeelding trekt de aandacht en is alleen versiering. 2.De afbeelding helpt je bij het beter begrijpen van de tekst, maar je kunt de tekst ook begrijpen zonder de afbeelding 3.De afbeelding is nodig om de tekst te begrijpen 4.De afbeelding voegt inhoudelijk iets nieuws toe aan de tekst: de afbeelding Laat iets zien wat niet in de tekst is besproken

18 Beeld en opmaak (vervolg) De opmaak van teksten kan erop gericht zijn de aandacht van de lezer te trekken. Dit kan op de volgende manieren: 1.Opvallende en verschillende lettertypes gebruiken. 2.Opvallende foto’s of tekeningen gebruiken 3.Een opvallende tittel of kop gebruiken


Download ppt "Leesvaardig Examentraining. Tekstopbouw Een tekst bestaat uit drie delen: 1.Inleiding (meestal de eerste alinea) 2.Kern (middenstuk) 3.Slot (meestal de."

Verwante presentaties


Ads door Google